Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:6589

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
14-06-2016
Zaaknummer
16/10134 en 16/10136
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AWB 16/10134 en AWB 16/10136

Suggestie voor kop:

Trefwoorden: Dublin, Duitsland, Wbtv, interstatelijk vertrouwensbeginsel

Wetsartikelen: artikel 28 Wbtv

Samenvatting:

Verweerder heeft voldaan aan het motiveringsvereiste zoals neergelegd in artikel 28, vierde lid, van de Wbtv. Verder bevat wat eiser heeft aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de toepassing van de asielprocedure in Duitsland alsook de detentie-, opvang- en/of levensomstandigheden voor asielzoekers die in het kader van de Dublinverordening overgedragen worden aan Duitsland, van zodanige aard zijn, dat op basis daarvan zou moeten worden geconcludeerd dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. Duitsland heeft met het claimakkoord gegarandeerd eisers verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen en verder is niet gebleken dat eiser bij mogelijke problemen in de asielprocedure niet kan klagen bij de daartoe geëigende (hogere) instanties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16/10134 en AWB 16/10136

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 7 juni 2016 in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [1988] , van Albanese nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. B.A. Palm),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.M. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 30 januari 2016 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2016. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Over het beroep (AWB 16/10134)

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Verweerder heeft op 25 maart 2016 Duitsland verzocht eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder c, van Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking) (Dublinverordening). Op 1 april 2016 hebben de Duitse autoriteiten met terugname ingestemd.

2. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van deze wet, niet in behandeling genomen, indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

3. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder bij het aanmeldgehoor geen gebruik had mogen maken van een niet beëdigde tolk. Hierbij heeft eiser verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 19 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:378). De motivering van verweerder dat gezien de grote instroom van asielzoekers de behandeling van asielverzoeken onaanvaardbaar zou worden vertraagd als gewacht zou moeten worden tot er wel een registertolk beschikbaar zou zijn, is volgens eiser onvoldoende. Ook het argument van verweerder dat de ingezette tolk voldoet aan de door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) gestelde kwaliteitseisen, snijdt volgens eiser geen hout.

4. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv) wordt onder beëdigde tolk verstaan: degene die als zodanig is ingeschreven in het register.

5. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder d, maakt de IND in het kader van het vreemdelingenrecht uitsluitend gebruik van beëdigde tolken of vertalers.

Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, kan in afwijking van het eerste lid gebruik worden gemaakt van een tolk die geen beëdigde tolk is of van een vertaler die geen beëdigde vertaler is, indien wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is of indien het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal dan wel bron- of doeltalen geen ingeschrevene bevat.

Ingevolge het vierde lid, voor zover hier van belang, wordt, indien van het eerste lid wordt afgeweken, dit met redenen omkleed schriftelijk vastgelegd.

6. Uit de uitspraak van de ABRvS van 29 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2224) volgt dat artikel 28, vierde lid, van de Wbtv, gelezen in samenhang met het derde lid, wat betreft de motivering geen andere eis aan verweerder stelt dan dat hij de reden voor het gebruik maken van een niet-beëdigde tolk uiterlijk in het besluit schriftelijk vastlegt en dat deze reden een van de in het derde lid vermelde redenen moet zijn. Uit de uitspraak van de ABRvS van 19 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:600) volgt verder dat anders dan in het geval het register voor beëdigde tolken en vertalers voor de desbetreffende bron- of doeltaal dan wel bron- of doeltalen geen ingeschrevene bevat, in het geval een beëdigde tolk niet tijdig beschikbaar is, het schriftelijk vastleggen van een mededeling van die strekking op zichzelf geen deugdelijke motivering is.

7. De rechtbank stelt vast dat op het voorblad van het rapport van het aanmeldgehoor van 1 februari 2016 staat vermeld dat geen gebruik is gemaakt van een registertolk (lees: beëdigde tolk), omdat die niet tijdig beschikbaar was voor de IND. In het bestreden besluit heeft verweerder toegelicht dat eiser zich op 29 januari 2016 heeft aangemeld voor zijn asielaanvraag en dat vanwege de vereiste spoed is afgeweken van de inzet van een registertolk (lees: beëdigde tolk) tijdens het gehoor. Gezien de grote instroom van asielzoekers ten tijde van belang zou de behandeling van asielverzoeken onaanvaardbaar worden vertraagd indien in voorkomende gevallen gewacht had moeten worden tot er wel een registertolk (lees: beëdigde tolk) beschikbaar was voor het gehoor in de aanmeldfase. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft voldaan aan het motiveringsvereiste zoals neergelegd in artikel 28, vierde lid, van de Wbtv. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat verweerder in het bestreden besluit heeft opgemerkt dat de tolk die tijdens het gehoor is ingezet, voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen voor niet-registertolken van de IND. Zo beschikken deze tolken onder meer over minimaal MBO-denk- en werkniveau, hebben zij een goede en actieve beheersing van de Nederlandse en vreemde taal en hebben zij kennis van en inzicht in de cultuur van het land of de landen waar de vreemde taal wordt gesproken. Daarnaast beschikken alle door de IND ingezette tolken over een Verklaring Omtrent het Gedrag op basis van het zware screeningsprofiel voor registertolken. Voorts merkt de rechtbank op dat uit het rapport van het aanmeldgehoor niet blijkt dat sprake is geweest van communicatieproblemen tussen eiser en de tolk, omdat eiser in het gehoor heeft verklaard dat hij de tolk goed kan verstaan en begrepen. Eisers beroepsgrond leidt gelet op het voorgaande niet tot het daarmee beoogde doel.

