Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:6505

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-06-2016
Datum publicatie
30-06-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5720
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning verleend voor het vergroten van de supermarkt en het planologisch strijdig gebruik. De uitbreiding van de supermarkt is in strijd met het bestemmingsplan. [adviesbureau A] heeft een ruimtelijke onderbouwing opgesteld. In de ruimtelijke onderbouwing is op alle ruimtelijk relevante consequenties van de uitbreiding voor de omgeving ingegaan en is een motivering gegeven waarom afwijking van het geldend planologisch regime niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast heeft [adviesbureau B] onderzoek verricht. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat in het kader van de ruimtelijke onderbouwing elementen ten onrechte niet meegewogen, niet onderzocht of buiten beschouwing gelaten zijn. Nu in de ruimtelijke onderbouwing alle ruimtelijke aspecten en milieuaspecten van het bouwplan en de omgeving van het bouwplan zijn belicht, ziet de rechtbank geen plaats voor het oordeel dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat een goede ruimtelijke onderbouwing ontbreekt.

Voorts heeft verweerder, gelet op het onderzoek van [adviesbureau C] over de parkeernormen, toepassing kunnen geven aan de afwijklingsbevoegdheid van artikel 2.5.30, vierde lid, onder b, van de Bouwverordening.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/5720

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juni 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Krimpenerwaard, verweerder

(gemachtigden: A.D. Bouwman en K. Brandwijk).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: [B.V. X], te [plaats] (vergunninghouder) en [B.V. Y], te [plaats] (exploitant),

(gemachtigde: mr. C.F. Geerdes).

Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor het vergroten van een [supermarkt A] (de supermarkt) en het planologisch strijdige gebruik van (een deel van) het perceel op het adres [adres] te [plaats] , kadastraal bekend gemeente [plaats] , sectie [sectie] , nummers [nummers] .

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Vergunninghouder en exploitant hebben een schriftelijke reactie gegeven.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2016.

Eiser is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghouder en exploitant hebben zich laten vertegenwoordigen door [persoon A] en zijn gemachtigde. Tevens zijn namens vergunninghouder en exploitant verschenen [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] , deskundige.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 14 juli 2014 heeft vergunninghouder een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het uitbreiden van de supermarkt (het bouwplan). Op 21 juli 2014 heeft de welstandscommissie advies uitgebracht over het bouwplan. De commissie is van mening dat het bouwplan niet strijdig is met de redelijke eisen van welstand. Op 3 september 2014, 9 september 2014 en 10 september 2014 heeft de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH) advies uitgebracht over de aanvaardbaarheid, gelet op de van toepassing zijnde milieuregelgeving respectievelijk het bodemonderzoek respectievelijk het archeologisch onderzoek. Op 26 september 2014 heeft de Brandweer Hollands Midden advies uitgebracht over de brandveiligheid van het bouwplan. Op 10 oktober 2014 heeft de ODMH advies uitgebracht over de wat betreft de aanvaardbaarheid op het gebied van natuur. Bij dit advies is een beoordeling ‘Quick scan Flora- en faunawet uitbreiding supermarkt [locatie] ’ gevoegd.

1.2

In opdracht van verweerder heeft [adviesbureau A] een onderzoek verricht ten behoeve van de ruimtelijk onderbouwing van het bouwplan. Op 3 november 2014 is van dit onderzoek een rapport opgemaakt. Gelet op de ruimtelijke onderbouwing past de gewenste uitbreiding van de supermarkt binnen de relevante planologische kaders.

1.3

Bij besluit van 16 december 2014 heeft de gemeenteraad van de gemeente Krimpenerwaard een (ontwerp-)verklaring van geen bedenkingen afgegeven ten behoeve van het bouwplan.

1.4

Verweerder heeft voor de beoordeling van de aanvraag van de omgevingsvergunning de uitgebreide voorbereidingsprocedure gevolgd. Het ontwerp van de omgevingsvergunning is gepubliceerd in het plaatselijke huis-aan-huisblad “ [huis-aan-huisblad] ” op 13 januari 2015 en in de Staatscourant op 20 januari 2015. De stukken zijn vanaf 14 januari 2015 gedurende zes weken ter inzage gelegd. Eiser heeft tijdig zienswijzen ingediend.

1.5

Bij advies van 16 april 2015 heeft de welstandscommissie een aanvullende motivering gegeven. De welstandscommissie concludeert wederom dat het bouwplan niet strijdig is met de redelijke eisen van welstand.

1.6

In opdracht van vergunninghouder heeft [adviesbureau B] een onderzoek verricht naar de behoefte, de effecten en de randvoorwaarden van de uitbreiding van de supermarkt. Van dit onderzoek is op 30 april 2015 een rapport opgemaakt.

1.7

Bij besluit van 16 juni 2015 heeft de gemeenteraad van de gemeente Krimpenerwaard een verklaring van geen bedenkingen afgegeven voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwplan.

