Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:5961

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
03-06-2016
Zaaknummer
C/09/492522 / HA ZA 15-822
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Vordering tot aansprakelijkstelling van de bank voor een hypothecaire restschuld afgewezen. Geen zorgplichtschending door de bank. Er is geen sprake van overkreditering en de klant is voldoende geïnformeerd over het risico op een restschuld. Evenmin aanleiding tot wijziging van de overeenkomst o.g.v. art. 6:258 BW. In casu is een restschuld ontstaan, omdat de woning als gevolg van een marktdaling 5-8% in waarde is gedaald. Dit is geen situatie die partijen bij het aangaan van de overeenkomst niet hadden voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2016, afl. 4, p. 241
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/492522 / HA ZA 15-822

Vonnis van 1 juni 2016

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. F.E. Boonstra te Noordwijk

tegen

de coöperatie

Coöperatieve Rabobank U.A.,

(krachtens fusie rechtsopvolgster onder algemene titel van de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK DEN HAAG U.A.),

gevestigd te Den Haag,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. B. Verheij te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Rabobank genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 8 juli 2015, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 18 november 2015, waarbij een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 8 april 2016 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

1.3.

Aanvankelijk was de coöperatie Coöperatieve Rabobank Den Haag U.A. in deze procedure betrokken als gedaagde partij in conventie en als eisende partij in reconventie. Bij (voorafgaand ingediende) akte ter comparitie heeft Rabobank medegedeeld dat alle lokale Rabobanken, onder wie dus ook de toenmalige procespartij Coöperatieve Rabobank Den Haag U.A., per 1 januari 2016 juridisch zijn gefuseerd in een nieuwe rechtspersoon Coöperatieve Rabobank U.A. Tevens heeft Rabobank in de akte medegedeeld dat deze nieuwe rechtspersoon als rechtsopvolger onder algemene titel de onderhavige procedure van Coöperatieve Rabobank Den Haag U.A. overneemt. [eiseres] heeft daar geen bezwaar tegen gemaakt. De rechtbank gaat dan ook ervan uit dat, hoewel niet met zoveel woorden om schorsing en hervatting van het geding ex artikel 225 lid 1 sub c, 225 lid 2 en artikel 227 lid 1 sub b Rv is verzocht, de procedures in conventie en reconventie met (stilzwijgende) instemming van beide partijen vanaf de comparitiezitting zijn voortgezet tegen de opvolgende partij Coöperatieve Rabobank U.A.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] heeft in december 2007 samen met haar toenmalige echtgenoot [A] (hierna: [A] ) de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning) gekocht tegen een prijs van € 615.000,-, vermeerderd met kosten koper.

2.2.

Voor de financiering van de aankoop hebben [eiseres] en [A] zich medio 2007 tot (de rechtsvoorgangster van) Rabobank gewend, bij wie zij reeds eerder een hypotheek voor een woning hadden afgesloten. Op 9 juni 2007 hebben zij een gesprek gevoerd met de heer [B] (hierna: [B] ), destijds bij Rabobank in dienst als hypotheekadviseur. Van dit gesprek heeft [B] met behulp van een voorgedrukt formulier een verslag opgemaakt. Daarin is onder meer aangekruist dat [eiseres] en [A] de lening gedeeltelijk willen aflossen door middel van een beleggingsverzekering. Voorts is in antwoord op de vraag ‘Accepteert de klant het risico op restschuld?’ het hokje ‘ja’ aangekruist.

2.3.

[eiseres] was in 2007 werkzaam als legal counsel bij Q8 tegen een bruto jaarinkomen van € 56.678,-. [A] genoot op dat moment een bruto jaarinkomen van € 69.984,-.

2.4.

Op 14 augustus 2007 heeft Rabobank een offerte gedaan voor een hypothecaire lening van in totaal € 676.300,-. Daarin was tevens een bedrag van circa € 20.000,- voor de verbouwing van de keuken en de vliering van de woning begrepen. Het bedrag zou in twee leningen worden verstrekt, te weten een aflossingsvrije hypothecaire lening van € 322.100,- en een aan een OpMaat verzekering gekoppelde hypothecaire lening van € 354.200,-, die gedeeltelijk zou worden afgelost met het vermogen dat door middel van beleggen zou worden opgebouwd in de verzekering (deze tweede lening hierna te noemen: de OpMaat hypotheek). De te betalen nominale rente was voor beide leningen vastgezet op 5,2% voor de volledige periode van 20 jaren.

Voorts is op pagina 9 van de hypotheekofferte het volgende opgenomen:

De financiering is hoger dan de huidige waarde van de woning. Hierdoor loopt u het risico dat bij verkoop van de woning er een schuld resteert. De adviseur heeft u gewezen op dit risico en op de risico’s en gevolgen van de restschuld. U heeft jegens de bank verklaard deze risico’s en gevolgen te begrijpen en te aanvaarden.

De financiering is gebaseerd op uw beide inkomens. Dit betekent dat als één van de inkomens wegvalt of sterk vermindert u betalingsproblemen kunt krijgen en u gedwongen kunt worden het verbonden registergoed (doorgaans uw woning) te verkopen. U heeft jegens de bank verklaard deze risico’s te begrijpen en te aanvaarden.

