Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:5597

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-05-2016
Datum publicatie
13-06-2016
Zaaknummer
C/09/498248 / FA RK 15-8092
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

wijziging kinderalimentatie; verschillende periodes

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 15-8092

Zaaknummer: C/09/498248

Datum beschikking: 12 mei 2016

Alimentatie

Beschikking op het op 16 oktober 2015 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. J.A.J. Hendriks te 's-Gravenzande.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. M.E.M. Beijersbergen te Alphen aan den Rijn.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift van 16 oktober 2015, met de producties 1 t/m 28 van de man;

  • -

    het verweerschrift met (voorwaardelijke) zelfstandige verzoeken van 17 december 2015, met de producties 1 t/m 11 van de vrouw;

  • -

    het verweer tegen de (voorwaardelijke) zelfstandige verzoeken van 4 januari 2016;

  • -

    de brief van 9 februari 2016 met aanvullend verzoek en met de producties 30 t/m 32 van de man;

  • -

    de brief van 19 februari 2016 met de producties 12 t/m 23 van de vrouw;

  • -

    de faxbrief van 1 maart 2016 met de producties 33 t/m 35 van de man;

  • -

    de faxbrief van 1 maart 2016 met de producties 24 t/m 29 van de vrouw.

Op 2 maart 2016 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: beide partijen met hun advocaten. Door de advocaten van beide partijen zijn pleitnotities overgelegd.

Na de terechtzitting zijn de volgende stukken ontvangen:

  • -

    de faxbrief van 9 maart 2016 met de (hernummerde) producties 36 en 37 van de man;

  • -

    de faxbrief van 15 maart 2016 met de (hernummerde) producties 38 en 39 van de man;

  • -

    de brief van 22 maart 2016 met reactie van de zijde van de vrouw.

Verzoeken en verweren

Het verzoek van de man luidt thans – met wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 28 januari 2015 – om de kinderalimentatie:

  1. met ingang van 1 april 2013 op € 166,-- per maand per kind te bepalen;

  2. met ingang van 29 september 2014 op € 63,-- per maand per kind te bepalen;

  3. met ingang van 16 februari 2015 op € 137,-- per maand per kind te bepalen, althans op een zodanig bedrag met ingang van een zodanige datum te bepalen als de rechtbank juist acht.

De man stelt als grond voor zijn verzoek dat de beschikking van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan doordat van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan en/of doordat zich nadien wijzigingen van omstandigheden hebben voorgedaan waardoor voormelde beschikking niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven.

Tevens heeft de man aanvullend verzocht om te bepalen dat een bedrag van € 6.880,-- in mindering strekt op de verschuldigde kinderalimentatie.

De vrouw voert verweer tegen beide verzoeken dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Tevens heeft de vrouw (voorwaardelijk) zelfstandig verzocht om – indien de rechtbank zal beslissen tot wijziging van de eerder vastgestelde kinderalimentatie van € 500,- per kind per maand plus wettelijke indexeringen – de kinderalimentatie:

4. met ingang van 1 april 2013 op € 316,-- per maand per kind te bepalen;

5. met ingang van 1 januari 2014 op € 278,-- per maand per kind te bepalen;

6. met ingang van 1 januari 2015 op € 280,22 per maand per kind te bepalen

7. met ingang van 1 februari 2015 op € 270,-- per maand per kind te bepalen;

8. met ingang van 1 januari 2016 op € 331,-- per maand per kind te bepalen,

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.

Feiten

- Partijen zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige twee kinderen:

- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

  • -

    De twee minderjarigen verblijven bij de vrouw.

  • -

    Bij beschikking van deze rechtbank van 28 januari 2015 is de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 april 2013 vastgesteld op € 500,-- per maand per kind, dat is in totaal dus € 1.000,-. De man heeft in die eerste procedure geen verweer gevoerd en heeft (ook) geen hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 28 januari 2015. De door de man ingevolge deze beschikking en de toepasselijke wettelijke indexeringen aan de vrouw te betalen maandelijkse kinderalimentatie voor de twee kinderen bedroeg in 2014 € 1.009,--, in 2015 € 1.017,07 en in 2016 € 1.030,29.

