Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:6001

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-06-2016
Datum publicatie
03-06-2016
Zaaknummer
16/2881
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

herkomst ongeloofwaardig, Darfur, taalanalyse

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/2881

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 2 juni 2016 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

gemachtigde: mr. A.H. Rijkse,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A.R.J. Maas.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 8 februari 2016 ((het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De zitting vond plaats met behulp van een telefonische tolk, I. Kannak (tolk Arabisch). Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Soedanese nationaliteit. Op 1 oktober 2014 heeft eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. Aan die aanvraag ligt het volgende ten grondslag. Eiser is geboren in het dorp Gos Khoran in (het zuiden van) Noord-Darfur en heeft daar tot eind 2012 gewoond. Vervolgens is hij vanwege problemen met de Janjaweed gevlucht en verbleef hij twee maanden in vluchtelingenkamp Al Salam in Zuid-Darfur. Eind 2013 vertrok eiser uit Soedan en woonde hij een jaar in Libië (Benghazi) alvorens naar Nederland te vluchten.

2. Bij het bestreden besluit is de asielaanvraag als ongegrond afgewezen. Verweerder acht de gestelde identiteit en nationaliteit geloofwaardig maar stelt zich op het standpunt dat de herkomst van eiser niet geloofwaardig is. Hieraan ligt het rapport Taalanalyse van Bureau Land en Taal (BLT) van 4 juni 2015 (hierna: de taalanalyse) ten grondslag. Daarin is onder meer vermeld dat eiser op grond van de in deze zaak verrichte taalanalyse eenduidig is te herleiden tot de spraakgemeenschap in Soedan, dat het aannemelijk is dat eiser behoort tot een niet-Arabische bevolkingsgroep en dat de Arabische spraak overwegend niet overeenkomt met het Arabisch zoals gangbaar in Darfur. De Arabische spraak bevat talrijke uitspraken die te plaatsen zijn in het Arabisch van Khartoum en omstreken, waardoor het aannemelijk is dat eiser, anders dan hij zelf verklaart, langdurig in de regio Khartoum heeft verbleven en mogelijk daar zelfs is opgegroeid. Verder is vermeld dat in de regio Khartoum-Al Jazira sinds decennia een groep van (inmiddels) enkele honderdduizenden interne migranten uit Darfur is gevestigd. Verweerder acht het relaas van eiser evenmin geloofwaardig, nu dit problemen betreft die hij in het gestelde dorp van herkomst zou hebben ondervonden.

3. Eiser voert daartegen - samengevat - het volgende aan. Uit de taalanalyse blijkt dat eiser Erenga spreekt, een variant van het Noord-Soedanees Arabisch. Dat stemt overeen met de verklaring van eiser dat hij in het zuidelijke deel van Noord-Soedan is geboren. Ook blijkt uit de taalanalyse dat de spraak van eiser kenmerken vertoont van het Arabisch zoals dat gesproken wordt door niet-Arabieren in Soedan, terwijl zijn taalgebruik een grammaticaal kenmerk vertoont dat te plaatsen is in onder meer Darfur. Nu eiser ook uitstekend in staat was de omgeving van het dorp Gos Khoran te beschrijven, hoeft niet betwijfeld te worden dat eiser uit dit dorp afkomstig is. Verweerder heeft de taalanalyse verkeerd geïnterpreteerd. Het bestreden besluit is op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen. Voorts heeft eiser een verklaring overgelegd van Darfur Union Nederland, een belangenorganisatie voor personen uit Darfur in Nederland, waaruit blijkt dat hij als een ‘Darfuri’ wordt gezien.

4. De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer de uitspraak van

16 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM2266, vloeit voort dat indien bij verweerder twijfel is gerezen over de door een vreemdeling gestelde herkomst, verweerder door een taalanalyse te laten verrichten, de desbetreffende vreemdeling tegemoetkomen in de op hem ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) rustende last om het door hem gestelde aannemelijk te maken. In beginsel mag ervan worden uitgegaan dat een door het BLT verrichte taalanalyse tot stand is gekomen onder verantwoordelijkheid van een ter zake deskundige linguïst waarvan de kwaliteit voldoende is gewaarborgd en dat de ingeschakelde taalanalist op zorgvuldige wijze is geselecteerd en onder voortdurende kwaliteitscontrole staat. Niettemin dient verweerder, indien en voor zover hij tot het laten verrichten van een taalanalyse overgaat en deze aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich er ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht van te vergewissen dat de taalanalyse - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

Indien de taalanalyse zorgvuldig, inzichtelijk en concludent is, kan de desbetreffende vreemdeling, gegeven de ingevolge artikel 31, eerste lid van de Vw op hem rustende last, de bij verweerder gerezen en door de taalanalyse niet weggenomen twijfel slechts door het laten verrichten van een contra-expertise alsnog trachten weg te nemen. Daartoe kan hij de opname van het ten behoeve van de taalanalyse gevoerde gesprek, door een deskundige laten beoordelen. Indien de desbetreffende vreemdeling geen contra-expertise laat verrichten, zal de gerezen twijfel reeds daarom blijven bestaan.

5. In dit geval is er geen grond voor het oordeel dat de (door een in Darfur geboren en getogen analist opgestelde) taalanalyse - naar wijze van totstandkoming - niet zorgvuldig dan wel - naar inhoud - niet inzichtelijk en concludent is. Dat de spraak van eiser kenmerken vertoont van het Arabisch zoals dat wordt gesproken door niet-Arabieren in heel Soedan en zijn taalgebruik een grammaticaal kenmerk vertoont dat te plaatsen is in Darfur, neemt niet weg dat gelet op de woordkeuze en uitspraak van eiser is geconcludeerd dat de Arabische spraak overwegend niet overeenkomt met het Arabisch zoals gangbaar in Darfur. Ook is geconstateerd dat sprake was van talrijke uitspraken die te plaatsen zijn in het Arabisch van Khartoum en omstreken. Er is derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de taalanalyse niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Zoals uit voormelde jurisprudentie volgt, kan eiser de bij verweerder gerezen en door de taalanalyse niet weggenomen twijfel slechts door het laten verrichten van een contra-expertise alsnog trachten weg te nemen. Nu in dit geval geen contra-expertise is verricht, zal de gerezen twijfel reeds daarom blijven bestaan. De mededeling ter zitting dat eiser al sinds 2012 niet meer in Darfur heeft verbleven maakt het voorgaande niet anders. Datzelfde geldt voor de op verzoek van eiser opgestelde verklaring van Darfur Union.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.Y.M. van Deijck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

2 juni 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.