[eiseres] en [A] hebben de offerte aanvaard, waarna bij overeenkomst van 10 december 2007 de financiering is verstrekt. Bij akte van diezelfde dag is aan Rabobank een recht van hypotheek op de woning verstrekt tot een bedrag van € 700.000,- vermeerderd met rente en kosten (die worden begroot op in totaal € 245.000,-).

2.5.

[A] en [eiseres] hebben de woning in september 2010 tegen een bedrag van € 725.000,- te koop gezet in verband met een emigratie van [A] naar Indonesië. [eiseres] is niet met [A] meegegaan. In november 2010 heeft zij aan Rabobank medegedeeld dat zij van [A] zou gaan scheiden. Daarbij heeft zij ook gemeld dat zij de maandelijkse hypotheeklasten waarschijnlijk niet alleen zou kunnen voldoen.

2.6.

[eiseres] en [A] zijn in juni 2012 gescheiden. De woning was op dat moment nog steeds niet verkocht.

2.7.

In de daarop volgende periode heeft [eiseres] met Rabobank gesproken over de mogelijkheid om [A] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan en de hypotheek op haar naam over te sluiten. In dat kader heeft [eiseres] op 9 november 2012 een recente salarisstrook aan Rabobank doen toekomen, waaruit blijkt dat haar bruto maandsalaris per oktober 2012 was gestegen van € 6.620,85 naar € 6.851,85. Uiteindelijk hebben partijen geen overeenstemming bereikt over het oversluiten van de lening.

2.8.

De woning is op 2 december 2013 voor een bedrag van € 583.000,- verkocht. Vervolgens heeft Rabobank bij brief van 7 november 2014 aan [eiseres] bericht dat er, na aflossing van de netto-verkoopopbrengst en afkoop van de OpMaat verzekering, een hoofdelijke restschuld van € 88.253,25 resteerde.

2.9.

In verband met de aflossing van de restschuld heeft dhr. [C] (hierna: [C] ) van de afdeling Bijzonder Beheer van Rabobank bij e-mail van 7 januari 2015 aan [eiseres] een betalingsregeling van € 370,- per maand voorgesteld. [eiseres] heeft op 24 januari 2015 geantwoord dat zij op zichzelf akkoord gaat met de voorgestelde maandelijkse betalingsregeling, maar wel een maximale looptijd van drie jaren wil voorstellen en graag binnen drie maanden wil weten of Rabobank daarmee akkoord is. In reactie op dit antwoord heeft [C] bij e-mail van 26 januari 2015 aan [eiseres] bericht:

‘(…) Zodra ik meer weet laat ik het u weten. Mocht het zo zijn dat wij in uw geval toch gewoon een betalingsregeling kunnen hanteren van 3 of 5 jaar met ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid tot gevolg dan zal het maandbedrag aangepast moeten worden naar 100% van uw afloscapaciteit, gedurende 3 jaar of 75% van uw afloscapaciteit gedurende 5 jaar.’

2.10.

[eiseres] heeft drie maandbetalingen van € 370,- gedaan. Daarna is zij opgehouden te betalen.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres] vordert dat de rechtbank, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

primair:

voor recht verklaart dat Rabobank haar verplichtingen jegens [eiseres] heeft geschonden en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld, althans toerekenbaar is tekort geschoten, en dat Rabobank daarvoor jegens [eiseres] aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] dientengevolge heeft geleden en nog zal lijden, een en ander door de rechtbank nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, voor zover de rechtbank ten aanzien van het vaststellen van de omvang van de schade geen aansluiting vindt bij hetgeen door [eiseres] aan Rabobank is voorgesteld;

subsidiair:

voor recht verklaart dat de tussen [eiseres] en Rabobank gesloten hypotheekovereenkomst zal worden ontbonden, dan wel met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid zal worden gewijzigd, nu Rabobank haar verplichtingen jegens [eiseres] heeft geschonden en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld, althans toerekenbaar is tekort geschoten, en dat Rabobank daarvoor jegens [eiseres] aansprakelijk is voor de schade die hij dientengevolge heeft geleden en zal lijden, een en ander door de rechtbank nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

Daarnaast vordert [eiseres] zowel primair als subsidiair veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

3.2.

[eiseres] legt aan de vordering ten grondslag dat Rabobank tekort is geschoten in haar zorgplicht en daarmee onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld, althans is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen. Daartoe voert [eiseres] aan - samengevat - dat de banken, onder wie ook Rabobank, tussen 1996 en 2008 de prijzen op de huizenmarkt hebben opgepompt door te ruime financieringen te verstrekken. Het was voor de banken voorzienbaar dat de door hen gecreërde zeepbel op enig moment zou barsten en dat als gevolg daarvan de prijzen op de huizenmarkt drastisch zouden dalen en diverse huiseigenaren met een restschuld zouden worden geconfronteerd. Rabobank heeft [eiseres] bij het aangaan van de overeenkomst niet voor dit macro-economische risico gewaarschuwd. Daarnaast is er in het onderhavige geval sprake van overkreditering. Aldus heeft Rabobank de op haar rustende bijzondere zorgplicht geschonden en is zij aansprakelijk voor de schade die [eiseres] lijdt, doordat de huizenprijzen inderdaad zijn gekelderd en [eiseres] zich daardoor met een aanzienlijke restschuld ziet geconfronteerd.