  • -

    In augustus 2015 heeft de vrouw op grond van de beschikking van 28 januari 2015 door het LBIO loonbeslag doen leggen onder de nieuwe werkgever van de man ter incasso van een alimentatieachterstand van volgens haar per eind april 2015 € 23.100,--.

  • -

    Pas na dat loonbeslag door het LBIO in augustus 2015 en na een schikkingspoging heeft de man in oktober 2015 deze tweede procedure doen starten, die strekt tot wijziging / verlaging van de bij voornoemde beschikking van 28 januari 2015 in de eerste procedure met ingang van 1 april 2013 vastgestelde kinderalimentatie.

Beoordeling kinderalimentatie algemeen

Onjuiste of onvolledige gegevens

Ingevolge artikel 1:401, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij de uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van de vraag of de man een beroep op artikel 1:401, vierde lid, van het BW toekomt, niet relevant is of het aan hem te wijten is dat in de eerdere beschikking van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Voldoende is dat de man aannemelijk maakt dat bij de betrokken uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan én dat daardoor de vastgestelde alimentatie van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord. Gelet hierop volgt de rechtbank de vrouw dan ook niet in haar verweer dat het voor rekening en risico van de man komt dat de vastgestelde alimentatie niet klopt omdat het zijn eigen keuze is geweest om in de eerdere procedure geen verweer te voeren of hoger beroep in te stellen.

De rechtbank overweegt verder dat partijen op grond van artikel 1:404, eerste lid, van het BW beiden verplicht zijn naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Deze kosten, oftewel de behoefte van de minderjarigen, bedroegen bij het verbreken van hun relatie in 2013 volgens partijen om en nabij de € 500,-- per kind per maand.

De rechtbank heeft in de beschikking van 28 januari 2015 in de eerste procedure conform het verzoek van de vrouw en bij gebreke van verweer door de man de volledige door de vrouw gestelde behoefte van de minderjarigen van € 500,- per kind per maand ten laste van de man gebracht. Nu uit de stellingen en producties in deze tweede procedure echter is gebleken dat de vrouw in 2013 een relevant inkomen had uit dienstverband en daarmee zelf ook over relevante draagkracht beschikte om een bijdrage te leveren in de kosten van de kinderen maar dat ten onrechte heeft verzwegen in haar verzoekschrift in de eerste procedure, volgt hieruit reeds dat de beschikking van 28 januari 2015 is gebaseerd op destijds namens de vrouw gestelde onvolledige gegevens én dat de aldus met ingang van 1 april 2013 op verzoek van de vrouw in de eerste procedure vastgestelde kinderalimentatie van € 500,- per kind per maand van aanvang af niet heeft voldaan aan de wettelijke maatstaven. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de omvang van de kinderalimentatie met ingang van 1 april 2013 in deze tweede procedure opnieuw te beoordelen.

Dat betekent dat de voorwaarde waaronder de vrouw haar zelfstandige verzoeken heeft ingesteld is vervuld, waardoor de rechtbank ook de zelfstandige verzoeken van de vrouw en haar daaraan ten grondslag gelegde stellingen in de beoordeling zal betrekken.

Wijzigingen van omstandigheden

De man en de vrouw stellen in deze procedure dat zich na de ingangsdatum van de kinderalimentatie - die ingangsdatum is 1 april 2013, zulks na het verbreken van de relatie door en het vertrek van de man in maart 2013 - de navolgende relevante wijzigingen hebben voorgedaan in verband met de omvang van de kinderalimentatie:

  • -

    per januari 2014 fiscale wijzigingen bij de vrouw;

  • -

    per oktober 2014 inkomensdaling bij de man door ontslag om bedrijfseconomische redenen bij zijn toenmalige werkgever met nadien een WW-uitkering;

  • -

    eind oktober 2014 een ontslagvergoeding aan de man door zijn vroegere werkgever;

  • -

    per januari 2015 fiscale wijzigingen bij de vrouw;

  • -

    per februari 2015 inkomensstijging bij de man door indiensttreding bij zijn nieuwe werkgever;

  • -

    per januari 2016 inkomensdaling bij de vrouw door parttime dienstverband (55% in plaats van 88%) in verband met de zorg voor de kinderen;

  • -

    in de jaren 2013 t/m 2016 wisselende hoge kosten van kinderopvang voor de vrouw.

