Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:6327

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-05-2016
Datum publicatie
08-06-2016
Zaaknummer
15/4146
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dublin, Bulgarije, vergewisplicht

Artikel 20, lid 5, Dublinverordening, artikel 3 EVRM, artikel 4 Handvest

Bulgarije heeft de terugnameverzoeken van Nederland geaccepteerd op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening. Tussen partijen is discussie over wat deze acceptatiegrond zegt over de status van de asielprocedure van eisers in Bulgarije. De status van de asielprocedure in Bulgarije is van belang voor het antwoord op de vraag hoe eisers bij terugkeer worden opgevangen. De rechtbank is van oordeel dat uit artikel 20, vijfde lid volgt dat Bulgarije ervan uitgaat dat eisers’ eerste verzoek om internationale bescherming dat zij bij de Bulgaarse autoriteiten hebben ingediend, is ingetrokken. Verweerders standpunt dat uit de acceptatiegrond blijkt dat de asielprocedure van eisers in Bulgarije nog loopt, kan de rechtbank dan ook niet volgen. Eisers hebben gesteld dat bij terugkeer naar Bulgarije een reëel risico dreigt voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en/of 4 van het Handvest. Zij hebben in dat kader onder meer een beroep gedaan op het Aida-rapport van oktober 2015, het ECRE/ELENA-rapport van februari 2016 en het Aida-rapport van januari 2016. Uit de door eisers aangehaalde rapporten blijkt niet of een vreemdeling van wie het verzoek om internationale bescherming in Bulgarije is ingetrokken en in het kader van de Dublinverordening terugkeert naar Bulgarije, zoals in dit geval, na aankomst in Bulgarije wordt gedetineerd of naar een opvangcentrum wordt overgebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet uit te sluiten dat eisers na overdracht aan Bulgarije zullen worden gedetineerd. Gelet op de detentieomstandigheden die uit de rapporten blijken en de door eisers aangevoerde en door verweerder geloofwaardig geachte persoonlijke ervaringen in detentie in Bulgarije, is de rechtbank van oordeel dat verweerder, gegeven zijn vergewisplicht, zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt heeft mogen stellen dat door overdracht van eisers aan Bulgarije geen situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder is van de onjuiste veronderstelling uitgegaan dat het asielverzoek van eisers in Bulgarije nog loopt en heeft zijn standpunt over wat eisers in Bulgarije staat te wachten aan opvang onvoldoende gemotiveerd.

De beroepen worden gegrond verklaard en de bestreden besluiten worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb. Verweerder wordt opgedragen nieuwe besluiten te nemen. De voorlopige voorzieningen worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/4146

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 mei 2016 in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [1981] , burger van Bosnië-Herzegovina, eiser

(gemachtigde: mr. J. Visscher),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Schoot).

Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 30 juni 2013. Het bestreden besluit geldt ook als terugkeerbesluit. Daarnaast is aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van 10 jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft sinds november 1993 rechtmatig verblijf in Nederland op grond van de Tijdelijke Regeling Opvang Ontheemden voor (ex-)Joegoslaven. Bij beschikking van 28 juni 1994 is eiser toegelaten als vluchteling en per 28 juli 1994 is hem een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd toegekend. De verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is ingetrokken op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft daarbij verwezen naar het beleid in paragraaf C5/4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) en artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

2. Het bestreden besluit geldt eveneens als terugkeerbesluit. Voor wat betreft het terugkeerbesluit is in het bestreden besluit sprake van een tegenstrijdigheid, in die zin dat onder punt 2 van het bestreden besluit vermeld staat dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten, terwijl onder punt 5 vermeld staat dat eiser Nederland voor het verstrijken van de beroepstermijn dient te verlaten. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat is bedoeld dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten, omdat het standpunt van verweerder is dat eiser een gevaar voor de openbare orde vormt. De rechtbank gaat er daarom van uit dat is bedoeld een vertrektermijn van 0 dagen te geven, hetgeen ook in overeenstemming is met het voornemen van 9 juli 2014. Dat onder punt 5 van het bestreden besluit vermeld staat dat eiser Nederland voor het verstrijken van de beroepstermijn dient te verlaten, merkt de rechtbank aan als een kennelijke verschrijving. Overigens heeft eiser feitelijk een vertrektermijn van vier weken gekregen.