Subsidiair stelt [eiseres] dat de gevolgen van de overeenkomst op grond van onvoorziene omstandigheden moeten worden gewijzigd (artikel 6:258 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Het was, anders dan voor de banken, die de crisis op de huizenmarkt zelf hebben doen ontstaan, voor consumenten als [eiseres] niet voorzienbaar dat er als gevolg van het gedrag van de banken een groteske daling van de huizenprijzen zou optreden. Gedurende acht jaren zijn de huizenprijzen met gemiddeld 30% gedaald. Er is sprake van uitzonderlijke omstandigheden die rechtvaardigen dat de restschuld volledig wordt kwijtgescholden.

3.3.

Rabobank voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

Rabobank vordert dat de rechtbank, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

primair:

[eiseres] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 87.143,25, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 april 2015 tot aan de dag van volledige betaling;

subsidiair:

de regeling tot betaling van € 370,- per maand ontbindt en [eiseres] veroordeelt tot betaling aan Rabobank van een bedrag van € 88.253,25, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 april 2015 tot aan de dag van volledige betaling;

met zowel primair als subsidiair veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

3.6.

Rabobank stelt kort gezegd dat [eiseres] op grond van de leningsovereenkomst verplicht is tot terugbetaling van het volledige geleende bedrag, ook als de woning en het in de OpMaat verzekering opgebouwde minder opbrengen dan de geleende hoofdsom. Aldus zal [eiseres] de volledige restschuld moeten voldoen.

3.7.

[eiseres] voert verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.

Alvorens nader in gaan op de inhoudelijke stellingen van partijen, overweegt de rechtbank het volgende. [eiseres] heeft bij dagvaarding als producties 1 en 2 een tweetal door de stichting Restschuld Eerlijk Delen (Stichting R.E.D.) opgestelde stukken overgelegd, getiteld ‘Juridische analyse van restschulden en malaise op de Nederlandse woningmarkt’ en ‘Grondslag van een vordering omtrent kwijting van een restschuld’. [eiseres] heeft gesteld dat de inhoud van deze beide stukken als herhaald en ingelast, en daarmee als behorende tot haar stellingen moet worden beschouwd. Rabobank heeft aangevoerd dat een dergelijke algemene verwijzing naar de inhoud van deze stukken gelet op het kenbaarheidsvereiste niet volstaat en dat de inhoud daarvan derhalve niet als grondslag voor de stellingen van [eiseres] kan dienen. De vordering in conventie van [eiseres] moet volgens Rabobank dan ook reeds bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing worden afgewezen.

4.2.

Tot maatstaf dient dat een partij die bepaalde stellingen en feiten, die zijn opgenomen in een door hem als productie overgelegd schriftelijk stuk, aan zijn eigen vordering ten grondslag wil leggen, dit op een zodanige wijze moet doen dat voor de rechter duidelijk is wat hem als grondslag ter beoordeling wordt voorgelegd en voor de wederpartij waarop hij zijn verdediging dient af te stemmen (vgl. HR 8 januari 1999, NJ 1999, 342). In dit geval heeft [eiseres] als producties twee juridische analyses overgelegd van de Stichting R.E.D., waarin de Stichting bepleit dat de banken medeaansprakelijk zijn voor de restschulden die na het intreden van de crisis op de Nederlandse vastgoedmarkt zijn ontstaan. Stichting R.E.D. stelt - kort gezegd - dat sprake is van een zorgplichtschending en schuldeisersverzuim aan de zijde van de banken en dat de gevolgen van hypotheekovereenkomsten als gevolg van onvoorziene omstandigheden (artikel 6:258 BW) moeten worden gewijzigd of ontbonden. Op zichzelf blijkt uit de beide stukken voldoende duidelijk op welke algemene (macro-economische) feiten en omstandigheden Stichting R.E.D. deze diverse juridische grondslagen baseert. [eiseres] heeft zich in haar dagvaarding onder het kopje ‘Grondslag van de vorderingen’ op dezelfde drie juridische grondslagen beroepen, in dat verband verwezen naar de genoemde analyses van de Stichting R.E.D. en ter toelichting onder randnummer 7 van de dagvaarding nog in enkele zinnen weergegeven waar de stellingen van de stichting met betrekking tot het schuldeisersverzuim in het kort op neerkomen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt daaruit voldoende duidelijk dat [eiseres] het meer algemene juridische betoog van Stichting R.E.D. en de daaraan door Stichting R.E.D. ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden, ook aan haar eigen vordering ten grondslag legt. Aangezien dit algemene juridische betoog van Stichting R.E.D. in de beide analyses als gezegd op zichzelf eveneens voldoende duidelijk is, is voor Rabobank ook voldoende begrijpelijk en inzichtelijk waartegen zij zich moet verweren. Van handelen in strijd met de goede procesorde is dan ook geen sprake.

