Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:6592

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
27-07-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 9632
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bodemprocedure

Wetsverwijzingen
Ziektewet 19aa
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 15/9632 en 15/9636

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2016 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

gemachtigde: C. Beckers).

Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2015 (het primaire besluit 1) heeft verweerder

de uitkering die eiser ontving op grond van de Ziektewet (ZW) per 10 juli 2015 beëindigd.

Bij besluit van 11 december 2015 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het hiertegen ingediende bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Bij besluit van 9 september 2015 (het primaire besluit 2) heeft verweerder eiser vanaf 24 augustus 2015 geen uitkering op grond van de ZW toegekend.

Bij besluit van 14 december 2015 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het hiertegen ingediende bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de bestreden besluit beroep ingesteld. De gronden zijn later aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2016.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser, voorheen werkzaam als autokeurmeester voor 20 uren per week heeft zich op 10 juni 2014 ziek gemeld met rug-, handen- en bekkenklachten. Op het moment van ziekmelden ontving eiser een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

2. Het bestreden besluit 1 berust op het standpunt dat eiser op 9 juni 2015 meer dan 65 % van het maatmanloon kan verdienen. Om die reden heeft verweerder de ZW-uitkering van eiser met inachtneming van een uitlooptermijn van een maand en een dag na 9 juni 2015, te weten op 10 juli 2015 beëindigd.

3. Eiser heeft zich vervolgens op 24 augustus 2015 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Verweerder heeft eiser geen uitkering op grond van de ZW toegekend. Verweerder vindt dat eiser (ook) per 24 augustus 2015 niet ongeschikt is om zijn werk te verrichten.

4. Eiser is het niet eens met de beide besluiten. Hij heeft hiertoe -kort samengevat- aangevoerd dat hij poly-artrose, congenitale heupdysplasie, tendinitis rechter schouder en tendinomyogene klachten heeft. Verweerder heeft niet aan zijn onderzoeksplicht voldaan. Er is ten onrechte geen informatie bij de behandelaars opgevraagd. Ook heeft verweerder ten onrechte geen rekening gehouden met de vermoeidheidsklachten die eiser heeft door zijn medicijngebruik. Ter onderbouwing heeft eiser een brief van de reumatoloog van 12 januari 2016 en een brief van de fysiotherapeut van 13 januari 2016 en een afsprakenkaart overgelegd. Eiser is voorts van mening dat hij de geduide functies niet kan verrichten.

5.1.

Op grond van artikel 19aa ZW, voor zover hier van belang, heeft de verzekerde die geen werkgever heeft jegens wie hij, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte recht heeft op loon, nadat na de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, recht op ziekengeld indien de verzekerde:

a. ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19 en

b. als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

5.2.

Op grond van artikel 19ab ZW, voor zover hier van belang, wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, als bedoeld in artikel 19aa, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

6.1.

In het kader van de Eerstejaars Ziektewet beoordeling is eiser uitgenodigd voor het spreekuur bij de verzekeringsarts op 20 april 2015 waar hij zowel lichamelijk als psychisch is onderzocht. Tevens is in dit kader dossierstudie verricht en hiermee kennis genomen van brieven van de reumatoloog. De vastgestelde beperkingen aan schouder, arm, hand, rug en heup en een licht energetische beperking zijn vastgelegd in een functionele mogelijkheden lijst (FML).

6.2.

In het kader van de melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid is eiser uitgenodigd voor het spreekuur bij de bedrijfsarts op 8 september 2015 waar hij zowel lichamelijk als psychisch is onderzocht. Tevens is in dit kader dossierstudie verricht en is er op basis van zorgvuldigheid nog informatie bij de behandelaar opgevraagd.

De bedrijfsarts is tot de conclusie gekomen, ook nadat hij contact heeft gehad met de arbeidsdeskundige, dat eiser doorlopend geschikt is voor zijn maatgevende arbeid; er is geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid.

