Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:6583

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
14-06-2016
Zaaknummer
C/09/510137 / FA RK 16-3286
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2016:2585, Overig
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2016:2814, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering. Verzoek tot teruggeleiding minderjarige naar de Verenigde Arabische Emiraten afgewezen in verband met verzet minderjarige (art. 13 lid 2 HKOV)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 16-3286

Zaaknummer: C/09/510137

Datum beschikking: 14 juni 2016

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 29 april 2016 ingekomen verzoek van:

[verzoeker],

de vader,

wonende te [woonplaats], Verenigde Arabische Emiraten,

advocaat: mr. drs. A.G. Hendriks te Amsterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[verweerster]

de moeder,

voorheen verblijvende te [woonplaats]

advocaat: voorheen mr. A.A. Namaki te Nijmegen, thans mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen te Utrecht.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- de brief d.d. 4 mei 2016, met bijlagen, van de zijde van de vader;

- het verweerschrift;

- het overzicht aanvullende bijlagen (producties 13 t/m 19) van de zijde van de vader;

- de brief d.d. 29 mei 2016, met bijlagen (producties 20 en 21), van de zijde van de vader.

Op 12 mei 2016 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van de vader, de moeder, alsmede de Raad voor de Kinderbescherming, in de persoon van mevrouw [naam] Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. J. Visser. De behandeling ter terechtzitting is aangehouden.

Op genoemde regiezitting is aan partijen geen gelegenheid geboden om een crossborder mediation traject te volgen, nu de vader voorafgaand aan de regiezitting bij genoemde brief van 4 mei 2016 te kennen heeft gegeven niet op de regiezitting aanwezig te zullen zijn en geen mogelijkheden te zien voor crossborder mediation.

De minderjarige is op 31 mei 2016 in raadkamer gehoord.


Op 31 mei 2016 is de behandeling ter terechtzitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van de vader, alsmede de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Van de zijde van de vader zijn pleitnotities overgelegd.

Verzoek en verweer

De vader heeft thans nog verzocht:

 te bevelen dat na te melden minderjarige onmiddellijk zal dienen terug te keren naar zijn gewone verblijfplaats in [woonplaats], Verenigde Arabische Emiraten, althans op een datum door de rechtbank in goede justitie te bepalen, waarbij de moeder de minderjarige dient terug te brengen naar [woonplaats], dan wel de minderjarige op eerste verzoek dient af te geven aan de vader, onder overhandiging aan de vader van het reisdocument van de minderjarige, zodat de vader de minderjarige kan teruggeleiden naar [woonplaats], dan wel op een andere wijze de teruggeleiding van de minderjarige te gelasten op een wijze door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

 te bepalen dat de proceskosten worden gecompenseerd in die zin, dat partijen ieder hun eigen kosten dragen;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] te [plaats], Verenigde Arabische Emiraten.

- Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

- Partijen zijn op [datum] van elkaar gescheiden.

- De minderjarige was in [woonplaats] woonachtig bij zijn vader en verbleef regelmatig bij
de moeder.

- De minderjarige ging in [woonplaats] naar school.

- Partijen regelden de verdeling van de zorg in goed onderling overleg.

- De moeder heeft de minderjarige op 5 augustus 2015 meegenomen vanuit [woonplaats] naar Nederland.

- De vader heeft voor het afreizen naar Nederland toestemming gegeven.

- De moeder heeft de vader op 21 augustus 2015 laten weten dat zij niet voornemens was om met de minderjarige naar [woonplaats] terug te keren.

- De moeder en de minderjarige verblijven momenteel in de procesopvanglocatie (POL) in [woonplaats].

- De vader heeft de Jordaanse nationaliteit, de moeder heeft de Iraanse nationaliteit en de minderjarige heeft de Jordaanse nationaliteit.

- De vader heeft, zodra hij van de moeder vernam dat zij voornemens was om in Nederland te blijven, aangegeven dat hij daarmee niet akkoord was en geëist dat zij de minderjarige zou laten terugkeren naar [woonplaats]. De moeder heeft volhard in haar beslissing om met de minderjarige in Nederland te blijven. Hierop heeft de vader in oktober 2015 de rechtbank in Amman, Jordanië, verzocht om uitspraak te doen over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige. De rechtbank te Amman heeft vervolgens op 3 november 2015 uitgesproken dat de minderjarige moet worden overgedragen aan de vader.

- De vader heeft zich op 27 november 2015 gewend tot de Nederlandse Centrale Autoriteit (CA). De zaak is bij de CA geregistreerd onder IKO nr. [nummer].

Beoordeling

De vader heeft zijn verzoek gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Hoewel de Verenigde Arabische Emiraten geen partij zijn bij het Verdrag, is volgens artikel 2 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) deze wet tevens van toepassing in de gevallen van internationale ontvoering van kinderen die niet door een verdrag worden beheerst.

Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.

De rechtbank ziet in het bepaalde in artikel 2 en 13 lid 3 van de Uitvoeringswet aanleiding de regels van het Verdrag naar analogie toe te passen.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Niet in geschil is dat de minderjarige onmiddellijk voor zijn vasthouding in Nederland zijn gewone verblijfplaats in de Verenigde Arabische Emiraten had.

In geschil is allereerst wie het gezagsrecht heeft over de minderjarige.

De moeder heeft gesteld dat zij en niet de vader belast is met het gezag over de minderjarige en dat zij derhalve geen inbreuk heeft gemaakt op het gezagsrecht.

De vader heeft op zijn beurt gesteld dat hij belast is met het gezag over de minderjarige en dat hij dit gezag ook uitoefende.

Niet in geschil is dat de minderjarige is geboren tijdens het huwelijk van partijen.

De vader heeft een kopie van een document overgelegd waarin is opgenomen dat partijen in aanwezigheid van twee getuigen zijn overeengekomen dat de vader “guardian” zal zijn over de minderjarige en dat de moeder het recht heeft om de minderjarige te zien mits zij de vader daarvan in kennis stelt. Het document is getekend door een rechter.

De moeder heeft gesteld dat zij nimmer betrokken is geweest bij het opmaken van dit document. Volgens de moeder zijn de twee getuigen geen familie van de moeder en gaat het hier om een overeenkomst tussen twee partijen, waarbij het – met uitzondering van een machtiging of volmacht – nodig is dat de twee partijen de gemaakte afspraken ook voor akkoord zullen ondertekenen, hetgeen niet is gebeurd.

De moeder heeft echter niet betwist de stelling van de vader dat hij samen met de moeder voor de rechtbank te Dubai is verschenen in de echtscheidingsprocedure, alwaar volgens de vader de overeenkomst met betrekking tot het gezag is aangegaan.

De rechtbank constateert dat in het document van de rechtbank te [plaats] betreffende de echtscheiding inderdaad melding wordt gemaakt van het feit dat de vader in aanwezigheid van de moeder voor de rechtbank is verschenen. De rechtbank constateert voorts dat het door de vader overgelegde document met betrekking tot het gezag van de rechtbank te [plaats] is opgemaakt op 28 januari 2009, dezelfde datum als die waarop partijen voor de rechtbank zijn verschenen. De rechtbank ziet daarom geen reden te twijfelen aan de juistheid van de door de vader overgelegde documenten.

Wat hier ook van zij, naar het recht van de Verenigde Arabische Emiraten kan na een echtscheiding het ouderlijk gezag toekomen aan de moeder met betrekking tot kinderen van het mannelijk geslacht tot elf jaar. Hiertoe dient een verzoek bij de rechtbank te worden ingediend. Gesteld noch gebleken is dat een dergelijk verzoek bij de rechtbank aldaar is gedaan.

Op grond van het bovenstaande gaat de rechtbank ervan uit dat in ieder geval de vader belast is met het gezag over de minderjarige. Nu niet in geschil is dat de minderjarige voordat hij naar Nederland kwam zijn hoofdverblijf had bij de vader, althans meestentijds bij zijn vader verbleef, gaat de rechtbank ervan uit dat de vader zijn gezagsrecht ook daadwerkelijk uitoefende.

De moeder heeft voorts gesteld dat zij toestemming van de vader heeft gekregen om met de minderjarige te vertrekken uit de Verenigde Arabische Emiraten. De vader is met de moeder naar de ambassade gegaan om de benodigde goedkeuringen en handtekeningen te geven. Volgens de moeder was het de vader bekend dat zij geen retourticket had gekocht, nu zij niet voornemens was om met de minderjarige terug te keren. Hiervoor waren volgens de moeder twee redenen. De verblijfsstatus van partijen in de Verenigde Arabische Emiraten was wegens de privé situatie van de vader - volgens de moeder had hij grote schulden - onzeker, terwijl zijzelf en de minderjarige bovendien het risico liepen definitief gescheiden te worden van elkaar. Daarnaast is er sprake van een grote dreiging van represailles voor de moeder, nu zij zich van de Islam heeft afgekeerd en zich heeft bekeerd tot het Christendom. De moeder en de minderjarige zijn hun leven niet zeker als zij als Christenen gaan wonen in de Verenigde Arabische Emiraten, aldus de moeder.