4.3.

Daarvan staat in beginsel los de door Rabobank opgeworpen vraag of [eiseres] ook inhoudelijk aan haar stelplicht heeft voldaan door naar deze meer algemeen georiënteerde stukken te verwijzen, waarbij ook zal moeten worden betrokken wat [eiseres] overigens nog heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar vordering. Deze inhoudelijke beoordeling zal hierna worden gegeven.

schending van de zorgplicht

4.4.

[eiseres] heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat Rabobank in dit geval de op haar rustende bijzondere zorgplicht heeft geschonden. In dat verband voert [eiseres] onder meer aan dat er sprake is van overkreditering en dat Rabobank haar bij het sluiten van de lening evenmin heeft gewaarschuwd voor het onder 3.2 omschreven gevaar dat [eiseres] als gevolg van de (mede) door Rabobank gecreëerde zeepbel op de huizenmarkt met een drastische waardedaling van haar woning - en een aanzienlijke restschuld - te maken zou kunnen krijgen.

4.5.

De rechtbank overweegt dat op Rabobank een zorgplicht ten opzichte van al haar klanten rust. Publiekrechtelijke regelgeving waaraan de Rabobank is onderworpen en waarin een publiekrechtelijke zorgplicht is neergelegd, is niet bepalend voor de aard en de reikwijdte van de op de Rabobank jegens haar cliënten rustende privaatrechtelijke zorgplicht, maar kleurt deze wel in. De inhoud en de reikwijdte van de op de Rabobank rustende zorgplicht en het al dan niet bestaan van een bijzondere zorgplicht wordt voorts bepaald door de omstandigheden van het geval, zoals de aard en inhoud van de bancaire relatie, de positie van de cliënten van de bank, de bij de cliënt aanwezige relevante kennis en ervaring en de aard en de ingewikkeldheid van het door de bank aangeboden product en de daaraan verbonden risico’s.

4.6.

Aangenomen moet worden dat Rabobank in het onderhavige geval niet alleen als kredietverstrekker, maar ook als hypotheekadviseur van [eiseres] is opgetreden. De aangeboden hypothecaire lening was immers gebaseerd op de informatie die de hypotheekadviseur van Rabobank had ingewonnen over de financiële positie, doelstellingen en risicobereidheid van [eiseres] en [A] en was volgens de offerte ‘zorgvuldig op uw situatie toegesneden’. Daaruit volgt dat Rabobank de hier in geding zijnde lening aan [eiseres] en [A] niet alleen heeft verstrekt, maar ook heeft aanbevolen.

4.7.

Als kredietverstrekker rust op Rabobank de verplichting om informatie in te winnen over de financiële positie van de consument en aan de hand daarvan te beoordelen of het aangaan van de kredietovereenkomst verantwoord is, teneinde overkreditering te voorkomen. Indien de uitkomst is dat de kredietverstrekking met het oog op overkreditering van de consument onverantwoord is, gaat de kredietverstrekker de overeenkomst niet aan (artikel 4:34 Wet op het financieel toezicht, hierna: Wft). [eiseres] stelt dat Rabobank in deze verplichting tekort is geschoten en een te hoog krediet heeft aangeboden. [eiseres] heeft dit

- door Rabobank betwiste - verwijt echter niet uitgewerkt of onderbouwd. Uit de vaststaande feiten volgt dat Rabobank een grotendeels aflossingsvrije hypothecaire lening heeft aangeboden van iets meer dan 5,3 maal het toenmalige gezamenlijke bruto jaarinkomen van [eiseres] en [A] (€ 126.662,-), tegen een vaste nominale rente van 5,2% per jaar. [eiseres] heeft niet toegelicht waarom het verstrekken van deze lening, mede in het licht van de destijds door de banken aangehouden Gedragscode Hypothecaire Financieringen 1 januari 2007 en de toen geldende NIBUD-woonlastpercentages, in verhouding tot de toenmalige en de te verwachten inkomens- en vermogenspositie van [eiseres] en [A] onverantwoord was. Aldus zal haar verwijt dat sprake is geweest van overkreditering worden verworpen. De rechtbank merkt volledigheidshalve op dat aldus evenmin is gebleken dat Rabobank de betreffende lening gezien de draagkracht van [eiseres] en [A] niet had mogen adviseren.

4.8.

[eiseres] verwijt Rabobank daarnaast dat Rabobank haar onvoldoende heeft gewaarschuwd voor de risico’s van de aangeboden financiering, in het bijzonder het voor de bank kenbare risico van een instortende vastgoedmarkt en een aanzienlijke restschuld.

4.9.

Voorop staat dat de onder 4.5 omschreven zorgplicht van Rabobank als financiële dienstverlener onder omstandigheden ook met zich kan brengen dat Rabobank de consument moet waarschuwen voor aan de financiering verbonden risico’s of financiële gevolgen die de consument zelf niet of niet voldoende kan overzien.

