Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:6477

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-06-2016
Datum publicatie
23-06-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 9170
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

AKW en Besluit uitvoering kinderbijslag. De minderjarige kinderen van eiser behoorden in de in geschil zijn de kwartlen niet tot zijn huishouden. Nu eiser in deze kwartalen geen bijdrage in het levensonderhoud van de minderjarigen heeft geleverd van tenminste EUR 416,-- per kind per kwartlaal, heeft eiser geen recht op kinderbijslag over deze kwartalen. Er wordt geen rekening gehouden met de financiële draagkracht van eiser.

Ook het beroep van eiser op de artikelen 26 en 27 van het IVRK slaagt niet.

Voorts kan evenmin op grond van de artikelen 67 en 68 van de Verordening 883/2004 in samenhang met artikel 60 van de Verordening 987/2009 aan eiser kinderbijslag worden toegekend over de periode in geding. De rechtbank verwijst naar de beantwoording van de prejudiciële vragen van het HvJ EU op 22 augustus 2015 (C-378/14).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/9170

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 juni 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. N. Çiçek),

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder

(gemachtigden: mr. K. Verbeek, H. van der Most en mr. S. Asadi).

Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij met ingang van het derde kwartaal van 2014 geen recht meer heeft op kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

Bij besluit van 6 november 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2016.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser is gehuwd met [partner] (partner). Uit dit huwelijk is op [geboortedatum kind 1] 2006 de minderjarige [kind 1] geboren en op [geboortedatum kind 2] 2011 de minderjarige [kind 2]. Op 27 februari 2014 is de partner van eiser in het Verenigd Koninkrijk (VK) gaan wonen. Op 17 juni 2014 zijn beide minderjarigen bij eisers partner gaan wonen.

1.2

Op 8 januari 2015 heeft het daartoe bevoegde orgaan in het VK de aanvraag van eisers partner om in aanmerking te komen voor child benefit, Engelse kinderbijslag, afgewezen.

2. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat eiser geen recht heeft op kinderbijslag over het derde en vierde kwartaal van 2014 omdat de minderjarigen in die periode bij eisers partner in het VK woonden en eiser geen bijdrage in het onderhoud van de minderjarigen heeft geleverd. Dat eiser in die periode een inkomen had dat net voldoende was om in zijn eigen levensonderhoud te kunnen voorzien en dat hij daardoor geen draagkracht had om in het onderhoud van de minderjarigen bij te dragen, doet hier volgens verweerder niet aan af. Zowel de AKW als het Besluit uitvoering kinderbijslag geven geen ruimte rekening te houden met de draagkracht van de ouder of verzorger. Verweerder verwijst in zijn verweerschrift ter onderbouwing van dit standpunt naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 20 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:495, 28 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1211 en 16 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010: BO7609. Het feit dat eiser geen recht heeft op kinderbijslag en er tevens in het VK geen recht op kinderbijslag bestaat voor eisers partner, maakt niet dat de kinderbijslag in Nederland alsnog tot uitbetaling komt. Het arrest Slanina van het Europese Hof van Justitie (HvJ) (HvJ EU, 26-11-2009, C-363/08, USZ 2010/19) waar eiser een beroep op doet, is volgens verweerder niet van toepassing op de situatie van eiser. Verweerder merkt daarover op dat eisers partner een beroep kan doen op dit arrest door een aanvraag in te dienen. Ook is er volgens verweerder geen sprake van schending van de artikelen 26 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Verweerder stelt zich op het standpunt dat het hanteren van een inkomensonafhankelijke onderhoudsbijdrage in het kader van het vaststellen van kinderbijslag, zonder daarbij rekening te houden met de financiële draagkracht, niet in strijd is met het in verschillende verdragen neergelegde gebod van gelijke behandeling. Ter onderbouwing verwijst hij naar de eerder genoemde uitspraak van de CRvB van 28 maart 2014. Verweerder voegt daaraan toe dat aan de minderjarigen zelf geen zelfstandig recht op kinderbijslag toekomt en wijst in dat kader op de uitspraak van de CRvB van 31 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1271.

3. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en voert, samengevat weergegeven, aan dat toepassing van artikel 7, eerste lid, van de AKW leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Verweerder heeft ten onrechte zijn beroep op de hardheidsclausule afgewezen. Hij had er rekening mee dienen te houden dat eiser geen draagkracht had om bij te dragen in het onderhoud van de minderjarigen. Het niet tot uitbetaling komen van kinderbijslag levert een schending op van de artikelen 26 en 27 van het IVRK, aldus eiser. Voorts voert eiser aan dat verweerder ten onrechte zijn recht op kinderbijslag over het derde en vierde kwartaal van 2014 niet heeft beoordeeld aan de hand van de Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (Verordening 883/2004) en de jurisprudentie van het HvJ EU. Eiser stelt recht te hebben op kinderbijslag op grond van artikel 67 van de Verordening 883/2004.

4. Naar aanleiding van de vraag van de rechtbank om nader in te gaan op de beantwoording van de prejudiciële vragen door het HvJ EU op 22 oktober 2015 (C-378/14) heeft verweerder, samengevat weergegeven, de rechtbank bericht dat deze beantwoording van de prejudiciële vragen niet leidt tot een ander standpunt.

5. De rechtbank stelt vast dat de te beoordelen periode in dit geval loopt van het derde kwartaal van 2014 tot en met het vierde kwartaal van 2014. De minderjarigen en de partner wonen inmiddels sinds 17 februari 2015 weer bij eiser en aan eiser is voor het eerste kwartaal van 2015 bij besluit van 6 november 2015 kinderbijslag toegekend.

6.1

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de AKW heeft de verzekerde overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op kinderbijslag voor een kind dat jonger is dan 18 jaar en dat tot zijn huishouden behoort of door hem wordt onderhouden.
Het achtste lid van artikel 7 van de AKW bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld naar welke wordt beoordeeld of een kind in belangrijke mate of grotendeels door de verzekerde wordt onderhouden.
In het Besluit uitvoering kinderbijslag is bepaald dat de verzekerde een kind onderhoudt, indien hij een bijdrage in het onderhoud van het kind levert van ten minste – ten tijde in geding – € 416,-- per kwartaal.

6.2

Nu de minderjarigen gedurende de in geschil zijnde kwartalen niet tot eisers huishouden behoorden, heeft eiser pas aanspraak op kinderbijslag, indien hij heeft voldaan aan de bij en krachtens de AKW gestelde voorwaarde dat hij de kinderen heeft onderhouden. Niet in geschil is dat eiser in de in geschil zijnde kwartalen geen bijdrage in het levensonderhoud heeft geleverd van ten minste € 416,-- per kind per kwartaal. Dit betekent dat eiser het derde en vierde kwartaal van 2014 geen recht heeft op kinderbijslag voor de minderjarigen.

6.3

Eiser heeft betoogd dat hij de onderhoudsbijdrage niet kon opbrengen omdat hij van zijn inkomen slechts in zijn eigen levensonderhoud kon voorzien. Eiser beroept zich in dit verband voorts op de artikel 26 en 27 van het IVRK.

6.4

Het is vaste rechtspraak dat het hanteren van een vaste, inkomensonafhankelijke onderhoudsbijdrage in het kader van het vaststellen van het recht op kinderbijslag, zonder rekening te houden met de financiële draagkracht van de aanvrager, niet in strijd is met het in verschillende verdragen neergelegde gebod van gelijke behandeling. Kinderbijslag is bedoeld als tegemoetkoming in de onderhoudskosten van kinderen. De AKW, in het bijzonder artikel 7, en het daarop gebaseerde Besluit uitvoering kinderbijslag bevatten een gedetailleerde en genuanceerde regeling op grond waarvan onder andere rekening wordt gehouden met de vraag of het kind al dan niet een huishouden vormt met de aanvrager van kinderbijslag, met de reden waarom het kind niet tot het huishouden van de aanvrager behoort, of en in welke mate het kind inkomen heeft en of de ouder bijdraagt in de kosten van levensonderhoud van een kind dat niet tot zijn huishouden behoort. Als een ouder niet voldoende of niet aan het onderhoud heeft bijdragen, is daarin een grond gelegen voor het niet toekennen van kinderbijslag. Verwezen wordt in dit verband naar onder meer de uitspraak van de CRvB van 28 maart 2014, ECLI:NL:CRVB: 2014:1211.

6.5

Het beroep van eiser op de artikelen 26 en 27 van het IVRK kan reeds geen doel treffen omdat deze bepalingen niet kunnen worden aangemerkt als een ieder verbindende bepalingen in de zin van de artikelen 93 en 94 van de Grondwet (ECLI:NL:CRVB:2010: BO3580, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2321 en ECLI:NL:CRVB:2008:BD0221).

7.1

Eiser heeft zich vervolgens beroepen op de artikelen 67 en 68 van de Verordening 883/2004.

