Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:6357

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-06-2016
Datum publicatie
21-07-2016
Zaaknummer
AWB - 13 _ 4189
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mip; seksuele functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 13/4189

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 juni 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Smid),

en

de minister van Defensie, verweerder

(gemachtigde: voorheen mr. W.R.C. Adang, thans P.J.H. Souren)

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om toekenning van een militair invaliditeitspensioen afgewezen.

Bij besluit van 16 april 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser (gedeeltelijk) gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en eiser met ingang van 18 februari 2009 een militair invaliditeitspensioen en een bijzondere invaliditeitsverhoging toegekend van respectievelijk € 5.780, 18 en € 1.156,04 bruto per jaar en eiser een proceskostenvergoeding toegekend.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde].

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat de behandeling van het beroep wordt aangehouden in afwachting van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) op het hoger beroep in de zaak AWB 11/3992, waarin een oordeel werd verwacht over het scoren van de seksuele functie en de arbeidsgerelateerde beperkingen.

Partijen zijn bij brieven van 23 mei 2014 in de gelegenheid gesteld te reageren op de uitspraak van de Raad in bovengenoemde zaak van 1 mei 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1520). Verweerder heeft gereageerd bij brief van 28 mei 2014, eiser bij brief van 17 juni 2014. Beide partijen hebben er in hun reactie op gewezen dat de Raad niet heeft beslist op het punt van de seksuele functie.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten. Partijen hebben toestemming verleend de zaak zonder nadere zitting af te doen.

Naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 13 november 2014 aangaande de seksuele functie (ECLI:NL:CRVB: 2014:3830 en 3825) heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om op deze uitspraken te reageren. Verweerder heeft bij brief van 26 februari 2015 gereageerd. Eiser heeft bij brief van 30 maart 2015 gereageerd op de brief van verweerder van 26 februari 2015. Verweerder heeft hierop bij brief van 30 april 2015 gereageerd.

Op 26 november 2015 is de zaak wederom ter zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde].

Overwegingen

1.1

Eiser is per 5 november 1984 als dienstplichtig militair in dienst gekomen. Eiser is in de periode van 17 april 1985 tot 24 oktober 1985 uitgezonden naar Libanon.

1.2

Eiser heeft bij brief van 16 februari 2009, door verweerder ontvangen op 18 februari 2009, verzocht om toekenning van een militair invaliditeitspensioen vanwege psychische klachten. Naar aanleiding van dit verzoek is op 25 maart 2010 een verzekeringsgeneeskundig onderzoek invaliditeitspensioen (VGO) uitgevoerd, vastgelegd in een rapport van 27 september 2010. In dit rapport is geconcludeerd dat eiser lijdt aan een psychische aandoening van algemene aard, maar dat geen sprake is van oorzakelijk of verergerend dienstverband. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder bij het primaire besluit de aanvraag van eiser om toekenning van een militair invaliditeitspensioen afgewezen.

1.3

In het bestreden besluit heeft verweerder alsnog oorzakelijk dienstverband aanvaard voor een psychische aandoening van traumatische aard (PTSS). Verweerder heeft geen dienstverband aanvaard voor de depressieve aandoening. Verweerder heeft eiser met ingang van 18 februari 2009 een militair invaliditeitspensioen toegekend, berekend naar een mate van invaliditeit van 25%, en een bijzondere invaliditeitsverhoging van 5%.

Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat naar aanleiding van het bezwaar een expertise is verricht door de heer [psychiater] , psychiater, vastgelegd in een rapport van
13 september 2012. Met inachtneming van dit rapport heeft de heer [verzekeringsarts] , verzekeringsarts, in zijn commentaar van 4 oktober 2012 vastgesteld dat er sprake is van een PTSS en dat hiervoor verergerend dienstverband dient te worden aanvaard. Voor de eveneens geconstateerde depressieve stoornis wordt geen dienstverband aanvaard. De verzekeringsarts heeft de mate van invaliditeit vastgesteld op 26,25%, afgerond 25%. Tevens is een medische eindtoestand vastgesteld. Uit het bestreden besluit blijkt dat vervolgens naar aanleiding van de aanvullende gronden van bezwaar alsnog oorzakelijk dienstverband voor de PTSS is vastgesteld. De aanvullende bezwaargronden zijn voor het overige ongegrond verklaard.

2.1

Eiser heeft in beroep –samengevat– het volgende aangevoerd.

In de eerste plaats is ten onrechte geen dienstverband aanvaard voor de depressieve stoornis. Voorts is het invaliditeitspercentage van 25% gelet op de beperkingen te laag vastgesteld; dit dient 48% te zijn. Eiser verwijst hiervoor naar zijn brief van 4 december 2012, de punten 2 tot en met 5, met uitzondering van het gestelde onder 4a. Tevens voert eiser aan dat het invaliditeitspercentage niet mag worden afgerond. Eiser voert verder aan dat verweerder ten aanzien van de sub-rubriek “seksuele functie” een onjuist criterium heeft aangelegd. Verweerder verlangt ten onrechte dat uit verslaglegging moet blijken dat voor de seksuele problematiek een specifieke behandeling moet worden gevolgd om tot een score in deze rubriek te kunnen komen. Voorts zijn volgens eiser de arbeidsgerelateerde beperkingen ten onrechte niet meegenomen. Hiervoor had nog een extra percentage van 15% moeten worden berekend. Eiser heeft geconcludeerd dat het invaliditeitspensioen dient te worden berekend naar een mate van invaliditeit van 63%, met ingang van 1 augustus 2010. Daarnaast dient eiser met ingang van diezelfde datum een bijzondere invaliditeitsverhoging te worden toegekend berekend naar een percentage van 20%.

Eiser heeft ten slotte verzocht te bepalen dat aanspraak bestaat op de wettelijke rente over het geldelijk tegoed waarop aanspraak bestaat.

2.2

Verweerder heeft hangende het beroep alsnog oorzakelijk dienstverband aangenomen voor de depressieve stoornis. Verweerder heeft zich echter op het standpunt gesteld dat dit geen gevolgen heeft voor de hoogte van de scores en daarmee voor het vastgestelde invaliditeitspercentage, aangezien bij de scores de depressieve klachten al zijn meegenomen. Verweerder heeft in dit verband uiteengezet dat vanwege de onmogelijkheid om een strikte scheiding aan te brengen tussen de bijdrage (aan de mate van invaliditeit) van de depressieve stoornis en de PTSS, reeds alle beperkingen van eiser in volle omvang aan de PTSS met dienstverband zijn toegerekend.

Ten aanzien van de beroepsgrond dat het invaliditeitspercentage ten onrechte is afgerond heeft verweerder in het verweerschrift gesteld dat hij sinds 1 september 2013 de mate van invaliditeit met dienstverband vaststelt op het werkelijke aan de hand van de scores op de Beoordelingslijst berekende invaliditeitspercentage. Om systeemtechnische redenen wordt het pensioen vooralsnog evenwel uitbetaald naar het eersthogere veelvoud van 1%. In de situatie van eiser is verweerder daarom nader van oordeel dat eiser te rekenen van 18 februari 2009 een militair invaliditeitspensioen toekomt berekend naar een mate van invaliditeit met dienstverband van 26,25% en dat dit pensioen (voorlopig) dient te worden uitbetaald op basis van een invaliditeitspercentage van 27. Verweerder verzoekt de rechtbank het beroep op dit punt gegrond te verklaren en voor het overige ongegrond.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.1

Eiser heeft ter zitting erkend dat het aannemen van een oorzakelijk dienstverband ten aanzien van de depressieve stoornis niet tot een hogere score en daarmee tot een hoger invaliditeitspercentage leidt, nu het inderdaad niet mogelijk is onderscheid te maken tussen de klachten gerelateerd aan de PTSS en die gerelateerd aan de depressieve stoornis. Deze beroepsgrond behoeft dus geen bespreking meer.

3.2

Ten aanzien van de beroepsgrond dat het invaliditeitspercentage van 25% gelet op de beperkingen te laag vastgesteld en dat dit 48% dient te zijn overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft voor de onderbouwing hiervan verwezen naar zijn brief van 4 december 2012, de punten 2 tot en met 5, met uitzondering van het gestelde onder 4a, en heeft verzocht het aldaar gestelde in beroep als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiser heeft in de brief van 4 december 2012 de scores van de navolgende subrubrieken betwist: mobiliteit (subrubriek 2), slapen (subrubriek 3), seksuele functie (subrubriek 4), basale communicatie (subrubriek 5), structuur aanbrengen (subrubriek 8) en adaptie aan stressvolle gebeurtenissen (subrubriek 10).

De rechtbank overweegt dat eiser met uitzondering van de seksuele functie deze grond in beroep niet nader heeft toegelicht. In de beslissing op bezwaar is – met uitzondering van de seksuele functie– te dien aanzien verwezen naar de reactie van de verzekeringsarts van 13 februari 2013. Nu eiser in beroep op geen enkele wijze heeft gemotiveerd dat en waarom de reactie van de verzekeringsarts niet juist is, kan deze beroepsgrond niet slagen.

3.3

Ten aanzien van de beroepsgrond dat de arbeidsgerelateerde beperkingen ten onrechte niet zijn meegenomen in de scores overweegt de rechtbank als volgt. De Raad heeft in zijn uitspraak van 1 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1520, geoordeeld dat voor het afzonderlijk in aanmerking nemen van arbeidsbeperkingen in de door betrokkene bepleite zin geen plaats is. Gelet op deze uitspraak van de Raad en de daarin opgenomen overwegingen kan deze beroepsgrond niet slagen.

3.4

Ten aanzien van de beroepsgrond dat verweerder bij de sub-rubriek “seksuele functie” een onjuist criterium heeft aangelegd, nu verweerder ten onrechte verlangt dat uit verslaglegging moet blijken dat voor de seksuele problematiek een specifieke behandeling moet worden gevolgd om tot een score in deze rubriek te kunnen komen, overweegt de rechtbank als volgt.

De Raad heeft zich inmiddels in vier uitspraken uitgelaten over de vraag welk criterium bij de beoordeling van de seksuele functie dient te worden gehanteerd.

3.4.1

De Raad heeft in zijn uitspraak van 13 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3830 ten aan zien van de seksuele functie als volgt overwogen:

“4.12

De minister heeft ter zitting uiteengezet dat de objectiveerbaarheid niet zozeer betrekking heeft op het feitelijk vaststellen van de beperkingen. Vergelijkbare problemen kunnen zich ook in andere subrubrieken voordoen als wel op het bij uitstek persoonlijke karakter van de beleving en waardering van seksualiteit. Wat de één ervaart als een hoogst problematisch functieverlies, is voor een ander van geen enkele betekenis. De meer relationele aspecten van seksueel functieverlies komen reeds tot uitdrukking in andere subrubrieken. Het vereiste in het PTSS Protocol moet ook niet zo strikt worden opgevat dat specifieke en gerichte behandeling door een seksuoloog moet hebben plaatsgevonden. Voldoende is reeds dat de seksuele problematiek door bijvoorbeeld de behandelend psychiater als een afzonderlijk probleem is gesignaleerd.

4.13.

Met het onder 4.12 vermelde betoog van de minister wordt aan het PTSS Protocol een redelijke en juiste uitleg gegeven . Het hier aan de orde zijnde vereiste is niet in strijd met hogere wet of regelgeving en kan de onder 4.6 omschreven terughoudende rechterlijke toetsing doorstaan.

4.14

(…) Uit de beschikbare medische gegevens kan echter niet worden afgeleid dat het verminderd seksueel functioneren op enig moment als een afzonderlijk, van de (overige) PTSS‑problematiek onderscheiden probleem is aangemerkt. De score 0 houdt dus in rechte stand.”

In zijn uitspraak van dezelfde datum met nummer ECLI:NL:CRVB:2014:3825 heeft de Raad als volgt overwogen:

“3.2.

Appellant is van mening dat de minister ten onrechte de door [persoon A] toegekende score voor de seksuele functie buiten beschouwing heeft gelaten. Aan het niet meenemen daarvan ligt ten grondslag dat het PTSS Protocol bij deze subrubriek aangeeft dat het gaat om nauwelijks objectiveerbare gegevens en dat alleen kan worden gescoord indien duidelijk uit eerdere verslaglegging blijkt dat voor dit probleem (verlies aan functioneren op seksueel gebied) specifieke behandeling/hulp is gezocht bij een professioneel deskundige.

3.2.1.

Appellant heeft ter zitting van de Raad bevestigd dat hij geen specifiek op de seksuele functie gerichte behandeling heeft gevolgd. Binnen zijn behandeling voor de PTSS is het seksueel-functieverlies niet als een afzonderlijk probleem gesignaleerd . Deze behandeling voldoet daarom niet aan hetgeen op dit punt door het PTSS Protocol wordt vereist. Voor zover appellant heeft willen aanvoeren dat het bewuste in het PTSS Protocol opgenomen vereiste op zichzelf beschouwd als onaanvaardbaar is te beschouwen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van heden in de zaak met nummer 13/205 MPW, waarin is geoordeeld dat het vereiste de in ons staatsbestel passende terughoudende toetsing kan doorstaan waartoe de rechter zich dient te beperken in geval een wet in materiële zin als zodanig ter discussie wordt gesteld. Het hoger beroep slaagt ook in zoverre niet.”

In zijn uitspraak van 15 januari 2015 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:42) overwoog de Raad als volgt:

3.4.

In de subrubriek seksuele functie kan ingevolge PTSS Protocol alleen worden gescoord indien duidelijk uit eerdere verslaglegging blijkt dat voor dit probleem (verlies aan functioneren op seksueel gebied) specifieke behandeling/hulp is gezocht bij een professioneel deskundige. In de onder 3.2 genoemde uitspraak van de Raad van 13 november 2013 is overwogen dat dit vereiste de in ons staatsbestel passende terughoudende toetsing kan doorstaan, waartoe de rechter zich dient te beperken in geval een wet in materiële zin als zodanig ter discussie wordt gesteld. Voor zover appellant het bewuste vereiste als zodanig heeft willen bestrijden, slaagt het hoger beroep dus niet.

3.5.

Partijen verschillen er niet over van mening dat binnen de behandeling van appellant het seksueel-functieverlies niet als een afzonderlijk probleem is gesignaleerd . Daarmee wordt - in aanmerking genomen de daaraan blijkens de meergenoemde uitspraak door de minister gegeven uitleg - niet voldaan aan het onder 3.4 bedoelde vereiste. In de subrubriek seksuele functie kan volgens het PTSS Protocol dus niet worden gescoord.

En tenslotte heeft de Raad in zijn uitspraak van 12 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:371) als volgt overwogen:

“4.7

Wat betreft de beperkingen in de seksuele functie heeft de minister appellant ingedeeld in de klasse 0. Daartoe is overwogen dat niet is voldaan aan de bepaling in het PTSS Protocol dat in deze subrubriek alleen wordt gescoord indien duidelijk uit eerdere verslaglegging blijkt dat voor dit probleem specifieke behandeling/hulp is gezocht bij een professioneel deskundige.

4.8.

Appellant heeft betoogd dat deze eis in het PTSS Protocol niet had mogen worden gesteld. Die beroepsgrond treft geen doel. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, vat de minister de gestelde voorwaarde zo op dat reeds voldoende is dat de seksuele problematiek door bijvoorbeeld de behandelend psychiater als een afzonderlijk probleem is gesignaleerd . Daarmee wordt aan het PTSS Protocol een redelijke en juiste uitleg gegeven. Met inachtneming hiervan is het vereiste niet in strijd met hogere wet of regelgeving en doorstaat het de terughoudende rechterlijke toetsing zoals deze geldt voor wetgeving in materiële zin (CRvB 13 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3830).

4.9.

Niet in geschil is, dat in het geval van appellant geen afzonderlijke, gerichte behandeling van de seksuele problematiek heeft plaatsgevonden door - bijvoorbeeld - een seksuoloog. Evenmin zijn in de gedingstukken aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de seksuele beperkingen bij de behandeling van de PTSS aan de orde zijn geweest als een afzonderlijk probleem zoals onder 4.8 bedoeld . Integendeel, appellant en zijn echtgenote hebben op de door hen in bezwaar overgelegde scoringslijst voor de seksuele functie een score 0 (geen beperking) ingevuld. Hun toelichting op die scorelijst laat zien dat weliswaar sprake is van een vermindering van de seksuele functie, maar dat deze voortkomt uit de algehele vermoeidheid die appellant door de PTSS ervaart en niet tot verstoring van de echtelijke relatie heeft geleid. Ook [persoon A] is van mening dat de beperking van de seksuele functie geheel in de symptomatologie van de PTSS is ingebed, met andere woorden dat afzonderlijke behandeling niet aan de orde is.”

3.4.2

De rechtbank overweegt dat uit deze uitspraken, in samenhang gelezen, volgt dat om beperkingen in de seksuele functie te kunnen scoren, anders dan waar verweerder van uit is gegaan, niet is vereist dat specifiek een gerichte behandeling moet hebben plaatsgevonden door bijvoorbeeld een seksuoloog, maar dat voldoende is dat de seksuele problematiek door bijvoorbeeld de behandelend psychiater als een afzonderlijk, van de overige PTSS-problematiek te onderscheiden, probleem is aangemerkt, al dan niet binnen de behandeling van de PTSS. De rechtbank volgt verweerder dan ook niet in zijn bij brief van 30 april 2015 en ter zitting ingenomen standpunt, dat uit de voornoemde uitspraken van de Raad volgt dat het niet voldoende is dat de seksuele problematiek als een afzonderlijk probleem is gesignaleerd, maar dat hoe dan ook enige mate van behandeling, bijvoorbeeld in het kader van de behandeling van de PTSS, moet hebben plaatsgevonden.

3.4.3

Gelet op het voorgaande moet de vraag worden beantwoord of in dit concrete geval de seksuele problematiek als een afzonderlijk, van de overige PTSS-problematiek te onderscheiden, probleem is aangemerkt. Verweerder heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat blijkens voornoemde uitspraken de seksuele problematiek duidelijk uit eerdere verslaglegging moet blijken. Verweerder is van mening dat op de peildatum, zijnde 18 februari 2010 (de datum van ontvangst van het verzoek van 16 februari 2010) hieraan niet was voldaan. Verweerder stelt in dat verband, onder verwijzing naar het VGO van 27 september 2010 en de brief van de MGGZ van 10 juni 2010, dat omstreeks de peildatum slechts sprake was van een afgenomen libido en dat de behandeling van eiser niet specifiek was gericht op de seksuele functie, noch is binnen die behandeling het seksueel functieverlies gesignaleerd als een afzonderlijk probleem. Nu uit de verslaglegging die beschikbaar was ten tijde van de peildatum en het primaire besluit niet blijkt van seksuele problematiek blijft verweerder van mening dat voor de seksuele functie terecht een klasse 0 is gescoord. Nu de peildatum en/of de datum van het primaire besluit volgens verweerder bepalend zijn, komt aan de door eiser overgelegde stukken die zien op de periode ná de peildatum en het primaire besluit geen betekenis toe, aldus verweerder.

Eiser heeft bij brief van 30 maart 2015 gesteld dat de behandelaar in de brief van de MGGZ van 10 juni 2010 een seksuele beperking heeft vermeld. Deze beperking is volgens eiser dus afzonderlijk gesignaleerd. Eiser heeft verder een brief van [persoon B] van het Sinaï Centrum van 19 maart 2015 overgelegd. In deze brief is onder meer het volgende neergelegd:

De lustbeleving wordt al jaren sterk beïnvloed door de ptss klachten, die de boventoon voeren. Client komt niet meer tot seksuele handelingen met zijn partner, noch met zichzelf. Als hij wordt aangeraakt komt hij onmiddellijk in de gevechtsmodus, kan nauwelijks intimiteit verdragen. Laagfrequent komt deze klacht in de individuele gesprekken zijdelings naar voren, vanaf het begin van de behandeling.”

3.4.4.

De rechtbank overweegt dat uit de hierboven aangehaalde uitspraken kan worden afgeleid dat inderdaad uit eerdere verslaglegging moet blijken dat de seksuele functie als een afzonderlijk probleem is aangemerkt. Uit de betreffende uitspraken blijkt niet dat deze in het PTSS Protocol neergelegde eis niet meer zou mogen worden gesteld. De rechtbank is echter, anders dan verweerder, van oordeel dat dit in dit concrete geval niet betekent dat de door eiser overgelegde stukken die zien op de periode na de peildatum en het primaire besluit geheel niet in de beoordeling kunnen worden betrokken. In dit geval is immers bij het primaire besluit het verzoek om een militair invaliditeitspensioen afgewezen omdat er volgens verweerder geen sprake was van een oorzakelijk of verergerend dienstverband. Pas bij het bestreden besluit van 16 maart 2013 is alsnog oorzakelijk dienstverband aangenomen, naar aanleiding van de expertise van [psychiater] van 13 september 2012. Ook zijn toen pas voor het eerst de beperkingen beoordeeld en gescoord. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat ook de informatie die ten tijde van het bestreden besluit uit de eerdere verslaglegging bij verweerder bekend was dient te worden meegenomen in de beoordeling.

De rechtbank overweegt dat in de brief van 10 juni 2010 van de MGGZ is vermeld dat sprake is van een afgenomen libido. Voorts geldt dat in het rapport van [psychiater] van 13 september 2012 is neergelegd dat eiser geen lust ervaart om te gaan vrijen, wat ook weer de nodige spanningen met zich meebrengt voor zijn vriendin (p.5). [psychiater] komt ten aanzien van de seksuele functie tot een score 4. Voorts is in de e-mail van het Sinaï Centrum van 19 november 2012 aan eisers gemachtigde neergelegd dat de seksuele beperkingen van eiser zowel in groepstherapie worden besproken als in individuele gesprekken naast de groepsbehandeling. De rechtbank is van oordeel dat uit deze stukken in voldoende mate blijkt dat de seksuele problematiek door de behandelaars van eiser als een afzonderlijk probleem is gesignaleerd. Tevens is voldoende aannemelijk dat de seksuele problematiek zich ook reeds op de peildatum voordeed. Verweerder is daarom ten onrechte van een score 0 uitgegaan. Het bestreden besluit kan op dit punt dan ook niet in stand blijven en dient te worden vernietigd.

3.4.5

De rechtbank ziet aanleiding om in het kader van finale geschilbeslechting zelf de klasse voor de beperkingen in de seksuele functie vast te stellen. Eiser heeft gesteld dat hij voldoet aan de omschrijving van klasse 5, nu hij tot geen enkele seksuele handeling komt en nauwelijks intimiteit kan verdragen. De rechtbank stelt vast dat de door verweerder geraadpleegde psychiater [psychiater] van oordeel is dat eiser voldoet aan de omschrijving van klasse 4 en eiser daarin een score geeft van 4 punten. De rechtbank neemt deze score over. Uitgaande van een score 4 bij de seksuele functie leidt dat tot een gemiddelde rubrieksscore van 1,75 + 2+ 0,5+ 2 = 6,25. Deze score gedeeld door 4 maal 20 levert een invaliditeitspercentage van 31,25 op, vooralsnog uit te betalen naar een mate van invaliditeit van 32%.

3.4.6

De rechtbank overweegt dat uit het onder 3.4.5 vastgestelde invaliditeitspercentage een bijzonder invaliditeitspercentage van 5 voortvloeit.

3.5

Zoals reeds volgt uit wat onder 2.2 is overwogen, alsmede uit de jurisprudentie van deze rechtbank (onder meer ECLI:NL:RBDHA:2012:BX6878) dient geen afronding plaats te vinden van het op basis van het PTSS Protocol berekende invaliditeitspercentage met dienstverband. Het beroep is ook op dit punt gegrond.

3.6

De rechtbank concludeert dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit zal worden vernietigd en het primaire besluit zal worden herroepen. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en bepaalt dat eiser met ingang van 18 februari 2009 aanspraak heeft op een militair invaliditeitspensioen berekend naar een mate van invaliditeit van 31,25 %, vooralsnog uit te betalen naar een mate van invaliditeit van 32%, en een bijzondere invaliditeitsverhoging van 5%.
3.7 Eiser heeft verzocht te bepalen dat aanspraak bestaat op de wettelijke rente over het geldelijk tegoed waarop aanspraak bestaat. De rechtbank overweegt dat in artikel

4:102, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is neergelegd dat indien een afwijzende beschikking tot betaling door een bestuursorgaan als gevolg van bezwaar of beroep wordt vervangen door een beschikking tot betaling, het bestuursorgaan wettelijke rente is verschuldigd vanaf het tijdstip waarop het in verzuim zou zijn geweest indien de beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn gegeven. Zoals uit de parlementaire geschiedenis op dit artikel blijkt, omvat deze bepaling ook de situatie dat de beschikking tot betaling in eerste instantie een te laag bedrag bevat. Zoals uit het voorgaande volgt had verweerder bij het primaire besluit een invaliditeitspensioen moeten toekennen berekend naar een mate van invaliditeit van 31,25%, vooralsnog uit te betalen naar een mate van invaliditeit van 32%, en een bijzondere invaliditeitsverhoging van 5%. Verweerder dient over het bedrag tot nabetaling waarop eiser aanspraak heeft de wettelijke rente te vergoeden met ingang van het verstrijken van de betalingstermijn, zijnde zes weken na de datum van het primaire besluit, derhalve met ingang van 5 november 2010.

3.8

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

3.9

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 496,- en een wegingsfactor 1). Voorts komen de door eiser opgevoerde reiskosten van een retour treinkaartje tweede klas voor het traject [woonplaats] - [plaats] (waarbij de rechtbank is uitgegaan van station [plaats] ) ad € 16,40 voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De rechtbank :

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit voor zover het betreft het vastgestelde
    invaliditeitspercentage, de bijzondere invaliditeitsverhoging en het bijbehorende
    pensioenbedrag;

  • -

    bepaalt dat eiser met ingang van 18 februari 2009 aanspraak heeft op een
    militair invaliditeitspensioen berekend naar een mate van invaliditeit van
    31,25%, vooralsnog uit te betalen naar een mate van invaliditeit van 32%, en een
    bijzondere invaliditeitsverhoging van 5%,
    en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het
    bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder over het bedrag tot nabetaling waarop eiser aanspraak
    heeft de wettelijke rente dient te vergoeden met ingang van5 november 2010 tot
    aan het moment van betaling;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.008,40.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Meijer, voorzitter, mr. G.P. Kleijn, lid, en generaal-majoor b.d. mr. S. van Groningen, militair lid, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.