3. Verder is aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van 10 jaar. Gelet op dit inreisverbod, met de rechtsgevolgen als bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vw, kan eiser geen rechtmatig verblijf hebben. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 9 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013: 298) volgt dat eiser, zolang het inreisverbod voortduurt, geen belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen de intrekking van de aan hem verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Dat beroep kan immers niet leiden tot het door eiser beoogde doel, nu eiser geen rechtmatig verblijf kan hebben zolang het inreisverbod voortduurt. Of de aan eiser verleende verblijfsvergunning terecht is ingetrokken, kan in het kader van de toetsing van dat inreisverbod aan de orde worden gesteld. De rechtbank zal hetgeen eiser aanvoert tegen de intrekking van de aan hem verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd daarom beoordelen alsof dit deel uitmaakt van zijn gronden gericht tegen het inreisverbod.

4. Aan de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd heeft verweerder, met toepassing van paragraaf C5/4 van de Vc, ten grondslag gelegd artikel 35, eerste lid, onder b, van de Vw in samenhang met de zogenoemde glijdende schaal van artikel 3.86, vierde en vijfde lid, van het Vb. Op grond van deze bepalingen – voor zover thans van belang – kan eisers asielvergunning worden ingetrokken indien aan hem wegens ten minste drie misdrijven bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf is opgelegd en de totale duur van de onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelten van die straffen ten minste gelijk is aan de in het vijfde lid bedoelde norm. Uit artikel 3.86, achtste lid, van het Vb volgt dat moet worden gekeken naar de duur van het rechtmatige verblijf direct voorafgaande aan het moment waarop het misdrijf is gepleegd of aangevangen.

In deze zaak zijn de volgende veroordelingen, zoals opgenomen in het uittreksel van het Justitieel Documentatieregister van 1 oktober 2015, van belang:

  • -

    een veroordeling tot een gevangenisstraf van 2 weken op 19 februari 2001 wegens verduistering, gepleegd op 1 december 2000;

  • -

    een veroordeling tot een gevangenisstraf van 2 weken op 14 januari 2003 wegens diefstal, gepleegd op 19 februari 2002;

  • -

    een veroordeling tot 100 dagen gevangenisstraf, waarvan 59 dagen voorwaardelijk, op 30 januari 2004 wegens inbraak en poging tot inbraak, gepleegd in de periode 22 februari 2003 tot en met 1 maart 2003 en op 3 mei 2003;

  • -

    een veroordeling tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, op 19 oktober 2004 voor een poging tot doodslag, gepleegd op 4 juli 2004.

De verblijfsduur van eiser op het moment van het plegen van het misdrijf op 4 juli 2004 bedroeg ten minste 10 jaar, maar minder dan 15 jaar. De daarbij behorende norm is 12 maanden (artikel 3.86, vijfde lid, van het Vb). Op dat moment, dat wil zeggen op 4 juli 2004, was eiser bij onherroepelijk geworden vonnissen veroordeeld tot in totaal 26 maanden en 9 dagen onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zodat de van toepassing zijnde norm is overtreden en een intrekking van de verblijfsvergunning gerechtvaardigd is, aldus verweerder.

5. In het verweerschrift heeft verweerder zijn standpunt over de glijdende schaal gewijzigd, omdat van een onjuiste verblijfsduur zou zijn uitgegaan. Ter zitting is verweerder daar echter weer van teruggekomen. Hij heeft hierover gezegd dat uitgegaan dient te worden van het standpunt zoals dat vermeld staat in het bestreden besluit. Ter zitting is door de gemachtigde van eiser aangevoerd dat alleen al vanwege het gewijzigde standpunt in het verweerschrift het beroep gegrond dient te worden verklaard. De rechtbank volgt eiser hierin niet, nu de rechtbank het bestreden besluit toetst en verweerder dit standpunt tijdens de zitting alsnog heeft gehandhaafd.