4.10.

In dit geval heeft Rabobank aan [eiseres] en haar toenmalige echtgenoot een grotendeels aflossingsvrije hypothecaire lening geadviseerd en verstrekt die de toenmalige marktwaarde van de woning oversteeg, waarbij een deel van de lening zou worden afgelost door het vermogen dat gedurende 30 jaren in de OpMaat verzekering zou worden opgebouwd. Aan een dergelijke financieringsconstructie, die sterk leunt op de waarde van de woning, kleeft het risico dat bij (voortijdige) beëindiging van de lening (bijvoorbeeld door verkoop van de woning) de woning in waarde is gedaald en de opbrengst daarvan, samen met het op dat moment in de verzekering opgebouwde kapitaal, niet toereikend is om het volledige geleende bedrag terug te betalen en er aldus een ‘restschuld’ ontstaat. Daar komt bij dat er hier een groter risico op tussentijdse verkoop van de woning (en dus een mogelijke restschuld) bestond, omdat de verstrekte lening op twee inkomens was gebaseerd en bij het weg- of terugvallen van één inkomen (bijvoorbeeld als gevolg van scheiding) de woning mogelijk noodgedwongen zou moeten worden verkocht indien het inkomen van de achterblijvende kredietnemer niet toereikend was om de hypotheeklasten te voldoen.

4.11.

Uit de vaststaande feiten volgt dat Rabobank [eiseres] in de offerte zowel op het hiervoor omschreven restschuldrisico als het daarmee samenhangende risico van een financiering op basis van meerdere inkomens heeft gewezen (zie 2.4). [eiseres] heeft niet weersproken dat zij deze schriftelijke waarschuwing heeft ontvangen en gezien, maar stelt dat het restschuldrisico in het gesprek met [B] verder helemaal niet aan de orde is gekomen. Volgens [eiseres] heeft [B] juist gezegd dat de huizenprijzen alleen maar konden stijgen en dat [eiseres] en [A] in het slechtst denkbare geval bij gedwongen verkoop minstens de aankoopwaarde van de woning terug zouden krijgen. Dit betoog kan [eiseres] echter niet baten. Ook als het zo is dat [B] zich tijdens het gesprek in de hiervoor omschreven positieve bewoordingen heeft uitgelaten, dan nog moet [eiseres] hebben begrepen dat het hier slechts om een verwachting van de waardeontwikkeling op de markt ging en er altijd een risico bestond dat de huizenprijzen in weerwil van die verwachting zouden dalen. [eiseres] heeft ter comparitie immers bevestigd dat zij ermee bekend was dat de prijzen op de huizenmarkt schommelen. Tegen die achtergrond moet [eiseres] dan ook hebben begrepen dat er ondanks de positieve prognose van [B] een risico op een restschuld bestond. [eiseres] heeft immers niet bestreden dat haar op zichzelf wel duidelijk was dat er in de aangeboden financieringsconstructie een restschuld zou kunnen ontstaan, wanneer de woning in waarde zou zijn gedaald. Aldus kan als vaststaand worden aangenomen dat [eiseres] voldoende was gewaarschuwd dat zij met een waardedaling en een restschuld kon worden geconfronteerd.

4.12.

[eiseres] stelt echter dat zij er niettemin geen rekening mee heeft gehouden - noch hoefde te houden - dat de huizenprijzen zo drastisch zouden dalen als zij na 2008 hebben gedaan. Volgens [eiseres] had Rabobank haar uit hoofde van haar bijzondere zorgplicht nadrukkelijk voor dit risico van een sterk dalende markt moeten waarschuwen, omdat - kort gezegd - Rabobank als medeveroorzaker van de zeepbel op de huizenmarkt die sterke daling had kunnen en moeten voorzien.

4.13.

Dit betoog wordt niet gevolgd. In de eerste plaats geldt dat [eiseres] uiteindelijk niet met een bijzondere of ongebruikelijk hoge waardedaling (van 30%) van haar woning is geconfronteerd. [eiseres] heeft eind 2007 een woning voor € 615.000,- gekocht en deze woning vervolgens, omdat de markt inmiddels was gedaald, in 2013 tegen een bedrag van

€ 583.000,- verkocht. Dit is een waardedaling van 5,2% ten opzichte van de marktwaarde op het moment van aankoop. Als ervan dient te worden uitgegaan dat de door [eiseres] voor een bedrag van € 20.000,- uitgevoerde verbouwing van de keuken en vliering de marktwaarde van de woning met eenzelfde bedrag blijvend heeft vermeerderd, leidt dat tot een maximale waardedaling van circa 8,3% ten opzichte van het aankoopniveau. Naar het oordeel van de rechtbank is een procentuele waardedaling van 5 tot 8% geen waardevermindering die een ongebruikelijk sterke fluctuatie op de vastgoedmarkt vormt. Aldus is niet gebleken dat het door [eiseres] gestelde bijzondere risico van een buitengewoon sterke marktdaling zich hier heeft voorgedaan.

4.14.

