Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:6810

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-06-2016
Datum publicatie
13-09-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1076
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ZW; geen hoorzitting; geen spreekuur in bezwaar; ongegrond.

Wetsverwijzingen
Ziektewet 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/1076

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.E. Zalm),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: drs. P.F.G. Hermans).

Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij vanaf de datum van zijn ziekmelding van 16 november 2015 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

Bij besluit van 15 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2016. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser werkte voorheen als exportmedewerker voor gemiddeld 38 uren per week en heeft zich op 19 november 2015 ziek gemeld vanuit de situatie waarin hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontving. Eiser stelt last te hebben van een middelvinger die niet helemaal wilde strekken, beide polsen, slijtageklachten aan de heupen, linkerschouder en linkerknie en verder heeft hij in 2008 een beroerte (cva) doorgemaakt, als gevolg waarvan hij medicatie gebruikt die mogelijk beperkende bijwerkingen geeft.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn in het primaire besluit ingenomen standpunt gehandhaafd dat bij eiser geen medisch objectiveerbare afwijkingen konden worden vastgesteld waaruit per 16 november 2015 beperkingen voor het verrichten van het eigen werk voortvloeien.

3. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen, omdat hij zich niet in staat acht het eigen werk te doen. Eiser voelt zich niet serieus genomen door de verzekeringsarts die hem heeft onderzocht. Zijn beperkingen zijn onderschat. Verder heeft verweerder er ten onrechte vanaf gezien om eiser voor een hoorzitting uit te nodigen, nu zijn gemachtigde in een brief van 18 december 2015 aan verweerder heeft laten weten dat hij prijs stelde op een hoorzitting. Voorts had de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) eiser moeten uitnodigen voor een medisch spreekuuronderzoek in bezwaar.

4.1.

In artikel 19, eerste lid, van de ZW is bepaald dat iemand recht heeft op ziekengeld als hij als gevolg van ziekte of gebreken niet geschikt is voor het verrichten van het eigen werk. De ongeschiktheid om te werken moet rechtstreeks het gevolg zijn van ziekte of gebreken en dat moet objectief medisch vastgesteld kunnen worden. Met het eigen werk wordt bedoeld: het laatste voor de ziekmelding feitelijk verrichte werk. Hierover is rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), onder meer de uitspraak van 19 juni 2013, te vinden op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:CRVB:2013:CA3756. Als iemand voorafgaand aan zijn ziekmelding werkloos was, dan is het eigen werk het werk dat iemand deed voordat hij werkloos werd. Gekeken wordt dan naar de werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor dit werk. Dit is bepaald in artikel 19, vijfde lid, van de ZW.

4.2.

Om te kunnen bepalen of iemand geschikt of ongeschikt is voor het eigen werk, wordt die persoon medisch onderzocht door een verzekeringsarts of een bedrijfsarts in dienst van verweerder. De verzekeringsarts of bedrijfsarts rapporteert aan verweerder over de vraag of er nog recht bestaat op een ZW-uitkering. In de bezwaarfase beoordeelt de verzekeringsarts b&b of de bevindingen van de eerste verzekeringsarts of bedrijfsarts stand kunnen houden. Ook de verzekeringsarts b&b kijkt daarbij naar de datum van de stopzetting van de ZW-uitkering. Deze datum wordt ‘de datum in geding’ genoemd.

4.3.

De rechtbank moet aan de hand van de beroepsgronden beoordelen of het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en of het standpunt van verweerder met betrekking tot de geschiktheid van eiser voor het eigen werk per de datum in geding (16 november 2015) juist is.

5. Wat betreft het betoog van eiser dat ten onrechte geen hoorzitting in de bezwaarfase is gehouden, overweegt de rechtbank dat verweerder eiser bij brief van 23 december 2015 in de gelegenheid heeft gesteld om tot 30 december 2015 kenbaar te maken of hij van het recht op een hoorzitting gebruik wil maken. Eiser heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. De ontvangst van de brief van 23 december 2015 wordt door hem niet betwist. Gelet daarop en op het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht mocht verweerder naar het oordeel van de rechtbank afzien van het houden van een hoorzitting. Dat de gemachtigde van eiser in zijn stelbrief van 18 december 2015 heeft aangegeven dat eiser ‘in principe’ prijs stelt op een hoorzitting, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft de gemachtigde van eiser immers met de brief van vijf dagen later gevraagd of dat principe ook in onderhavig geval opgaat. De gemachtigde van eiser heeft op deze brief niet gereageerd. De beroepsgrond faalt.

6.1.