6. Eiser voert aan dat de intrekking van het bestreden besluit ten onrechte is gebaseerd op strafbare feiten in de periode 2000 tot 2004. Dat verweerder pas in 2014 overgaat tot intrekking van de verblijfsvergunning is in strijd met het vertrouwensbeginsel. Het huidige artikel 3.86, vierde lid, van het Vb kan bovendien niet worden toegepast, nu dit artikellid in de periode 2000-2004 niet bestond in zijn huidige vorm, aldus eiser.

7. Verweerder heeft toegelicht dat het met ingang van 1 juli 2012 mogelijk is om veroordelingen uit het verleden (meer dan 10 jaar geleden) tegen te werpen. Deze aanscherping van het openbare-ordebeleid in artikel 3.86 van het Vb is een bewuste keuze geweest van de wetgever. Het rechtszekerheidsaspect is daarbij onder ogen gezien, nu in de regelgeving is bepaald dat intrekking alleen aan de orde is wanneer de vreemdeling na inwerkingtreding van de regelgeving opnieuw een misdrijf pleegt waartegen een gevangenisstraf van twee jaar of meer is bedreigd en daarvoor bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld, of hem voor zo’n misdrijf bij onherroepelijke beschikking een taakstraf is opgelegd.

8. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel II van het Besluit van 26 maart 2012, houdende wijziging van artikel 3.86 van het Vb 2000 in verband met aanscherping van de glijdende schaal, Stb. 2012, 158 (het Wijzigingsbesluit) dit besluit buiten toepassing blijft voor de vreemdeling wiens verblijf op grond van het recht, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van dit besluit, niet kon worden beëindigd.

9. De nota van toelichting, voor zover het genoemd artikel II betreft, luidt: “Artikel II ziet op de eerbiediging van de verblijfsrechtelijke positie van vreemdelingen van wie het verblijf op grond van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van dit besluit niet kon worden beëindigd. Zonder nadere voorziening zou in voorkomende gevallen het verblijf van de vreemdeling die zich na de inwerkingtreding van dit besluit niet meer schuldig heeft gemaakt aan misdrijven, kunnen worden beëindigd om de enkele reden dat het onderhavige besluit in werking is getreden. De rechtszekerheid verzet zich hiertegen. Artikel II bepaalt hierom dat het nieuwe openbare ordebeleid in dergelijke gevallen buiten toepassing blijft, tenzij de vreemdeling zich na de inwerkingtreding van dit besluit wederom schuldig maakt aan misdrijven. In dat laatste geval wordt uitgegaan van de nieuwe normen, waarbij uiteraard ook de voor de inwerkingtreding van dit besluit wegens misdrijf opgelegde straffen en maatregelen worden betrokken”.

10. Uit het uittreksel van het Justitieel Documentatieregister van 1 oktober 2015 blijkt dat eiser zich op 30 juni 2013 opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van twee jaar of meer is bedreigd, te weten inbraak in een bedrijf/kantoor. Eiser is hiervoor onherroepelijk veroordeeld bij vonnis van 14 oktober 2013. Gelet hierop kan artikel 3.86 van het Vb, zoals dat luidt vanaf 1 juli 2012, worden toegepast op de situatie van eiser. Verweerder heeft daarom de in de periode 2000 tot 2004 gepleegde misdrijven in de beoordeling mogen betrekken. Van strijd met het vertrouwensbeginsel is geen sprake. Bij gebreke van een uitdrukkelijke verklaring van verweerder dat hem de veroordelingen in het verleden niet zouden worden tegengeworpen, mocht eiser er niet op vertrouwen dat aan die veroordelingen geen verblijfsrechtelijke gevolgen zouden worden verbonden. Dit geldt te meer nu eiser ook na 2004 nog bij herhaling is veroordeeld voor het plegen van delicten. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de ABRvS van 8 oktober 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BO0828). Deze beroepsgronden slagen niet.