7.2

Verweerder heeft ter zitting betoogd dat de Verordening 883/2004 geen recht op kinderbijslag toekent, maar de socialezekerheidsstelsels in EU-landen coördineert. Artikel 67 van de Verordening 883/2004 spreekt over een fictie: als een persoon ergens is verzekerd en voldoet aan de toegangsvoorwaarden dan worden de gezinsleden behandeld alsof ze in dat land wonen. Eiser woont al in Nederland en voldoet niet aan de voorwaarden. Het artikel is dan ook niet op eiser van toepassing.

7.3

De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt en is van oordeel dat eiser op grond van artikelen 67 en 68 van de Verordening 882/2004 evenmin recht heeft op kinderbijslag over de periode in geding. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

7.4

Verordening 883/2004 heeft betrekking op de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels. Bij deze Verordening hoort de toepassingsverordening Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 (Verordening 987/2009) tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening 883/2004.

Ingevolge artikel 67 van de Verordening 883/2004 heeft een persoon recht op gezinsbijslag overeenkomstig de wetgeving van de bevoegde lidstaat, ook voor de gezinsleden die in een andere lidstaat wonen, alsof deze in eerstbedoelde lidstaat woonden.

Ingevolge artikel 60, eerste lid, van de Verordening 987/2009 wordt de aanvraag om gezinsuitkeringen gericht aan het bevoegde orgaan. Voor de toepassing van de artikelen 67 en 68 van Verordening 883/2004 wordt rekening gehouden met de situatie van het gehele gezin alsof alle betrokkenen onderworpen zijn aan de wetgeving van de betrokken lidstaat en er verblijven, vooral wat het recht van een persoon om deze uitkeringen aan te vragen betreft. Indien een persoon die gerechtigd is om de uitkeringen aan te vragen dit recht niet uitoefent, houdt het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wetgeving van toepassing is rekening met een aanvraag om gezinsuitkeringen die is ingediend door de andere ouder, een als ouder beschouwde persoon of een persoon of instelling die de voogdij over het kind of de kinderen uitoefent.

7.5

In voornoemde uitspraak van 22 oktober 2015 heeft het HvJ EU in een soortgelijke zaak als onderhavige, prejudiciële vragen beantwoord die betrekking hebben op de uitleg van artikel 60, eerste lid, van de Verordening 987/2009 in samenhang met de artikelen 67 en 68 van Verordening 883/2004. Het HvJ EU overweegt in rechtsoverweging 41 dat artikel 60, lid 1, tweede volzin, van verordening nr. 987/2009 in die zin moet worden uitgelegd dat de in deze bepaling geformuleerde fictie ertoe kan leiden dat het recht op gezinsbijslagen toekomt aan een persoon die zijn woonplaats niet heeft op het grondgebied van de voor de uitkering van die bijslagen bevoegde lidstaat, wanneer alle andere in het nationale recht gestelde voorwaarden voor toekenning van die bijslagen zijn vervuld, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.

7.6

Gelet op het voorgaande kan aan eiser op grond van de artikelen 67 en 68 van de Verordening 883/2004 in samenhang met artikel 60 van de Verordening 987/2009 geen recht op kinderbijslag worden toegekend over de periode in geding. Uit artikel 67 van de Verordening 883/2004 blijkt immers dat de rechthebbende op gezinsbijslag wordt bepaald overeenkomstig het nationale recht en zoals de rechtbank reeds in 6.2 heeft overwogen is eiser geen rechthebbende naar Nederlands recht. Daar komt bij dat ingevolge voornoemde uitleg van de tweede volzin van artikel 60, eerste lid van de Verordening 987/2009 de fictie van dit artikel niet op eiser van toepassing is. Immers, eiser woont wel in de voor de uitkering van de bijslagen bevoegde lidstaat, i.c. Nederland. Ook brengt de derde volzin van artikel 60, eerste lid, van de Verordening 987/2009 niet mee dat eiser kinderbijslag over de periode in geding moet krijgen vanwege het feit dat zijn partner, die op dat moment in een andere lidstaat woonde, geen aanvraag in Nederland heeft ingediend. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 50 van voornoemde uitspraak van het HvJ EU.

7.7

Gelet op het voorgaande heeft eiser evenmin op grond van de Europese wetgeving recht op kinderbijslag over de periode in geding. Deze beroepsgrond faalt. Hetgeen overigens door eiser is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

8. Anders dan door eiser is betoogd, ziet de rechtbank in voornoemde uitspraak van het HvJ EU geen aanleiding te oordelen dat verweerder de kinderbijslag zou dienen toe te kennen aan de echtgenote van eiser, voor zover zij daar recht op heeft, zonder dat zij daarvoor een aanvraag heeft ingediend.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzitter, en mr. D.A.J. Overdijk en mr. M. Tjepkema, leden, in aanwezigheid van mr. F. Willems-Gerritse, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.