De rechtbank zal in aansluiting op de voornoemde door beide partijen gestelde en naar het oordeel van de rechtbank in beginsel relevante wijzigingen van omstandigheden de omvang van de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie hierna per kalenderjaar afzonderlijk beoordelen. Eerst zal de rechtbank nu echter de meer algemene geschilpunten beoordelen. Bij die beoordeling zal de rechtbank de relevante gevoerde verweren betrekken.

Behoefte van de minderjarigen en kosten kinderopvang

De rechtbank zal, nu dit in de eerdere beschikking van 28 januari 2015 niet is gedaan en ook niet kon worden gedaan bij gebrek aan alle relevante bewijsstukken, de behoefte van de minderjarigen in deze tweede procedure alsnog vaststellen. De rechtbank neemt hiervoor in aanmerking het netto gezinsinkomen op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen in maart 2013. Tussen partijen staat vast en uit de bewijsstukken blijkt ook dat het relevante gezinsinkomen in 2013 € 4.595,-- netto per maand bedroeg en dat het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen in 2013 aldus in beginsel € 540,-- per kind per maand zou bedragen, dat is € 1.080,-- voor de twee kinderen in totaal.

De vrouw stelt zich echter op het standpunt dat bij de bepaling van die behoefte ook rekening moet worden gehouden met de door partijen ten tijde van hun samenleving gemaakte netto kosten van kinderopvang, die door de vrouw onweersproken en onderbouwd met haar productie 25 zijn gesteld op € 223,-- per maand in 2013. De man bestrijdt dat de kosten van kinderopvang mede bepalend zijn voor de behoefte van de kinderen, omdat in zijn visie geen sprake is van hoge oppaskosten zoals bedoeld in de hierna vermelde richtlijn.

De rechtbank overweegt dat de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen (hierna: de richtlijn) als uitgangspunt neemt dat oppaskosten en/of kinderopvangkosten die gemaakt worden ter verwerving van inkomen in de regel gecompenseerd worden door lagere uitgaven aan een andere post, tenzij er sprake is van “hoge oppaskosten”. Nu de kosten voor kinderopvang van € 223,- per maand in 2013 ongeveer 20 procent bedroegen van de totale behoefte van de minderjarigen van € 1.080,-- berekend naar het gezinsinkomen van partijen in 2013, is de rechtbank van oordeel dat deze kosten wel degelijk als hoge oppaskosten zoals bedoeld in de richtlijn moeten worden aangemerkt.

Op grond van de richtlijn worden de netto kinderopvangkosten vóór de scheiding afgetrokken van het netto gezinsinkomen. Het resterende gezinsinkomen dat beschikbaar is voor de kosten van de kinderen bedraagt in dit geval (€ 4.595,-- minus € 223,-- =) € 4.372,-- per maand. Dit gegeven, gevoegd bij het ten aanzien van de minderjarigen toepasselijke aantal kinderbijslagpunten (4), levert een tabelbedrag op van € 1.022,-- per maand in 2013.

Vervolgens stelt de rechtbank de behoefte vast door - in navolging van de richtlijn - de netto kosten van kinderopvang na het uiteengaan van partijen (naar de rechtbank begrijpt in 2013 nog steeds € 223,-- per maand) op te tellen bij het bedrag uit de tabel. De behoefte van de twee minderjarigen komt dan in 2013 uit op € 1.245,-- per maand, dat is € 622,50 per maand per kind.

Draagkracht van beide partijen

Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding de behoefte van de twee minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht de richtlijn, die inhoudt dat het eigen aandeel kosten van kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht. Deze draagkracht aan beide zijden verschilt in dit geval door de telkens gewijzigde omstandigheden in relevante mate per kalenderjaar. De rechtbank gaat daar bij de beoordeling per kalenderjaar nader op in.

Zorgkorting

De man maakt aanspraak op toepassing van een zorgkorting van 15% op de door hem verschuldigde kinderbijdragen omdat de kinderen volgens hem gemiddeld een dag per week bij hem verblijven.

De vrouw maakt daartegen gemotiveerd bezwaar. Volgens de vrouw is er vanaf het uiteengaan van partijen wisselend en slechts af en toe contact geweest tussen de man en de kinderen. Sinds september 2015 er zelfs geen contact meer tussen de man en de kinderen, zodat er geen rekening moet worden gehouden met een zorgkorting, aldus de vrouw.

Op grond van de richtlijn is het percentage van de zorgkorting afhankelijk van de hoeveelheid omgang of zorg, waarbij als uitgangspunt geldt dat de zorgkorting ten minste 15% van de behoefte bedraagt omdat ouders onderling en jegens de kinderen het recht en de verplichting hebben tot omgang en in ieder geval tot dat bedrag in de zorg zou kunnen worden voorzien. In hetgeen de vrouw heeft aangevoerd ziet de rechtbank onvoldoende reden om af te wijken van de richtlijn. De rechtbank gaat er mede gelet op de wisselende wijze waarop de omgang in de afgelopen jaren is verlopen vanuit dat de huidige situatie, waarin er kennelijk geen omgang plaatsvindt, slechts een tijdelijke situatie zal zijn. De rechtbank zal hierna dus rekening houden met een standaard zorgkorting van 15%.

Aflossingen op gemeenschappelijke restschuld aan SNS Bank

In zijn draagkrachtberekeningen houdt de man in zijn voordeel telkens rekening met een bedrag van € 300,- per maand. Hij stelt dat hij dat maandbedrag betaalt aan SNS Bank ter aflossing van de gemeenschappelijke restschuld van ruim € 60.000,- die resteerde na de verkoop in 2014 van de vroegere gemeenschappelijke woning van partijen in [plaats] . De man doet daartoe in zijn processtukken een beroep op de zogenoemde aanvaardbaarheidstoets (paragraaf 7.3 van de voornoemde richtlijn) en naar de rechtbank begrijpt ter zitting ook op de zogenoemde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten (paragraaf 7.2 van de richtlijn).

De vrouw betwist gemotiveerd dat in het voordeel van de man bij zijn draagkracht telkens rekening zou moeten worden gehouden met een maandelijkse aflossing van € 300,- aan SNS Bank door de man.

Naar het oordeel van de rechtbank slagen de verweren van de vrouw en moet dus in dit specifieke geval bij de vaststelling van de omvang van de door de man te betalen kinderalimentatie geen rekening worden gehouden met de gestelde maandelijkse aflossingen van € 300,- aan SNS Bank door de man. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

De vrouw voert ten eerste terecht aan dat de man tot dusver feitelijk slechts in de maanden maart t/m juni 2015 € 300,- per maand lijkt te hebben betaald (zie productie 13 van de man) aan het door SNS Bank jegens de man ingeschakelde deurwaarderskantoor Flanderijn. Reeds daarom kan in de relevante perioden van april 2013 tot maart 2015 en vanaf juli 2015 tot heden bij de draagkracht van de man geen rekening worden gehouden met een feitelijke betaling van € 300,-- per maand door de man aan SNS Bank.

Ten tweede heeft de man naar het oordeel van de rechtbank alles afwegende tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende gesteld en met bewijsstukken aangetoond dat zijn feitelijke betalingen of zijn eventuele betalingsverplichtingen van
€ 300,- per maand vanaf maart 2015 moeten worden aangemerkt als “niet vermijdbare lasten” zoals bedoeld in paragraaf 7.2 van de richtlijn. De man heeft immers geen bewijsstuk geproduceerd waaruit volgt dat en waarom hij rechtens verplicht zou zijn vanaf maart 2015 € 300,- per maand op de gezamenlijke restschuld aan SNS Bank af te lossen. Productie 23 van de man betreft de rentevrije betalingsregeling van € 300,- per maand die de afdeling Bijzonder Beheer van SNS Bank in februari 2015 met de vrouw heeft getroffen, ingevolge welke de vrouw sinds januari 2015 ook daadwerkelijk € 300,- per maand aan SNS Bank afbetaalt. Een bewijsstuk van een betalingsregeling van SNS Bank met de man ontbreekt echter bij de producties van de man. Daar komt bij dat de man aan Flanderijn 4 x € 300,- heeft betaald met alle extra daarop door Flanderijn ingehouden incassokosten van dien. De man heeft niet gesteld dat hij kennelijk net zoals de vrouw concreet heeft getracht rechtstreeks met de afdeling Bijzonder Beheer van SNS Bank een voor hem redelijkerwijs betaalbare rentevrije en kostenvrije afbetalingsregeling te treffen met SNS Bank. De man heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank in dit geval onvoldoende concreet gesteld en aangetoond dat er sprake zou zijn van “niet vermijdbare lasten” van € 300,- per maand vanaf maart 2015 aan zijn zijde waar bij zijn draagkracht rekening mee moet worden gehouden.

