Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:6004

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-05-2016
Datum publicatie
21-07-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 8528
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:1795, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 15/8528

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2016 in de zaak tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde mr. M.P. de Witte)

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft tegen het hierna onder 2 te noemen besluit bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij besluit van 16 november 2015 het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2016.

Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon A].

Overwegingen

Feiten

1. Op 7 juli 2015 heeft eiseres een verzoek “terugbetaling lesgeld studiejaar 2014-2015” gedaan.

2. Bij besluit van 31 juli 2015 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

Geschil
3. In geschil is of verweerder terecht het verzoek om terugbetaling heeft afgewezen.

Eiseres is van standpunt dat de tussentijdse beëindiging van het schooljaar 2014-2015 niet rechtsgeldig is. Op grond van artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000 omvat het schooljaar het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli daaropvolgend. Op grond van artikel 3 van het besluit beëindigt het bevoegd gezag (tussentijds) de inschrijving van de leerling op zijn aanvraag of zodra de leerling de opleiding met goed gevolg heeft afgesloten. Eiseres heeft op 29 januari 2015 niet gevraagd om haar inschrijving te beëindigen. Haar opleiding heeft haar inschrijving met ingang van 1 februari 2015 beëindigd omdat de opleiding alsdan is afgelopen. Dat is in strijd met het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000. De uitschrijving is derhalve ongeldig tot het moment dat eiseres haar diploma op 18 februari 2015 heeft gehaald. Eiseres doet voorts een beroep op de hardheidsclausule van de regeling.

Verweerder heeft betoogd dat eiseres met ingang van 29 januari 2015 als voltijdleerling is uitgeschreven en is ingeschreven als examendeelnemer. Zij heeft als examendeelnemer haar diploma gehaald. Nu eiseres geen voltijdleerling meer was, valt zij niet onder de restitutie voorwaarden van het beleid neergelegd in artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit les- en cursusgeldwet 2000.

Beoordeling van het geschil

4. Artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit les- en cursusgeldwet 2000 luidt voor zover alhier van belang als volgt:
“1 Indien de inschrijving voor 1 mei van het schooljaar wordt beëindigd vanwege een in het tweede lid genoemde reden, wordt het lesgeld voor dat schooljaar op aanvraag van de lesgeldplichtige terugbetaald met eentwaalfde deel voor iedere resterende hele maand in dat schooljaar.

2 Teruggave van lesgeld is uitsluitend mogelijk indien de inschrijving is beëindigd in verband met:

a. het met goed gevolg hebben afgerond van de opleiding,

b. de inschrijving voor een cursus als bedoeld in artikel 15, eerste lid, mits die inschrijving plaatsvindt in het desbetreffende schooljaar,

c. overlijden of ernstige ziekte van de leerling, of

d. bij ministeriële regeling te bepalen bijzondere familieomstandigheden.”

5. Uit het door verweerder overgelegde (BRIN) overzicht (gedingstuk 11.1 t/m 11.3) blijkt dat eiseres op 29 januari 2015 is uitgeschreven uit haar voltijdsopleiding en per 30 januari 2015 is ingeschreven als examendeelnemer. Anders dan de gemachtigde van eiseres stelt is daarbij geen sprake van omzetting van de opleiding van eiseres, maar van een beëindiging van haar voltijdse opleiding. Dat eiseres aan dezelfde school verbonden bleef als examendeelnemer doet daaraan niet af. Op grond van het bepaalde in het hierboven genoemde artikel 7 kan alleen restitutie van het lesgeld plaatsvinden als de inschrijving wordt beëindigd vanwege de in het tweede lid genoemde reden. De beëindiging van de inschrijving van eiseres voor haar voltijdsopleiding in verband met haar inschrijving als examendeelnemer is niet een in het tweede lid genoemde reden. Het behalen van haar diploma (als examendeelnemer) was niet de reden van de beëindiging van haar inschrijving en geeft geen recht op restitutie. Voor zover eiseres het niet eens is met de gegevens die haar onderwijsinstelling met betrekking tot haar inschrijving heeft laten registreren, dan is dat een zaak tussen eiseres en haar opleiding. Verweerder staat daar verder buiten.

6. Ingevolge artikel 9b van de Les- en cursusgeldwet kan de Minister voor bepaalde gevallen de wet buiten toepassing laten of daarvan afwijken voorzover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Met betrekking tot het beroep van eiseres op de hardheidsclausule overweegt de rechtbank dat deze niet de mogelijkheid biedt om een uitzondering te maken, indien de onverkorte toepassing van de desbetreffende bepaling in overeenstemming is te achten met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet (Centrale Raad van Beroep, 21 januari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS4936). Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat, gelet op het bepaalde in artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit les- en cursusgeldwet 2000, het de duidelijke bedoeling van de wetgever is geweest dat slechts in die gevallen aanspraak kan worden gemaakt op restitutie. Voor een verdergaande toepassing van de hardheidsclausule bestaat geen aanleiding. Door of namens eiseres zijn geen zodanig bijzondere omstandigheden aangevoerd dat in dit geval anders zou moeten worden geoordeeld.

7. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal het beroep ongegrond worden verklaard.

Proceskosten
8. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. N. Djebali, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C. Stroebel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019,

2500 EA Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)