Los daarvan gaat het betoog van [eiseres] bovendien uit van de veronderstelling dat de crisis die in 2008 op de Nederlandse vastgoedmarkt is ingetreden destijds al door Rabobank had kunnen en moeten worden voorzien. Als grondslag voor die stelling voert [eiseres] aan dat de banken zelf een overspannen markt hebben gecreëerd door de leencapaciteit te maximaliseren, hypotheken te bundelen om het hoge risico te maskeren en de eigen financieringsmogelijkheden op te rekken door hypotheken door te verkopen. [eiseres] gaat er echter aan voorbij dat ook indien als uitgangspunt heeft te gelden dat de door haar genoemde gedragingen van de banken hebben bijgedragen aan het ontstaan van de crisis op de huizenmarkt dit nog niet zonder meer de conclusie rechtvaardigt dat het intreden van die crisis in 2007 al voor Rabobank voorzienbaar was, laat staan in dusdanige mate dat zij [eiseres] daar bij het sluiten van de lening nadrukkelijk voor had moeten waarschuwen. In dit verband is onder meer van belang dat de Tijdelijke commissie Huizenprijzen in haar conclusies en aanbevelingen (TK 2012-2013, 33 194, nr. 3) heeft geconcludeerd - kort gezegd - dat de woningmarkt een buitengewoon complexe markt is met vele spelers, dat de sinds 2008 ingezette prijsdaling door weinigen werd voorzien, en dat er naast (de gedragingen van) de financiële sector ook tal van andere factoren aan de crisis hebben bijgedragen, zoals de scheefgroei tussen de huur- en koopsector en een achterblijvend woningaanbod tegenover een toenemende vraag, die onder meer werd veroorzaakt door een sterke inkomenstoename en sterk dalende rente op de kapitaalmarkt. In dat licht verdient de stelling dat eind 2007 al voor Rabobank voorzienbaar was dat op korte termijn een sterke daling op de huizenmarkt zou plaatsvinden, een grondige nadere onderbouwing, maar die vereiste nadere onderbouwing heeft [eiseres] niet gegeven. Aldus is niet gebleken dat er aanleiding was voor Rabobank om voor een sterke marktdaling te waarschuwen. Evenmin hoefde Rabobank [eiseres] , anders dan laatstgenoemde stelt, te waarschuwen dat haar hypotheek deel uitmaakte van een bepaald macro-economisch verdienmodel. Op de bank rust in beginsel geen verplichting om de consument over haar verdienmodel te informeren.

4.15.

De rechtbank gaat voorts voorbij aan de stelling van [eiseres] dat Rabobank haar niet heeft ingelicht dat de bank in het aangeboden rentetarief ook het risico op een restschuld had verdisconteerd, nu [eiseres] niet heeft toegelicht waarom Rabobank dat wel had moeten doen en daarnaast ook niet heeft gesteld welke conclusie zij precies aan deze (kale) stelling verbindt.

4.16.

[eiseres] heeft tenslotte nog aangevoerd dat Rabobank haar in verband met de OpMaat hypotheek niet heeft gewezen op ‘de gevaren van een spaar- en beleggingshypotheek’. [eiseres] heeft echter niet toegelicht of concreet gemaakt op welke gevaren of risico’s zij hier doelt, zodat aan dit verwijt wordt voorbijgegaan. Daarbij merkt de rechtbank ten overvloede op dat voor zover [eiseres] hier het oog heeft gehad op het risico dat het opgebouwde vermogen in de kapitaalverzekering vanwege tegenvallende beleggingsresultaten lager uitviel dan verwacht, voorshands niet valt in te zien in welke zorgplicht Rabobank tekort is geschoten, aangezien vast staat dat Rabobank in de offerte op de risico’s en gevolgen van tegenvallende beleggingsresultaten heeft gewezen en gesteld noch gebleken is dat [eiseres] , die destijds al bedrijfsjurist was, deze risico’s niet heeft begrepen of aanvaard.

4.17.

De conclusie is dan ook dat niet kan worden vastgesteld dat Rabobank in haar hoedanigheid van financieel adviseur en kredietverstrekker in een op haar rustende, al dan niet bijzondere, zorgplicht is tekortgeschoten. Derhalve wordt de stelling van [eiseres] dat Rabobank onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en/of is tekortgeschoten in haar (zorg)verplichtingen verworpen.

wijziging overeenkomst wegens onvoorziene omstandigheden (6:258 BW)

4.18.

[eiseres] heeft zich voorts, naar de rechtbank begrijpt in het kader van de subsidiaire vordering, op het standpunt gesteld dat er sprake is van onvoorziene omstandigheden die met zich brengen dat de tussen partijen gesloten leningsovereenkomst niet ongewijzigd in stand kan blijven. Daartoe voert [eiseres] aan dat er sprake is van een - in elk geval voor [eiseres] - onvoorziene sterke en langdurige terugval op de huizenmarkt, die is veroorzaakt door het macro-economische handelen van - onder andere - Rabobank. Het is onaanvaardbaar indien alsdan de gevolgen van deze door de banken veroorzaakte crisis, te weten de restschuld die na verkoop van de woning is ontstaan, volledig voor rekening van [eiseres] komen, aldus [eiseres] .