Terzijde merkt de rechtbank nog op dat de vrouw ter zitting heeft gesteld dat de man sinds 1 mei 2015 geen huurlasten van € 600,- per maand meer heeft doordat de man sindsdien bij zijn nieuwe vriendin, bij vrienden en/of bij zijn moeder inwoont. De man heeft daarop ter zitting gereageerd met de mededeling dat hij sinds enige tijd inderdaad niet meer € 600,- maandhuur in [plaats] moet betalen, maar nog wel ongeveer € 400,- maandlasten aan diegenen bij wie hij sindsdien inwoont. In zoverre betoogt de vrouw in dit verband terecht dat tegenover de eventuele betalingsverplichting van de man aan SNS Bank van

€ 300,- per maand sinds 1 maart 2015 in dit specifieke geval kan worden gesteld dat hij sinds ongeveer 1 mei 2015 ongeveer € 200,- minder woonlasten per maand lijkt te hebben.

Ten derde heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank terecht het verweer gevoerd dat de man ook na de gemotiveerde betwisting door de vrouw zijn beroep op de aanvaardbaarheidstoets van paragraaf 7.3 van de richtlijn voor wat betreft zijn gestelde aflossingsverplichting van € 300,- per maand aan SNS Bank onvoldoende heeft onderbouwd. De man heeft immers géén met bewijsstukken onderbouwd, volledig en duidelijk inzicht gegeven in zijn inkomens- en vermogenspositie en in zijn bestedingen.

Ontslagvergoeding en de besteding daarvan door de man

Naar de rechtbank begrijpt betoogt de vrouw dat de aanzienlijke ontslagvergoeding die de man eind 2014 van zijn vroegere werkgever (bij welke de vrouw destijds ook werkte en nu nog steeds werkt) heeft ontvangen strekt tot suppletie van zijn inkomensverlies, zodat met de volledige omvang van die ontslagvergoeding - anders dan de man betoogt - ook rekening moet worden gehouden bij de bepaling van de draagkracht van de man voor de door hem te betalen kinderalimentatie. Daaraan doet volgens de vrouw niet af dat de man deze ontslagvergoeding feitelijk eerst vrijwillig heeft besteed aan de aankoop van een jongere tweedehandsauto en daarna noodgedwongen aan een gedeeltelijke aflossing van de hiervoor genoemde gemeenschappelijke restschuld aan SNS Bank, zulks nadat het door SNS Bank ingeschakelde deurwaarderskantoor Flanderijn eind 2014 executoriaal beslag had gelegd onder de ING Bank ten laste van de man. De man voert verweer en betoogt naar de rechtbank begrijpt dat met zijn ontslagvergoeding geen rekening moet worden gehouden bij de bepaling van de omvang van de kinderalimentatie.

Uit de na de zitting ingezonden (en door de rechtbank hernummerde) producties 36 t/m 39 van de man en voorts uit de producties 12, 14 en 23 van de man blijken de volgende feiten. De desbetreffende arbeidsovereenkomst is om bedrijfseconomische redenen per 1 oktober 2014 beëindigd. De man heeft conform het sociaal plan een beëindigingsvergoeding van
€ 40.800,82 netto ontvangen op 24 oktober 2014. De man heeft vervolgens op 28 oktober 2014 € 5.900,-- betaald aan een autohandelaar voor zijn aankoop van een tweedehands Peugeot 207 (bouwjaar 2009 met kilometerstand 99.836) met inruil van zijn oude Peugeot 206 (bouwjaar 2000 met kilometerstand 189.000). Daarna heeft deurwaarderskantoor Flanderijn in opdracht van SNS Bank op 10 november 2014 executoriaal beslag gelegd onder ING Bank ten laste van de man. Dat beslag heeft doel getroffen voor een bedrag van