6.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) heeft vervolgens aan de hand van de door eiser naar voren gebrachte bezwaren de primair vastgestelde bevindingen beoordeeld in zijn rapportage van 19 november 2015. Hij heeft eiser zowel lichamelijk als psychisch onderzocht. Tevens heeft deze arts dossierstudie verricht en hiermee onder meer kennis genomen van de brief van de reumatoloog van 22 september 2015. De verzekeringsarts b&b is het eens met de vastgestelde FML. Hij ziet geen reden om meer beperkingen aan te nemen omdat er voldoende rekening is gehouden met de aanwezige pathologie. Hij acht eiser zowel per 10 juni 2015 als per 24 augustus 2015 geschikt voor zijn maatgevende arbeid.

7. Met betrekking tot de medische beoordeling van de bestreden besluiten 1 en 2 heeft de rechtbank geen redenen gevonden om te oordelen dat het medisch onderzoek zoals vermeld onder 6.1, 6.2 en 6.3 onjuist of onzorgvuldig is verlopen of dat de beperkingen van eiser niet juist zijn vastgelegd in de FML. Er is geen reden om aan te nemen dat de verzekeringsarts b&b een onjuist beeld had van de lichamelijke en geestelijke gezondheidstoestand van eiser. Uit zijn rapport blijkt dat hij de klachten van eiser in samenhang met de informatie van de specialist heeft meegewogen en heeft vertaald naar de FML. De stelling van eiser dat er geen rekening is gehouden met zijn vermoeidheidsklachten wordt niet gevolgd nu er in de FML immers licht energetische beperkingen zijn vastgelegd.

8. Eiser voert voorts aan dat de verzekeringsarts b&b ten onrechte geen inlichtingen heeft ingewonnen bij de behandelend sector. De rechtbank overweegt dat de verzekeringsarts b&b zich op het standpunt heeft gesteld dat er voldoende actuele informatie van de behandelend sector voorhanden was om zijn beoordeling op te baseren. De rechtbank onderschrijft dit standpunt en neemt daarbij in aanmerking dat de verzekeringsarts b&b blijkens vaste jurisprudentie in beginsel mag varen op zijn eigen oordeel. Daarenboven had de verzekeringsarts b&b immers al informatie van de reumatoloog gezien en meegewogen voor zijn conclusie. Voorts heeft de verzekeringsarts b&b naar het oordeel van de rechtbank in zijn rapport van 19 november 2015 afdoende gemotiveerd dat er in dit geval geen aanleiding bestond voor het inwinnen van nadere informatie. Deze beroepsgrond faalt.

De rechtbank verwijst tevens naar het rapport van 31 maart 2016 waar de verzekeringsarts b&b afdoende heeft gereageerd op de in beroep overgelegde brieven. Deze brieven bevatten immers geen nieuwe medische feiten voor de in geding van belang zijnde data.

9. Aan de hand van de FML heeft de arbeidsdeskundige voor eiser de functies voedingsassistent (sbc-code 372051), magazijnmedewerker (sbc-code 315020) en receptionist, baliemedewerker (sbc-code 315150) geduid. Als reserve zijn de functies besteller postpakketten en administratief medewerker geselecteerd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de functies heroverwogen en geschikt bevonden met uitzondering van de functie administratief medewerker die zij heeft laten vallen omdat eiser niet beschikt over het niveau vereiste van deze functie.

10. Uitgaande van de juistheid van de FML moet eiser in staat worden geacht de werkzaamheden die zijn verbonden aan deze functies te verrichten. Ook met het nemen van rustmomenten, zoals eiser ter zitting nog heeft aangevoerd, is afdoende rekening gehouden. De werkzaamheden van de geduide functies zijn lichte werkzaamheden, zo ook de functie magazijnmedewerker waar alleen met bonnen moet worden gewerkt, aldus verweerders gemachtigde ter zitting. De rechtbank heeft geen grond voor een ander oordeel en voor zover sprake is van signaleringen in de aan de schatting ten grondslag liggende functies, is op de resultaten van de functiebelastingen toereikend gemotiveerd waarom de geduide functies ondanks de signaleringen toch geschikt zijn voor eiser.

11. Aangezien eiser met het vervullen van die functies meer dan 65 % van zijn maatmanloon kan verdienen heeft verweerder terecht de ZW uitkering beëindigd per 10 juli 2015 en vanwege het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 24 augustus 2015 aan eiser vanaf deze datum terecht geen ZW uitkering toegekend.

12. De beroepen zijn ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van J.A. de Kievit-Tempels, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.