Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:574

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-01-2016
Datum publicatie
02-05-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5016
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:165, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bekostiging van leerlingenvervoer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/5016

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2016 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, verweerder,

(gemachtigde: L.C.A. Straathof).

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten tot gedeeltelijke terugvordering van de bekostiging van leerlingenvervoer voor het schooljaar 2014-205 bij eiser.

Bij besluit van 15 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2015.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is namens verweerder verschenen [persoon A].

Overwegingen

1 De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1

De dochter van eiser, [dochter] (17 jaar), volgt speciaal onderwijs bij [onderwijsinstelling X] te Amsterdam. Zij heeft een visuele handicap. Zij maakt gebruik van taxivervoer, waarvoor een vergoeding van de kosten van taxivervoer is toegekend. Sinds augustus 2014 heeft [dochter] hoofdverblijf bij haar vader in [woonplaats vader] en een bezoekregeling met haar moeder in [woonplaats moeder].

1.2

Bij besluit van 13 mei 2014 heeft verweerder besloten dat de dochter van eiser met ingang van 25 augustus 2014 tot de zomervakantie 2015 gebruik kan maken van het door de gemeente verzorgde taxivervoer van [woonplaats vader] naar Amsterdam en van Amsterdam naar [woonplaats vader].

2 Verweerder heeft een bedrag van € 1.310,13 teruggevorderd van eiser, omdat hij heeft nagelaten te melden bij verweerder dat zijn dochter structureel een aantal dagen per week geen gebruik meer maakt van het taxivervoer.

3 Eiser stelt dat de terugvordering niet proportioneel en onvoldoende geverifieerd is. Daarnaast is de vordering niet toegespitst op de situatie en rigide. Er is volgens eiser geen structurele wijziging die hij had moeten doorgeven. Er zijn ook te veel ritten in rekening gebracht. Verder stelt eiser dat hij zelf 47 ritten heeft bekostigd, zodat hij een vordering op verweerder heeft.

4 De rechtbank overweegt als volgt.

Verweerder heeft de terugvordering gebaseerd op artikel 6 van de Verordening leerlingenvervoer gemeente Zoetermeer 2009 (oude Verordening). Inmiddels is die verordening per 10 oktober 2014 vervangen door de Verordening leerlingenvervoer gemeente Zoetermeer 2014 (nieuwe Verordening). In de nieuwe verordening is in artikel 6 hetzelfde bepaald als in artikel 6 van de oude verordening. De rechtbank zal beoordelen of verweerder op grond van artikel 6 van de nieuwe Verordening een bedrag van eiser kon terugvorderen.

In artikel 6, eerste lid, van de nieuwe Verordening staat dat de ouders verplicht zijn wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorzieningen, onder vermelding van de datum van wijziging, onverwijld schriftelijk mededelen aan het college.

Verweerder heeft ter zitting een toelichting gegeven op het bekostigingssysteem van het leerlingenvervoer. Verweerder maakt met het taxivervoersbedrijf afspraken over welke ritten wanneer en voor wie uitgevoerd moeten worden. Als een rit vanwege omstandigheden incidenteel worden afgemeld dan worden die gereserveerde ritten wel door het taxivervoersbedrijf in rekening gebracht bij verweerder. Als een rit structureel wijzigt, dan pas het taxivervoersbedrijf het vervoer aan en worden de ritten die aanvankelijk door het taxivervoersbedrijf waren gereserveerd niet in rekening gebracht.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het taxivervoersbedrijf ritten in rekening heeft gebracht bij verweerder van de dochter van eiser, terwijl zij geen gebruik heeft gemaakt van de ritten. Volgens verweerder betreft het een structurele wijzing en heeft eiser nagelaten deze wijziging via een wijzigingsverzoek bij verweerder (structureel) aan te passen.

Aan de dochter van eiser is voor het schooljaar 2014-2015 taxivervoer toegekend van [woonplaats vader] naar Amsterdam en van Amsterdam naar [woonplaats vader] voor vijf dagen in de week. Na aanvang van het schooljaar bleek de dochter om de week bij haar moeder te verblijven in [woonplaats moeder], waarop het vervoer is aangepast. Nadat op 6 oktober 2014 een bericht van de moeder is ontvangen dat de dochter de rest van het schooljaar bij eiser zou verblijven is, na overleg met eiser, het vervoer wederom aangepast naar vijf dagen van [woonplaats vader] naar Amsterdam en van Amsterdam naar [woonplaats vader]. Niet gebleken is dat door eiser na 6 oktober 2014 wijzigingen zijn doorgegeven. Verweerder is er daarom van uit gegaan dat de dochter van eiser sinds die datum op alle doordeweekse dagen vervoerd moest worden van [woonplaats vader] naar Amsterdam en van Amsterdam naar [woonplaats vader].

In januari 2015 is gebleken dat de dochter van eiser om het weekend bij haar moeder in [woonplaats moeder] heeft verbleven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat dit een structurele wijzing is die aan verweerder gemeld had moeten worden. Het betoog van eiser dat hij in de periode van 24 oktober 2014 tot en met 7 december 2014 geen wijzigingen heeft doorgegeven, omdat er nog geen sprake was van een structureel karakter, volgt de rechtbank niet. Bijna wekelijks heeft de dochter van eiser ten minste één keer geen gebruik gemaakt van het leerlingenvervoer, afwisselend op vrijdagmiddag of maandagochtend. Uit dit patroon is af te leiden dat de dochter van eiser in die periode steeds om het weekend op vrijdagmiddag vanuit Amsterdam naar [woonplaats moeder] ging en op maandagochtend vanuit [woonplaats moeder] naar haar school in Amsterdam, zodat zij geen gebruik maakte van het leerlingenvervoer vanuit de gemeente Zoetermeer. Bovendien werd het vervoer op die dagen verzorgd door de gemeente [woonplaats moeder]. Dat eiser wel het taxibedrijf heeft geïnformeerd, zoals hij heeft gesteld, doet hieraan niet af. Gelet op de hiervoor weergegeven bekostigingssysteem zijn deze ritten wel bij verweerder in rekening gebracht.

Verweerder was derhalve bevoegd tot terugvordering over te gaan. In hetgeen eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder geen gebruik kon maken van deze bevoegdheid. De rechtbank is van oordeel dat eiser wist dan wel had moeten weten dat een dergelijke wijziging moet worden doorgegeven aan verweerder. Niet alleen staat dit in het toekenningsbesluit van 13 mei 2014, maar ook in de door verweerder genoemde informatiefolder, waarvan verweerder onweersproken heeft gesteld dat die met dat besluit is meegezonden.

De hoogte van de terugvordering is gebaseerd op 32 ritten van 52,91 kilometer à € 0,73 per kilometer in de periode 24 oktober 2014 tot en met 3 februari 2015. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze berekening onjuist is. Ter zitting is gebleken dat de door eiser genoemde data 5 en 19 december 2014 gewone schooldagen waren, zodat ook deze dagen terecht zijn meegenomen in de terugvordering.

Dat eiser een aantal keer zelf het vervoer heeft verzorgd, zoals hij heeft gesteld, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel, reeds omdat het bestreden besluit niet ziet op de periode waarin deze ritten zouden zijn gemaakt.

5 Het beroep is ongegrond.

6 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. L.B.M. Klein Tank, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. Dekker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.