Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:6460

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-06-2016
Datum publicatie
04-07-2016
Zaaknummer
C/09/497939 / HA ZA 15-1155
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil tussen zus en broer over afwikkeling nalatenschap van hun moeder die in 1992 is overleden. De taken van de broer als executeur zijn in 1994 voltooid. Vordering van de zus tot het afleggen van rekening en verantwoording is verjaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2016-0149
JERF 2018/20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/497939 / HA ZA 15-1155

Vonnis van 8 juni 2016

in de zaak van

[A] ,

wonende te [woonplaats 1] , gemeente [gemeente] ,

eiseres in de hoofdzaak,

eiseres in het exhibitie-incident,

verweerster in het voorwaardelijke incident tot opheffing van het bewijsbeslag,

procesadvocaat mr. D. Knottenbelt te Rotterdam,

tegen

[B] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerder in het exhibitie-incident,

eiser in het voorwaardelijke incident tot opheffing van het bewijsbeslag,

advocaat mr. P.J.A. Plattel te Arnhem.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding tevens houdende incident strekkende tot afschrift van bescheiden ex art. 843a Rv van 28 september 2015, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in incident in conventie, (voorwaardelijke) conclusie van eis in incident in reconventie, en conclusie van antwoord in de hoofdzaak;

  • -

    het tussenvonnis van 23 december 2015 waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    de conclusie van antwoord in de voorwaardelijke eis in reconventie in het incident;

  • -

    de akte uitlatingen tevens akte overlegging nadere producties van de zijde van [A] ;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 4 april 2016 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de brief van 25 april 2016 van de zijde van [A] ;

  • -

    de akte van 25 april 2016 van de zijde van [A] ;

  • -

    de brief van 10 mei 2016 van de zijde van [B] ;

  • -

    de brief van 24 mei 2016 van de zijde van [A] .

1.2.

Het proces-verbaal van comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld correcties van feitelijke aard per brief aan de rechtbank kenbaar te maken. [A] heeft bij brief van 25 april 2016 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Deze brief maakt onderdeel uit van het procesdossier en het vonnis wordt gewezen met inachtneming van deze brief, voor zover het correcties van feitelijke aard betreft.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[A] , [B] en de heer [C] (hierna: [C] ) zijn geboren uit het huwelijk tussen jonkvrouwe [de moeder] (hierna: de moeder) en de heer [de vader] (hierna: de vader). Het huwelijk van de vader en de moeder is ontbonden door het overlijden van de vader op 11 mei 1992.

2.2.

De moeder is overleden op 7 oktober 1992. Bij testament van 15 september 1987 heeft de moeder [A] , [B] en [C] tezamen en voor gelijke delen tot haar erfgenamen benoemd.

2.3.

In een door de vader en de moeder op 20 september 1991 ondertekende verklaring is [B] onder meer tot executeur benoemd van het testament van de moeder indien zij na de vader zou komen te overlijden.

2.4.

In een op 14 december 1991 gedateerde verklaring met daaronder een voor de rechtbank onleesbare handtekening is het volgende verwoord:

‘(…)

In aansluiting op het schrijven van 20 september 1991 waarin ik mijn zoon [B] tot executeur van mijn testament heb benoemd, verklaar ik hierbij dat hij recht heeft op het wettelijk geldende executeurs loon exclusief door hem gemaakte kosten verbonden aan deze werkzaamheden.

Het wettelijk vastgestelde executeursloon zoals dit geldt op moment na volledige afhandeling van alle werkzaamheden voortvloeiend uit deze executoriale.’

2.5.

Na het overlijden van de moeder is [B] als executeur-testamentair opgetreden.

2.6.

Ten tijde van het overlijden van de moeder bestond haar vermogen in ieder geval uit:

  1. de aandelen in het familiebedrijf [de B.V.] (hierna: [de B.V.] ). Op de balans van [de B.V.] stond destijds een appartement te [plaats] , Zwitserland (hierna: het appartement);

  2. de woning aan de [adres] te [plaats2] (hierna: de woning);

  3. liquiditeiten / aandelen.

2.7.

Blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel van 3 augustus 2015 betreffende [de B.V.] is [B] vanaf 7 november 1972 bestuurder van [de B.V.] .

2.8.

In het aandeelhoudersregister van [de B.V.] van 31 december 1973 is het volgende opgenomen:

‘(…)

Aandeel no te name van Aantal

1 t/m 32 [de vader] 32

52 [de vader] 1

55 Mevr. [de moeder] 1

56 t/m 94 [… 1] 39

95 en 35 [D] 2

96 en 36 [E] 2

97 en 37 [F] 2

98 en 38 [G] 2

99 en 33 [H] 2

100 en 34 [I] 2

101-102-39-40-41

42 en 43 [B] 7

44-45-46-47-48 [A] 5

49-50-51-53-54 [J] 5

[… 2] 31/12/73 Totaal 102

(…)’

2.9.

In een notariële akte van 30 november 1994 is het volgende verwoord:

‘(…)

Heden (…) verschenen voor mij (…)

1. (…) [de B.V.] . (…) hierna te noemen: “de vennootschap” (…)

2. (…)

a. (…) [B] (…)

b. (…) [C] (…)

c. (…) [A] (…)

(…) hierna tezamen ook te noemen: “de aandeelhouder”.

De verschenen personen (…) verklaarden:

Besluit tot inkoop. Koop en levering. Koopprijs.

Artikel 1.

1. De algemene vergadering van aandeelhouders van de vennootschap heeft op vijfentwintig september negentienhonderd vierennegentig besloten tot de verkrijging door de vennootschap middels koop van (…) (17) gewone aandelen, elk groot nominaal (…) (NLG. 1.000,--), genummerd 22 tot en met 32, 52 en 55 tot en met 59, hierna aan te duiden als “de aandelen”.
(…)

2. De aandeelhouder verkoopt en levert bij deze akte de aandelen aan de vennootschap, die de aandelen koopt en bij deze akte van de aandeelhouder aanvaardt.

3. De koop is geschied voor de prijs van (…) (NLG. 7.000,--) per aandeel. De prijs van de aandelen bedraagt derhalve (…) (NLG. 119.000,--); deze prijs is door de aandeelhouder ontvangen, waarvoor kwijting bij deze.

Verkrijging door de aandeelhouder.

Artikel 2.

De aandelen zijn verkregen als volgt:

a. De aandelen genummerd 22 tot en met 32 en 52 zijn verkregen door de heer Mr [de vader] (…);

b. Het aandeel genummerd 55 is door Jonkvrouw [de moeder] verkregen (…)

c. De aandelen genummerd 56 tot en met 59 stammen uit een fideis commissair vermogen. De akte waarbij dit fideis commis is ingesteld bevind zich niet in de macht van partijen. Volgens opgave van de aandeelhouders waren de aandeelhouders de verwachters.

(…)

Mitsdien zijn thans genoemde heer [B] , de heer [C] en mevrouw V [A] (…) zijn thans de enig gerechtigden tot de aandelen.

(…)’

2.10.

Op een door [B] opgesteld ‘overzicht aandelen [de B.V.] per mei 2006’ is het volgende vermeld:

‘(…)

Oorspronkelijk uitgegeven: 102

Door B.V. ingekocht na dood ouders en opbrengst verdeeld onder de 3 erfgenenen: 17

Resteert: 85

Uit boedel ouders naar onverdeelde boedel erfgenamen: 35

In bezit:

[B] 12

[L] 10

[A] 10

[E] 3

[D] 3

[H] 3

[K] 3

[G] 3

[F] 3

85

2.11.

In september 2008 is het appartement verkocht.

2.12.

De woning is verkocht. Bij notariële akte van levering van 1 februari 1993 is de woning door [B] , [A] en [C] geleverd voor een koopsom van NLG 1.235.000,-.

2.13.

Bij brief van 2 februari 1993 heeft de notaris aan [B] het volgende bericht:

‘(…)

Bijgaand zend ik U een copie van de akte van levering met betrekking tot de verkoop door Uw broer en zuster en Uzelf van het woonhuis aan de [adres] te [plaats2] .

Het saldo van de afrekening ad f 1.237.913,40 is opgedeeld in drie gedeelten en is als volgt overgemaakt:

1. een bedrag ad f 412.637,80 op rekening (…) ten name van de heer [L] ;

2. een bedrag ad f 412.637,80 op rekening (…) ten name van mevrouw [A] ; en

3. een bedrag ad f 412.637,80 op rekening (…) ten name van Uzelf.

(…)’

2.14.

Bij brief van 23 december 1996 heeft [B] aan [A] en [C] het volgende bericht:

‘(…)

Op bijgaand overzicht treft u aan welk bedrag op moment van mutatie nog te uwe gunste openstaat. Van dit saldo werd recentelijk f.15.000,- op uw bankrekening overgemaakt.

Opgemerkt zij echter dat:

(…)

II.

Er is nog geen definitieve afrekening van de grafrechten van het graf [het graf] . (…)

III.

De executeur-testamentair zijn kosten nog niet heeft berekend.

Om redenen II en III is een klein bedrag op uw saldo ingehouden waarover t.z.t. een definitieve afrekening zal volgen. (…)’

2.15.

Bij brief van 15 november 2009 heeft [B] namens [de B.V.] aan onder meer [A] en [C] het volgende bericht:

‘(…)

III.

Beëindiging van mijn executeurschap boedel ouders van [B] .

Met nog 41.19 % van het aandelen kapitaal in de b.v. als onverdeelde boedel komt na opheffing van de b.v. ook een einde aan mijn executeurschap. (…)’

2.16.

Bij brief van 17 mei 2010 heeft [B] aan [A] en [C] het volgende bericht:

‘(…)

Zo als ik al eerder schreef wordt het langzamerhand tijd mijn executeurschap over de erven van [X] af te ronden.

Ik stuurde jullie reeds op 15/11/09 gegevens toe inzake het wettelijk bepaalde executeurloon en een schrijven van onze vader dd. 14 december 1991 waarin hij dit nog eens extra heeft bevestigd.

Voorstel. (alle bedragen in euro’s)

(…)

Totaal 16928,-.

[C] & [A] pp. Euro 8464,-’

Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over het executeursloon. Er is nog geen executeursloon aan [B] betaald.

2.17.

Op 27 juli 2015 heeft [A] conservatoir bewijsbeslag doen leggen op de administratie van de nalatenschap van de moeder ten laste van [B] , te weten op de informatie die zich bevindt in/van/op drieëntwintig dossiermappen, één ordner en diverse computerbestanden. Deze zaken zijn in bewaring gegeven teneinde de papieren bescheiden te digitaliseren, waarna de zaken zijn teruggegeven aan [B] .

3 Het geschil

in het exhibitie-incident

3.1.

[A] vordert veroordeling van [B] om binnen 24 uur na betekening van het in het incident te wijzen vonnis over te gaan tot afgifte van een afschrift dan wel het verlenen van medewerking aan inzage in de door [A] beslagen stukken, inhoudende de gehele administratie van de nalatenschap in fysieke en/of digitale vorm, althans [B] te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van het in dit incident te wijzen vonnis onvoorwaardelijk medewerking te verlenen aan de verstrekking van voornoemde stukken aan [A] door de gerechtelijke bewaarder dan wel aan de inzage ten kantore van de gerechtelijk bewaarder, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van [B] in de proceskosten.

3.2.

[A] voert hiertoe – samengevat – het volgende aan. Het beheer van de nalatenschap door [B] is nog niet geëindigd en [A] heeft van [B] onvoldoende inlichtingen gekregen over de nalatenschap. De in beslag genomen administratie is van cruciaal belang voor de door [A] in de hoofdzaak primair gevorderde inlichtingen en subsidiair gevorderde rekening en verantwoording, alsmede voor de vaststelling van de rechtspositie van [A] ten aanzien van de nalatenschap. [A] heeft dan ook recht en belang bij een afschrift van of inzage in de administratie van de nalatenschap. Uitsluitend aan de hand hiervan kan [A] beoordelen of [B] tekort is geschoten in zijn verplichtingen als executeur-testamentair en is [A] in staat om gerichte vragen aan [B] te stellen en haar vorderingen te onderbouwen en in te richten.

3.3.

[B] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in het voorwaardelijke incident tot opheffing van het bewijsbeslag

3.5.

Indien de rechtbank het exhibitie-incident afwijst, vordert [B] veroordeling van [A] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis het door haar gelegde conservatoir bewijsbeslag op te heffen onder terugbezorging van alle gemaakte kopieën, op straffe van verbeurte van een dwangsom, althans het door [A] gelegde conservatoir bewijsbeslag bij vonnis op te heffen, een en ander met veroordeling van [A] in de proceskosten.

3.6.

[B] voert hiertoe – samengevat – het volgende aan. Er is summierlijk gebleken van de ondeugdelijkheid van het door [A] ingeroepen recht althans van het gelegde beslag. Er ontbreekt immers een rechtmatig belang bij de inzagevordering en er is sprake van een fishing expedition, terwijl de achterliggende vorderingen ondeugdelijk zijn en de te maken belangenafweging in het voordeel van [B] uitvalt. Bovendien stonden [A] ten aanzien van [de B.V.] ook andere middelen ter beschikking, nu zij zelf aandeelhouder van [de B.V.] is en haar zoon Barend [A] commissaris van [de B.V.] is. [A] heeft in het verzoekschrift om verlof tot het leggen van het bewijsbeslag de feiten onjuist, onvolledig en eenzijdig weergegeven, zodat er sprake is van misleiding van de rechtbank. Ook is verzuimd om het verweer van [B] op te nemen in het verzoekschrift, terwijl [A] hiervan wel op de hoogte was.

3.7.

[A] voert verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de hoofdzaak

3.9.

[A] vordert – samengevat – veroordeling van [B] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis:

  1. de boedelbeschrijving als bedoeld in artikel 4:146 lid 2 BW te verstrekken;

  2. primair: alle inlichtingen en/of bescheiden als bedoeld in artikel 4:148 BW te verstrekken die naar het oordeel van [A] noodzakelijk zijn om te komen tot een beoordeling van de wijze waarop [B] het beheer van de nalatenschap heeft uitgevoerd;
    subsidiair: een deugdelijke rekening en verantwoording als bedoeld in artikel 4:151 BW te verstrekken;

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en veroordeling van [B] in de proceskosten.

3.10.

[A] voert daartoe – samengevat – het volgende aan. [A] vermoedt dat [B] zichzelf uit de nalatenschap heeft bevoordeeld en dat [B] van goederen van de nalatenschap heeft geleefd alsof deze zijn eigendom waren.

[B] heeft tot op heden geen boedelbeschrijving van de nalatenschap van de moeder opgemaakt. Ook heeft hij – ondanks verzoeken daartoe – geen informatie verstrekt over door hem verrichte beheers- en beschikkingshandelingen, terwijl [B] ook geen rekening en verantwoording heeft afgelegd. Het beheer van de nalatenschap door [B] duurt dan ook nog steeds voort. Om te kunnen bepalen of [B] zijn taak als executeur-testamentair correct heeft uitgevoerd, dient [A] over een boedelbeschrijving van de nalatenschap te beschikken en dient [B] de door [A] gevraagde informatie te verstrekken.

Voor zover de rechtbank van oordeel is dat het beheer van [B] over de nalatenschap is geëindigd, dient [B] nog rekening en verantwoording af te leggen over het door hem gevoerde beheer over de nalatenschap. In de rekening en verantwoording dienen de verdeling van de aandelen van [de B.V.] , de verdeling van de huurpenningen van het appartement en de opbrengst van de verkoop van de woning en het appartement te worden betrokken.

3.11.

[B] voert verweer.

3.12.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in de hoofdzaak en in de incidenten

4.1.

Het meest vergaande verweer van [B] ten aanzien van de vorderingen van [A] in de hoofdzaak is dat zijn executeurschap in de eerste helft van de jaren negentig van de vorige eeuw is geëindigd en dat de vorderingen van [A] zijn verjaard. De rechtbank zal eerst dit verweer beoordelen. De rechtbank zal daarvoor eerst vaststellen of en zo ja, wanneer [B] zijn taak als executeur heeft voltooid.

4.2.

Ingevolge artikel 4:144 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de executeur – voor zover hier van belang – tot taak de goederen der nalatenschap te beheren en de schulden der nalatenschap te voldoen, die tijdens zijn beheer uit die goederen behoren te worden voldaan. Wanneer de executeur deze werkzaamheden als zodanig heeft voltooid, eindigt zijn taak (artikel 4:149 lid 1 onder a BW). Hiervoor is niet vereist dat een boedelbeschrijving is opgesteld of dat rekening en verantwoording is afgelegd. Ook is niet vereist dat de nalatenschap is verdeeld. De verdeling van de nalatenschap is geen taak van de executeur, maar van de gezamenlijke erfgenamen.

4.3.

Niet is gesteld dat er na de eerste helft van de jaren negentig van de vorige eeuw nog schulden van de nalatenschap bestonden die moesten worden voldaan, zodat vaststaat dat dit gedeelte van de taak van [B] als executeur op dat moment was voltooid. Vervolgens dient te worden bezien of de taak van de executeur ten aanzien van het beheer van de nalatenschap nog doorliep. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Hiertoe is het volgende redengevend, waarbij de rechtbank de afzonderlijke bestanddelen van de nalatenschap zal bespreken.

4.4.

Voldoende is komen vast te staan dat de verdeling van de opbrengst van de woning op of omstreeks 2 februari 1993 heeft plaatsgevonden, nu [A] ter comparitie heeft erkend dat zij het in de brief van de notaris van die datum genoemde bedrag van fl. 412.637,80 heeft ontvangen en niet is onderbouwd dat er ten aanzien van de woning verder nog iets te verdelen viel. Het beheer van de nalatenschap door de executeur ten aanzien van de woning is voorafgaand aan de verdeling geëindigd.

4.5.

Ten aanzien van de inboedelgoederen en liquiditeiten stelt [B] dat deze omstreeks 1993 tussen de erfgenamen zijn verdeeld. Ten aanzien van de inboedel merkt hij op dat de erfgenamen hiervan de goederen hebben genomen die zij graag wilden hebben en dat de overige inboedelgoederen zijn geveild door Christie’s in Amsterdam en dat de opbrengst hiervan tussen de erfgenamen is verdeeld.

Deze gang van zaken is door [A] niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Voor zover er volgens haar inboedelgoederen dan wel liquiditeiten niet zijn verdeeld, had het op haar weg gelegen om dit te concretiseren. Dit heeft zij niet gedaan. De enkele niet onderbouwde stelling dat wellicht niet alle liquiditeiten verdeeld zijn, is in ieder geval onvoldoende. Bij het voorgaande komt dat [A] stelt dat ten tijde van de verdeling de juwelen niet getaxeerd zijn en dat bij een latere taxatie ten behoeve van de verzekering bleek dat de juwelen een veel hogere waarde hadden. Wat hier ook van zij – volgens [B] zijn de juwelen voorafgaand aan de verdeling wel getaxeerd – hiermee staat vast dat (ook) de juwelen tussen de erfgenamen zijn verdeeld. Dat er nog meer of andere goederen waren, waarover [B] het beheer is blijven voeren, is gesteld noch gebleken.

Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank [B] in zijn stelling dat alle inboedelgoederen en de liquiditeiten omstreeks 1993 door de erfgenamen zijn verdeeld. Voorafgaand aan de feitelijke verdeling is de taak van de executeur ten aanzien van het beheer van de nalatenschap voor zover het de inboedel en de liquiditeiten betreft, geëindigd.

4.6.

Ten aanzien van de aandelen in [de B.V.] stelt de rechtbank voorop dat een deel van de aandelen op 30 november 1994 is ingekocht en dat niet in geschil is dat de opbrengst hiervan tussen de erfgenamen is verdeeld. Ten aanzien van 35 nog resterende aandelen twisten partijen of deze in een fideï commis vallen of nog tussen hen dienen te worden verdeeld. Wat hier ook van zij, de rechtbank is van oordeel dat de taak van [B] als executeur voor zover het de aandelen betreft, is geëindigd omstreeks het moment waarop de nalatenschap is opengevallen. Immers, indien de aandelen tot een fideï commissair vermogen behoren, vallen deze niet in de nalatenschap. In dat geval heeft [B] als executeur in het geheel geen taak. Indien de aandelen niet behoren tot een fideï commissair vermogen, vallen deze wel in de nalatenschap. Niet is gesteld of gebleken dat er dan iets aan verdeling van die aandelen tussen de erfgenamen in de weg staat, zodat de rechtbank daarvan uitgaat. Evenmin is gesteld of gebleken dat [B] ten aanzien van die aandelen beheersdaden heeft verricht, dan wel heeft moeten verrichten.