11. Over de veroordeling op 4 juli 2004 vanwege poging tot doodslag heeft eiser verder aangevoerd dat artikel 3.86, tiende lid, van het Vb aanleiding had moeten geven om af te zien van intrekking van de verblijfsvergunning. Ingevolge deze bepaling – voor zover hier van belang – kan een asielvergunning bij een verblijfsduur van tien jaren, slechts worden ingetrokken indien sprake is van een misdrijf als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht (WvSr). Deze bepaling ziet op misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en die een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge hebben gehad en waarvoor geen taakstraf wordt opgelegd.

Het criterium ‘een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit’ is in de visie van eiser een materieel criterium waarbij de feitelijke gevolgen van het gepleegde misdrijf bepalend zijn voor de toepasselijkheid. De aard en ernst van het misdrijf in zijn algemeenheid en de opgelegde gevangenisstraf zijn niet van belang. Gelet hierop is onvoldoende gemotiveerd waarom het bestaan van slechts een kans op het toebrengen van een dodelijke verwonding, waarvan in de strafzaak van eiser sprake was, leidt tot de conclusie dat sprake is van een (ernstige) inbreuk op de lichamelijke integriteit. Deze inbreuk heeft zich immers niet verwezenlijkt. Voor zover er sprake was van contact, namelijk het steken in de arm, blijkt niet dat sprake was van letsel in welke vorm dan ook. Als al sprake is van een inbreuk is niet gemotiveerd dat sprake is van een ernstige inbreuk. Vaste rechtspraak wijst uit dat wanneer het misdrijf beperkt lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad, geen sprake is van een zo ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit dat het opleggen van een taakstraf is uitgesloten. Eiser verwijst hiervoor naar de conclusie van procureur-generaal Vellinga van 3 juni 2014 (ECLI:NL:PHR:2014:1434).

12. Volgens verweerder is wel sprake van een situatie als bedoeld in artikel 3.86, tiende lid, van het Vb. Dat het een poging tot doodslag betrof, maakt niet dat het misdrijf niet onder artikel 22b van het WvSr valt. Uit het vonnis van de strafrechter van 19 oktober 2004 blijkt dat eiser voor deze poging tot doodslag is veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, wegens overtreding van artikel 287, in samenhang met artikel 45, van het WvSr. Artikel 287 van het WvSr is opgenomen in titel 19 van het WvSr dat ziet op misdrijven tegen het leven gericht. De aard en ernst van het gepleegde misdrijf en de duur van de opgelegde gevangenisstraf vormen op zichzelf al een belangrijke aanwijzing dat sprake is van een misdrijf als bedoeld in artikel 22b van het WvSr. Op grond van het strafvonnis is bovendien duidelijk dat sprake is geweest van een voornemen om het slachtoffer opzettelijk van het leven te beroven en verder dat sprake is geweest van een begin van uitvoering. Het slachtoffer is in de arm gestoken en eiser heeft gepoogd om, met een mes in zijn hand, met kracht te steken in de buik van het slachtoffer. Hiermee heeft eiser willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij het slachtoffer een dodelijke verwonding zou toebrengen en daaruit volgt dat sprake is van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, aldus nog steeds verweerder

13. De rechtbank volgt eiser niet in het standpunt dat verweerder op grond van artikel 3.86, tiende lid, van het Vb af had moeten zien van intrekking van de verblijfsvergunning. Niet in geschil is dat eiser is veroordeeld voor een misdrijf waarop een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld. Daarnaast blijkt uit het vonnis van de strafrechter dat eiser het slachtoffer in de arm heeft gestoken. Alleen al hierom is sprake van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de situatie anders is gelopen dan vermeld staat in het vonnis van de strafrechter. De enkele stelling van eiser ter zitting dat hij het slachtoffer niet in de arm heeft gestoken, is daarvoor onvoldoende. Verweerder is er dan ook terecht van uitgegaan dat sprake is van een misdrijf als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, van het WvSr.

14. Verder voert eiser aan dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er is te weinig rekening gehouden met eisers individuele omstandigheden. Eiser heeft een problematisch verleden, is al geruime tijd in Nederland en ontvangt vanwege zijn gezondheidsproblemen een Wajong-uitkering. Voor zijn trauma’s heeft eiser een EMDR-behandeling gevolgd. Na de maatregel ‘Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders’ in 2013 gaat het beter met eiser. Sindsdien heeft hij geen geweldsdelicten meer gepleegd. Verder is er een traject voor begeleid wonen gestart.

15. Verweerder acht de omstandigheden van eiser niet zodanig dat hij op grond van artikel 4:84 van de Awb had moeten afzien van het beleid in paragraaf C5/4 van de Vc om de glijdende schaal van artikel 3.86 van het Vb toe te passen. De lange verblijfsduur van eiser in Nederland, de aard van de gepleegde misdrijven en de omstandigheden waaronder de misdrijven zijn gepleegd, vormen geen reden om af te wijken van het beleid. Binnen de glijdende schaal van artikel 3.86 van het Vb is immers al rekening gehouden met deze aspecten. Dat eiser voornemens is zijn leven te beteren, acht verweerder ook niet een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 4:84 van de Awb. Dit geldt te meer nu eiser ook na zijn verblijf in een inrichting voor stelselmatige daders nog meermalen is veroordeeld.

17. De rechtbank overweegt dat verweerder weliswaar onder omstandigheden kan afwijken van het eigen beleid, maar dan dient, zoals volgt uit artikel 4:84 van de Awb, sprake te zijn van bijzondere omstandigheden die maken dat toepassing van die beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. In hetgeen is aangevoerd, vindt de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat verweerder had moeten afwijken van het beleid in paragraaf C5/4 van de Vc. De verblijfsduur van een vreemdeling en de aard van de door hem gepleegde misdrijven zijn in ieder geval verdisconteerd in het beleid en kunnen dus niet gelden als bijzondere omstandigheden. De verwijzing naar de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, is te weinig om te gelden als bijzondere omstandigheid die het beleid opzij moet zetten.

18. Verder heeft eiser ter zitting aangevoerd dat verweerder bij het terugkeerbesluit en het inreisverbod ten onrechte niet het openbare-ordecriterium heeft gehanteerd zoals uitgelegd in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 11 juni 2015, C-554/13, Z. Zh en I.O. (ECLI:EU:C:2015:377). De rechtbank begrijpt dit betoog zo dat verweerder, alvorens over te gaan tot een verkorting van de vertrektermijn en het opleggen van een inreisverbod, ten onrechte niet heeft beoordeeld of eiser een actueel en daadwerkelijk gevaar vormt voor de openbare orde.

19. Uit het hiervoor genoemde arrest van het HvJEU van 11 juni 2015 is af te leiden dat in een situatie waarin een vertrektermijn wordt onthouden of verkort op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw, omdat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, verweerder moet onderzoeken of de persoonlijke gedragingen van de vreemdeling een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormen. Daarbij is de omstandigheid dat de vreemdeling verdachte is van het plegen van een strafbaar feit of daarvoor veroordeeld een belangrijke factor (zie ook de uitspraak van de ABRvS van 20 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3579).

Dezelfde toets moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangelegd bij het opleggen van een zwaar inreisverbod van 10 jaar. Zo’n inreisverbod kan op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw slechts worden uitgevaardigd als een vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt. Het begrip ‘gevaar voor de openbare orde’ bij het opleggen van een zwaar inreisverbod dient te worden uitgelegd zoals het HvJEU dit in het hiervoor bedoelde arrest van 11 juni 2015 heeft gedaan. Daarvoor is allereerst van belang dat het wetsartikel dat de basis vormt voor het opleggen van het inreisverbod, namelijk artikel 66a van de Vw, net als artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw, onderdeel uitmaakt van de implementatie van de richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (de Terugkeerrichtlijn). Verder acht de rechtbank van belang dat, nu voor het verkorten van de vertrektermijn moet worden beoordeeld of sprake is van een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde, dit bij de zwaardere en meer ingrijpende maatregel van een zwaar inreisverbod, in ieder geval ook zal moeten worden beoordeeld. De rechtbank verwijst ook naar een eerdere uitspraak van deze rechtbank, deze zittingsplaats, van 2 februari 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:1328).

20. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat, omdat is getoetst aan artikel 3.86 van het Vb, ook is getoetst aan het openbare-ordecriterium zoals het HvJEU dat uitlegt in de uitspraak van 11 juni 2015. Alle door het HvJEU relevant geachte aspecten zijn meegenomen in de afweging in het bestreden besluit. Daarin is voldoende gemotiveerd dat eiser een werkelijk, actueel en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde vormt.

21. De rechtbank volgt verweerder niet in het standpunt dat de toets aan artikel 3.86 van het Vb bij het intrekken van de verblijfsvergunning gelijk is aan de toets of, bij het verkorten van de vertrektermijn dan wel het opleggen van een inreisverbod, sprake is van een werkelijk, actueel en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde. In het kader van de intrekking van de verblijfsvergunning zijn de in het verleden gepleegde delicten van belang. De actualiteit speelt daarbij geen doorslaggevende rol. Uit de uitspraak van het HvJEU van 11 juni 2015 daarentegen volgt dat de actualiteit wel van groot belang is, aangezien voordat een vertrektermijn wordt verkort of een inreisverbod wordt opgelegd, moet worden beoordeeld of de gedragingen van de vreemdeling een actueel en daadwerkelijk gevaar vormen voor de openbare orde. Gelet hierop is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb, waarin vermeld staat dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Het beroep is om die reden gegrond en het bestreden besluit zal wordt vernietigd. De rechtbank onderzoekt vervolgens de mogelijkheden tot finale geschilbeslechting en overweegt in dit verband als volgt.

22. Hoewel verweerder niet het juiste toetsingskader heeft gehanteerd, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank wel alle relevante feiten meegewogen die van belang zijn voor de beoordeling of sprake is van een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde. Verweerder acht allereerst van belang dat eiser in het verleden meermalen is veroordeeld voor ernstige delicten. Verder acht verweerder van belang dat eiser ook na afloop van zijn verblijf in een inrichting voor stelselmatige daders meermalen is veroordeeld voor strafbare feiten. Zo is eiser bij eerdergenoemd vonnis van 14 oktober 2013 veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf voor diefstal, gepleegd op 30 juni 2013, en bij vonnis van 11 juni 2014 tot 10 weken gevangenisstraf, waarvan 6 weken voorwaardelijk, voor een poging tot diefstal, gepleegd op 1 juni 2014. Het tijdsverloop sinds het laatste misdrijf en het bestreden besluit is dus maar zeer kort. Verder blijkt uit het bestreden besluit dat verweerder de enkele intentie van eiser om zijn leven te beteren onvoldoende acht om aan te nemen dat hij niet langer een actueel en daadwerkelijk gevaar vormt voor de openbare orde. Dat eiser inmiddels zelfstandig en zonder toezicht in de maatschappij heeft gefunctioneerd, is volgens verweerder niet gebleken.

23. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met deze motivering in het bestreden besluit en de motivering ter zitting het standpunt dat eiser een daadwerkelijk en actueel gevaar vormt voor de openbare orde voldoende heeft onderbouwd. Eiser is in het verleden meermalen veroordeeld voor ernstige delicten, waaronder een poging tot doodslag. Ook na zijn verblijf in de instelling voor stelselmatige daders tot begin 2013 is sprake geweest van verschillende veroordelingen. De omstandigheid dat eiser, zoals ter zitting naar voren is gebracht, na het verblijf in die instelling geen geweldsdelicten meer heeft gepleegd maar uitsluitend vermogensdelicten, heeft verweerder niet tot een andere conclusie hoeven leiden. Ook het relatief korte tijdsverloop sinds het laatst gepleegde delict heeft verweerder in zijn besluitvorming mogen betrekken. De beroepsgrond slaagt niet.

