Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:6088

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
03-06-2016
Zaaknummer
AWB 16/1469 en AWB 16/1475
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:2718, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In artikel 33, tweede lid, onder d, van de herziene Procedurerichtlijn ligt al de verwijtbaarheidstoets besloten. Artikel 40, vierde lid, van de herziene Procedurerichtlijn is geen facultatieve bepaling die implementatie behoeft.

De rechtbank ziet geen aanleiding om thans anders te oordelen over artikel 33, tweede lid en onder d, en artikel 40, vierde lid, van de herziene Procedurerichtlijn dan de Afdeling heeft gedaan over artikel 32, zesde lid, van Richtlijn 2005/85/EG (de vorige Procedurerichtlijn) in haar uitspraken van 7 juli 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN1613) en 28 juni 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX0767). Dit betekent dat onder de term ‘nieuwe elementen of bevindingen’ hetzelfde dient te worden verstaan als ‘nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden’ als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. In de term ‘nieuwe elementen of bevindingen’ ligt aldus de verwijtbaarheidstoets besloten, hetgeen wil zeggen dat zowel het bestuursorgaan als de rechter kan besluiten dat overgelegde stukken en aangevoerde feiten of argumenten niet nieuw zijn, omdat ze in de vorige procedure al hadden en derhalve behoorden naar voren te worden gebracht. Bovendien bepaalt artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn dat de lidstaten van de verzoeker mogen verlangen dat hij alle elementen ter staving van zijn verzoek zo spoedig mogelijk indient. Deze op de vreemdeling rustende verplichting is neergelegd in artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000. Het ligt niet in de rede dat lidstaten bij een eerste asielverzoek van een verzoeker mogen verlangen dat hij alle elementen zo spoedig mogelijk indient of naar voren brengt en dat diezelfde verzoeker vervolgens op grond van artikel 33, tweede lid, aanhef en onder d, van de herziene Procedurerichtlijn de mogelijkheid heeft om bij een volgend asielverzoek alle elementen naar voren te brengen die hij in de vorige procedure niet of niet tijdig naar voren heeft gebracht. Daarbij komt dat artikel 46, derde lid, van de herziene Procedurerichtlijn de rechtbank voorschrijft dat haar toetsing een volledig en ex nunc onderzoek omvat van zowel de feitelijke als de juridische gronden, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek naar de behoefte aan internationale bescherming. Dit betekent dat het op de weg van verzoeker ligt om alle van belang zijnde documenten, feiten en juridische argumenten naar voren te brengen in de eerste asielprocedure, indien zo nodig in de beroepsfase, om zo zijn reden(en) voor vertrek uit het land van herkomst, of een land van eerder verblijf, te onderbouwen en zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel uit te oefenen. Ook in dit licht past het om de verwijtbaarheidstoets in te lezen in het begrip ‘nieuwe elementen of bevindingen’. Een reden temeer daarvoor is dat in artikel 32, tweede lid, van de herziene Procedurerichtlijn niet tevens de optionele bepaling is opgenomen dat de lidstaten een verzoek om internationale bescherming als niet-ontvankelijk kunnen beschouwen wanneer aan het volgende verzoek wel nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen of door de verzoeker werden voorgelegd, maar de verzoeker valt te verwijten dat hij die nieuwe elementen of bevindingen niet eerder naar voren heeft gebracht.

Onder nieuwe elementen of bevindingen moeten worden verstaan feiten of omstandigheden, waaronder begrepen bewijsstukken, die na het eerder besluit of de eerdere besluiten zijn voorgevallen, met uitzondering van die feiten of omstandigheden die, gelet op artikel 83 van de Vw 2000, naar voren konden en derhalve behoorden te worden gebracht in de beroepsfase bij de bestuursrechter in eerste aanleg in de vorige procedure(s), dan wel al door de bestuursrechter in de voorlaatste procedure met toepassing van artikel 83 van de Vw 2000 zijn meegenomen en beoordeeld. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw elementen of bevindingen die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen als op voorhand is uitgesloten dat wat alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerder besluit of de eerdere besluiten kan afdoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16/1469 en AWB 16/1475

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juni 2016 in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

[eiseres] , eiseres,

mede namens haar minderjarige kinderen [kind 1] en [kind 2] ,

hierna gezamenlijk te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. P.J. Schüller),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. M.M.J. Pieters).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 18 januari 2016 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zoals bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Daarbij is tevens tegen eiser en eiseres een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaar. Dit inreisverbod geldt niet voor hun minderjarige kinderen.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten op 26 januari 2016 beroep ingesteld. Deze beroepschriften zijn geregistreerd onder zaaknummers AWB 16/1469 en AWB 16/1475. Tevens hebben eisers op die datum de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het verweerder wordt verboden hen uit te zetten totdat op hun beroepschriften is beslist. Deze verzoekschriften zijn geregistreerd onder zaaknummers AWB 16/1470 en AWB 16/1478.

De behandeling van de beroepen en de verzoeken om een voorlopige voorziening hebben gelijktijdig plaatsgevonden ter zitting van 12 februari 2016. Eisers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. M.A.M. Janssen.

Bij uitspraak van 23 februari 2016 heeft de voorzieningenrechter de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen, in die zin dat het verweerder wordt verboden eisers uit Nederland te verwijderen tot één week nadat is beslist op de door hen ingediende beroepen. De voorzieningenrechter heeft hiertoe – kort gezegd – besloten omdat ter zitting een aantal rechtsvragen aan de orde zijn gekomen die beantwoording behoeven door een meervoudige kamer.

De rechtbank heeft partijen voorts bij brief van 7 maart 2016 bericht dat zij besloten heeft het onderzoek te heropenen en het onderzoek te zullen voortzetten op de zitting van een meervoudige kamer.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en eisers hebben daarop nog gereageerd.