€ 31.530,59 dat de man als restant van zijn ontslagvergoeding aldaar nog op zijn spaarrekening had staan. Daarvan heeft deurwaarderskantoor Flanderijn op 19 januari 2015 in mindering op de gemeenschappelijke restschuld aan SNS Bank € 25.950,11 doorbetaald, onder inhouding derhalve van maar liefst € 5.580,48 aan (rente en) deurwaarderskosten.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de vrouw in beginsel terecht dat een ontslag- of beter beëindigingsvergoeding als de onderhavige strekt tot aanvulling van inkomensverlies en dus tot handhaving van de draagkracht van de onderhoudsgerechtigde voor de betaling van kinderalimentatie. In dit specifieke geval echter zal de rechtbank alles afwegende en gelet op de gemotiveerde betwisting door de man - anders dan de vrouw naar de rechtbank begrijpt betoogt - bij de bepaling van de draagkracht van de man géén rekening houden met de door hem op 24 oktober 2014 ontvangen beëindigingsvergoeding van € 40.800,82 netto.

De vrouw heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd en concreet gesteld dat en waarom de vrijwillige besteding van € 5.900,- door de man aan een jongere tweedehands auto in verband met de kinderalimentatie een vermijdbare en verwijtbare last zou zijn, mede gelet op de bovenstaande bouwjaren en kilometerstanden van de desbetreffende auto’s van de man en nu het de rechtbank in beginsel aannemelijk voorkomt dat de man een voldoende betrouwbare auto nodig had en heeft voor zijn woon-werk verkeer en voor zijn zorg- en contactregeling met zijn kinderen. De gedwongen besteding van € 31.530,59 inclusief deurwaarderskosten en/of € 25.950,11 exclusief deurwaarderskosten aan de gedeeltelijke afbetaling door de man van de gemeenschappelijke restschuld aan SNS Bank voor de vroegere gemeenschappelijke gezinswoning zal de rechtbank alles afwegende evenals kennelijk de man beschouwen als een niet vermijdbare en niet verwijtbare last van de man die eenmalig in mindering strekt op zijn door het restant van de ontslagvergoeding ontstane extra draagkracht voor het betalen van kinderalimentatie. Deze gedeeltelijke en gedwongen aflossing door de man van de gemeenschappelijke restschuld van destijds € 60.273,17 in hoofdsom aan SNS Bank is voorts mede in het belang van de vrouw gedaan en daardoor ook mede in het belang van de kinderen van partijen.

Herbeoordeling kinderalimentatie in 2013

Zoals hiervoor bij de beoordeling van de algemene geschilpunten is vastgesteld, bedraagt de behoefte van de twee kinderen in 2013 rekening houdend met de netto kosten van kinderopvang € 1.245,-- per maand in totaal, dat is € 622,50 per kind per maand. De 15% zorgkorting voor de man bedraagt dan afgerond € 186,- per maand in 2013.

De bruto jaarinkomens van € 43.367,-- van de man en van € 35.675,-- van de vrouw in het kalenderjaar 2013 zijn niet in geschil en blijken voorts uit de producties 6 en 17 van de man. Partijen twisten over de vraag of aan de zijde van de vrouw - naast de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting - ook rekening gehouden moet worden met ouderschapsverlofkorting. Uit de inhoud van productie 21 van de man (de belastingaanslag van de vrouw over 2013) blijkt dat de vrouw in 2013 in totaal
€ 7.488,-- aan fiscale heffingskortingen heeft genoten, waarvan ook € 1.629,-- aan ouderschapsverlofkorting en € 2,-- aan levensloopkorting. De rechtbank zal derhalve rekening houden met in totaal € 7.488,-- aan heffingskortingen voor de vrouw in 2013.

De rechtbank becijfert het netto besteedbaar inkomen van de man op € 2.478,-- per maand en het netto besteedbaar inkomen van de vrouw, rekening houdend met hetgeen hiervoor over de heffingskortingen is overwogen, op € 2.430,-- per maand. Zie daartoe nader de door de rechtbank aangehechte NBI berekeningen 2013.

Het bedrag aan draagkracht wordt voor 2013 vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 850,--)].

De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 619,-- per maand, nog te verhogen met het in dat jaar door de man te ontvangen fiscale voordeel in verband met het betalen van kinderalimentatie van € 98,-- per maand . De draagkracht van de man komt derhalve op € 717,-- per maand. De draagkracht van de vrouw is volgens de formule € 595,-- per maand. Derhalve bedraagt de gezamenlijke draagkracht van partijen in totaal € 1.312,-- per maand.

De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

het eigen aandeel van de man bedraagt: 717 / 1.312 x 1.245 = afgerond 680

het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 595 / 1.312 x 1.245 = afgerond 565

Derhalve komt van de totale behoefte van de minderjarigen een gedeelte van € 680,-- per maand voor rekening van de man. Rekening houdend met de daarop in mindering te brengen zorgkorting voor de man van € 186,-- per maand, bedraagt de door de man te betalen kinderalimentatie over de periode van 1 april 2013 tot en met 31 december 2013 afgerond € 494,-- per maand, ofwel € 247,-- per kind per maand.

Herbeoordeling kinderalimentatie in 2014

De rechtbank heeft hiervoor bij de beoordeling van de algemene geschilpunten het tabelbedrag voor de twee kinderen in 2013 vastgesteld op € 1.022,--, rekening houdend met de toenmalige netto kosten van kinderopvang van € 223,-- per maand. Het naar 2014 geïndexeerde tabelbedrag bedraagt dan afgerond € 1.031,-- per maand. De vrouw heeft ter zitting onderbouwd met haar producties 25 en 27 gesteld dat haar netto kosten van kinderopvang in 2014 afgerond nog € 134,-- per maand bedroegen.

Dit betekent naar de berekening van de rechtbank dat de behoefte van de twee kinderen in 2014 afgerond € 1.031,-- + € 134,-- = € 1.165,-- per maand bedroeg, dat is € 582,50 per kind per maand. Daar hoort bij een zorgkorting van 15% voor de man, dat is afgerond € 175,-- per maand in 2014.

Zoals hiervoor bij de beoordeling van de algemene geschilpunten overwogen, zal de rechtbank bij de draagkracht van de man géén rekening houden met de door de man in oktober 2014 van zijn toenmalige werkgever ontvangen beëindigingsvergoeding van
€ 40.800,82 netto. Wel zal de rechtbank rekening houden met het bruto jaarinkomen van de man in 2014 bij diezelfde toenmalige werkgever van € 39.413,-- zoals dat blijkt uit de jaaropgaaf 2014 (productie 7 van de man) en met de door de man volgens zijn productie 8 in 2014 van het UWV ontvangen WW-uitkeringen van afgerond € 5.811,-- bruto in totaal. Dat brengt het voor de bepaling van kinderalimentatie relevante bruto jaarinkomen van de man in 2014 op € 45.224,-- in totaal. Daar hoort volgens de aangehechte NBI berekening een netto besteedbaar inkomen van de man in 2014 bij van € 2.587,-- per maand.

Voor de draagkracht van de vrouw in 2014 zal de rechtbank rekening houden met haar uit haar jaaropgaaf 2014 (zie productie 18 van de man) blijkende jaarinkomen van € 36.865,-- bruto), met een kindgebonden budget dat de vrouw (pas) met ingang van 2014 ontvangt van € 738,-- per jaar en met de op de vrouw van toepassing zijnde heffingskortingen, waaronder ook de alleenstaande ouderkorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en de ouderschapsverlofkorting. Hierbij volgt de rechtbank de voorlopige aanslag 2014 van de vrouw (productie 14 van de vrouw) . Bij dat alles hoort volgens de aangehechte NBI berekening een netto besteedbaar inkomen van de vrouw in 2014 van € 2.767,-- per maand. Zie daartoe nader de door de rechtbank aangehechte NBI berekeningen 2014.

Het bedrag aan draagkracht wordt voor 2014 vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 860,--)].

De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 665,-- per maand, nog te verhogen met het in dat jaar door de man te ontvangen fiscale voordeel in verband met het betalen van kinderalimentatie van € 56,-- per maand . De draagkracht van de man komt derhalve op € 721,-- per maand. De draagkracht van de vrouw is volgens de formule

€ 753,-- per maand. Derhalve bedraagt de gezamenlijke draagkracht van partijen in totaal

€ 1.474,-- per maand.