24. Eiser heeft naar voren gebracht dat artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zich verzet tegen het opleggen van een inreisverbod. Eiser is al zeer lange tijd in Nederland, ontvangt een Wajong-uitkering en verblijft momenteel bij zijn zus. Hij wil op korte termijn stappen ondernemen om begeleid te gaan wonen. Gelet op eisers beperkingen is sprake van ‘more than normal emotional ties’ tussen eiser enerzijds en zijn zus, zwager, broer en neefjes anderzijds.

25. Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken dat tussen eiser en zijn familieleden in Nederland sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Daarvan is tussen een broer en zus pas sprake als sprake is van ‘more than normal emotional ties’. Uit hetgeen door eiser is aangevoerd, is niet gebleken van zo’n emotionele, financiële of andere band tussen eiser en zijn zus dat deze uitstijgt boven hetgeen bij relaties tussen een broer en zus gebruikelijk is. De omstandigheid dat eiser bij zijn zus woont, is daarvoor onvoldoende. Uit het gegeven dat eiser voornemens is om zelfstandig te gaan wonen blijkt bovendien dat geen sprake is van ‘more than normal emotional ties’. Ook bij de overige familieleden ten opzichte van eiser is niet gebleken van familie- of gezinsleven. De rechtbank volgt verweerder in deze motivering. De beroepsgrond slaagt niet.

26. Over het privéleven stelt verweerder zich op het standpunt dat, alhoewel sprake is van een opgebouwd privéleven in Nederland en het inreisverbod een inmenging op het recht op privéleven is, deze inmenging gerechtvaardigd is op grond van artikel 8, tweede lid, van het EVRM. De omstandigheid dat eiser op 11-jarige leeftijd naar Nederland is gekomen legt, gelet op het grote aantal misdrijven waarvoor eiser is veroordeeld, onvoldoende gewicht in de schaal om af te zien van het opleggen van een inreisverbod. Het tijdsverloop sinds het laatst gepleegde delict waarvoor eiser is veroordeeld, is nog maar kort. De banden die eiser met Nederland is aangegaan overstijgen bovendien niet de gebruikelijke binding die ontstaat enkel door langdurig verblijf, aldus verweerder.

27. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij zijn belangenafweging toepassing heeft gegeven aan de in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) geformuleerde ‘guiding principles’ en daarbij alle door eiser aangevoerde belangen heeft betrokken. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van 2 augustus 2001, nr. 54273/00, Boultif tegen Zwitserland (JV 2001/254) en van 18 oktober 2006, nr. 46410/99, Üner tegen Nederland (www.echr.coe.int). Op grond van deze rechtspraak moet sprake zijn van zeer langdurig verblijf én van zo’n intensiteit van de aangegane sociale banden dat om die reden het privéleven van eiser gerespecteerd dient te worden. Door eiser is onvoldoende geconcretiseerd dat sprake is van zulke sociale banden in Nederland dat om die reden het privéleven in de weg staat aan het opleggen van een inreisverbod. Verweerder mocht de belangenafweging daarom in het nadeel van eiser laten uitvallen.

Tot slot

28. Het voorgaande betekent dat verweerder de vertrektermijn op 0 dagen heeft mogen stellen en aan eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaar heeft mogen opleggen. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover dat wordt vernietigd, in stand te laten op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.

29. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover het de intrekking van de asielvergunning betreft, want eiser heeft daarbij geen procesbelang.

30. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en de voorlopige voorziening en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de intrekking van de verblijfsvergunning, niet-ontvankelijk

- verklaart het beroep gegrond voor het overige;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover dit ziet op het terugkeerbesluit en inreisverbod;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, voorzitter, mr. L.C. Michon en mr. O. Veldman, leden, in aanwezigheid van mr. L.N. Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.