De voorzetting van het onderzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 22 april 2016, waar eiser en eiseres in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

De eerdere asielprocedure van eiser

1. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat eiser eerder op 12 maart 2013 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft gedaan. Ter onderbouwing van die aanvraag heft eiser – samengevat weergegeven – aangevoerd dat hij de Azerbeidzjaanse nationaliteit heeft en sinds 2008 in zijn land van herkomst werkzaam was als onderzoeksjournalist bij [naam krant] . In 2008 was eiser bezig met een onderzoek naar het verdwijnen van overheidsgeld in de zakken van ambtenaren. Van september 2011 tot maart 2012 was eiser bezig met onderzoek naar de sloop van een woonwijk in verband met het songfestival. Op 20 maart 2012 werd eiser gearresteerd, gehoord en mishandeld door politie. Na zijn vrijlating heeft eiser onderzoek gedaan naar de illegale orgaanhandel van militairen vanuit Nachitsjevan. Vanwege dit onderzoek is eiser meermalen door de autoriteiten opgepakt, ondervraagd en beschuldigd van banditisme en terrorisme. Op 8 augustus 2012 werd eiser opgepakt door medewerkers van de afdeling voor de bestrijding van banditisme en terrorisme. Eiser werd gedwongen een document te tekenen en omdat hij dit weigerde werd hij mishandeld. Op 10 augustus 2012 werd eiser vrijgelaten en is hij naar de afdeling traumatologie van het ziekenhuis gegaan om zich aan zijn verwondingen te laten behandelen. Eiser heeft tot eind augustus in het ziekenhuis verbleven. Na zijn ontslag heeft hij nog ongeveer tien dagen onder behandeling gestaan. Hij heeft vervolgens met zijn baas, [persoon A] genaamd, besloten een demonstratie te organiseren tegen het verhandelen van organen van soldaten. Op 15 september 2012 belde zijn baas hem dat hij moest onderduiken omdat de politie naar hem op zoek was. Op 22 december 2012 is eiser met behulp van andere personen met een vrachtwagen vertrokken uit Baku naar Moskou. Aangekomen in Moskou is hij na een verblijf van vier tot vijf uren per vrachtwagen vertrokken naar Minsk. Daar werd eiser door Tsjetsjenen met een auto naar het dorp Qreisjina gebracht. Vervolgens is eiser met hulp van een andere personen in een koelvrachtwagen via Litouwen, Polen en Duitsland naar Nederland gereisd. Eiser denkt dat hij op een zwarte lijst staat van gezochte personen en hij vreest dat hij bij terugkeer naar Azerbeidzjan zal worden vermoord.

2. Verweerder heeft deze aanvraag van eiser afgewezen bij besluit van 16 augustus 2013. Hierin heeft verweerder zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van eiser positieve overtuigingskracht ontbeert. Verweerder gelooft niet dat eiser werkzaam is geweest als onderzoeksjournalist omdat hij hierover vaag en inconsistent heeft verklaard. Het tegen dit besluit ingestelde beroep heeft deze rechtbank, zittingsplaats

’s-Hertogenbosch, bij uitspraak van 28 april 2014 gegrond verklaard (AWB 13/23807). Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het door eiser ingebrachte rapport van het instituut voor Mensenrechten en Medisch onderzoek (iMMO) van 10 januari 2014 niet kan afdoen aan de ongeloofwaardigheid van eisers relaas. Hierbij heeft de rechtbank betrokken dat de geconstateerde fysieke letsels duiden op moedwillige toepassing van geweld jegens eiser door derden. De aard van de letsels aangetroffen op – met name – de arm en de zwaarte hiervan wijzen, naar het oordeel van de rechtbank, niet op een vechtpartij of ongeluk, maar veeleer in de richting van martelingen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat er gelet op de conclusies van het iMMO ten aanzien van de (gradatie van) consistentie met een aannemelijkheid van eisers verklaringen een vermoeden is van schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eisers land van herkomst. De rechtbank was van oordeel dat verweerder niet voorbij heeft kunnen gaan aan de inhoud van dit rapport en dat verweerder de conclusies, wellicht na het (doen) verrichten van nader medisch onderzoek, had dienen te betrekken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het relaas.

3. Verweerder is in hoger beroep gegaan tegen de uitspraak van 28 april 2014. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) heeft bij uitspraak van 20 april 2015, met zaaknummer 201404461/1/V2, het hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraak van 28 april 2014 vernietigd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder terecht betoogd dat hij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, het iMMO-rapport in zijn besluitvorming heeft betrokken. Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 23 januari 2014 het iMMO-rapport gerelateerd aan zijn standpunt over het deel van het asielrelaas dat de vreemdeling met dit rapport heeft beoogd te staven. Hij heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat het iMMO-rapport het asielrelaas niet kan staven, nu het geen uitsluitsel geeft over de aanleiding en de wijze van het ontstaan van het letsel, en de verklaringen van eiser over de wijze waarop de verwondingen zijn ontstaan ongeloofwaardig zijn geacht. De Afdeling overweegt verder dat eiser, anders dan hij heeft betoogd, niet gedetailleerd heeft verklaard over zijn werkzaamheden. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas ongeloofwaardig is. Dat eiser summier over zijn werk heeft verklaard, omdat hij stelt geen vertrouwen te hebben in de Nederlandse autoriteiten, doet hieraan niet af. Nu eiser in Nederland asiel heeft aangevraagd, wordt aangenomen dat hij daarmee voldoende vertrouwen in de Nederlandse autoriteiten stelt om aan hen medewerking te verlenen die nodig is voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, aldus de Afdeling. Eiser wordt niet gevolgd in zijn betoog dat verweerder nader onderzoek had moeten verrichten naar aanleiding van het door hem in beroep overgelegde iMMO-rapport. Of een door een arts geproduceerd bewijsmiddel tot nader onderzoek noopt, moet verweerder beoordelen in het licht van de gestaafde, dan wel geloofwaardig te achten persoonlijke situatie en tegen de achtergrond van de algemene situatie in het desbetreffende land van herkomst. Nu eiser niet gedetailleerd heeft verklaard over zijn werk en hij het deel van zijn relaas waarop het iMMO-rapport betrekking heeft overigens niet heeft gestaafd, faalt zijn betoog dat verweerder nader onderzoek had moeten verrichten.

4. Op 20 oktober 2015 is namens eiser een klacht ingediend bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).

De eerdere asielprocedure van eiseres

5. Eiseres heeft op 29 december 2014, mede namens haar minderjarig kind M., een asielaanvraag ingediend. Ter onderbouwing van die aanvraag heeft zij aangevoerd dat zij de Azerbeidzjaanse nationaliteit bezit en in haar land van herkomst problemen heeft ondervonden omdat haar echtgenoot (eiser) daar als onderzoeksjournalist heeft gewerkt. Hij heeft drie maanden ondergedoken gezeten bij haar moeder en heeft daarna zijn land verlaten. Na zijn vertrek werd eiseres regelmatig bezocht door politiemensen die naar haar echtgenoot vroegen. Zij bedreigden eiseres en haar zoon en daarbij werd tevens de opmerking gemaakt dat er wat met haar kind zou gebeuren als zij niet zou vertellen waar haar echtgenoot was.