4.19.

De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 6:258 lid 1 BW kan de rechter op verlangen van een der partijen de gevolgen van een overeenkomst wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Aan de wijziging of ontbinding kan terugwerkende kracht worden verleend.

4.20.

Voor een geslaagd beroep op dit artikel zal allereerst moeten komen vast te staan dat sprake is van onvoorziene omstandigheden. Daarmee wordt gedoeld op omstandigheden die zich na het sluiten van de overeenkomst hebben voorgedaan, terwijl partijen bij het sluiten van de overeenkomst geen rekening hebben gehouden met de mogelijkheid van het intreden van die omstandigheden. Niet van belang is of (een van de) partijen die omstandigheden hadden kunnen voorzien of hadden behoren te voorzien. Van belang is uitsluitend of zij de mogelijkheid van het intreden van die omstandigheden uitdrukkelijk of stilzwijgend in de overeenkomst hebben verdisconteerd (Parl. Gesch. Boek 6, p. 971).

4.21.

De omstandigheden die zich in het geval van [eiseres] hebben voorgedaan komen er kort en wel op neer dat zij haar woning al dan niet noodgedwongen heeft moeten verkopen, omdat zij van haar toenmalige partner is gescheiden en de maandlasten van de woning - die op hun beider inkomens was gefinancierd - met haar eigen inkomen niet (goed) meer kon betalen. Vervolgens is [eiseres] met een restschuld geconfronteerd, omdat de woning ten opzichte van het moment van de aankoop in waarde was gedaald en de verkoopopbrengst zodoende niet toereikend was om het geleende bedrag volledig te voldoen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn dit geen onvoorziene omstandigheden in de zin van artikel 6:258 BW. Immers, zoals onder meer blijkt uit de onder 2.4 weergegeven waarschuwingen in de offerte, hebben partijen bij het sluiten van de leningsovereenkomst zowel het risico van een noodgedwongen verkoop wegens scheiding als de mogelijkheid van het ontstaan van een restschuld voorzien. Aangezien vast staat dat beide partijen ervan op de hoogte waren dat de

de huizenmarkt kon fluctueren (zie hiervoor onder 4.11), moet het ervoor worden gehouden dat partijen in dit laatste verband ook de mogelijkheid onder ogen hebben gezien

dat de woning als gevolg van gebruikelijke schommelingen op de markt voor een lager bedrag dan de aankoopsom zou (moeten) worden verkocht. Zoals de rechtbank hiervoor onder 4.13 heeft overwogen, is dat laatste precies het scenario dat zich hier heeft voltrokken. [eiseres] heeft haar woning uiteindelijk moeten verkopen voor een bedrag dat 5 procent beneden de aankoopprijs lag. Dit is geen buitengewoon hoge waardedaling. Ook overigens is de restschuld niet als een gevolg van de kredietcrisis aan te merken. Gesteld noch gebleken is immers dat [eiseres] als gevolg van de crisis de maandlasten van de woning niet meer kon dragen; integendeel, uit de vaststaande feiten (2.7) blijkt dat het bruto-inkomen van [eiseres] gedurende de crisisjaren is gestegen tot een bedrag van € 6.851,85 per maand in oktober 2012. Het is de - als gezegd door partijen voorziene - combinatie van een verkoop verband houdende met een echtscheiding en een gelijktijdige niet buitengewone waardedaling van de woning geweest die de hier ontstane restschuld heeft veroorzaakt.

4.22.

De conclusie is dat het beroep van [eiseres] op artikel 6:258 BW niet kan slagen. Dat brengt tevens met zich dat de op deze grondslag gebaseerde subsidiaire vordering van [eiseres] met betrekking tot de wijziging of ontbinding van (de gevolgen van) de tussen partijen gesloten overeenkomst, zal worden afgewezen.

Kan Rabobank betaling van de volledige restschuld vorderen?

4.23.

[eiseres] heeft ten slotte aangevoerd dat er aan de zijde van Rabobank sprake is van schuldeisersverzuim, althans dat het ontstaan van de restschuld niet aan [eiseres] kan worden toegerekend. Daartoe voert [eiseres] aan dat de reden dat zij haar verplichtingen jegens Rabobank niet kan nakomen (oftewel een restschuld heeft) is gelegen in een aan de zijde van Rabobank opkomend beletsel, namelijk de implosie van de vastgoedmarkt die door het macro-economisch piramidespel van de banken - waaronder Rabobank - is veroorzaakt.

4.24.

De vraag of Rabobank in schuldeisersverzuim verkeert is van belang voor de beantwoording van de vraag of Rabobank, conform de eis in reconventie, betaling van de restschuld kan vorderen. Derhalve lenen de bovenstaande stellingen van [eiseres] zich voor gezamenlijke bespreking met de vordering in reconventie.

4.25.

