Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:5688

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-05-2016
Datum publicatie
09-06-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 4986
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is niet te beschouwen als een officier medisch specialist in de zin van artikel 1, aanhef en onder h, van de IRM. Weigering toelage artikel 7 IRM. Sportgeneeskunde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/4986 MAW

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. T.A.M. van den Ende),

en

de minister van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J.M.R. van den Ende-de Boer).

Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2014 heeft verweerder het rekest van eiser om toekenning van de toeslagen voor officier medisch specialist sportgeneeskunde afgewezen.

Bij besluit van 4 juni 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen voornoemd besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 4 juni 2015.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2016.

Eiser is in persoon verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1 De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Eiser, luitenant-kolonel arts bij de Koninklijke Landmacht, heeft verweerder

Bij rekest van 3 juli 2014 verzocht om toekenning van de toeslagen voor officier medisch specialist sportgeneeskunde per 1 juli 2014.

1.2

Bij besluit van 13 oktober 2014 heeft verweerder het rekest van eiser afgewezen, in die zin dat is geweigerd om eiser de status van medisch specialist binnen defensie ex artikel 1, sub h, van de Inkomstenregeling Militairen (IRM) toe te kennen met de daarbij behorende emolumenten als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de IRM.

Eiser heeft bij brief van 21 november 2014 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Eiser is op 15 april 2015 gehoord in het kader van zijn bezwaar.

1.3

Bij besluit van 4 juni 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft bij brief van 7 juli 2015 beroep ingesteld tegen dit besluit.

2 Verweerder heeft - voor zover hier van belang - aan het bestreden besluit

van 4 juni 2015 ten grondslag gelegd dat de sportgeneeskunde met ingang van 1 juli 2014 een geneeskundig specialisme is geworden, zoals bedoeld in artikel 14 van de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (BIG). De sportgeneeskunde is echter niet aangewezen als medisch specialisme. Het feit dat het Kaderbesluit Centraal College Medisch Specialisten (CCMS) van toepassing is verklaard op de sportgeneeskunde, houdt enkel in dat de algemene regels en de systematiek die voor het opleiden en (her)registreren voor medisch specialisten gelden eveneens van toepassing zijn op de sportartsen. Dit houdt geenszins in dat sportartsen in zijn algemeenheid worden gekwalificeerd als medisch specialisten en brengt evenmin met zich mee dat de sportartsen dienen te worden aangemerkt als medisch specialist in de zin van artikel 1, sub h, van de IRM. Verder bestaan kennelijk nog veel onduidelijkheden over de positie van de sportarts ten opzichte van medisch specialisten. Dit volgt onder meer uit de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) van 2 februari 2015 en het rapport van het Zorginstituut Nederland (ZIN) van 4 december 2014. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden geconcludeerd dat de sportarts gelijkgesteld kan worden aan de medisch specialist.

Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat eiser geen aanspraak kan maken op de toelage officier medisch specialist als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de IRM. In verband met eisers standpunt dat sportartsen die werkzaam zijn in ziekenhuizen worden gehonoreerd als medisch specialist, heeft verweerder navraag gedaan bij de Nederlandse Federatie voor Universitaire Medische Centra. Gebleken is dat dit alleen geschiedt in uitzonderingsgevallen als de individuele sportarts zich heeft gespecialiseerd of wetenschappelijk promotieonderzoek heeft verricht. De toelage is destijds ingesteld om het inkomensverschil tussen de specialisten werkzaam voor Defensie en de specialisten die vallen onder de cao voor medisch specialisten van de ziekenhuizen weg te werken. Een dergelijk inkomensverschil leidt immers tot schaarste. Van een dergelijke situatie is echter geen sprake.

Ten slotte heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat artikel 1, sub h, van de IRM niet in strijd is te achten met artikel 14 van de Wet BIG. Verweerder stelt vast dat de sportgeneeskunde is erkend als geneeskundig specialisme en de sportarts als geneeskundig specialist. Vast staat dat een afzonderlijk register zal worden ingericht, zoals ook volgt uit de brief van de minister van VWS van 2 februari 2015. Ten tijde van het thans bestreden besluit is een register voor de sportgeneeskunde nog niet ingericht.

Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 8 maart 2016 medegedeeld dat de sportgeneeskundige met ingang van 1 januari 2016 in artikel A.5 van het Kaderbesluit CCMS is aangewezen als medisch specialisme. Verweerder ziet hierin een bevestiging van het standpunt dat de positie van de sportarts niet duidelijk was.

3 Eiser heeft onder meer aangevoerd dat artikel 1, sub h, van het IRM in strijd

is met artikel 14, tweede lid, van de Wet BIG. Met het besluit van de minister van VWS van 8 april 2014 is de sportgeneeskunde erkend als specialistentitel op grond van artikel 14, tweede lid, van de Wet BIG. Eiser stelt dat sprake is van een motiveringsgebrek. In het bestreden besluit is vermeld dat geen sprake is van een medisch specialist in de zin van artikel 1, sub h, van het IRM omdat de sportgeneeskunde niet in A.5 van het Kaderbesluit CCMS is opgenomen. Het IRM is inderdaad op deze wijze ingericht, maar door de wijzigingen in de registratiecommissies sluit het IRM niet meer aan op de huidige situatie.

4.1

Artikel 16 van het Inkomstenbesluit Militairen (IBM)

Bij ministeriële regeling kan de militair aanspraak worden verleend op:

a. een toelage in verband met het vervullen van een door Onze Minister aangewezen functie of het bezit van een door Onze Minister aangewezen bekwaamheid;

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder h, van de IRM wordt - ten tijde hier van belang - in deze regeling verstaan onder officier medisch specialist:

de officier die is ingeschreven als medisch specialist in het register van de Medisch Specialisten Registratie Commissie (MSRC) van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG), als specialist ziekenhuisfarmacie in het register van de Specialisten Registratie Commissie (SRC) van de Koninklijke Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP) of als kaakchirurg in het register van de Specialisten Registratie Commissie (SRC) van de Nederlandse Maatschappij tot de bevordering der Tandheelkunde (NMT) en die als zodanig werkzaam is.

Artikel 7 van de IRM (toelagen voor risico’s, inconveniënten en functiegebonden werkzaamheden) luidt als volgt:

“1. De officier-medisch specialist die de verplichting op zich heeft genomen om in zijn hoedanigheid van medisch specialist geen werkzaamheden tegen enigerlei vergoeding of beloning te (doen) verrichten gedurende de voor hem geldende werktijden dan die welke voortvloeien uit zijn militaire betrekking of waartoe de minister opdracht of machtiging heeft verleend, heeft aanspraak op een toelage. Met betrekking tot vorenbedoelde verplichting worden nadere regels vastgesteld.”

4.2

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Wet BIG kan de minister van VWS, indien een organisatie van beoefenaren van een beroep als bedoeld in artikel 3, voor de inschrijving van beroepsbeoefenaren die een bijzondere deskundigheid hebben verworven met betrekking tot de uitoefening van een deelgebied van hun beroep, een specialistenregister heeft en daaraan een titel is verbonden, bepalen dat die titel als wettelijk erkende specialistentitel wordt aangemerkt. Een aanvraag daartoe wordt gedaan door het bestuur van de organisatie; het bestuur kan de bevoegdheid daartoe overdragen aan het orgaan bedoeld in het tweede lid, onder d.

Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Wet BIG neemt de minister van VWS een dergelijk besluit uitsluitend indien dat wenselijk is ter bevordering van de goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg en indien aan onder meer de voorwaarde, zoals genoemd onder d, is voldaan dat de organisatie een orgaan kent dat

  • -

    belast is met het besluit tot instelling van een specialistenregister, en

  • -

    regels stelt met betrekking tot de eisen die gesteld worden aan de inschrijving van een specialist en aan de erkenning van opleidingsinstellingen, onderscheidenlijk opleiders, voor een specialisme.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Regeling specialismen en profielen geneeskunst (de Regeling) heeft het college - onder meer - tot taak:

  1. het vaststellen van criteria op grond waarvan deelgebieden van de geneeskunde als specialisme of profiel kunnen worden aangewezen of opgeheven;

  2. het al dan niet op verzoek aanwijzen of opheffen van deelgebieden van de geneeskunde als specialisme of profiel, het besluit om het daarbij behorende register in te stellen of op te heffen en het vaststellen van de titel die een in dat register ingeschreven specialist of profielarts mag voeren.

Ingevolge artikel 1 van de Regeling wordt in deze regeling en de daarop berustende bepalingen verstaan onder CGS/college: het College Geneeskundig Specialismen, het orgaan als bedoeld in artikel 14, tweede lid, onder d, van de Wet BIG.

Het CCMS heeft, voor zover hier van belang, in zijn vergadering van

9 februari 2004 het Besluit houdende de algemene eisen voor de opleiding, registratie en herregistratie van medisch specialisten en voor de erkenning van opleiders, plaatsvervangend opleiders, stageopleiders, en opleidingsinrichtingen (hierna: het Kaderbesluit CCMS) (Stcrt. 2004, 241) vastgesteld. Het Kaderbesluit CCMS is in werking getreden op 1 januari 2005.

Ingevolge artikel A.1 van het Kaderbesluit CCMS wordt - voor zover hier van belang - in dit besluit verstaan onder

- medisch specialisme: een deelgebied van de geneeskunde dat door het CCMS als zodanig is aangewezen

- medisch specialist: een arts die is ingeschreven in een door het CCMS ingesteld specialistenregister

In artikel A.5, eerste lid, van het Kaderbesluit CCMS zijn deelgebieden der geneeskunde opgesomd die in dit besluit als medisch specialisme worden aangewezen. Daaraan zijn de daarbij genoemde titels verbonden.

5.1

Eiser heeft aangevoerd dat het besluit van de minister van VWS van

8 april 2014, derhalve niet het Kaderbesluit CCMS, leidend moet worden geacht. Met het besluit van de minister van VWS van 8 april 2014 is de sportgeneeskunde erkend als specialistentitel op grond van artikel 14, tweede lid, van de Wet BIG.

De rechtbank overweegt dat in artikel 14, tweede lid, van de Wet BIG uitdrukkelijk is voorzien in een systeem waarin de minister van VWS uitsluitend een besluit neemt tot het aanwijzen van een titel als wettelijk erkende specialistentitel indien de organisatie van beoefenaren van een beroep als bedoeld in artikel 3 voldoet aan bepaalde voorwaarden, zoals het hebben voorzien in een orgaan dat belast is met regelgevende bevoegdheid. Het CGS, voorheen het CCMS, is op grond van de Regeling aangewezen als het orgaan met regelgevende bevoegdheid inzake de aanwijzing van specialismen. Het Kaderbesluit CCMS vloeit voort uit voornoemde regelgevende bevoegdheid en is derhalve leidend.

Bij het Besluit Sportgeneeskunde van het CGS van 11 september 2013, waaraan de minister van VWS bij brief van 8 april 2014 haar instemming heeft gegeven, is de sportgeneeskunde met ingang van 1 juli 2014 een geneeskundig specialisme geworden, zoals bedoeld in artikel 14 van de Wet BIG. Hieruit volgt echter niet dat de sportgeneeskunde als medisch specialisme is aangemerkt. Uit het besluit van de minister van 8 april 2014 volgt enkel dat de titel sportarts als wettelijk erkende specialistentitel wordt aangemerkt.

Niet in geschil is dat de sportgeneeskunde ten tijde van het bestreden besluit van 4 juni 2015 niet is opgenomen onder de in artikel A.5 van het Kaderbesluit CCMS opgenomen deelgebieden die zijn aangewezen als medisch specialisme.

Bij besluit van het CGS van 7 oktober 2015 is voorzien in een wijziging van het Kaderbesluit CCMS en is de sportgeneeskunde/sportarts opgenomen in artikel A.5 van het Kaderbesluit CCMS. Nadat de minister van VWS op 12 november 2015 heeft ingestemd met het besluit van het CGS van 7 oktober 2015, is voormelde wijziging van artikel A.5 van het Kaderbesluit CCMS in werking getreden met ingang van 1 januari 2016.

5.2

De vraag die evenwel dient te worden beantwoord is of verweerder een redelijke uitleg heeft gegeven aan het begrip officier medisch specialist als bedoeld artikel 1, aanhef en onder h, van de IRM. Daarbij is meer specifiek de vraag aan de orde of verweerder in weerwil van het feit dat de sportgeneeskunde/sportarts ten tijde van het bestreden besluit naar de letter van artikel A.5 van het Kaderbesluit CCMS niet was aangewezen als medisch specialisme/specialist, de sportgeneeskunde/sportarts hiermee in redelijkheid toch gelijk had dienen te stellen.

Voor zover eiser heeft verwezen naar zijn registratie in het per 1 juli 2014 ingestelde register van geneeskundig specialisten van de RGS, overweegt de rechtbank dat per 1 januari 2013 drie registratiecommissies, waaronder de MSRC, zijn samengevoegd tot één registratiecommissie, te weten de RGS. De registers waar de MSRC het beheer over voerde, worden sindsdien beheerd door de RGS als rechtsopvolger. Nu de RGS onder meer de regels van het CGS rond (her)registratie van geneeskundig specialisten uitvoert en de sportgeneeskunde ten tijde hier van belang niet was opgenomen in artikel A.5 van het Kaderbesluit CCMS, dient de inschrijving van eiser in het specialistenregister per 1 juli 2014 te worden beschouwd als inschrijving als geneeskundig specialist. Anders dan eiser meent, kan deze inschrijving niet worden gelijkgesteld met die van de in artikel A.5 van het Kaderbesluit CCMS genoemde medisch specialisten.

Eiser heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat het IRM, door de wijzigingen in de registratiecommissies, niet meer aansluit op de huidige situatie. Het CGS heeft op 9 maart 2011 een wijziging aangebracht in de erkenningenstructuur en is voornemens om in de toekomst het onderscheid tussen de verschillende soorten geneeskundig specialismen te laten vervallen en de drie bestaande kaderbesluiten te integreren. Daar sorteert het nu reeds op voor door alleen besluiten te nemen tot erkenning van specialismen als geneeskundig specialisme. De rechtbank overweegt dat uit de erkenning van sportgeneeskunde als geneeskundig specialisme en de inschrijving in het betreffende register onder de nieuwe erkenningenstructuur niet volgt dat daarmee een gelijkstelling dient plaats te vinden met de overige aangewezen medisch specialismen. De uitleg over de positie van de sportgeneeskunde en de eventuele gelijkstelling met de andere medische specialismen is in beginsel voorbehouden aan het CGS en de minister van VWS.

Ook kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat er zoveel aanwijzingen waren dat het CGS en de minister van VWS voorafgaand aan de wijziging van artikel A.5 van het Kaderbesluit CCMS ondubbelzinnig van mening waren dat de sportgeneeskunde/sportarts gelijkgesteld diende te worden met een medisch specialisme/specialist dat verweerder hier ook in redelijkheid van had moeten uitgaan. De discussie over het duiden van de sportgeneeskunde is na de erkenning van de sportgeneeskunde als geneeskundig specialisme per 1 juli 2014 immers voortgezet. Zo blijkt uit de brief van de minister van VWS aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 22 oktober 2014 weliswaar dat de sportarts vanuit haar perspectief niet verschilt van de 27 reeds erkende medisch specialisten en dat zij begrepen heeft dat de Vereniging voor Sportgeneeskunde (VSG) in gesprek is met de Orde van Medisch Specialisten. Uit de brief van het CGS aan de VSG van 7 november 2014 blijkt dat het Kaderbesluit CCMS van overeenkomstige toepassing is voor sportgeneeskunde en dat de algemene regels en de systematiek voor onder meer (her)registratie van de medisch specialisten gelden. Vanuit dat perspectief verschilt de sportarts niet van de andere 27 medische specialismen. In het rapport van ZIN van 4 december 2014 is echter vermeld dat de sportarts weliswaar is erkend als geneeskundig specialist, maar dat de sportarts niet de titel van “medisch specialist” voert. Dat betekent volgens ZIN dat het arsenaal van de sportarts niet automatisch onder de omschrijving “zorg zoals een medisch specialist die pleegt te bieden” valt (p.11). Ook uit de brief van 2 februari 2015 van de minister van VWS aan de VSG blijkt dat over de positie van de sportarts ten opzichte van de medisch specialist nog veel onduidelijkheid bestaat. In deze brief wordt op pagina 2 geconstateerd dat inderdaad sprake is van onduidelijkheid. De minister van VWS geeft vervolgens aan dat zij er van uitgaat dat de KNMG/CGS bereid zal zijn de nog bestaande onduidelijkheden over de positie van de sportarts weg te nemen en dat zij de KNMG/CGS daarom zal verzoeken te reageren op de brief van de VSG van 26 oktober 2014 ter zake van de positie van sportgeneeskunde ten opzichte van medisch specialisten (p.3). Ook blijkt uit deze brief dat de Orde van Medisch specialisten zich op het standpunt stelt dat de sportgeneeskunde niet kan toetreden tot de Orde.

Voorts antwoordt de minister in deze brief op de vraag /opmerking dat de KNMG/CGS duidelijk kenbaar zou moeten maken dat de sportgeneeskunde nu een positie heeft die gelijkgesteld is aan een medisch specialisme (zoals bijvoorbeeld revalidatiegeneeskunde), dat zij de opvatting deelt over inzichtelijkheid van het register van de sportartsen en dat zij er van uitgaat dat de KNMG dit snel oppakt. Het punt dat het als specialisme vergelijkbaar is met revalidatiegeneeskunde kan volgens de minister uitkomst zijn van het overleg met het CGS (antwoord op vraag 4 op p. 6 van de brief). Op vraag/opmerking 6, dat het CGS zo snel mogelijk de drie Kaderbesluiten zou moeten samenvoegen zodat alle artsen onder dezelfde regelgeving vallen en de sportgeneeskunde niet meer in een uitzonderingspositie zit, antwoordt de minister dat zij kennis neemt van de wens maar de haalbaarheid niet kan inschatten. Aangezien zij niet kan uitsluiten dat dat langer gaat duren, acht zij het wenselijk dat de betekenis van het geneeskundig specialisme sportarts, waarop de algemene bepalingen van het kaderbesluit van medisch specialisten van toepassing zijn, door de KNMG/CGS met de VSG wordt gepreciseerd en verhelderd (p. 6 van de brief).

Bij brief van 19 juni 2015 heeft de minister van VWS aan ZIN medegedeeld dat het CGS op 10 juni 2015 het voornemen heeft kenbaar gemaakt om sportgeneeskunde te erkennen als medisch specialisme.

Uit het voorgaande volgt dat diverse partijen hun visie kenbaar hebben gemaakt ter zake van de duiding van de sportgeneeskunde, maar dat bij de bevoegde instanties nog geen sprake was van een uitgekristalliseerd voornemen om de sportgeneeskunde als medisch specialisme aan te merken. Ook blijkt uit het voorgaande dat de minister van VWS kennelijk van oordeel was dat het vooralsnog vooral aan de KNMG en het CGS was duidelijkheid over de gelijkstelling met de medisch specialist te scheppen.

Eerst met de brief van de minister van VWS van 19 juni 2015 is meer duidelijkheid ontstaan over het formaliseren van de positie van de sportarts.

5.3

Gelet op het vorenstaande kan verweerder worden gevolgd in diens standpunt dat eiser niet is te beschouwen als een officier medisch specialist in de zin van artikel 1, aanhef en onder h, van de IRM. Hieruit volgt dat verweerder eiser op goede gronden heeft geweigerd een toelage als bedoeld in artikel 7 van de IRM toe te kennen. Hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

6 Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Meijer, voorzitter, mr. D.G.J. Dop, lid, en mr. J.S. van Duurling, brigadegeneraal der Koninklijke Landmacht, militair lid, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.