Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:6741

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
21-06-2016
Zaaknummer
C/09/496860 / FA RK 15-7467
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eindbeschikking gezag, omgang en alimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 15-7467

Zaaknummer: C/09/496860

Datum beschikking: 7 juni 2016

Gezag, omgang en alimentatie

Beschikking op het op 24 september 2015 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: voorheen mr. T. van den Bout, thans dr. mr. D.J.B. Bosscher te Haarlem.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. M.K. de Menthon Bake te Den Haag.

[de partner van de vader] ,

de partner van de vader,

wonende te [woonplaats] .

Procedure

Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 22 april 2016 is – voor zover hier aan de orde – :

- aan de moeder vervangende toestemming verleend – welke die van de vader vervangt – om met de minderjarige [de minderjarige] , geboren op

[geboortedatum] , op vakantie te gaan naar de Verenigde Staten van Amerika in de periode van 2 mei 2016 tot en met 14 mei 2016;

  • -

    bepaald dat de vader, ten behoeve van voornoemde reis, uiterlijk bij de overdracht van de minderjarige op 1 mei 2016 het geldige Nederlandse paspoort dan wel de geldige Nederlandse identiteitskaart en het geldige Amerikaanse paspoort van de minderjarige aan de moeder dient af te geven;

  • -

    bepaald dat de minderjarige in de periode vanaf 22 april 2016 tot en met

10 juni 2016 volgens onderstaande verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de vader en de moeder zal zijn:

o van vrijdag 15 april 2016 tot en met vrijdag 22 april 2016 bij de vader;

o van vrijdag 22 april 2016 tot en met vrijdag 29 april 2016 bij de moeder;

o van vrijdag 29 april 2016 tot zondagavond 1 mei 2016 bij de vader, waarbij de vader de minderjarige na terugkomst van de voetbalwedstrijd Heracles-ADO Den Haag op 1 mei 2016 bij de moeder brengt;

o van zondagavond 1 mei 2016 tot en met zondag 15 mei 2016 12.00 uur bij de moeder;

o van zondag 15 mei 2016 12.00 uur tot en met vrijdag 20 mei 2016 bij de vader;

o van vrijdag 20 mei 2016 tot en met vrijdag 27 mei 2016 bij de moeder;

o van vrijdag 27 mei 2016 tot en met vrijdag 3 juni 2016 bij de vader;

o van vrijdag 3 juni 2016 tot en met vrijdag 10 juni 2016 bij de moeder;

waarbij ten aanzien van de overdracht op vrijdag geldt dat deze na school plaatsvindt of, als de school gesloten is, om 17.30 uur op de [adres] ;

- het verzoek van de moeder om een dwangsom te verbinden aan afgifte door de vader van het geldige Nederlandse paspoort dan wel de geldige Nederlandse identiteitskaart en het geldige Amerikaanse paspoort van de minderjarige afgewezen.

Iedere verdere beslissing ten aanzien van de overige verzoeken is aangehouden.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

Gezag

Primair wijziging gezag

De moeder verzoekt primair om wijziging van het gezag aldus, dat zij met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] wordt belast. De moeder stelt daartoe dat het Hof Den Haag bij zijn beschikking van 25 april 2012 van zodanige onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, althans dat de omstandigheden sinds die beschikking zodanig zijn gewijzigd, dat de destijds getroffen gezagsvoorziening – waarbij de vader is belast met het eenhoofdig gezag – dient te worden gewijzigd, in die zin dat zij met het eenhoofdig gezag wordt belast. De moeder voert hiertoe – verkort weergegeven – het volgende aan. Het Hof heeft ten onrechte aangenomen dat de vader meer zou openstaan voor de invulling van een gelijkwaardig ouderschap en de bevordering van de banden tussen haar en [de minderjarige] dan dat zij zou openstaan voor bevordering van de banden tussen de vader en [de minderjarige] . De sinds de beschikking van het Hof verstreken periode laat zien dat de vader niet open staat voor, althans niet in staat is tot de invulling van een gelijkwaardig ouderschap en de bevordering van de banden tussen [de minderjarige] en de moeder. De vader behandelt de moeder niet als mede-ouder van [de minderjarige] . De verstandhouding tussen de ouders was al ernstig verstoord, maar is sinds genoemde beschikking van het Hof alleen maar verder verslechterd nu de vader niet bereid is gebleken om met de moeder te werken aan het verbeteren van hun verstandhouding en van hun disfunctionele communicatie. De houding en het gedrag van de vader (jegens de moeder) staat het normaliseren van de relatie tussen de ouders in de weg. De problemen die zij ondervinden in hun samenwerking als ouders van [de minderjarige] zijn niet verminderd; de strijd tussen de ouders is geïntensiveerd. De vader misbruikt het eenhoofdig gezag om (ongerechtvaardigde) controle uit te oefenen op de moeder en de omgang tussen [de minderjarige] en de moeder. Hij is niet bereid gebleken tot de compromissen die nodig zijn om uitvoering te kunnen geven aan de door het Hof geformuleerde uitgangspunten ten aanzien van de omgangsregeling. De conflicten tussen de ouders hebben hun weerslag op [de minderjarige] . Bovendien had en heeft de moeder zorgen over het welzijn van [de minderjarige] vanwege het gedrag van de vader en zijn strafrechtelijk verleden. Gelet op dit strafrechtelijk verleden van de vader had aan de gezagsbeslissing van het Hof een grondige risicotaxatie moeten voorafgaan, aldus de moeder.