[eiseres] heeft in dit verband niet bestreden dat Rabobank uit hoofde van de tussen partijen gesloten hypothecaire leningsovereenkomst een opeisbare vordering tot betaling van de restschuld op haar heeft. Evenmin heeft [eiseres] bestreden dat die restschuld thans nog € 87.143,25 bedraagt. Voorts zijn partijen het erover eens dat zij niet (meer) zijn gebonden aan de regeling tot betaling door [eiseres] van € 370,- per maand die begin 2015 is overeengekomen, zij het dat Rabobank stelt dat die betalingsregeling is vervallen omdat [eiseres] deze na drie betalingen niet is nagekomen, terwijl [eiseres] stelt dat er slechts een tijdelijke regeling voor de duur van drie maanden was overeengekomen in afwachting van een betalingsregeling voor de duur van 3 tot 5 jaren, die er uiteindelijk niet is gekomen. Hoe dan ook is er in de optiek van partijen thans geen sprake meer van een bindende betalings-regeling.

4.26.

Uit het bovenstaande volgt dat de primaire vordering in reconventie toewijsbaar is, indien het beroep van [eiseres] op schuldeisersverzuim aan de zijde van Rabobank niet slaagt. [eiseres] heeft immers niet weersproken dat zij in dat geval met ingang van 30 april 2015 tegenover Rabobank in verzuim verkeert.

4.27.

Artikel 6:58 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat de schuldeiser in verzuim komt, wanneer nakoming van de verbintenis verhinderd wordt doordat een beletsel van zijn zijde opkomt. Voor een geslaagd beroep op dit artikel zal, naast alle andere eisen, tevens moeten komen vast te staan dat de oorzaak van de verhindering van de nakoming van de verbintenis door de schuldenaar uitsluitend ligt in een beletsel aan de zijde van de schuldeiser. Dat is hier niet het geval. Aangenomen moet immers worden dat [eiseres] ook met een restschuld zou zijn geconfronteerd, indien de crisis op de vastgoedmarkt niet was ingetreden en de woning niet in waarde zou zijn gedaald. In dat laatste geval moet het er namelijk voor worden gehouden dat [eiseres] eveneens ten gevolge van haar scheiding de woning zou hebben verkocht of hebben moeten verkopen en zou de woning bij een gelijkblijvende waarde (of zelfs bij een lichte waardestijging) evenmin voldoende hebben opgebracht om de hypothecaire lening van € 676.000,- volledig terug te betalen. Tegen die achtergrond kan dan ook niet als juist worden aanvaard dat (de mogelijkheid tot) nakoming uitsluitend door de crisis is belet. In dat verband zij herhaald dat evenmin is gebleken dat de crisis van invloed is geweest op de betalingscapaciteit van [eiseres] .

4.28.

Nu het beroep op schuldeisersverzuim dus al erop afstuit dat de restschuld niet uitsluitend door de crisis op de vastgoedmarkt is veroorzaakt, kan ook hier verder in het midden blijven of en in hoeverre het intreden van die crisis aan Rabobank is toe te rekenen.

4.29.

Het hiervoor overwogene brengt tevens met zich dat de stelling van [eiseres] dat het niet betalen van de restschuld haar niet kan worden toegerekend, niet slaagt. De aan de restschuld ten grondslag liggende risico’s van een scheiding en niet buitengewone waardedaling van een woning komen in de verhouding tot de bank krachtens de overeenkomst voor rekening van [eiseres] , terwijl niet kan worden gezegd dat in dit specifieke geval de gangbare verkeersopvattingen duidelijk een andere kant op wijzen. Voorts wordt ten overvloede nog overwogen dat voor zover [eiseres] heeft bedoeld te stellen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij de volledige restschuld draagt, deze stelling evenmin slaagt. De rechtbank verwijst daartoe in het bijzonder naar hetgeen in r.o. 4.21 is overwogen.

Conclusie (in conventie en in reconventie)

4.30.

Uit het bovenstaande volgt dat de vorderingen in conventie moeten worden afgewezen. Daarentegen dient de primaire vordering in reconventie te worden toegewezen, zowel ten aanzien van de hoofdsom als de - onweersproken - rente.

4.31.

Nu [eiseres] zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk is gesteld, wordt zij in beide procedures veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten in conventie worden aan de zijde van Rabobank begroot op € 613,- aan griffierecht en € 904,- aan salaris advocaat, aldus in totaal € 1.517,-. De proceskosten in reconventie worden aan de zijde van Rabobank begroot op € 452,- aan salaris advocaat (0,5 x 2 punten x liquidatietarief € 452,-). De rechtbank ziet vanwege de nauwe samenhang met de procedure in conventie en de beperkte omvang van de procedure in reconventie geen aanleiding om voor die laatste procedure een hoger liquidatietarief te hanteren.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Rabobank tot op heden begroot op € 1.517,-, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW indien deze kosten niet binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis zijn voldaan;

in reconventie

5.3.

veroordeelt [eiseres] tot betaling aan Rabobank van een bedrag van € 87.143,25, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 30 april 2015 tot de dag van volledige betaling;

5.4.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Rabobank begroot op € 452,-, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW indien deze kosten niet binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis zijn voldaan;

in conventie en in reconventie

5.5.

verklaart de (kosten)veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2016.1

1 type: 2431 coll: