Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:6452

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-02-2016
Datum publicatie
17-06-2016
Zaaknummer
C-09-504920-KG ZA 16-144
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Eiser is voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Een van de voorwaarden is een meldplicht. Eiser wil, tussen twee meldplicht gesprekken in, twee weken naar Panama. Het OM geeft hem daarvoor geen toestemming. De voorzieningenrechter oordeelt dat het OM redelijkerwijs tot die beslissing heeft kunnen komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/504920 / KG ZA 16/144

Vonnis in kort geding van 12 februari 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. S.B.M.A. Engelen te Venlo,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M.F.H. Hirsch Ballin te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met de daarbij en de nadien overgelegde producties;

- de door de Staat overgelegde producties;

- de op 9 februari 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Staat pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Op 12 februari 2016 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] is op 2 juli 2014 voorwaardelijk in vrijheid gesteld (hierna: de eerste v.i.) nadat twee aan hem opgelegde straffen aaneengesloten ten uitvoer waren gelegd. Het betrof kort gezegd 1) een gevangenisstraf van 42 maanden uit hoofde van de overname door Nederland van de tenuitvoerlegging van een door het Landgericht Wiesbaden op 3 september 2012 aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf van zeven jaren en zes maanden met een verplichte opname in een psychiatrisch ziekenhuis voor diefstal met geweld en 2) een gevangenisstraf van 200 dagen op grond van een veroordeling door het Gerechtshof Amsterdam op 18 augustus 2009 voor oplichting en overtreding van de Wet wapens en munitie.

2.2.

Op 5 januari 2015 is [eiser] (tijdens de eerste v.i.) aangehouden in verband met de overname door Nederland van de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van drie jaar en zes maanden die op 22 augustus 2006 aan [eiser] is opgelegd door het Amtsgericht Augsburg voor het meerdere malen overtreden van de Duitse Opiumwet en het meermalen plegen van diefstal, oplichting en valsheid in geschrift. Deze overname houdt verband met de onttrekking door [eiser] aan de verplichte opname in een ontwenningskliniek, waartoe hij was veroordeeld. Vanaf 5 januari 2016 is de tenuitvoerlegging van deze straf in Nederland aangevangen in de vorm van dagdetentie.

2.3.

De reclassering heeft op zowel 11 februari 2015 als 28 april 2015 geadviseerd om [eiser] in aanmerking te laten komen voor v.i. met daarbij, kort gezegd, als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een behandelverplichting (ambulante behandeling) en een drugs- en alcoholverbod.

2.4.

Vanaf 19 mei 2015 heeft [eiser] zich onttrokken aan de (dag)detentie en heeft hij zich niet meer bij de penitentiaire inrichting (hierna: p.i.) gemeld. Op 10 juni 2015 is [eiser] aangehouden op verdenking van diefstal van een auto en bezit van drugs. De tenuitvoerlegging van de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf als bedoeld onder 2.2. is toen weer aangevangen, maar in een reguliere p.i. De v.i. van [eiser] is vervolgens met 120 dagen uitgesteld.

2.5.

De reclassering heeft op 26 september 2015 geadviseerd om [eiser] in aanmerking te laten komen voor v.i. met daarbij onder meer de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht, een opname in een zorginstelling (klinische behandeling) en een drugs- en alcoholverbod. In het advies staat vermeld dat [eiser] erg gemotiveerd is voor opname in een klinische setting, bereid is de klinische behandeling voort te zetten wanneer de detentieperiode afloopt en het er mee eens is dat de behandeling wordt voortgezet als voorwaarde bij het toezicht in het kader van de v.i.

2.6.

Op 28 september 2015 is [eiser] opgenomen in de forensische psychiatrische kliniek te [plaats] (hierna: FPA [plaats] ), maar op 19 oktober 2015 is hij weer teruggeplaatst in de p.i. Als gevolg hiervan is er een door de reclassering op 20 oktober 2015 een aanvullende rapportage opgemaakt bij voormelde rapportage van 26 september 2015. In deze aanvullende rapportage worden e-mailberichten van FPA [plaats] geciteerd, waarin onder meer melding wordt gemaakt van een zeer negatieve houding van [eiser] ten aanzien van behandeling, het niet meer zichtbaar zijn van de motivatie die hij eerder toonde, het meenemen van medepatiënten in zijn negatieve gedragingen en het zich niet laten aanspreken op zijn gedrag. Er volgt een advies om, gelet op de persoonlijkheidspathologie en de verslaving van [eiser] , te kijken naar een behandeling binnen de forensische verslavingszorg. De reclassering adviseert vervolgens negatief ten aanzien van het verlenen van v.i. aan [eiser] , nu zij op grond van de ervaringen met [eiser] niet in staat is om op dat moment een adequaat behandelplan met voorwaarden op te stellen ten behoeve van een positief advies betreffende het verlenen van v.i.

2.7.

Nu een vordering tot het uitstellen of achterwege laten van de v.i. op dat moment al had moeten zijn ingediend, heeft de reclassering het advies van 20 oktober 2015 op 10 november 2015 gewijzigd in een advies tot v.i. onder bijzondere voorwaarden. Deze voorwaarden zijn (grotendeels) overgenomen in het besluit v.i. zoals hierna vermeld.

2.8.

In het besluit v.i. van 11 november 2015 staat vermeld dat [eiser] zich vanaf de ingangsdatum van zijn v.i. (zijnde 13 november 2015) dient te houden aan onder meer de volgende (bijzondere) voorwaarden (verkort weergegeven): i) het verlenen van medewerking aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, ii) een meldplicht bij de reclassering, zolang en zo vaak de reclassering dat noodzakelijk acht, waarbij [eiser] zich dient te houden aan de aanwijzingen en opdrachten die de reclassering hem in het kader van die meldplicht geeft, iii) een drugs- en alcoholverbod en het meewerken aan bloedonderzoek en/of urineonderzoek en/of een ander controlemiddel ten behoeve van de naleving van dat verbod, iv) het verlenen van medewerking aan een ambulante behandeling door een deskundige of een zorginstelling, zo nodig met een kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken, v) het aanvaarden van onderdak zoals nader uitgewerkt in het besluit en vi) het tonen van een open, gemotiveerde en meewerkende houding met betrekking tot het toezicht en de behandeling. Voorts staat in dit besluit vermeld dat de meldplicht tot doel heeft om [eiser] te kunnen begeleiden en controleren bij het naleven van de opgelegde bijzondere voorwaarden.

2.9.

Op 13 november 2015 is [eiser] voorwaardelijk in vrijheid gesteld (de tweede v.i.).

2.10.

Op 19 januari 2016 heeft [eiser] aan de reclassering melding gemaakt van zijn voornemen om van 17 februari tot en met 29 februari 2016 met zijn vriendin een reis te gaan maken naar Panama, met een tussenstop in Lissabon. De reclasseringsmedewerker heeft hierover contact gezocht met het OM, zoals blijkt uit een overgelegde e-mailwisseling van 19/20 januari 2016. Het OM heeft vervolgens besloten [eiser] voorlopig geen toestemming te verlenen om zich buiten de landsgrenzen te bevinden, welk besluit, voorzien van een motivering, op 27 januari 2016 aan de advocaat van [eiser] is meegedeeld (hierna: het besluit van het OM van januari 2016). In de motivering wordt, kort gezegd, verwezen naar de diverse veroordelingen van [eiser] voor het plegen van strafbare feiten, ook recentelijk nog en in relatief korte tijd, de omstandigheid dat er nog een zaak tegen [eiser] openstaat vanwege het plegen van strafbare feiten in juni 2015, de terugplaatsing van [eiser] vanuit de FPA naar de p.i. in oktober 2015 omdat hij zich daar niet kon houden aan de voorwaarden en regels en de omstandigheid dat [eiser] in een recent gesprek met de reclassering heeft aangegeven dat hij af en toe drugs gebruikt, hetgeen in strijd is met een gestelde bijzondere voorwaarden. Het OM eindigt haar motivering met de mededeling dat [eiser] naar haar oordeel eerst een goede degelijk start van zijn v.i. moet maken en aan moet tonen dat hij serieus, gemotiveerd en open meewerkt aan de gestelde voorwaarden en dat daar geen verblijf buiten de landsgrenzen bij past.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, zakelijk weergegeven:

1) de Staat te verbieden aan hem een verbod op te leggen zich buiten de landsgrenzen te bevinden gedurende de proeftijd die is verbonden aan zijn v.i.;

2) de Staat te bevelen het aan hem opgelegde verbod om zich te bevinden buiten de landsgrenzen met onmiddellijke ingang te staken althans op te schorten althans te schorsen dan wel aan de Staat te bevelen dat aan hem met onmiddellijke ingang toestemming wordt verleend om zich buiten de landsgrenzen te bevinden van 17 tot en met 29 februari 2016;

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;

3) de Staat te veroordelen tot vergoeding van de door [eiser] geleden schade indien en voor zover het voor hem feitelijk onmogelijk zou blijken zijn vakantie doorgang te laten vinden;

met veroordeling van de Staat in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. Hij heeft op 17 januari 2016 een reis naar Panama geboekt, die geheel past binnen de voorwaarden die in het besluit v.i. aan hem zijn opgelegd. Hij dient zich tweewekelijks bij de reclassering te melden en die meldplicht kan hij gewoon nakomen, nu de reis precies tussen twee geplande contacten in valt. Ook kan hij direct na de reis een urinecontrole ondergaan. Door hem desondanks, eerst nadat hij zijn reis heeft geboekt en zijn plannen heeft meegedeeld, te verbieden zich buiten de landsgrenzen te bevinden, handelt de Staat onrechtmatig jegens hem. Hiermee wordt zonder voorafgaande kennisgeving en naar willekeur een nieuwe voorwaarde aan hem opgelegd dan wel worden de aan hem opgelegde voorwaarden gewijzigd. Een dergelijke handelswijze is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, aldus [eiser] .

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[eiser] baseert zijn vordering op onrechtmatig handelen van de Staat. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de civiele rechter – in dit spoedeisende geval de voorzieningenrechter in kort geding – gegeven.

4.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat zij [eiser] niet volgt in zijn standpunt dat er door het besluit van het OM van januari 2016 sprake is van een nieuwe bijzondere voorwaarde of van wijziging/aanvulling van de in het besluit v.i. aan [eiser] opgelegde voorwaarden. Er is sprake van een besluit van het OM, dat door het OM is genomen in het kader van zijn taak om toezicht te houden op de naleving door [eiser] van de in het besluit v.i. opgenomen bijzondere voorwaarden. Gelet daarop ligt in deze procedure ter beoordeling voor de vraag of het OM, met het oog op voormelde taak, redelijkerwijs tot zijn besluit heeft kunnen komen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het OM daarbij een grote mate van beleidsvrijheid heeft, zodat de bestreden beslissing slechts marginaal kan worden getoetst.

4.3.

Bij de beoordeling neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat een hoofddoelstelling van de v.i.-regeling de beveiliging van de samenleving is en, ook met het oog daarop, het voorkomen van recidive. Ook wordt met deze regeling getracht een gecontroleerde en geleidelijke terugkeer in de maatschappij te realiseren. De voorwaarden die aan de v.i. worden verbonden en het toezicht van het OM op de naleving hiervan dragen hieraan bij.

4.4.

Ten aanzien van [eiser] kan, mede met het oog op het onder 4.3 vermelde doel van de v.i., het volgende genoegzaam uit de stukken worden uitgeleid. [eiser] heeft een uitgebreid strafblad; hij is regelmatig veroordeeld voor diverse strafbare feiten en hij heeft meerdere malen gevangenisstraffen van enkele jaren opgelegd gekregen. [eiser] heeft problemen ondervonden vanwege het gebruik van middelen en er is sprake van psychische problematiek. In de loop van vorig jaar heeft [eiser] zich nog aan zijn detentie onttrokken en in september/oktober 2015 is een aan [eiser] geadviseerde behandeling in de FPA [plaats] afgebroken, zoals onder 2.6 nader toegelicht. In de reclasseringsadviezen van 11 februari 2015, 28 april 2015 en 26 september 2015 wordt het recidiverisico telkens ingeschat als hoog. Uit het advies van 20 oktober 2015 blijkt dat de reclassering op dat moment nog niet in staat is geweest voor [eiser] een adequaat behandelplan met voorwaarden op te stellen vanwege de diverse gebeurtenissen in 2015. Desondanks is [eiser] op 13 november 2015 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Uit de e-mailwisseling van 19/20 januari 2016 als vermeld onder 2.11 blijkt dat het reclasseringstoezicht op dat moment pas net is aangevangen, dat [eiser] nog geen vaste toezichthouder heeft en dat de reclassering hem nog niet goed heeft leren kennen.

4.5.

Gelet op het onder 4.3 vermelde doel van de v.i. en de reclasseringscontacten en de onder 4.4. vermelde daaraan gerelateerde feiten en omstandigheden, kan niet worden aangenomen dat het OM (apert) onredelijk handelt door – op dit moment – geen toestemming aan [eiser] te geven om zich buiten de landsgrenzen te bevinden. De Staat heeft er hierbij ter zitting nog op gewezen – hetgeen ook in de e-mailwisseling tussen de reclassering en het OM als nadeel wordt benoemd – dat de bestemming Panama de nodige risico’s met zich brengt en een adequaat toezicht bemoeilijkt. Ook dit heeft het OM naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid bij zijn beslissing in aanmerking kunnen nemen.

4.6.

De door [eiser] genoemde omstandigheid dat hij zelf sinds november 2015 woonruimte en betaalde arbeid heeft gevonden, is zonder meer positief te noemen, maar is gelet op hetgeen onder 4.5. is vermeld, met name over de gebeurtenissen van vorig jaar en het reclasseringstoezicht dat zich thans nog in een opstartende fase bevindt, onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Ditzelfde geldt voor de (onweersproken) stellingen van [eiser] dat de reis niet in de weg staat aan de nakoming door hem van een tweewekelijkse meldplicht en dat hij sinds hij in vrijheid is gesteld nimmer positief is getest op het gebruik van verdovende middelen en/of alcohol. Het is immers aan de reclassering om te bepalen wanneer en hoe vaak zij [eiser] aanwijzingen en opdrachten geeft en controles nodig acht, hetgeen mede afhankelijk is van de medewerking en houding van [eiser] . Dat een verblijf in Panama de mogelijkheden voor de reclassering in dit kader beperkt, lijdt geen twijfel.

4.7.

[eiser] heeft er ter zitting nog op gewezen dat hij regelmatig zijn vriendin in Duitsland bezoekt, met medeweten en goedkeuring van de reclassering. Gelet op de wijze waarop het besluit van het OM van januari 2016 is geformuleerd is dat ook niet meer toegestaan en daarvoor is geen enkele reden, aldus [eiser] . Dit is door [eiser] echter niet aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd. Hij heeft deze vorderingen enkel gebaseerd op het standpunt dat de Staat hem niet kan en mag verbieden om de door hem geplande reis naar Panama te maken, hetgeen overigens ook de reden is geweest van de totstandkoming van het besluit. De voorzieningenrechter beschikt ook niet over enige informatie ten aanzien van het verblijf van [eiser] bij zijn vriendin in Duitsland en eventuele afspraken die daarover zijn gemaakt. Deze stelling kan dan ook niet leiden tot toewijzing van het in dit geding gevorderde.

4.8.

Voor toewijzing van het gevorderde sub 1 en 2 is gezien het vorenstaande geen plaats. De – overigens niet nader toegelichte – vordering tot vaststelling van een schadevergoeding deelt dit lot.

4.9.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 2.745,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 1.929,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2016.

ts