8. Eiser heeft verder aangevoerd dat niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Duitsland houdt zich volgens eiser niet aan zijn verdragsverplichtingen en het bepaalde in de Procedurerichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Opvangrichtlijn. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiser naar wat hij in zijn zienswijze heeft aangehaald uit het rapport ‘Wrong counts and closing doors; The reception of refugees and asylum seekers in Europe’ van de Asylum Information Database (Aida) van maart 2016. Volgens eiser is sprake van een motiveringsgebrek nu verweerder hierop in het bestreden besluit op geen enkele wijze ingaat.

9. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel dient naar het oordeel van de rechtbank in beginsel ervan te worden uitgegaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het ligt daarom op de weg van eiser aannemelijk te maken dat Duitsland dit niet doet. Uit het arrest M.S.S. tegen België en Griekenland van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 21 januari 2011, (zaaknr. 30696/09, ECLI:NL:XX:2011:BP4356), volgt evenwel dat bij de beoordeling of overdracht van een vreemdeling met toepassing van de Verordening 343/2003 aan een andere lidstaat in strijd is met artikel 3, dan wel artikel 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in het bijzonder worden betrokken de detentie- en/of levensomstandigheden waarmee de overgedragen asielzoeker in dat land wordt geconfronteerd en de kwaliteit van de asielprocedure in dat land. Voorts houdt het arrest in dat ook in een situatie waarin ten aanzien van deze aspecten informatie is overgelegd die niet specifiek op de betrokken vreemdeling ziet, een lidstaat die een asielzoeker wenst over te dragen, zich ervan dient te vergewissen dat de wetgeving van de lidstaat waaraan de vreemdeling wordt overgedragen, op deze punten wordt toegepast op een wijze die in overeenstemming is met het EVRM. Dit is het beoordelingskader dat ook de rechter in deze zaak toepast. Dat nadien de Dublinverordening in werking is getreden is geen aanleiding om dit beoordelingskader niet langer toe te passen. Gelet op de beoordeling waartoe het arrest in de zaak M.S.S. noopt, kan ervan uit worden gegaan dat eventuele schendingen van het Unierecht in het land waaraan de vreemdeling wordt overgedragen die buiten het kader van de door het EHRM in de zaak M.S.S. bij de beoordeling betrokken aspecten vallen en derhalve niet leiden tot de conclusie dat bij overdracht aan een andere lidstaat sprake is van een dreigende schending van artikel 3 van het EVRM, niet tot het oordeel leiden dat een lidstaat vanwege dergelijke schendingen de behandeling van een asielverzoek met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening aan zich moet trekken. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 december 2011 in de gevoegde zaken C-411/10 en C-493/10 (www.curia.europa.eu) blijkt dat zo op de juiste wijze is beoordeeld of wordt voldaan aan de eisen die voortvloeien uit het Unierecht.

10. Verweerder heeft in het bestreden besluit betrokken dat in de door eiser aangehaalde passages uit het rapport van Aida van maart 2016, onder meer melding wordt gemaakt van het maken van onderscheid van asielzoekers op grond van nationaliteit bij de toedeling van opvangvoorzieningen. De passages bieden volgens verweerder echter onvoldoende grond voor de conclusie dat sprake is van zodanige tekortkomingen in de Duitse asielprocedure of zodanige gebreken in de opvang, dat er ernstige gronden zijn om aan te nemen dat overdracht van eiser aan Duitsland strijd oplevert met artikel 3 en 13 van het EVRM. Eiser kan zich met een klacht over schending van de op Duitsland rustende verplichtingen tot de Duitse (hogere) autoriteiten wenden en daarna eventueel tot het EHRM. Niet aannemelijk is dat dit voor eiser niet mogelijk zou zijn.

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich gelet op het voorgaande op goede gronden en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser geen documenten heeft overgelegd die aanleiding geven voor het oordeel dat in Duitsland sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Wat eiser heeft aangevoerd bevat onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de toepassing van de asielprocedure in Duitsland alsook de detentie-, opvang- en/of levensomstandigheden voor asielzoekers die in het kader van de Dublinverordening overgedragen worden aan Duitsland, van zodanige aard is, dat op basis daarvan zou moeten worden geconcludeerd dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. Duitsland heeft met het claimakkoord gegarandeerd eisers verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen en verder is niet gebleken dat eiser bij mogelijke problemen in de asielprocedure niet kan klagen bij de daartoe geëigende (hogere) instanties. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder ten aanzien van Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft mogen uitgaan en dat voor verweerder de verplichting bestond om de behandeling van het asielverzoek van eiser aan zich te trekken. De beroepsgrond slaagt niet.

12. Over eisers verwijzing naar de conclusie van advocaat-generaal E. Sharpston van 17 maart 2016, overweegt de rechtbank dat eiser niet nader heeft onderbouwd waarom het bestreden besluit in het licht hiervan onrechtmatig moet worden geacht. Al hierom kan deze beroepsgrond niet slagen. De rechtbank merkt op dat de conclusie van advocaat-generaal E. Sharpston van 17 maart 2016, die is gegeven naar aanleiding van onder meer de prejudiciële vragen die zijn gesteld door deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, bij uitspraak van 2 februari 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:1004), op de vraag ziet of een vreemdeling kan opkomen tegen een overdrachtsbesluit op grond dat de criteria van hoofdstuk III van de Dublinverordening voor het aanwijzen van de verantwoordelijke lidstaat verkeerd zijn toegepast. Gesteld noch gebleken is dat wat eiser heeft aangevoerd een criterium uit dat hoofdstuk betreft.

12. Ook wat verder is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Het beroep is ongegrond.

Over het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (AWB 16/10136)

14. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.H.M. Druijf, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van S.J. van Ravenhorst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.