Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:6697

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-06-2016
Datum publicatie
13-09-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 9511
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bodemprocedure. Aanvraag paspoort.

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/9511

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , [land van herkomst] , eiseres

(gemachtigde: mr. A.R. Bissessur),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. I.S. IJserinkhuijsen).

Procesverloop

Bij besluit van 17 augustus 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen.

Bij besluit van 10 november 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2016.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 6 mei 2015 een Nederlands paspoort aangevraagd bij de Nederlandse Ambassade te [vestigingsplaats] ( [land van herkomst] ). Bij het primaire besluit is geweigerd de aanvraag in behandeling te nemen, omdat eiseres niet de Nederlandse nationaliteit heeft. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit standpunt gehandhaafd. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiseres, ondanks het feit dat aan haar twee maal een Nederlands paspoort is verstrekt, nooit de Nederlandse nationaliteit heeft gehad. Enerzijds heeft zij nooit de Nederlandse nationaliteit gehad omdat bij de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door haar beweerdelijke vader, [vader eiseres] , bij Koninklijk Besluit van 2 augustus 1997 het voorbehoud is gemaakt dat minderjarige kinderen aan wie geen verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland, onderscheidenlijk de Nederlandse Antillen en Aruba, is toegestaan niet delen in de naturalisatie van hun ouder. Anderzijds is inmiddels vast komen te staan dat de vader van eiseres nooit de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, omdat hij – kort gezegd – bij de naturalisatie gebruik heeft gemaakt van valse gegevens. Aan haar moeder kan eiseres het Nederlanderschap niet hebben ontleend omdat zij de [nationaliteit] nationaliteit heeft.

2. Eiseres voert in beroep aan dat de intrekking van het Nederlanderschap van haar vader niet op vaststaande feiten is gebaseerd. Door haar vader zijn daartegen procedures gevoerd zonder resultaat. In die procedures zijn fouten gemaakt. Eiseres stelt dat haar vader de rechtbank Den Haag om vaststelling van zijn Nederlanderschap zal verzoeken. Haar is eerder twee maal een Nederlands paspoort verstrekt. Zij is daardoor tien jaar lang in het bezit geweest van een Nederlands paspoort en dus mocht zij erop vertrouwen dat zij door medenaturalisatie de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Eiseres stelt dat verweerder het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid.

3. Verweerder blijft bij zijn standpunt dat eiseres terecht een Nederlands paspoort is geweigerd omdat zij niet de Nederlandse nationaliteit heeft.

4. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Rijkswet houdende het stellen van regelen betreffende de verstrekking van reisdocumenten (Paspoortwet) heeft iedere Nederlander binnen de grenzen bij deze wet bepaald recht op een nationaal paspoort, geldig voor tien jaren en voor alle landen.

5. De rechtbank is van oordeel dat, zelfs indien het standpunt van eiseres juist zou zijn dat haar vader niet het Nederlanderschap heeft verloren, dit niet kan leiden tot de conclusie dat eiseres in het bezit is van het Nederlanderschap. Immers uit het overgelegde naturalisatiebesluit van 2 augustus 1997 van de vader blijkt dat zijn minderjarige kinderen niet mede zijn genaturaliseerd voor zover zij geen rechtmatig verblijf in Nederland of de Nederlandse Antillen of Aruba hadden. Door eiseres in niet betwist dat zij nimmer toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in Nederland (of Aruba, Curaçao of Sint Maarten) heeft gehad. Daarmee staat vast dat eiseres niet het Nederlanderschap heeft verkregen via haar vader. Haar moeder heeft de [nationaliteit] nationaliteit, zodat eiseres evenmin het Nederlanderschap aan haar moeder kan ontlenen.

Verweerder heeft voorts terecht aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat inmiddels in rechte vast staat dat de beweerdelijke vader van eiseres nooit het Nederlanderschap heeft verkregen. Immers bij brief van 18 maart 2009 heeft de Immigratie- en naturalisatiedienst aan de vader van eiseres meegedeeld dat hij het Nederlanderschap niet bij besluit van 2 augustus 1997 heeft verkregen omdat hij valse persoonsgegevens heeft vermeld. Het bezwaar daartegen is niet-ontvankelijk verklaard en daartegen ingestelde beroep is vervolgens ongegrond verklaard. Er is geen hoger beroep ingesteld. Voorts heeft de deze rechtbank – sector civiel recht – het verzoek van de vader van eiseres om op grond van artikel 17, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) vast te stellen dat de vader van eiseres de Nederlandse nationaliteit heeft afgewezen. Het daartegen ingestelde cassatieberoep is bij beschikking van de Hoge Raad van 20 december 2013 afgewezen. De stelling van eiseres dat in de hiervoor bedoelde procedures fouten zijn gemaakt, valt buiten de omvang van dit geding.

Aan de vaststelling door verweerder dat de vader van eiseres nooit het Nederlanderschap heeft verkregen doet niet af dat de vader van eiseres een nieuw verzoek bij deze rechtbank heeft ingediend om zijn Nederlanderschap vast te stellen Immers, verweerder mocht ervan uitgaan dat ten tijde van het bestreden besluit vast stond dat de vader van eiseres niet het Nederlanderschap bezat.

6. Het betoog van eiseres dat zij erop mocht vertrouwen dat zij het Nederlandschap had verkregen, omdat haar twee keer eerder, in juni 2005 en juni 2010, een paspoort is verstrekt met een geldigheidsduur van telkens vijf jaar, waardoor zij tien jaar lang het Nederlandschap heeft gehad, slaagt evenmin. Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar de beschikking van de Hoge Raad van 19 december 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AL8544) terecht op het standpunt gesteld dat het Nederlanderschap niet door de werking van een beginsel van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel kan worden verkregen of kan worden behouden. Het ter zitting gedane beroep op artikel 14 van de RWN slaagt niet omdat eiseres nooit het Nederlanderschap heeft verkregen en van intrekking van het Nederlanderschap dus geen sprake is.

7. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd. De stelling van eiseres dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid niet nader is onderbouwd, zodat de rechtbank deze stelling passeert.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.