7. Bij besluit van 28 februari 2015 heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen. Eiseres heeft op 2 maart 2015 tegen dit besluit beroep ingesteld.

8. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van

17 september 2015 (AWB 15/4348) is het beroep van eiseres ongegrond verklaard. De rechtbank was – voor zover hier van belang – van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het asielrelaas van eiseres ongeloofwaardig is, nu haar asielrelaas samenhangt met het asielrelaas van haar echtgenoot, dat ongeloofwaardig is bevonden. Bij uitspraak van de Afdeling van 20 april 2015 is in rechte komen vast te staan dat verweerder het asielrelaas van de echtgenoot van eiseres ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Daarnaast heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiseres ook op zichzelf ongeloofwaardig zijn. Zo heeft eiseres verklaard dat zij voor vertrek van haar echtgenoot uit Azerbeidzjan nooit problemen heeft ondervonden en dat tussen 2012 en medio januari 2013 niemand bij haar langs is gekomen, terwijl haar echtgenoot heeft verklaard dat de politie voor zijn vertrek een of twee keer per week langskwam in het huis waar hij met eiseres verbleef. Voorts heeft verweerder terecht overwogen dat het niet geloofwaardig is dat de echtgenoot van eiseres, die in de negatieve aandacht van de autoriteiten zou staan, in de periode van ruim drie maanden dat hij bij zijn schoonmoeder verbleef nooit is benaderd en dat eiseres dan na zijn vertrek uit Azerbeidzjan op datzelfde adres vanwege de problemen van haar echtgenoot wel voortdurend zou zijn lastiggevallen, waarbij de politie geen verdere maatregelen tegen eiseres zou hebben genomen, ondanks al de tevergeefse bezoeken.

De huidige asielprocedures

9. Eisers hebben op 14 januari 2016 opnieuw een asielaanvraag ingediend. Ter onderbouwing van die aanvragen hebben zij een aantal documenten met officiële vertaling ingebracht:

a. een nieuwsbericht van 22 augustus 2012, gepubliceerd op de website www.gaynarxeber.az;

b. een nieuwsbericht van 15 september 2012, gepubliceerd op de website www.gaynaxeber.az;

c. een nieuwsbericht van 8 mei 2013, gepubliceerd op de website www.pressdent.info;

d. een nieuwsbericht van 15 september 2014, gepubliceerd op de website www.pressdent.info;

e. een nieuwsbericht van 14 september 2015, gepubliceerd op de website www.gaynaxeber.az;

f. een nieuwsbericht van 16 september 2015, gepubliceerd op de website www.pressdent.info ;

g. een kopie van een verklaring van de politie van rayon Nizami, Bakoe van 29 april 2015

9.1.

Volgens eisers bevestigen de nieuwsberichten het relaas van eiser dat hij werkzaam is geweest als onderzoeksjournalist bij [naam krant] en als gevolg van zijn werkzaamheden is aangehouden en mishandeld door de autoriteiten van Azerbeidzjan. De nieuwsberichten maken melding van de aanhouding en foltering van eiser, verslaggever van de afdeling politiek van het [naam krant] , en de sluiting van het [naam krant] naar aanleiding van een inval van het Ministerie van Nationale Veiligheid. Tijdens deze inval is, onder andere, [persoon A] , de redacteur van de afdeling politiek, aangehouden. Ook wilde men eiser arresteren, maar hij was niet op kantoor; hij wordt nu gezocht. Eisers hebben een verklaring overgelegd van 29 april 2015 waaruit naar hun mening blijkt dat er opsporingsmaatregelen zijn getroffen jegens eiser.

9.2.

Over de nieuwsberichten van 22 augustus 2010, 15 september 2012 en 8 mei 2013, welke dateren van voor het besluit in de eerdere procedure, heeft eiser verklaard dat hij zijn best heeft gedaan om deze in het bezit te krijgen. Een collega en tevens vriendin, [persoon B] genaamd, heeft deze documenten bezorgd. Eiser begreep pas bij het eerste interview in de eerste procedure dat hij dit soort documenten moest overleggen. Vanaf de eerste negatieve beslissing is eiser gaan zoeken op internet. Hij kon niets vinden. Er zijn tientallen sites. Eiser heeft zijn moeder gebeld en gezegd dat hij meer documenten nodig had om zijn relaas te onderbouwen. Hij heeft bedoelde documenten gekregen via de broer van [persoon B] . De moeder van eiser is naar haar huis gegaan. Zij was gevlucht en dus niet thuis. Haar broer [persoon C] is naar buiten gekomen. Hij heeft de moeder van eiser verteld dat [persoon A] , de directeur van de afdeling waar eiser werkte, door de KGB is opgepakt op 15 september 2012 en nog steeds vast zit. Op dezelfde dag dat hij bij een inval op het kantoor is opgepakt, is er ook een inval geweest op het hoofdkantoor. De moeder van eiser heeft deze informatie weer doorverteld aan eiser. Via [persoon C] heeft de moeder van eiser tevens de documenten geregeld, in die zin dat de moeder van eiser per sms de internetadressen naar eiser heeft gestuurd. Dat is in de perioden juni/juli en september/november 2015 gebeurd. Vervolgens is eiser zelf gaan kijken op die websites en heeft hij printjes gemaakt. Eiser heeft geen contact gehad met [persoon B] , maar hij neemt aan dat zij de informatie op de overgelegde websitepublicaties naar deze websites heeft gestuurd. Verder heeft eiser met betrekking tot de verklaring van de politie rayon Mizami, Bakoe van 29 april 2015 verklaard dat het een kopie is omdat men het origineel niet in handen krijgt. Door de politie is tegen de vader van eiser gezegd dat eiser zich moest melden. De vader van eiser verkeert in een slechte situatie door een hartaanval aldus eiser.

9.3.