4.7.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de taak van [B] als executeur ten aanzien van de onder 2.6 genoemde bestanddelen van de nalatenschap eind 1994 is geëindigd. Dat [B] in de correspondentie tussen partijen heeft verklaard dat dit niet zo is, maakt dit niet anders. Niet van belang is of [B] zelf vindt dat zijn taak is geëindigd, maar of dit op grond van de wet zo is. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van [A] dat er mogelijk nog andere bestanddelen van de nalatenschap zijn ten aanzien waarvan de taak van [B] niet is geëindigd, nu deze door [B] betwiste stelling door [A] in het geheel niet is geconcretiseerd, laat staan onderbouwd. Dit had van [A] wel mogen worden verwacht, zelfs als zij – zoals zij stelt en [B] betwist – nooit over een boedelbeschrijving heeft beschikt. Voor zover [A] met de verwijzing naar andere vermogensbestanddelen doelt op (de verkoopopbrengst van) het appartement of ander vermogen in [de B.V.] , merkt de rechtbank op dat deze vermogensbestanddelen niet in de nalatenschap vallen. De vennootschap heeft immers een afgescheiden vermogen, dat (anders dan de door de moeder gehouden aandelen in die vennootschap) niet in de nalatenschap valt.

4.8.

In beginsel diende [B] bij het eindigen van zijn taak als executeur rekening en verantwoording af te leggen over het door hem gevoerde beheer op de wijze als voor bewindvoerders is bepaald (artikel 4:151 en 4:161 lid 1 BW), waarbij hij uiteraard ook de boedelbeschrijving en alle andere door de erfgenamen gewenste inlichtingen en/of bescheiden diende te verstrekken (artikel 4:148 BW). [B] stelt dat hij dit heeft gedaan. Indien en voor zover [B] dit niet heeft gedaan, zijn de vorderingen van [A] om [B] te verplichten dit alsnog te doen verjaard. Ingevolge artikel 4:151 BW in samenhang beoordeeld met artikel 4:161 lid 4 BW en artikel 1:377 BW verjaart immers elke rechtsvordering op grond van het gevoerde beheer door verloop van vijf jaren na de dag waarop de executele is geëindigd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de executele eind 1994 geëindigd, zodat genoemde termijn van vijf jaren ruimschoots is verstreken, terwijl niet is gesteld of gebleken dat de verjaring tijdig is gestuit. De vorderingen zijn derhalve al omstreeks eind 1999 verjaard. Dit is ruimschoots voor het moment waarop de kinderen van [A] hebben geprobeerd nadere informatie van [B] te krijgen, zodat de verjaring niet het gevolg is van hun – naar eigen zeggen – pogingen om de familieverhoudingen niet verder te verstoren door niet al te voortvarend te handelen.

4.9.

Gelet op het voorgaande zullen de vorderingen in de hoofdzaak worden afgewezen.

4.10.

Bij deze stand van zaken heeft [A] geen belang bij of recht op inzage of afschrift van de administratie van de nalatenschap. De vraag of de incidentele vordering op grond van artikel 843a Rv toewijsbaar is nu artikel 4:148 BW aan erfgenamen een specifieke ingang biedt tot het verkrijgen van informatie, kan daarom onbeantwoord blijven. De incidentele vordering van [A] zal dan ook worden afgewezen.

4.11.

De vordering tot opheffing van het bewijsbeslag van [B] ligt hiermee voor toewijzing gereed, aangezien van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht is gebleken. De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding voor toewijzing van de gevorderde dwangsom, nu is gesteld noch gebleken dat [A] weigerachtig zal zijn het bewijsbeslag op te (doen) heffen.

4.12.

Omdat partijen broer en zus zijn, zal de rechtbank de kosten van de procedure compenseren aldus dat iedere partij zowel in de hoofdzaak als in de incidenten de eigen proceskosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank:

in de hoofdzaak

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in het exhibitie-incident

5.3.

wijst de vorderingen af;

5.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in het voorwaardelijke incident tot opheffing van het bewijsbeslag

5.5.

veroordeelt [A] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis het door haar gelegde conservatoir bewijsbeslag op te (doen) heffen, onder terugbezorging van alle gemaakte digitale kopieën;

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.8.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Brandt en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2016.1

1 type: 1881