Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:6772

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-06-2016
Datum publicatie
01-07-2016
Zaaknummer
C/09/16/146 R
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek bewindvoerder om tussentijdse beëindiging. Belastingschuld ca. € 24.000 hoger dan bij toelating gemeld. Afwijzing. Schuldenares heeft erkend dat zij jarenlang de kinderopvangtoeslag niet heeft

stopgezet, maar belastingdienst zou vele herstelaanslagen hebben opgestuurd, waarmee eerdere vorderingen en/of toeslagen werden verrekend. Uitblijven toelichting door belastingdienst. Wat hier ook van zij, bij de 285-verklaring zat een overzicht van 30 oktober 2014 waarin de schuld van

€ 10.000,-- is vermeld. Het had bij de toelating op de weg van de rechtbank gelegen te bepalen of dit document recent genoeg was om een oordeel te kunnen vormen over de goede trouw. Op grond van voormeld overzicht heeft de rechtbank zich een oordeel gevormd over de goede trouw en schuldenares toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Op dat oordeel kan nu niet meer worden teruggekomen.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer

Vonnis van 16 juni 2016

in de schuldsaneringsregeling van:

[schuldenares]x,
geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] (Congo),
wonende te [postcode, adres en woonplaats].
Bongole Heymerikx zal hierna worden aangeduid als ‘schuldenares’.

1 Verloop van de procedure

1.1

Ten aanzien van schuldenares is bij vonnis van 15 maart 2016 de schuldsaneringsregeling uitgesproken, met benoeming van mr. G.H.M. Smelt tot rechter-commissaris. Mr. J. Perez Herrera (Koppelman & Perez Bewindvoering), kantoorhoudende te Zuidland, is benoemd tot bewindvoerder.

1.2

Op 5 april 2016 heeft de bewindvoerder een verzoek ingediend strekkende tot voortijdige beëindiging van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in artikel 350 van de Faillissementswet (Fw). De rechter-commissaris heeft te kennen gegeven dit verzoek te ondersteunen.

1.3

De bewindvoerder heeft zijn verzoek gegrond op de volgende feiten en omstandigheden. Er zijn diverse schulden ingediend die niet bekend waren bij toelating. Daarnaast heeft de belastingdienst een vordering ingediend van € 34.032,20. Dit betreft kinderopvangtoeslag van 2008 en 2010 tot en met 2013. Bij toelating heeft schuldenares aangegeven dat het om € 10.000,-- zou gaan. Schuldenares heeft geen sluitende verklaring kunnen overleggen voor dit grote verschil.

1.4

Vooruitlopend op de mondelinge behandeling als bedoeld in artikel 350 lid 2 Fw heeft de bewindvoerder de rechtbank bij e-mail van 6 juni 2016 geïnformeerd over de laatste stand van zaken.

1.5

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 9 juni 2016. Bij die gelegenheid zijn verschenen:

- schuldenares, alsmede haar advocaat mr. N. Majid;
- de bewindvoerder.

1.6

De rechtbank heeft hierna vonnis bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Van personen ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling van toepassing is, mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om te voldoen aan de daaraan verbonden verplichtingen en dat zij de uitvoering van de regeling door doen of nalaten

ook niet anderszins belemmeren dan wel frustreren. Niet nakoming van één of meer van deze verplichtingen kan leiden tot een voortijdige beëindiging van de regeling.

2.2

Op grond van artikel 350 lid 3, aanhef en onder f, Fw kan de schuld-

saneringsregeling tussentijds worden beëindigd indien feiten en omstandigheden

bekend worden die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating

tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het

verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288, eerste en tweede lid, Fw. Op grond van

artikel 288, eerste lid onder b, Fw wordt het toelatingsverzoek slechts toegewezen

indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of

onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het

verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

2.3

Ter beoordeling staat of de verwijten vermeld bij rechtsoverweging 1.3 gegrond zijn en zo ja, of dit moet leiden tot de beëindiging van de schuldsaneringsregeling die de bewindvoerder heeft verzocht. Met name moet de rechtbank beoordelen of schuldenares een verwijt kan worden gemaakt dat zij bij de toelating niet heeft gemeld dat de schuld aan de belastingdienst niet € 10.000,-- bedroeg, maar € 34.032,20. Als de rechtbank toen namelijk op de hoogte was geweest van dat laatste bedrag, had de rechtbank kunnen (en moeten) beoordelen of schuldenares (ook) ten aanzien van dit hogere bedrag te goeder trouw is geweest in de zin van 288, eerste lid onder b, Fw. De rechtbank oordeelt dat de gang van zaken niet (geheel) aan schuldenares kan worden toegerekend, en overweegt daartoe als volgt.

2.4

Blijkens de feuille van de toelatingszitting heeft schuldenares toen onder andere verklaard dat zij het geld van de belastingdienst voor de kinderopvang niet heeft ontvangen. Bij de onderhavige zitting heeft zij dat herhaald, waarbij zij heeft uitgelegd dat de belastingdienst destijds vele malen nieuwe (herstel)aanslagen heeft opgestuurd, waarmee eerdere vorderingen en/of toeslagen werden verrekend. Toen zij het overzicht kwijtraakte en er zelf niet meer uitkwam, heeft zij hulp bij de schuldhulpverlening van de gemeente gezocht. Deze verklaring komt de rechtbank in zoverre aannemelijk voor, dat het begrijpelijk is dat schuldenares het overzicht verloor en de inventarisatie aan de schuldhulpverlening overliet. Wel blijft onduidelijk waaraan schuldenares het geld van de toeslagen destijds heeft besteed. Op enig moment moet zij de toeslagen hebben ontvangen, omdat anders latere verrekening niet nodig en mogelijk is. Daarnaast had zij kunnen bedenken dat de schuld hoger zou uitvallen. Schuldenares heeft immers erkend dat zij had nagelaten de toeslag stop te zetten. Hierdoor is de toekenning van de toeslag jarenlang doorgegaan, waardoor de bedragen kennelijk fors opliepen. Anderzijds is aannemelijk dat schuldenares de precieze gang van zaken niet kon doorgronden, aangezien ook nu noch haar advocaat, noch de bewindvoerder de herhaaldelijk gevraagde toelichting van de belastingdienst heeft gekregen.

Wat er ook zij van voormelde onduidelijkheden en de verwijtbaarheid van schuldenares, bij de zogenoemde “285-verklaring” is een overzicht gevoegd van de belastingdienst van 30 oktober 2014 waarin de schuld van € 10.000,-- is vermeld. Het had op de weg van de rechtbank ten tijde van de behandeling van het toelatingsverzoek gelegen te bepalen of dit document recent genoeg was om een oordeel te kunnen vormen over

de goede trouw. De rechtbank had een recenter stuk kunnen verlangen van schuldenares, maar heeft kennelijk geen aanleiding daarvoor gezien. Op grond van voormeld overzicht heeft de rechtbank zich een oordeel gevormd over de goede trouw en schuldenares

toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Op dat oordeel kan nu niet meer worden teruggekomen.

2.5

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de

bewindvoerder tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen.

3 De beslissing:

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling van B. Heymerikx voornoemd.

Gewezen door mr. M.M.F. Holtrop, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

16 juni 2016 in aanwezigheid van R. Becker, griffier.

Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.