De moeder is, anders dan de vader, wél in staat om gelijkwaardig ouderschap te bevorderen. Daarom dient zij met het eenhoofdig gezag te worden belast in plaats van vader. De situatie waarin [de minderjarige] zich bevindt, kan dan ten positieve worden gekeerd. Als de moeder wordt belast met het eenhoofdig gezag zal het belang van [de minderjarige] weer centraal komen te staan. De vader zal weer compromisbereidheid moeten tonen en zich moeten inzetten voor een behoorlijke communicatie over aangelegenheden die [de minderjarige] betreffen, waardoor de kans toeneemt dat de ouders in onderling overleg tot afspraken kunnen komen. De moeder is bereid rekening te houden met de wensen en verlangens van de vader en is tot het sluiten van een compromis in staat. De moeder communiceert op respectvolle wijze en doet voorstellen om te komen tot normalisering van de relatie als ouders en om gerezen geschillen in onderling overleg op te lossen.

De vader betwist hetgeen de moeder stelt. De vader stelt dat het Hof destijds gegronde redenen had om hem het eenhoofdig gezag toe te kennen. Na de beschikking van het Hof van 25 april 2012 is de proceshouding van de moeder ongewijzigd gebleven en is de strijd van de moeder tegen de vader geïntensiveerd. De gronden waarop het Hof aan de vader het eenhoofdig gezag heeft toegekend zijn nog steeds aanwezig. De vader stelt verder dat de problemen die er thans (nog altijd) zijn in de communicatie tussen de ouders, niet het gevolg zijn van de eenhoofdige gezagsuitoefening over [de minderjarige] door de vader. Ook indien het eenhoofdige gezag niet bij vader zou rusten, zouden deze problemen er zijn. [de minderjarige] is gebaat bij rust en stabiliteit bij de uitoefening van het gezag en het is niet gebleken dat de vader het gezag over [de minderjarige] verkeerd, of op een wijze die strijdig is met dit belang, uitoefent. Volgens de vader geeft de moeder onvoldoende aan wat de noodzaak is om haar het eenhoofdig gezag op te dragen en welke rol zij dan voor de vader ziet in [de minderjarige] toekomst. Gelet op het voorgaande is er dan ook geen reden om het eenhoofdig gezag van de vader te wijzigen, aldus de vader.