De (primaire) verzekeringsarts Schonagen heeft dossierstudie verricht en eiser op het spreekuur van 7 december 2015 lichamelijk en psychisch onderzocht. Deze arts concludeert dat bij eiser geen sprake is van duidelijke afwijkingen die hem belemmeren in het verrichten van het eigen werk.

De flexie van de heupen is licht beperkt na de heupoperaties in 2010. De heupfunctie is echter goed, hooguit zijn er beperkingen ten aanzien van extremere belasting daarvan, zoals bij springen. De middelvinger is licht beperkt ten aanzien van actief strekken, kan normaal buigen en geeft geen arbeidsbeperkingen. Het doorgemaakte cva levert evenmin beperkingen op, nu eiser nadien nog jaren heeft gewerkt en dit een stationaire medische situatie betreft. De conclusie is derhalve dat eiser per 16 november 2015 doorlopend geschikt is voor de maatgevende arbeid.

6.2.

Naar aanleiding van het bezwaar heeft de verzekeringsarts b&b Momberg een rapport uitgebracht, gebaseerd op dossieronderzoek. De verzekeringsarts b&b onderschrijft de beoordeling van de belastbaarheid door de (primaire) verzekeringsarts. Zij overweegt daartoe dat de (primaire) verzekeringsarts alle klachten van eiser heeft geïnventariseerd en in gericht onderzoek aan lichaam en geest heeft betrokken. Hieruit zijn geen arbeidsbeperkingen af te leiden. De verzekeringsarts b&b is daarom, net als de (primaire) verzekeringsarts, tot de conclusie gekomen dat eiser per 16 november 2015 geschikt is voor zijn eigen arbeid.

6.3.

De rechtbank is, anders dan eiser heeft betoogd, van oordeel dat het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen op zorgvuldige wijze is uitgevoerd. Uit de rapportages van de artsen blijkt dat zij aandacht hebben besteed aan alle klachten van eiser. De primaire verzekeringsarts heeft dossieronderzoek gedaan en eiser zowel lichamelijk als psychisch onderzocht. Ook de verzekeringsarts b&b heeft dossieronderzoek gedaan. Dat de verzekeringsarts b&b eiser niet op het spreekuur heeft gezien, leidt niet tot een ander oordeel. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) betekent de enkele omstandigheid dat een verzekeringsarts b&b heeft volstaan met dossieronderzoek en dat een zelfstandig medisch onderzoek van een verzekerde achterwege is gebleven niet dat reeds daarom sprake is van onzorgvuldige besluitvorming (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 3 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9456). In dit geval neemt de rechtbank daarbij in overweging dat eiser wel op het spreekuur van de (primaire) verzekeringsarts is gezien en dat hij in bezwaar geen nieuwe medische gegevens heeft overgelegd. Daarnaast achtte de verzekeringsarts b&b het blijkens de rapportage van 13 januari 2016 niet noodzakelijk om eiser op het spreekuur te zien.

6.4.

Voorts ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het medisch oordeel onjuist moet worden geacht. Uit de onderzoeken van de verzekeringsartsen zijn voldoende gegevens naar voren gekomen om tot een afgewogen oordeel omtrent eisers belastbaarheid te kunnen komen. Daarbij komt dat eiser geen objectief medische informatie in het geding heeft gebracht op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de juistheid van de beoordeling door de verzekeringsartsen. Uit een in beroep overgelegd bericht van orthopedisch chirurg [persoon 1] van 5 april 2016 aan eisers huisarts blijkt dat op 5 april 2016 sprake is van een licht verhoogde bloedcobaltwaarde bij eiser. Zonder nadere toelichting van eiser, die ontbreekt, ziet de rechtbank niet in hoe daaruit consequenties voor de beoordeling van eisers geschiktheid voor het eigen werk op 16 november 2015 voortvloeien. Dit laatste geldt ook ten aanzien van het in beroep in geding gebrachte rapport van radioloog [persoon 2] van 5 januari 2016. Blijkens dat rapport zijn minimale degeneratieve veranderingen waargenomen aan eisers linkerschouder en linkerknie, maar dit betekent niet zonder meer dat de bevindingen van de verzekeringsartsen geen stand kunnen houden. De (primaire) verzekeringsarts heeft namelijk geen bewegingsbeperkingen aan knieën en schouders kunnen vaststellen en daar doet het rapport van de radioloog niet aan af.

7. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de medische beoordeling een toereikende onderbouwing van het bestreden besluit vormt. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat eiser met ingang van 16 november 2015 in staat moet worden geacht de eigen arbeid te verrichten. Voor toekenning van de door eiser gevraagde schadevergoeding bestaat dan ook geen rechtsgrondslag.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.X. Cozijn, rechter, in aanwezigheid van J.A. de Kievit-Tempels, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.