De vader heeft de stelling van de moeder dat hij toestemming heeft verleend voor de vasthouding van de minderjarige in Nederland betwist. De vader heeft gesteld dat hij uitsluitend toestemming heeft gegeven voor een verblijf in Nederland tijdens de schoolvakantie van de minderjarige in verband met familiebezoek. De vader heeft ter onderbouwing van zijn stelling een kopie van het visum van de minderjarige overgelegd dat geldig was van 28 juli 2015 tot 25 september 2015. Voorts heeft de vader overgelegd een bewijs van betaling d.d. 26 mei 2015 van het schoolgeld voor het eerste semester van het huidige schooljaar 2015/2016.

De moeder heeft haar stelling dat de vader wel toestemming heeft verleend voor wijziging van het hoofdverblijf van de minderjarige in Nederland op geen enkele wijze nader (met stukken) onderbouwd.

De rechtbank gaat er, gelet op het bovenstaande, vanuit dat de vader geen toestemming heeft verleend voor het niet doen terugkeren van de minderjarige in Nederland. Het voorgaande betekent dat het niet doen terugkeren van de minderjarige in Nederland is geschied in strijd met het gezagsrecht van de vader naar het recht van de Verenigde Arabische Emiraten. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat er sprake is van ongeoorloofde vasthouding van de minderjarige in Nederland in de zin van artikel 3 van het Verdrag.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag

Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Verdrag

Ingevolge artikel 13 lid 2 van het Verdrag kan de rechtbank weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden.

Dit verzet moet op zijn eigen merites beoordeeld worden, waarbij onder meer van belang is of het verzet authentiek is en van de minderjarige zelf afkomstig is en of het verzet verder strekt dan de - sterke - wens van de minderjarige om bij de ontvoerende ouder te blijven. Tevens dient de rijpheid van de minderjarige beoordeeld te worden.

De rechtbank heeft in raadkamer met de minderjarige gesproken. Op basis van dit gesprek - waarvan de rechtbank ter terechtzitting beknopt verslag heeft gedaan - en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank in het onderhavige geval van oordeel dat aan de voorwaarden van het bepaalde in artikel 13 lid 2 is voldaan. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

De minderjarige heeft duidelijk en consistent verklaard dat hij niet terug wil keren naar de Verenigde Arabische Emiraten en dat hij bij zijn moeder in Nederland wil blijven. Hij heeft verklaard dat hij in de Verenigde Arabische Emiraten door zijn vader 1 à 2 keer per week werd mishandeld. Hij vreest dat dit niet anders zal zijn wanneer hij terugkeert. Ook is hij bang dat zijn vader, van wie hij zich juist moest verdiepen in het islamitische geloof, hem bij terugkeer iets zal aandoen omdat hij zich inmiddels bekeerd heeft tot het Christendom.

De rechtbank stelt vast dat de minderjarige zich verzet tegen zijn terugkeer naar de Verenigde Arabische Emiraten omdat hij vreest voor mishandeling door zijn vader. Dit verzet strekt verder dan de wens om bij de moeder te blijven.

Met betrekking tot de vraag of met de mening van de minderjarige rekening moet worden gehouden overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt voorop dat het hierbij niet gaat om de vraag of de door de minderjarige geuite angst naar objectieve maatstaven terecht is. Wel van belang is de vraag of zijn leeftijd en de mate van geestelijke rijpheid van de minderjarige rechtvaardigen dat met zijn mening rekening wordt gehouden. In dit verband overweegt de rechtbank dat de minderjarige bijna 13 jaar oud is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minderjarige de vragen die de rechtbank aan hem heeft gesteld goed begrepen en deze weloverwogen beantwoord. De antwoorden en de verklaring van de minderjarige waren naar het oordeel van de rechtbank consistent en gedetailleerd. De rechtbank heeft de indruk dat acht de minderjarige goed in staat zijn eigen mening te vormen en te verwoorden. Bovendien heeft de rechtbank de indruk dat dit verzet authentiek is en van de minderjarige zelf afkomstig is.

De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat de minderjarige een leeftijd en een mate van rijpheid heeft bereikt die rechtvaardigen dat met zijn mening rekening wordt gehouden.

Rekening houdend met het verzet van de minderjarige is de rechtbank van oordeel dat er op grond van het bepaalde in artikel 13 lid 2 van het Verdrag aanleiding is de teruggeleiding te weigeren. Nu de teruggeleiding op deze grond wordt geweigerd ziet de rechtbank geen aanleiding in te gaan op de vraag of sprake is van de weigeringsgrond ex artikel 13, lid 1 sub b van het Verdrag, zoals door de vrouw is betoogd. De rechtbank wijst derhalve het verzoek van de vader tot teruggeleiding van minderjarige naar de Verenigde Arabische Emiraten, evenals de overige verzoeken, af.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

(alleen opnemen indien kostenveroordeling is verzocht)

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

naar de Verenigde Arabische Emiraten.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.C. Olland, J.M. Vink en M. van Paridon, tevens kinderrechters, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juni 2016.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.