De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:253o van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen beslissingen waarbij een ouder alleen met het gezag is belast op verzoek van de ouders of één van hen door de rechtbank worden gewijzigd op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De situatie dient sinds de uitspraak zodanig te zijn veranderd dat het niet langer in het belang van het kind is om het eenhoofdig gezag te handhaven.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende vast is komen te staan dat het Hof bij zijn beschikking van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank is voorts van oordeel dat er geen sprake is van een wijziging van omstandigheden die in het belang van [de minderjarige] tot een wijziging van het gezag dient te leiden. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. Het Hof heeft bij zijn beschikking van 25 april 2012 overwogen dat er – gelet op de voortdurende en intensiverende strijd tussen de ouders – een onaanvaardbaar risico bestaat dat [de minderjarige] klem of verloren zal raken tussen zijn ouders, waardoor gezamenlijk gezag niet langer uitvoerbaar is. Ten tijde van voornoemde beschikking was er al enige tijd sprake van een ernstig verstoorde verstandhouding tussen de ouders en werd deze situatie al als bestendig beschouwd. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is thans gebleken dat de verstandhouding tussen de ouders sindsdien niet is verbeterd, maar verder is verslechterd. De ouders zijn onverminderd doorgegaan met het voeren van procedures, onder meer ten aanzien van (de uitvoering van) de omgangsregeling, buitenlandse reizen van de moeder met [de minderjarige] en aanverwante kwesties. Hierbij diskwalificeren zij elkaar over en weer veelvuldig als ouder en uiten zij beiden zorgen over de veiligheid in de opvoedingssituatie van de andere ouder. Beide ouders zijn er stellig van overtuigd dat de andere ouder een bedreiging vormt voor [de minderjarige] . De ouders schuwen niet om elkaar te beschuldigen van seksueel grensoverschrijdend gedrag dan wel kindermishandeling. Gelet op de immer voortdurende intensieve strijd tussen de ouders, acht de rechtbank niet aannemelijk dat een wijziging van het gezag over [de minderjarige] , zoals door de moeder verzocht, er toe zal leiden dat de ouders hun strijd zullen staken of dat de situatie zal verbeteren. De strijd tussen partijen vloeit voor een belangrijk deel voort uit de strijd om de (uitvoering van de) omgangsregeling. De rechtbank verwacht daarom dat iedere gezagsverhouding (enige vorm van) strijd zal opleveren tussen de ouders. Hierbij merkt de rechtbank op dat niet is gebleken dat de vader zijn gezag – anders dan het (met de moeder) in stand houden van het conflict – op een wijze heeft ingevuld die strijdig is met het belang van [de minderjarige] . Uit het door de moeder genoemde strafrechtelijk verleden van de vader blijkt dit in ieder geval niet.

De moeder heeft een algemeen bewijsaanbod gedaan, meer in het bijzonder door het overleggen van de sinds 25 april 2012 tussen partijen gevoerde correspondentie en de procesdossiers van de sinds 25 april 2012 gevoerde procedures, om daarmee aan te tonen – kort gezegd – de volgens de moeder starre, dwingende en niet-meewerkende houding van de vader, die niet het belang van [de minderjarige] dient.

De rechtbank passeert dit bewijsaanbod. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat, ook indien de rechtbank de houding van de vader (op momenten) als niet meewerkend, star of dwingend zou kwalificeren, dit niet zou leiden tot een ander oordeel van de rechtbank ten aanzien van het gezag. Immers, beslissend voor het oordeel om al dan niet tot wijziging van het gezag te komen acht de rechtbank de vraag of een wijziging in de gezagsverhouding het conflictgedrag van partijen zou doen verminderen. Niet te verwachten valt dat dergelijk gedrag zich laat beïnvloeden door een wijziging in de gezagsverhouding. Overigens is het bewijsaanbod onvoldoende specifiek, nu de moeder aanbiedt alle correspondentie en processtukken van de afgelopen drie jaar over te leggen zonder concreet aan te geven van welke concrete feiten en omstandigheden zij bewijs aanbiedt en uit welke stukken dat zou blijken.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder op dit punt dan ook afwijzen.

Subsidiair beëindiging gezag van de vader

De moeder heeft ter zitting haar verzoek gewijzigd, in die zin dat zij thans subsidiair verzoekt om het gezag van de vader te beëindigen.

Op grond van artikel 1:267 BW kan beëindiging van het gezag worden uitgesproken op verzoek van 1) de Raad voor de Kinderbescherming, 2) het Openbaar Ministerie of 3) degene die niet de ouder is en de minderjarige gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, indien de Raad voor de Kinderbescherming niet tot een verzoek overgaat. Bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad kunnen de rechter niet om gezagsbeëindiging verzoeken. De rechtbank zal de moeder dan ook niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek tot beëindiging van het gezag van de vader.

Omgangsregeling

De vader stelt dat de huidige omgangsregeling – vanwege het gedrag van de moeder – niet langer in het belang van [de minderjarige] kan worden geacht. Volgens de vader is er sprake van een evident disfunctioneel co-ouderschap en is er na zes jaar geen zicht meer op verbetering van deze situatie. De moeder is niet in staat haar strijd tegen de vader te staken, wat schadelijk is voor de ontwikkeling van [de minderjarige] . Door haar (negatieve) houding en gedrag en de loyaliteitsdruk die zij op [de minderjarige] legt, biedt de moeder [de minderjarige] niet langer een stabiele en veilige omgeving waarin hij zijn persoonlijkheid kan ontwikkelen. De vader stelt voorts dat hij aanwijzingen heeft dat de moeder [de minderjarige] emotioneel en fysiek mishandelt.

De vader wenst de huidige omgangsregeling te wijzigen naar een regeling waarbij [de minderjarige] een weekend in de veertien dagen bij zijn moeder verblijft. De vader is van mening dat een weekendregeling [de minderjarige] meer rust en duidelijkheid geeft door een stabiele basis in het gezin van de vader waarbij er evenzoveel ruimte blijft als in de huidige situatie voor reizen met de moeder en contact onderhouden met zijn Amerikaanse familie in de vakanties.

De moeder betwist hetgeen de vader stelt. Volgens de moeder is niet gebleken van (rechtens relevante) gewijzigde omstandigheden. Evenmin is er volgens de moeder bij het nemen van de omgangsbeslissing(en) van onjuiste of onvolledige gegevens uitgegaan. Volgens de moeder zijn er geen contra-indicaties die het handhaven van de geldende omgangsregeling in de weg staan. In de situatie bij de moeder is onverminderd sprake van een duidelijke, geborgen, stabiele en veilige situatie, waarin [de minderjarige] zijn persoonlijkheid positief kan ontwikkelen. Door een weekendregeling zal de tussen de moeder en de minderjarige ontstane gehechtheid en geborgenheid wijzigen en zal schade worden toegebracht aan de ontwikkeling van de minderjarige (in de Amerikaanse cultuur). Deze sterke beperking van de omgang tussen [de minderjarige] en de moeder is niet in het belang van [de minderjarige] , aldus de moeder.

De rechtbank ziet in hetgeen is aangevoerd geen wijziging van omstandigheden die aanleiding geeft om de huidige omgangsregeling te wijzigen. Noch voor de beschuldigingen van de moeder jegens de vader over mogelijk seksueel grensoverschrijdend gedrag noch voor de beschuldigingen van de vader jegens de moeder over structurele kindermishandeling zijn er voldoende concrete aanwijzingen. De rechtbank is dus niet in staat om de door de ouders gestelde zorgen te bevestigen en (één van hen) in het gelijk te stellen op dit punt. Hierin is derhalve geen wijziging van omstandigheden gelegen, die in het belang van [de minderjarige] tot wijziging van de omgangsregeling noopt. Zoals in het voorgaande is overwogen, is er verder (nog steeds) sprake van een voortdurende strijd tussen de ouders, waarbij zij over en weer de nodige beschuldigingen uiten. Deze – al geruime tijd bestendige – situatie ligt ten grondslag aan de verschillende beschikkingen met betrekking tot de (uitvoering van) de omgangsregeling, waaronder de beschikking van het Hof van 25 april 2012, de beschikking van deze rechtbank van 22 mei 2013 en de beschikking van het Hof van 22 april 2015. De rechtbank verwacht niet dat wijziging van de huidige omgangsregeling ertoe zal leiden dat partijen hun strijd staken en de situatie in die zin voor [de minderjarige] zal verbeteren. Bovendien heeft [de minderjarige] het blijkens het raadsrapport bij beide ouders naar zijn zin en vindt [de minderjarige] het prettig om de ene week bij zijn vader en de andere week bij zijn moeder te zijn. De raadsonderzoekers hebben deze wens als authentiek ervaren. De rechtbank ziet geen aanwijzingen om hieraan te twijfelen. Ook in zoverre is er dus geen aanleiding om in het belang van [de minderjarige] de omgangsregeling te wijzigen.

Ten aanzien van het bewijsaanbod van partijen geldt ten aanzien van de omgangsregeling hetzelfde als hiervoor is overwogen ten aanzien van het gezag.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen reden om de huidige ‘week op week af’ omgangsregeling te wijzigen. De rechtbank zal het verzoek van zowel de vader als het verzoek van de moeder afwijzen.

Hierbij merkt de rechtbank wel op dat – hoewel de vader belast is met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] – dit niet betekent dat de zeggenschap over de invulling van de omgangsregeling bij de vader ligt. De vader kan niet eenzijdig, zonder consultatie van en overleg met de moeder, beslissen over het omgangsschema. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om ten aanzien van het jaarlijkse omgangsschema (aanvullend) het volgende te bepalen. Het ene jaar zal de moeder het omgangsschema vaststellen en het andere jaar zal de vader het omgangsschema vaststellen, waarbij partijen onder meer de uitgangspunten die het Hof in zijn beschikking van 25 april 2012 heeft geformuleerd als uitgangspunt zullen moeten nemen. De vader zal – voor zover dit nog niet is bepaald – het (verdere) omgangsschema voor 2016 opstellen. De moeder zal het omgangsschema voor 2017 opstellen en vóór

1 december 2016 aan de vader voorleggen. De rechtbank zal voorts ter voorkoming van geschillen bepalen dat ‘gemiste omgang’ niet zal worden gecompenseerd.

Hulpverlening

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) heeft in het rapport van 17 februari 2016 onderzocht of er nog trajecten ingezet kunnen worden, die het tij bij partijen zouden kunnen doen keren. De raad geeft – kort weergegeven – de rechtbank in overweging dat de optie van het benoemen van een bijzondere curator en het opleggen van Kinderen uit de Knel in combinatie met een ondertoezichtstelling thans de minst ingrijpende oplossing is die de ouders kansen biedt om het tij ten gunste van [de minderjarige] te keren.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit het raadsrapport en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de raad, gelet op de houding van beide partijen richting verschillende hulpverleningsinstanties, vraagtekens plaatst bij de haalbaarheid van voornoemde hulpverlening. Hierbij heeft de raad aangegeven dat zij geen ondertoezichtstelling zal adviseren of verzoeken, omdat de ervaring tot nu toe als ook de verwachting voor de komende periode is dat dit niet tot het gewenste resultaat zal leiden en [de minderjarige] dus niet (althans niet door het inzetten van dergelijke trajecten) de rust zal krijgen die hij nodig heeft. De rechtbank volgt de raad hierin en ziet dan ook onvoldoende aanleiding om ambtshalve een ondertoezichtstelling uit te spreken, hoewel de rechtbank de voortdurende strijd tussen de ouders als zeer zorgelijk aanmerkt wegens de impact die dit heeft op [de minderjarige] . De rechtbank ziet voorts geen reden om de ouders gedwongen te verwijzen naar het traject Kinderen uit de Knel. De rechtbank acht de kans op succes bij het volgen van het traject Kinderen uit de Knel immers als te gering, nu beide partijen om hen moverende redenen aangeven er niet voor open te staan om aan een dergelijk traject deel te nemen en voorts nu dit traject voor de moeder, wegens het niet (voldoende) beheersen van de Nederlandse taal, niet geschikt is.

De rechtbank is tot slot van oordeel dat de benoeming van een bijzondere curator op dit moment niet aangewezen is, nu de rechtbank op dit moment, mede gelet op het feit dat de raad reeds onderzoek heeft gedaan naar de belangen van [de minderjarige] en hem heeft gehoord, zich voldoende in staat acht de belangen van [de minderjarige] te beoordelen en in dat verband ook geen concrete vraag of opdracht voor de bijzondere curator heeft. De rechtbank acht het juist in het belang van [de minderjarige] dat er een eindbeslissing op de voorliggende verzoeken wordt gegeven zonder eerst een nader onderzoek of hulpverleningstraject, zodat partijen (weer) duidelijkheid verkrijgen over hoe de feitelijke omgangsregeling verder moet worden uitgevoerd.

De rechtbank zal gelet op het voorgaande ook het verzoek van de moeder om een bijzondere curator te benoemen afwijzen.

Dwangsom

De moeder stelt dat de vader zich bij herhaling niet houdt aan de gemaakte afspraken of rechterlijke uitspraken betreffende de omgangsregeling en het faciliteren van de buitenlandse reizen van de moeder met [de minderjarige] . De moeder verzoekt dan ook – kort weergegeven – te bepalen dat de vader een dwangsom zal verbeuren van € 1.000,-- per kalenderdag dat de vader a) geen toestemming geeft voor elke verdere buitenlandse reis van de moeder met [de minderjarige] , b) beperkende voorwaarden verbindt aan deze reizen, c) de benodigde reisdocumenten niet (tijdig) verstrekt en d) de omgangsregeling niet nakomt.

De vader voert hiertegen gemotiveerd verweer.