Over deze nieuwsberichten heeft eiseres verklaard dat haar man (eiser) niet op de hoogte was van deze berichten omdat er zoveel internetsites zijn waar berichten op staan. Haar echtgenoot was al wel langer op zoek naar informatie omdat hunadvocaat heeft gezegd dat het belangrijk is om met documenten te komen. De schoonmoeder van eiseres is in september of oktober 2015 naar een ex-collega van haar zoon gegaan, [persoon B] genaamd, maar zij was gevlucht. De broer van [persoon B] heeft de internetadressen van de websites gegeven aan de schoonmoeder van eiseres. Eiseres heeft verder verklaard dat eiser de verklaring van de politie van 29 april 2015 via zijn vader in bezit heeft gekregen. De vader van eiser is door de politie opgeroepen en heeft dit document (eerst) na vier dagen kunnen ophalen. Daarnaast heeft eiseres aangegeven dat zij en haar man niet terug kunnen. Ze hebben twee kinderen en het is niet duidelijk wat hun kinderen te wachten staat.

9.4.

Eisers stellen zich verder op het standpunt dat artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op grond van de nieuwe documenten, in samenhang beschouwd met de verslechtering van de algemene situatie voor journalisten in Azerbeidzjan, niet langer in de weg kan staan aan een volledige heroverweging van hun asielaanvraag, nu blijkt dat eiser wel degelijk een onderzoeksjournalist is. In het licht van deze nieuwe feiten en omstandigheden kan de conclusie, dat eiser niet werkzaam zou zijn geweest als onderzoeksjournalist, in redelijkheid niet langer worden volgehouden en dient zijn aanvraag met inachtneming van de genoemde risicofactoren en hetgeen hij in zijn asielrelaas naar voren heeft gebracht inhoudelijk te worden beoordeeld op beschermingswaardigheid. Temeer nu, aldus eisers, met de implementatie van Richtlijn 2013/32/EU (de herziene Procedurerichtlijn) op 20 juli 2015 het voor de vraag of sprake is van ‘nieuwe elementen of bevindingen’ niet langer relevant is of eiser de nieuwe documenten reeds in de eerdere asielprocedure had kunnen overleggen. De zinsnede ‘aan de orde zijn of door de asielzoeker zijn voorgelegd’ in artikel 40, derde lid, van de herziene Procedurerichtlijn suggereert dat elementen en bevindingen ‘nieuw’ kunnen zijn wanneer zij pas zijn ontstaan óf voor het eerst aan de beslissende autoriteiten wordenvoorgelegd, ongeacht of de elementen of bevindingen al bestonden en/of eiser er al weet van had. Volgens eisers volgt dit logischerwijze ook uit de systematiek van de herziene Procedurerichtlijn. In artikel 40, lid 4, van die richtlijn is namelijk de verwijtbaarheidstoets opgenomen, op grond waarvan lidstaten vreemdelingen kunnen tegenwerpen dat zij ‘nieuwe’ elementen of bevindingen niet eerder naar voren hebben gebracht. Dit betreft een optioneel criterium, dat lidstaten mogen implementeren. . Deze bepaling zou overbodig zijn wanneer al in het begrip ‘nieuw element of bevinding’ een verwijtbaarheidstoets ligt besloten. Blijkens de implementatiegeschiedenis van de herziene Procedurerichtlijn heeft de Nederlandse regering de verwijtbaarheidstoets van artikel 40, vierde lid, van die richtlijn niet geïmplementeerd. Dit betekent dat verweerder geen gebruik kan maken van deze bevoegdheid. Hieruit volgt dat eiser – ten aanzien van een aantal van de thans overgelegde nieuwsberichten – niet kan worden verweten dat hij de nieuwsberichten niet in de eerste asielprocedure heeft overgelegd. Mede gelet op artikel 3 van het EVRM is verweerder gehouden de opvolgende aanvraag inhoudelijk te beoordelen. Daarbij komt dat ook buiten het kader van artikel 4:6 van de Awb de verplichting geldt te toetsen aan de Bahaddar-exceptie. Bovendien heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom het ontbreken van een bronvermelding de nieuwsberichten van bewijswaarde ontdoet. Verder neemt eiser slechts aan dat [persoon B] de informatie heeft verstuurd die op de overgelegde websitepublicaties is gepubliceerd. Echter, zelfs als aangenomen moet worden dat zij de informatie heeft verstuurd dan betekent dit niet zonder meer dat de informatie niet afkomstig is uit objectieve bron. Hierbij is van belang dat [persoon B] naast een vriendin van eiser ook een collega was van eiser. Het was haar werk om nieuws te verzamelen en door te verkopen. Bovendien is niet op voorhand uitgesloten dat bedoelde websites zelf onderzoek hebben verricht. Verweerder heeft onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom aan dergelijke documenten geen bewijskracht dient te worden toegekend. Ditzelfde geldt voor de informatie die eiser mondeling via zijn moeder heeft verkregen. Vanwege de lastige bewijspositie van asielzoekers dient ook waarde te worden toegekend aan de verklaringen van familieleden. Eiser heeft in dit verband gewezen op het arrest van het EHRM van 6 maart 2011 in de zaak Hilal tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 45276/99 (ECLI:CE:ECHR:2001:0306JUD004527699).

9.5.

Eisers menen daarnaast dat verweerder zich niet op het standpunt kan stellen dat de verklaring van de politie niet kan worden aangemerkt als een nieuw element of bevinding omdat het een kopie betreft. Volgens artikel 34 van Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn) bestaat een ‘element’ in ‘de verklaringen van de verzoeker en alle documenten in het bezit van de verzoeker over zijn leeftijd, achtergrond, ook die van relevante familieleden, identiteit, nationaliteit(en), land(en) en plaats(en) van eerder verblijf, eerdere verzoeken, reisroutes, reisdocumenten en de redenen waarom hij een verzoek om internationale bescherming indient’. Volgens eisers zijn derhalve alle documenten die zien op de identiteit, nationaliteit of asielmotieven een ‘element’, hetgeen betekent dat kopieën waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld, niet uitgesloten zijn van het begrip ‘element’. Dit houdt in dat sprake is van een verschil in betekenis tussen ‘nieuwe elementen of bevindingen’ en ‘nieuwe feiten en omstandigheden’ in de zin van artikel 4:6 van de Awb, hetgeen verweerder miskent. Verder had het in geval van twijfel aan de authenticiteit van de verklaring van de politie op de weg van verweerder gelegen om nader onderzoek te doen. Dit volgt niet alleen uit artikel 3:2 van de Awb, maar ook uit de samenwerkingsverplichting neergelegd in artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn en het arrest van het EHRM van 2 oktober 2012 in de zaak Singh en anderen tegen België, nr. 33210/11 (JV 2012/478 en www.echr.coe.int). Eiser is verder van mening dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet de beschikking kan krijgen over de originele politieverklaring. Bovendien tracht verweerder ten onrechte de bewijswaarde van de politieverklaring te ontkrachten door te verwijzen naar een passage uit het algemeen ambtsbericht over het verkrijgen van valse documenten in Azerbeidzjan. Een algemene passage uit het algemeen ambtsbericht zegt niets over de authenticiteit van dit document.