1.8

Het bouwplan is gelegen binnen het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ” (het bestemmingsplan). De gronden waarop het bouwplan is geprojecteerd hebben de bestemmingen “Detailhandel” en dubbelbestemming “Waarde – Archeologie”, “Maatschappelijk”, “Water” en “Verkeer”. Vaststaat en niet in geschil is dat het bouwplan op meerdere punten in strijd is met het bestemmingsplan. Zo past de beoogde uitbreiding qua omvang niet binnen het in het bestemmingsplan aangewezen bouwvlak en het beoogde gebruik van een deel van het bouwplan past niet binnen de bestemmingen “Maatschappelijk” en “Water”.

2. Met inachtneming van de ingediende zienswijzen heeft verweerder bij het bestreden besluit de gevraagde omgevingsvergunning verleend. De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.

3. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en voert aan, samengevat weergegeven, dat het verlenen van de vergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan niet is afgestemd op de doelstelling van het bestemmingsplan en dat het bouwplan niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Daarnaast zorgt de uitbreiding van de supermarkt voor parkeerproblemen en begrijpt de rechtbank het beroep van eiser zo dat hij ook problemen voorziet ten aanzien van het onderhoud van de watergang.

4. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo, voor zover hier van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit (a) het bouwen van een bouwwerk en (c) het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk geweigerd, in geval van, kort gezegd, (a) strijd met het Bouwbesluit, (b) strijd met de Bouwverordening (c) strijd met het bestemmingsplan en (d) strijd met de redelijke eisen van welstand.

Ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover deze betrekking heeft op het afwijken van het bestemmingsplan, slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Onbestreden is dat eiser vanuit zijn woning rechtstreeks zicht heeft op het terrein waarop de uitbreiding van de supermarkt is voorzien. Rechtbank merkt eiser daarom aan als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

5.2

Eiser voert aan dat aan het bouwplan een goede ruimtelijke onderbouwing ontbreekt. Met de uitbreiding van de supermarkt een grove inbreuk maakt op de bestaande stedenbouw doordat de op de plankaart ingekaderde bouwblokken worden overschreden en het bouwplan is geprojecteerd op gronden waar een watergang aanwezig is. Dit is volgens eiser niet in lijn met de uitgangspunten van het bestemmingsplan ter conservering van de bestaande dorpskern.

5.3

Verweerder heeft de afwijking van het planologisch regime niet in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Aan dit standpunt ligt de ruimtelijke onderbouwing “Uitbreiding supermarkt [plaats] ” van 3 november 2014 ten grondslag.

5.4

De rechtbank komt met betrekking tot deze beroepsgrond tot het volgende oordeel. De uitbreiding van de supermarkt is, zoals onder 1.8 is weergegeven, in strijd met het bestemmingsplan. De aan verweerder toekomende bevoegdheid tot het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning is discretionair van aard. Dit betekent dat dient te worden gerespecteerd dat verweerder over een zekere mate van vrijheid beschikt om toepassing te geven aan die bevoegdheid. De beslissing om al dan niet de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in afwijking van het geldende bestemmingsplan is afhankelijk van de inzichten die bij verweerder bestaan over de gewenste planologische ontwikkelingen in het betreffende gebied en de mogelijkheden die in de visie van verweerder daartoe bestaan. De door de rechtbank uit te voeren toetsing zal zich om die reden dienen te beperken tot de vraag of sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat moet worden geoordeeld dat verweerder niet in redelijkheid tot de verlening van de in geding zijnde omgevingsvergunning heeft kunnen komen.

5.5

Ten behoeve van de omgevingsvergunning is door [adviesbureau A] een ruimtelijke onderbouwing “Uitbreiding supermarkt [plaats] ” van 3 november 2014 opgesteld. In de ruimtelijke onderbouwing is op alle ruimtelijk relevante consequenties van de uitbreiding voor de omgeving ingegaan en is een motivering gegeven waarom afwijking van het geldend planologisch regime niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij is gemotiveerd aangegeven dat het plan past binnen de doelstellingen van het rijks, provinciaal en het actuele gemeentelijke beleid. Daarnaast heeft [adviesbureau B] onderzoek verricht en in zijn rapportage van 30 april 2015 geconcludeerd dat de beoogde uitbreiding verantwoord is en passend binnen de verhoudingen tussen vraag en aanbod. Ook zal geen sprake zijn van een structuur verstorende werking of duurzame ontwrichting zowel op lokaal als op regionaal niveau. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat in het kader van de ruimtelijke onderbouwing elementen ten onrechte niet meegewogen, niet onderzocht of buiten beschouwing gelaten zijn.