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van de moeder te onbepaald is. Hierbij overweegt de rechtbank dat zij niet in algemeenheid een dwangsom kan verbinden aan (toekomstige) gedragingen van de vader ten aanzien van toekomstige reizen en omgangsregelingen. De rechtbank zal het verzoek van de moeder dan ook afwijzen.

Kinderalimentatie

De vader stelt dat de moeder niet – zoals bij beschikking is vastgelegd – elke maand de helft van de BSO kosten betaalt. Voorts brengt de moeder willekeurige kosten in mindering op haar betaling en weigert zij bij te dragen aan de voetbalcontributie of aan de vrijwillige ouderbijdrage van de school, aldus de vader. De vader verzoekt dan ook een door de moeder te betalen vaste kinderalimentatie van € 100,-- per maand vast te stellen.

De moeder voert hiertegen gemotiveerd verweer.

De rechtbank overweegt als volgt. Blijkens de beschikking van deze rechtbank van

27 oktober 2011 heeft de moeder destijds ingestemd met het verzoek van de vader dat zij de helft van de kosten van de kinderopvang/BSO – inclusief de kostenverhogingen als deze schriftelijk door de vader worden onderbouwd – aan de vader zal betalen. De rechtbank heeft dienovereenkomstig beslist. Het Hof Den Haag heeft deze beslissing in zijn beschikking van 25 april 2012 niet vernietigd, zodat deze beslissing nog steeds bindend is voor partijen. Uit deze beschikkingen blijkt echter niet dat de moeder ook dient bij te dragen aan andere door de vader gemaakte dan wel te maken kosten, zoals de thans door de vader genoemde voetbalcontributie en de vrijwillige ouderbijdrage van de school. De moeder is derhalve gehouden om elke maand de helft van de BSO kosten aan de vader te betalen.

Nu de vader heeft nagelaten om zijn verzoek tot het vaststellen van een vaste kinderalimentatie van € 100,-- per maand aan de hand van de wettelijke maatstaven te onderbouwen en de vader voorts onvoldoende heeft onderbouwd dat de bijdrage die de moeder dient te leveren door de helft van de BSO kosten te betalen een bedrag van € 100,-- per maand vertegenwoordigt, zal de rechtbank het verzoek van de vader afwijzen.

Proceskosten

De vader verzoekt de moeder te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank - met wijziging in zoverre van de beschikking van het Hof Den Haag d.d.

25 april 2012, de beschikking van deze rechtbank d.d. 22 mei 2013 en de beschikking van het Hof Den Haag d.d. 22 april 2015:

bepaalt dat een omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] zal gelden met de volgende (deels al eerder vastgestelde) uitgangspunten:

  • -

    de zorg voor de minderjarige wordt bij helfte verdeeld, in die zin dat wordt uitgegaan van een week op / week af schema en een verdeling van de vakanties en feestdagen bij helfte;

  • -

    de ouders zullen uiterlijk op 1 december van elk jaar een omgangsschema opstellen, waarbij het ene jaar de moeder en het andere jaar de vader een voorstel doet en in geval van onenigheid bepaalt; de vader zal – voor zover nog niet is bepaald – een voorstel doen voor 2016 en de moeder doet een voorstel voor 2017;

  • -

    ten aanzien van de vakanties en feestdagen geldt in ieder geval dat
    a) de minderjarige conform de beschikking van deze rechtbank van 22 mei 2013 afwisselend één kerstvakantie bij de vader en twee achtereenvolgende kerstvakanties bij de moeder zal verblijven, en
    b) de minderjarige conform de beschikking van het Hof Den Haag van 22 april 2015 het ene jaar de eerste drie weken van de zomervakantie aansluitend bij de moeder doorbrengt en het daaropvolgende jaar de laatste drie weken aansluitend bij de moeder;

  • -

    de overdrachtsregeling zoals bepaald door de rechtbank bij beschikking van

4 november 2010 wordt gehandhaafd, in die zin dat ten aanzien van de overdracht op vrijdag geldt dat deze na school plaatsvindt of, als de school gesloten is, om 17.30 uur op de [adres] ;

- indien een van de ouders niet in staat is de zorg voor de minderjarige op zich te nemen, dan verblijft de minderjarige bij de andere ouder zonder compensatie van de gemiste omgang;

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot gezagsbeëindiging;

wijst af het meer of anders verzochte;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.C. Olland, S.M. van der Schenk en S.M. Westerhuis-Evers, kinderrechters, bijgestaan door mr. M. Verkerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juni 2016.