9.6.

Eisers voeren daarnaast aan dat het terzijde schuiven van documenten, die de kern van het asielverzoek vormen, zonder enig voorafgaand onderzoek naar de relevantie, in strijd is met het rigorous scrutiny-vereiste, terwijl het belang van een zorgvuldig en rigoureus onderzoek voortvloeit uit het absolute karakter van artikel 3 van het EVRM, hetgeen het EHRM nogmaals heeft benadrukt in het arrest van 19 januari 2016 in de zaak M.D. & M.A. tegen België, appl. no. 58689/12 (www.echr.coe.int).

9.7.

Eisers brengen voorts naar voren dat de algemenen situatie van journalisten in Azerbeidzjan is verslechterd. Zij verwijzen naar een rapport van de Parliamentary Assembly of the Council of Europe (PACE), waaruit blijkt dat de strafrechtelijke vervolging van journalisten is geïntensiveerd in de aanloop naar de verkiezingen van november 2015. Ook Amnesty International heeft kritiek geuit op de huidige criminalisering van de journalistieke vrijheid in Azerbeidzjan in het rapport ‘Government jails award winning journalist as crack-down intensifies’ van 1 september 2015. Volgens eiser valt de algemene verslechtering van de situatie niet alleen onder de Bahaddar-exceptie, maar kan deze ook als een nieuw feit worden aangemerkt, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 28 april 2008, met zaaknummer 2008009/19/1 (ECLI:NL:RVS:2008:BD1179).

9.8.

Eiser heeft verder opgemerkt dat er sinds 20 oktober 2015 een klacht bij het EHRM loopt. Eiser heeft verweerder verzocht de klacht mee te nemen in de besluitvorming, al dan niet als nieuw feit. Volgens eiser is de klacht relevant, indien de inhoud daarvan wordt afgezet tegen de nieuwe, persoonsgebonden, documenten in samenhang met de verslechtering van de positie van journalisten.

9.9.

Tot slot wensen eisers te benadrukken dat de lidstaten op grond van artikel 46, eerste lid, van de herziene Procedurerichtlijn ervoor dienen te zorgen dat voor hen een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie tegen een beslissing over een verzoek om internationale bescherming openstaat. Dit vereist een volledig en ex nunc onderzoek door de rechterlijke instantie. In het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJEU) van 28 juli 2011 inzake Samba Diouf, zaak C-69/10 (JV 2011/373 en ECLI:EU:C:2011:524), stelde het HvJEU dat een grondige toetsing is vereist van de wettigheid van de asielbeslissing en in het bijzonder de redenen op grond waarvan de bevoegde instantie het asielverzoek als ongegrond heeft afgewezen. Voor opvolgende aanvragen geldt dat verweerder op grond van artikel 40, derde lid, van de herziene Procedurerichtlijn in beginsel de asielaanvraag volledig dient te beoordelen wanneer sprake is van ‘nieuwe’ elementen of bevindingen die de kans aanzienlijk groter maken dat eiser in aanmerking komt voor internationale bescherming. Alleen als een verzoek zonder nieuwe bewijzen of argumenten wordt voorgelegd, zou het onevenredig zijn verweerder te verplichten tot een volledige heroverweging. De bestuursrechter mag derhalve alleen van een volledig en ex nunc onderzoek afzien wanneer er geen ‘nieuwe’ elementen aan het asielverzoek ten grondslag zijn gelegd. Daarbij is van belang dat het HvJEU van oordeel is dat het Unierechtelijke ne bis in idem-beginsel alleen van toepassing is als zowel het feitelijk als het juridische kader hetzelfde zijn. Eiser verwijst daarbij naar het arrest van het HvJEU van 24 januari 2013 in de zaak Commissie tegen Spanje, zaak C-529/09 (ECLI:EU:C:2013:31).

10. Verweerder heeft de aanvragen van eisers bij afzonderlijke besluiten van

18 januari 2016 niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. De rechtbank constateert, zonder daarover een oordeel te geven, dat verweerder de nieuwsberichten van 22 augustus 2012, 15 september 2012 en 8 mei 2013, niet als nieuwe elementen of bevindingen aanmerkt omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij deze documenten niet voor het nemen van het eerdere besluit had kunnen overleggen.

11. Eisers blijven in beroep bij het standpunt dat verweerder hun opvolgende aanvragen niet als herhaalde aanvragen kan beschouwen, omdat artikel 40, vierde lid, van de herziene Procedurerichtlijn, waarin naar hun mening bedoelde verwijtbaarheidstoets besloten ligt, niet is omgezet naar nationaal recht. Eisers stellen zich daarom op het standpunt dat onder ‘nieuwe’ elementen of bevindingen moet worden verstaan alle elementen en bevindingen die voor het eerst worden voorgelegd aan de beslisautoriteit. De term ‘nieuwe elementen of bevindingen’ heeft in hun ogen dan ook een ruimere strekking dat de term ‘nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden’ als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Niet van belang is of de elementen of bevindingen al bestonden en of eisers daar al weet van hadden. Doordat artikel 40, vierde lid, van de herziene Procedurerichtlijn niet is geïmplementeerd door Nederland is – aldus eisers – enkel sprake van een herhaalde aanvraag als de vreemdeling bij zijn opvolgende aanvraag tot het verlenen van internationale bescherming exact hetzelfde relaas, precies dezelfde documenten en identiek juridische argumenten naar voren brengt.

12. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen eisers niet in dit betoog worden gevolgd.

12.1.

Volgens artikel 33, eerste lid, van de herziene Procedurerichtlijn zijn de lidstaten niet verplicht te onderzoeken of de verzoeker in aanmerking komt voor internationale bescherming overeenkomstig Richtlijn 2011/95, indien een verzoek krachtens dit artikel niet-ontvankelijk wordt geacht. Volgens het tweede lid, onder d, kunnen de lidstaten een verzoek om internationale bescherming als niet-ontvankelijk beschouwen wanneer het verzoek een volgend verzoek is en er geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen of door de verzoeker werden voorgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt, voordat op grond van artikel 33, tweede lid, onder d, een beslissing over de ontvankelijkheid ervan in aanmerking komt overeenkomstig Richtlijn 2011/95.

12.2.

Artikel 40 van de herziene Procedurerichtlijn heeft als opschrift ‘Volgende verzoeken’. Volgens het tweede lid van dit artikel wordt een volgend verzoek om internationale bescherming, voordat op grond van artikel 33, tweede lid, onder d, een beslissing over de ontvankelijkheid ervan wordt genomen, eerst aan een voorafgaand onderzoek onderworpen om uit te maken of er nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn of door de verzoeker zijn voorgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij in aanmerking komt voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet krachtens Richtlijn 2011/95. In het derde lid is bepaald dat, indien uit het in het tweede lid bedoelde voorafgaande onderzoek wordt geconcludeerd dat er nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen of door de verzoeker zijn voorgelegd, die de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt krachtens Richtlijn 2011/95, het verzoek verder wordt behandeld overeenkomstig hoofdstuk II. De lidstaten kunnen ook in andere redenen voorzien om een volgend verzoek verder te behandelen. Volgens het vierde lid kunnen de lidstaten bepalen dat het verzoek enkel verder wordt behandeld indien de betrokken verzoeker buiten zijn toedoen de in de leden 2 en 3 van dit artikel beschreven situaties in het kader van de vorige procedure niet kon doen gelden, in het bijzonder door zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel krachtens artikel 46 uit te oefenen.

12.3.

De rechtbank stelt vast dat Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (de vorige Procedurerichtlijn) in artikel 32, derde tot en met zesde lid, een artikel kende dat qua tekst en strekking overeenkomt met artikel 40, tweede tot en met vierde lid, van de herziene Procedurerichtlijn. Zo bepaalde artikel 32, zesde lid, van Richtlijn 2005/85/EG dat de lidstaten kunnen besluiten het verzoek enkel verder te behandelen indien de betrokken asielzoeker buiten zijn toedoen de in de leden 3, 4 en 5 beschreven situaties in het kader van de vorige procedure niet kon doen gelden, in het bijzonder zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel krachtens artikel 39 uit te oefenen.

12.4.

De Afdeling heeft bij uitspraak van 7 juli 2010, in zaaknummer 200907796/1/V2 (ECLI:NL:RVS:2010:BN1613) overwogen dat het artikel 32 van Richtlijn 2005/85/EG zich niet verzet tegen de toepasselijkheid van het ne bis beoordelingskader. Daarbij heeft zij van belang geacht dat het onderzoek dat ingevolge artikel 32, tweede en derde lid, van die richtlijn moet worden verricht om uit te maken of er nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn, vergelijkbaar is met de door de bestuursrechter te verrichten ne bis beoordeling. De Afdeling heeft voorts in haar uitspraak van 28 juni 2012, in zaaknummer 201113489/1/V4 (ECLI:NL:RVS:2012:BX0767), overwogen dat het betoog dat de term ‘nieuwe elementen of bevindingen’ in artikel 32, derde lid, van Richtlijn 2005/85/EG ertoe noopt dat bij een opvolgend asielverzoek alle feiten en omstandigheden die nog niet eerder aan de orde zijn geweest of die een asielzoeker nog niet eerder heeft aangevoerd bij de inhoudelijke beoordeling van dat asielverzoek moeten worden betrokken, ongeacht of deze in de eerdere procedure hadden kunnen worden ingebracht, mede gelet op de in het zesde lid van dit artikel opgenomen uitzonderingsbepaling, geen steun vindt in de tekst of in de considerans van Richtlijn 2005/85/EG.

12.5.

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 28 juni 2012 verder overwogen dat het ne bis beoordelingskader evenmin uitsluit dat de rechter rekening houdt met in een opvolgende procedure aangevoerde feiten en omstandigheden, die tijdens de eerdere procedure bekend waren, maar toen niet naar voren zijn gebracht, zij het dat in dat geval de desbetreffende vreemdeling concreet moet onderbouwen waarom hij hiertoe in de eerder procedure niet in staat was. Deze benadering is, aldus de Afdeling, in overeenstemming met de in artikel 32, zesde lid, van Richtlijn 2005/85/EG besloten liggende beoordeling of aan een vreemdeling is toe te rekenen dat hij een omstandigheid of gebeurtenis niet in de eerdere procedure kenbaar heeft gemaakt.

12.6.

De rechtbank ziet geen aanleiding om thans anders te oordelen over 33, tweede lid, aanhef en onder d, en artikel 40, vierde lid, van de herziene Procedurerichtlijn dan de Afdeling heeft gedaan over artikel 32, zesde lid, van Richtlijn 2005/85/EG. Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat onder de term ‘nieuwe elementen en bevindingen’ hetzelfde dient te worden verstaan als ‘nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden’ als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. In de term ‘nieuwe elementen of bevindingen’ ligt aldus de verwijtbaarheidstoets besloten, hetgeen wil zeggen dat zowel het bestuursorgaan als de bestuursrechter kan besluiten dat overgelegde stukken en aangevoerde feiten of argumenten niet nieuw zijn, omdat ze in de vorige procedure al hadden en derhalve behoorden naar voren te worden gebracht. Bovendien overweegt de rechtbank dat artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn bepaalt dat de lidstaten van de verzoeker mogen verlangen dat hij alle elementen ter staving van het verzoek zo spoedig mogelijk indient. Deze op de vreemdeling rustende verplichting is neergelegd in artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000. Het ligt niet in de rede dat lidstaten bij een eerste asielverzoek van een verzoeker mogen verlangen dat hij alle elementen zo spoedig mogelijk indient of naar voren brengt en dat diezelfde verzoeker vervolgens op grond van artikel 33, tweede lid, aanhef en onder d, van de herziene Procedurerichtlijn de mogelijkheid heeft om bij een volgend asielverzoek alle elementen naar voren te brengen die hij in de vorige procedure niet of niet tijdig naar voren heeft gebracht. Daarbij komt dat artikel 46, derde lid, van de herziene Procedurerichtlijn, welke bepaling thans is neergelegd in artikel 83a van de Vw 2000, de rechtbank voorschrijft dat haar toetsing een volledig en ex nunc onderzoek omvat naar zowel de feitelijke als de juridische gronden, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek naar de behoefte aan internationale bescherming. Dit betekent dat het op de weg van de verzoeker ligt om alle van belang zijnde documenten, feiten en juridische argumenten naar voren te brengen in de eerste asielprocedure, indien zo nodig in de beroepsfase, om zo zijn reden(en) voor vertrek uit het land van herkomst, of land van eerder verblijf, te onderbouwen en zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel uit te oefenen. Ook in dit licht past het om de verwijtbaarheidstoets in te lezen in het begrip “nieuwe elementen of bevindingen”. Een reden temeer daarvoor is dat in artikel 33, tweede lid, van de herziene Procedurerichtlijn niet tevens de optionele bepaling is opgenomen dat de lidstaten een verzoek om internationale bescherming als niet-ontvankelijk kunnen beschouwen wanneer aan het volgend verzoek wel nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen of door de verzoeker werden voorgelegd, maar de verzoeker valt te verwijten dat hij die nieuwe elementen of bevindingen niet eerder naar voren heeft gebracht.

12.7.

Gelet op het vorenstaande en punt 36 van de considerans van de herziene Procedurerichtlijn, waarin wordt verwezen naar het beginsel van het gezag van gewijsde, is de rechtbank van oordeel dat met artikel 33, tweede lid, aanhef en onder d, van de herziene Procedurerichtlijn is bedoeld de mogelijkheid te creëren een opvolgend asielverzoek zonder inhoudelijk onderzoek af te doen als elementen of bevindingen door de aan de verzoeker te wijten omstandigheden te laat zijn ingediend of naar voren gebracht. In die zin dient dus het begrip ‘nieuwe elementen of bevindingen’ te worden gelezen als genoemd in artikel 40, tweede en derde lid, van de herziene Procedurerichtlijn. Een aanwijzing temeer daarvoor is dat in de tweede volzin van artikel 40, derde lid, van de herziene Procedurerichtlijn is bepaald dat de lidstaten ook in andere redenen kunnen voorzien om een volgend verzoek verder te behandelen. Daarmee wordt lidstaten immers de ruimte gelaten om een opvolgend verzoek, ondanks dat de verzoeker het verwijt te maken valt dat hij elementen of bevindingen al in de vorige asielprocedure naar voren had kunnen brengen of overleggen, toch inhoudelijk te beoordelen, hetzij op grond van de discretionaire bevoegdheid van de beslisautoriteit, hetzij op grond van de Bahaddar-exceptie. Een dergelijke ruimte zou geen betekenis hebben als de lezing van artikel 40, derde lid, van de herziene Procedurerichtlijn, zoals eisers die voorstaan, zou moeten worden gevolgd. De stelling van eisers dat de vraag of het verwijtbaar is dat de voorgelegde elementen niet eerder naar voren zijn gebracht een aparte toets is die losstaat van de vraag of sprake is van ‘nieuwe elementen of bevindingen’, wordt dan ook niet gevolgd. Om dezelfde reden worden eisers evenmin gevolgd in hun betoog ter zitting dat in artikel 40, derde lid, van de herziene Procedurerichtlijn een ‘zware’ verwijtbaarheidstoets besloten ligt, in de zin van het met opzet of frauduleus niet eerder naar voren brengen van elementen of bevindingen, en dat als die hobbel genomen is eventueel – indien artikel 40, vierde lid, van de Procedurerichtlijn zou zijn geïmplementeerd – nog een ‘lichtere’ verwijtbaarheidstoets plaatsvindt waarin wordt beoordeeld of de verzoeker is aan te rekenen dat hij de nieuwe elementen of bevindingen niet eerder had kunnen indienen of naar voren had kunnen brengen.

12.8.

De rechtbank volgt verweerder in diens in het verweerschrift ingenomen standpunt dat artikel 40, vierde lid, van de herziene Procedurerichtlijn geen facultatieve bepaling is die implementatie behoeft. Deze bepaling biedt lidstaten de mogelijkheid om de beoordeling zoals omschreven in artikel 40, tweede lid, van de herziene Procedurerichtlijn vorm te geven op een wijze die geheel in lijn is met de toepassing van artikel 4:6 van de Awb en de ontwikkelde jurisprudentie daaromtrent. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU.

13. De rechtbank overweegt voorts dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 niet-ontvankelijk kan worden verklaard in de zin van artikel 33 van de herziene Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend waaraan door de vreemdeling geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt een besluit om een aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren voor toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet gelijkgesteld met een afwijzing.

14. De besluiten van 18 januari 2016 zijn daarom van gelijke strekking als het besluit van

16 augustus 2013 en het besluit van 28 februari 2015, waarbij respectievelijk de eerdere asielaanvraag van eiser en eiseres is afgewezen.

De ne bis in idem-beoordeling

15. Volgens vaste rechtspraak, onder meer de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA3687), kan de bestuursrechter een bestreden besluit en de totstandkoming daarvan alleen toetsen als de vreemdeling nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aanvoert of als sprake is van een voor hem relevante wijziging van het recht. Deze ambtshalve door de bestuursrechter te verrichten toets is vergelijkbaar met het onderzoek dat ingevolge artikel 40 van de herziene Procedurerichtlijn moet worden verricht om uit te maken of er nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn, zoals ook kan worden opgemaakt uit de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX0767).

15.1.

Indien het voor de aanvraag relevante recht wordt gewijzigd, kan ook, zonder dat sprake is van nieuwe elementen of bevindingen een nieuwe aanvraag worden ingediend, die op grond van de dan geldende bepalingen wordt beoordeeld. Hieruit volgt dat in beginsel eerst dient te worden getoetst of sprake is van nieuw recht, in die zin dat ten tijde van de beroepsfase in de voorlaatste procedure ander recht op toelating gold dan ten tijde van deze aanvraag. Eerst als is vastgesteld dat dit niet het geval is, is aan de orde de vraag of sprake is van nieuwe elementen of bevindingen.

15.2

Onder nieuwe elementen of bevindingen moeten worden begrepen feiten of omstandigheden, waaronder begrepen bewijsstukken, die na het eerdere besluit of de eerdere besluiten zijn voorgevallen, met uitzondering van die feiten of omstandigheden die, gelet op artikel 83 van de Vw 2000, naar voren konden en derhalve behoorden te worden gebracht in de beroepsfase bij de bestuursrechter in eerste aanleg in de vorige procedure(s), dan wel al door de bestuursrechter in de voorlaatste procedure met toepassing van artikel 83 van de Vw 2000 zijn meegenomen en beoordeeld. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuwe elementen of bevindingen die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen als op voorhand is uitgesloten dat wat alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit of de eerdere besluiten kan afdoen.

15.3.

Artikel 83.0a van de Vw 2000 bepaalt verder dat, indien beroep is ingesteld tegen een besluit dat een gelijke strekking heeft als een besluit dat eerder ten aanzien van de indiener van het beroepschrift is genomen, dit besluit, ook bij het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden of een relevante wijziging van het recht, zal worden beoordeeld als ware het een eerste afwijzing indien hier wegens bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden noodzaak toe bestaat. Dit artikel is een codificatie van het arrest van het EHRM van 19 februari 1998, Bahaddar tegen Nederland, nr. 145/1996/764/965 (JV 1998/45 en ECLI:NL:XX:1998:AG8817) op grond waarvan vanwege bijzondere feiten en omstandigheden, als bedoeld in overweging 45 van dit arrest, de noodzaak kan bestaan de in het nationale recht neergelegde procedureregels niet tegen te werpen.

15.4.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers geen nieuwe elementen of bevindingen aan hun opvolgende aanvragen ten grondslag gelegd. De nieuwsberichten van 8 mei 2013 en 14 september 2015 zien niet op de persoon van eiser en maken in die zin al niet dat aangenomen zou moeten worden dat eiser onderzoeksjournalist was. In de nieuwsberichten van 22 augustus 2012, 15 september 2012, 15 september 2014 en

16 september 2015 wordt weliswaar de naam van eiser genoemd zoals hij die in zijn vorige procedure heeft opgegeven, maar eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij deze stukken niet in de vorige procedure had kunnen inbrengen. Eiser is naar eigen zeggen pas begonnen met het verzamelen van steunbewijs voor zijn relaas toen hij een afwijzende beschikking kreeg. Dit komt voor zijn rekening en risico. Gesteld noch gebleken is dat eiser hiertoe eerder niet in staat was. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat eiser al ten tijde van het voornemen in de eerste procedure op de hoogte was van het feit dat verweerder hem niet geloofde en eiser al bij het eerste interview is gebleken dat hij zijn aanvraag zo veel mogelijk met bewijsstukken zou moeten staven. Bovendien dateert het besluit uit de vorige procedure van 16 augustus 2013, terwijl de rechtbank eerst op 28 april 2014 uitspraak heeft gedaan. Eiser heeft dus in beginsel – gelet op artikel 83 van de Vw 2000 – in de beroepsfase ruimschoots de gelegenheid gehad om de nieuwsberichten van 22 augustus 2012 en 15 september 2012 in geding te brengen. Daarbij komt dat eiseres, die in wezen een afhankelijk relaas heeft van eiser, eerst op 29 december 2014 een asielaanvraag heeft gedaan. Ook zij heeft in haar eerste asielprocedure, die is geëindigd bij uitspraak van 17 september 2015, geen stukken ingebracht om aannemelijk te maken dat haar man (eiser) onderzoeksjournalist was. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt waarom hij zijn ouders niet eerder heeft ingeschakeld om documenten te bemachtigen via zijn collega/vriendin, dan wel zijn vrouw (eiseres) niet heeft benaderd om dat te doen toen zij nog in Azerbeidzjan verbleef. Verder is onduidelijk waarom eiser niet zelf contact heeft gezocht met zijn collega/vriendin. Daarnaast valt niet in te zien dat eiser – die stelt onderzoeksjournalist te zijn geweest – niet zelf de websites met daarop de nieuwsberichten heeft kunnen vinden. Niet valt in te zien derhalve dat eiser, die na het afwijzend besluit van 16 augustus 2013 actie zou hebben ondernomen, eerst in juni/juli en september/november 2015 over de websitepublicaties kon beschikken. Te minder nu de moeder van eiser de informatie over deze publicaties op betrekkelijk snelle en eenvoudige wijze zou hebben verkregen van de broer van eisers collega/vriendin. Bovendien is niet duidelijk of de informatie in de nieuwsberichten afkomstig is uit objectieve bron, nu niet bekend is wie de berichten heeft geschreven en op internet heeft geplaatst, dan wel wie de informatie heeft doorgegeven aan degene(n) die de berichten heeft geplaatst op de internetsites en of die informatie toen is geverifieerd.

15.5.

De politieverklaring is evenmin te beschouwen als een nieuw element of bevinding. In de eerste plaats omdat het een kopie betreft waarvan de authenticiteit niet kan worden onderzocht. Bovendien valt niet in te zien dat eiser niet beschikt over de originele politieverklaring, nu in die verklaring staat dat deze wordt overgelegd aan eiser en bij diens afwezigheid aan zijn naaste familieleden. In de tweede plaats is onduidelijk waarom aan eiser een bericht moet worden overhandigd waarin wordt gezegd dat er opsporingsmaatregelen worden getroffen omdat hij zich herhaaldelijk aan zijn verantwoordelijkheid heeft onttrokken, de laatste maal op 25 april 2015. Hierbij wordt tevens in aanmerking genomen dat eiser geen documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij reeds eerder is opgeroepen om naar de politieafdeling te komen. Daarbij komt dat uit de overgelegde verklaring niet blijkt wat de reden was van die eerdere oproepen. Voorts valt niet in te zien waarom eerst in april 2015 opsporingsmaatregelen worden getroffen als de Azerbeidzjaanse autoriteiten – naar eiser stelt – al vanaf 15 september 2012 naar hem op zoek zouden zijn. Daarnaast is het vreemd dat de vader van eiser naar het politiebureau zou zijn gegaan als deze verklaring bij afwezigheid van eiser aan zijn naaste familieleden zou worden overgelegd.

15.6.

De verklaringen van de moeder van eiser zijn niet afkomstig uit objectieve bron en kunnen – mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de overgelegde stukken – ook niet worden aangemerkt als ondersteunend bewijs. De moeder is niet alleen familie van eiser, maar zij heeft haar informatie naar zeggen van eiser enkel van de broer van eisers collega/vriendin van wie niet duidelijk is waarop hij zich baseert.

16. Doordat de relazen van eisers ongeloofwaardig blijven, is geen sprake van bijzondere, op de individuele zaken van eisers betrekking hebbende feiten en omstandigheden als bedoeld in het arrest Bahaddar en artikel 83.0a van de Vw 2000.

17. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T.C. Wijsman, voorzitter, mr. A.F.C.J. Mosheuvel en mr. P.A. Buijs, leden, in aanwezigheid van mr. A.A.M.J. Smulders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.