Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:6472

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-06-2016
Datum publicatie
23-06-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 4738
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

kostendelersnorm; in casu geen ruimte voor een belangenafweging

Wetsverwijzingen
Participatiewet 22a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/4738

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van

8 juni 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. T. Ertekin),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. E.H. Buizert).

Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat op de bijstandsuitkering die eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) ontvangt met ingang van 1 juli 2015 de kostendelersnorm wordt toegepast.

Bij besluit van 8 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Eiseres ontvangt sinds 26 februari 2013 bijstand naar de norm van een alleenstaande.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn in het primaire besluit ingenomen standpunt, dat op de uitkering van eiseres per 1 juli 2015 de in artikel 22a van de Pw bedoelde kostendelersnorm dient te worden toegepast, gehandhaafd. Hieraan ligt ten grondslag dat eiseres de kosten van het bestaan kan delen met drie van haar inwonende meerderjarige kinderen. De jongste dochter wordt voor de toepassing van de kostendelersnorm overeenkomstig het bepaalde in artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder d, van de Pw uitgezonderd, nu zij studeert en aanspraak maakt op studiefinanciering. Het voorgaande brengt met zich dat de bijstand van eiseres met ingang van 1 juli 2015 op 40% (vier kostendelers) van het wettelijk minimumloon is vastgesteld.

4. Eiseres kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. De toepassing van de kostendelersnorm is in strijd met de wettelijke regels betreffende het recht op minimumloon. Daarnaast stelt eiseres dat zij de woonlasten niet kan delen met haar kinderen, omdat de kinderen onvoldoende inkomsten hebben om hieraan te kunnen bijdragen. Ten slotte is ten onrechte geen rekening gehouden met haar persoonlijke situatie. Door de verlaging van haar uitkering zal zij niet meer in staat zijn om haar schulden af te betalen, ten gevolge waarvan zij in financiële problemen zal geraken.

5. De rechtbank stelt vast dat artikel 22a, eerste lid, van de Pw verweerder dwingend voorschrijft in welke gevallen en op welke wijze de kostendelersnorm moet worden toegepast. Uitzonderingen daarop zijn opgenomen in de leden drie en vier van die bepaling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op juiste wijze uitvoering gegeven aan deze bepaling door uit te gaan van vier kostendelers. Niet in geschil is immers dat ten tijde van belang de vier meerderjarige kinderen van eiseres hoofdverblijf hadden in de woning van eiseres en dat de jongste dochter van eiseres overeenkomstig het bepaalde in artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder d, van de Pw niet als kostendeler is aan te merken.

6. De tekst van artikel 22a van de Pw biedt verweerder geen beleidsvrijheid. De Memorie van Toelichting bij artikel 22a van de Pw (TK 2013-2014, 33 801, 3, pagina 5 en volgende) biedt daarvoor ook geen aanknopingspunt. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:

“De bijstandsnorm per persoon zal lager worden naar mate er meer personen in de woning aanwezig zijn en zij ook met meer personen de kosten kunnen delen. Hierbij wordt gekeken naar alle meerderjarige personen in de woning. De aard van het inkomen van elk van de afzonderlijke inwonenden speelt hierbij geen rol. Elke extra persoon in de woning betekent een lagere individuele bijstandsnorm”.

Nu verweerder gehouden is voornoemd kader toe te passen en geen ruimte heeft om de te onderscheiden belangen af te wegen, kan het betoog van eiseres dat zij door de toepassing van de kostendelersnorm in de financiële problemen zal geraken, hoe invoelbaar ook, niet leiden tot het buiten toepassing laten van de kostendelersnorm op haar uitkering. Dit geldt ook voor haar stelling dat de kinderen geen bron van inkomsten hebben. Aan de mogelijkheid dat de kosten in voorkomend geval in de praktijk niet gedeeld worden, heeft de wetgever geen consequenties verbonden. Met andere woorden: het niet delen van de kosten in een meerpersoonshuishouden komt voor rekening van de bijstandsontvangers.

7. De stelling van eiseres dat toepassing van de kostendelersnorm op haar bijstandsuitkering strijd oplevert met het recht op minimumloon faalt ook.

In de eerste plaats geldt het wettelijk minimumloon niet voor uitkeringssituaties, maar voor werknemers in dienstbetrekking, zodat van een vergelijkbare situatie geen sprake is.

Voorts schrijven in het geval van eiseres de artikelen 21 en 22a van de Pw dwingend voor wat in haar situatie de hoogte van de bijstandsuitkering is. De rechtbank begrijpt dat de toepassing van de kostendelersnorm bij eiseres tot een forse inkomensdaling leidt. Artikel 11 van de Wet algemene bepalingen schrijft echter voor dat de rechter volgens de wet recht moet spreken: de rechter mag in geen geval de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet beoordelen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.X. Cozijn, voorzitter, en mr. A.L. Frenkel en mr. D.R. van der Meer, leden, in aanwezigheid van mr. L.B.J. Leunissen, griffier, op 8 juni 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.