Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:6021

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-05-2016
Datum publicatie
23-06-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 8747
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In een brief van 1 september 2014 wordt aan eiseres meegedeeld dat de boetebeslissing wordt opgeschort in afwachting van de beslissing op het bezwaarschrift tegen de herziening. Boetebesluit is van 1 september 2014. Dit kan bij eiseres verwarring hebben gewekt. Eiseres mocht op grond van de brief van 1 september 2014 erop vertrouwen dat de beslissing tot het opleggen van een boete zou worden opgeschort.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:11, geldigheid: 2006-02-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 15/8747

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2016 in de zaak tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde mr. G. van der Meij)

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft tegen het hierna onder 4 te noemen besluit bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij besluit van 23 oktober 2015 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2016.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door [persoon A], kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon B].

Overwegingen

Feiten

1. Bij bericht van 25 juli 2014 is de studiefinanciering van eiseres vanaf 1 januari 2012 herzien naar de norm van thuiswonende studerende. De teveel ontvangen studiefinanciering wordt verrekend met de nog door eiseres te ontvangen studiefinanciering.

2. Bij brief van 31 juli 2014 heeft verweerder het voornemen aangekondigd aan eiseres een boete op te leggen van 50% van de teveel ontvangen studiefinanciering.

3. Bij brief van 24 augustus 2014 heeft eiseres een schriftelijke reactie op het voornemen gegeven. Bij brief van 1 september 2014 heeft verweerder de ontvangst van deze brief bevestigd. Daarbij is meegedeeld dat verweerder aanleiding heeft gezien de brief mede op te vatten als een bezwaarschrift tegen de herziening van de uitwonendenbeurs.

4. Bij besluit van 1 september 2014 heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 2.892,85.

5. Bij beslissing op bezwaar van 21 oktober 2014 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de herziening van haar studiefinanciering ongegrond verklaard.

Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank van 23 juni 2015. Bij uitspraak van 7 juli 2015 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

6. Bij brief van 29 juni 2015 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het boetebesluit van 1 september 2014. Bij beslissing op bezwaar van 23 oktober 2015 heeft verweerder het bezwaar, wegens overschrijding van de bezwaartermijn, niet-ontvankelijk verklaard.

Geschil
7. In geschil is of verweerder terecht het bezwaar van eiseres tegen het boetebesluit niet-ontvankelijk heeft verklaard. Met name is in geschil of de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.

Eiseres is van standpunt dat in de brief van 1 september 2014 wordt meegedeeld dat de boete wordt opgeschort in afwachting van de beslissing op het bezwaarschrift tegen de herziening. Eiseres heeft daarom tegen de boete nog geen bezwaar gemaakt. Eiseres mocht op grond van de brief van 1 september 2014 erop vertrouwen dat de beslissing tot het opleggen van een boete zou worden opgeschort. Eiseres heeft er groot belang bij dat het bezwaarschrift inhoudelijk wordt behandeld, nu zij geconfronteerd wordt met een boete van € 2.892,85.

Verweerder betoogt dat niet tijdig is gereageerd op het boetebesluit van 1 september 2014, zodat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Eiseres had uit de ontvangst van het boetebesluit van 1 september 2014 moeten afleiden dat de opschorting van de beslissing over de boete niet had plaatsgevonden. Voor zover eiseres in verwarring was door de tekst op de brief van 1 september 2014 en op het besluit van 1 september 2014 had zij informatie bij verweerder moeten inwinnen. Dat eiseres dat niet heeft gedaan komt voor haar eigen rekening en risico, aldus verweerder.

Beoordeling van het geschil

8. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat het bezwaar tegen het boetebesluit van 1 september 2014 te laat, immers eerst op 29 juni 2015, is ingesteld.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

9. Eiseres heeft in reactie op het voornemen tot het opleggen van een boete van 31 juli 2014, een brief met dagtekening 24 augustus 2014 geschreven. Bij brief van 1 september 2014 heeft verweerder de ontvangst van deze brief bevestigd. In deze ontvangstbevestiging wordt aan eiseres -onder meer- meegedeeld dat “in afwachting van de beslissing op het bezwaarschrift de beslissing over het opleggen van een boete [wordt] opgeschort”. Door vervolgens bij besluit van 1 september 2014, derhalve voordat de beslissing op bezwaar was genomen, aan eiseres toch een boete op te leggen, kan niet worden uitgesloten dat bij eiseres verwarring is ontstaan op welk moment en waartegen zij bezwaar moest maken. Naar het oordeel van de rechtbank is uit het oogpunt van rechtsbescherming niet aanvaardbaar dat eiseres nadeel ondervindt van de hierboven omschreven handelwijze van de verweerder (vergelijk Centrale Raad van Beroep, 20 januari 2016; ECLI:NL:CRVB:2016:390).

Bij dit oordeel betrekt de rechtbank tevens de omstandigheid dat de niet-ontvankelijk verklaring een boetebesluit betreft waarbij, anders dan bij de procedure tot herziening, artikel 6 van het EVRM onverkort van toepassing is (vergelijk Hoge Raad, 25 april 2008; ECLI:NL:HR:2008:BD0469).

10. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar geacht moet worden en heeft verweerder het bezwaar tegen het boetebesluit van 1 september 2014 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Verweerders stelling dat eiseres werd bijgestaan door een professionele gemachtigde, wat daar verder van zij, maakt dit niet anders nu uit de stukken blijkt dat eiseres in de hier van belang zijnde bezwaarfase (nog) niet werd bijgestaan door een gemachtigde. Hetgeen voorts nog is aangevoerd door verweerder, met name dat eiseres informatie had moeten vragen, kan niet leiden tot het oordeel dat de termijnoverschrijding niet als verschoonbaar moet worden beschouwd.

De hierboven weergegeven zinsnede in de ontvangstbevestiging van 1 september 2014, is immers -letterlijk genomen- zo duidelijk dat eiseres er in redelijkheid niet aan hoefde te twijfelen dat de beslissing om haar een boete op te leggen nog niet was genomen.

11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal het beroep gegrond worden verklaard.

Het bestreden besluit zal worden vernietigd en verweerder zal een nieuwe (inhoudelijke) beslissing op het bezwaar moeten nemen.

Proceskosten
12. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 992 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de beslissing op bezwaar;

- bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar neemt, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder de proceskosten tot een bedrag van € 992 aan eiseres te voldoen;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 45 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. N. Djebali, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C. Stroebel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.