5.6

Nu in de ruimtelijke onderbouwing alle ruimtelijke aspecten en milieuaspecten van het bouwplan en de omgeving van het bouwplan zijn belicht, ziet de rechtbank geen plaats voor het oordeel dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat een goede ruimtelijke onderbouwing ontbreekt. Aan de materiële toepassingsvoorwaarden van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo is daarmee voldaan. Eiser heeft verder ook geen inhoudelijk relevante argumenten aangevoerd voor het standpunt dat de uitbreiding van de supermarkt in strijd zouden zijn met een goede ruimtelijke ordening. Deze beroepsgrond slaagt niet.

6. Voor zover eiser aanvoert dat er sprake is van strijd met de redelijke eisen van welstand, stelt de rechtbank vast dat eiser dit standpunt op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Deze beroepsgrond faalt reeds daarom.

7.1

Eiser voert tot slot als beroepsgrond aan dat hij ook nu al moeite heeft om zijn auto in de straat te parkeren en dat deze problemen alleen maar zullen toenemen als de supermarkt wordt uitgebreid. Daarnaast bevordert de uitbreiding van de supermarkt de verkeersveiligheid niet.

7.2

Verweerder heeft voor het bepalen van de parkeernormen aansluiting gezocht bij het CROW 2012. [adviesbureau C] heeft een parkeeronderzoek uitgevoerd en de resultaten van dit onderzoek vastgelegd in de rapportage van 30 juni 2014. [adviesbureau C] concludeert in deze rapportage dat binnen het invloedsgebied van de supermarkt na de uitbreiding voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn. In de toekomstige situatie worden 18 extra parkeerplaatsen aangelegd op eigen terrein. De parkeervraag is in de toekomstige situatie op het drukste moment van de week 35 parkeerplaatsen meer dan in de huidige situatie. In totaal zijn er 52 parkeerplaatsen nodig in de toekomstige situatie, waarvan 38 parkeerplaatsen op het eigen terrein zullen zijn gelegen. Omdat de parkeerplaatsen op eigen terrein niet voldoende zijn om de extra parkeervraag op het drukste moment van de week te faciliteren, heeft [adviesbureau C] in een ruime straal rond de supermarkt de parkeerdruk en de parkeercapaciteit onderzocht. Voor een supermarkt is het wenselijk dat klanten niet meer dan 100 meter hoeven te lopen tussen de parkeerplaats en de supermarkt indien er geen karretjes op het parkeerterrein kunnen worden achtergelaten. Het onderzoek naar de parkeerdruk en de parkeercapaciteit rondom de supermarkt toont aan dat het toekomstige parkeeraanbod binnen een straal van 100 meter vanaf de supermarkt hoger is dan de toekomstige parkeervraag, zodat sprake is van een acceptabele parkeersituatie.

Op 11 november 2015 heeft [adviesbureau C] aanvullend gerapporteerd naar aanleiding van het beroepschrift van eiser. In dit aanvullende rapport staat vermeld dat op de locatie waar de uitbreiding van de supermarkt wordt gerealiseerd, thans nog een gezondheidscentrum is gesitueerd. Dit centrum wordt verplaatst waardoor de parkeerbehoefte zal afnemen met 9 plaatsen. Deze afname van de parkeerbehoefte mag in mindering worden gebracht op de totale parkeerbehoefte, waardoor er nog maar 5 parkeerplaatsen binnen een straal van 100 meter nodig zijn om aan de toekomstige parkeerbehoefte te voldoen. In reactie op de beroepsgronden van eisers merkt [adviesbureau C] op dat er in de omgeving van de supermarkt sprake is van een acceptabele parkeerdruk, zowel voor als na realisatie van de uitbreiding. Het is dan ook niet de verwachting dat er parkeerproblemen in de buurt zullen optreden, aldus [adviesbureau C] .

7.3

De rechtbank komt met betrekking tot deze beroepsgrond tot het volgende oordeel.

Het bouwplan niet voldoet aan het uitgangspunt van het “parkeren op eigen terrein” als bedoeld in artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening gemeente Vlist 2013 (Bouwverordening). De rechtbank is niet gebleken dat de parkeeronderzoek van [adviesbureau C] onjuistheden bevat of op andere gronden niet gevolgd kan worden. Met juistheid is [adviesbureau C] tot de conclusie gekomen dat met de realisatie van het bouwplan een tekort van 5 parkeerplaatsen op eigen terrein ontstaat. Nu er volgens het onderzoek van [adviesbureau C] voldoende parkeerplaatsen in de directe nabijheid van de supermarkt aanwezig zijn om op andere wijzen in de benodigde parkeerruimte te voorzien, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank toepassing kunnen geven aan de afwijkingsbevoegdheid van artikel 2.5.30, vierde lid, onder b, van de Bouwverordening.

8. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. H.M. Braam, voorzitter, en mr. D.A.J. Overdijk en mr. N.S.M. Lubbe, leden, in aanwezigheid van mr. F. Willems - Gerritse, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.