De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

het eigen aandeel van de man bedraagt: 721 / 1.474 x 1.165 = afgerond 570

het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 753 / 1.474 x 1.165 = afgerond 595

Derhalve komt van de totale behoefte van de minderjarigen een gedeelte van € 570,-- per maand voor rekening van de man. Rekening houdend met de daarop in mindering te brengen zorgkorting van € 175,-- per maand voor de man, bedraagt de door de man te betalen kinderalimentatie over de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 afgerond € 395,-- per maand, ofwel € 197,50 per kind per maand.

Herbeoordeling kinderalimentatie in 2015

Het naar 2015 geïndexeerde tabelbedrag, rekening houdend met de netto kosten van kinderopvang uit 2013, bedraagt afgerond € 1.039,-- per maand. De vrouw heeft ter zitting onderbouwd met haar producties 25 en 28 gesteld dat haar netto kosten van kinderopvang in 2015 afgerond nog € 103,-- per maand bedroegen.

Dit betekent naar de berekening van de rechtbank dat de behoefte van de twee kinderen in 2015 afgerond nog € 1.039,-- + € 103,-- = € 1.142,-- per maand bedroeg, dat is € 571,-- per kind per maand. Daar hoort bij een zorgkorting van € 15% voor de man, dat is afgerond

€ 172,-- per maand in 2015.

Bij de berekening van de draagkracht van de man in 2015 zal de rechtbank uitgaan van een blijkens zijn jaaropgaaf 2015 (productie 31 van de man) bij zijn sinds medio februari 2015 nieuwe werkgever ontvangen jaarloon van € 37.740,-- bruto in 2015 en van de door de man van het UWV (productie 8 van de man) nog ontvangen WW-uitkeringen met vakantiegeld van afgerond in totaal € 5.969,-- bruto in 2015. Dat brengt het totale jaarinkomen van de man in 2015 op € 43.709,-- bruto. Dat komt volgens de aangehechte NBI berekening van de rechtbank neer op een netto besteedbaar inkomen van de man in 2015 van € 2.526,-- per maand.

De vrouw heeft blijkens haar jaaropgaaf 2015 (zie productie 12 van de vrouw) een bruto jaarinkomen genoten in 2015 van € 41.087,--. Tevens houdt de rechtbank - naast de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting - ook rekening met het door de vrouw te ontvangen kindgebonden budget van 3.413,-- per jaar.

De rechtbank becijfert volgens de aangehechte NBI berekening het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in 2015 op € 2.868,-- per maand.

Het bedrag aan draagkracht stelt de rechtbank vast aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 875,--)].

De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 625,-- per maand. De draagkracht van de vrouw is volgens de formule € 792,-- per maand. Derhalve bedraagt de gezamenlijke draagkracht van partijen in totaal € 1.417,-- per maand.

De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

het eigen aandeel van de man bedraagt: 625 / 1.417 x 1.142 = afgerond 504

het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 792 / 1.417 x 1.142 = afgerond 638

Derhalve komt van de totale behoefte van de minderjarigen een gedeelte van € 504,-- per maand voor rekening van de man. Rekening houdend met de daarop in mindering te brengen zorgkorting van € 172,-- per maand voor de man, bedraagt de door de man te betalen kinderalimentatie over de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 afgerond € 332,-- per maand, ofwel € 166,-- per maand per kind.

Herbeoordeling kinderalimentatie in 2016

Het naar 2016 geïndexeerde tabelbedrag, rekening houdend met de netto kosten van kinderopvang in 2013, bedraagt afgerond € 1.053,-- per maand. De vrouw heeft ter zitting gesteld dat haar netto kosten van kinderopvang in 2016 naar schatting afgerond nog € 95,-- 0per maand zullen bedragen. De man heeft dit ter zitting niet of onvoldoende weersproken.

Dit betekent naar de berekening van de rechtbank dat de behoefte van de twee kinderen in 2016 afgerond nog € 1.053,-- + € 95,-- = € 1.148,-- per maand zal bedragen, dat is € 574,- per kind per maand. Daar hoort bij een zorgkorting van € 15% voor de man, dat is afgerond

€ 172,-- per maand in 2016.

Met ingang van 1 januari 2016 is de arbeidsomvang van de vrouw bij haar werkgever gewijzigd in die zin dat zij minder is gaan werken, namelijk 22 uur per week. Het inkomen van de vrouw was tot 2016 gebaseerd op een contract van formeel 40 uur per week. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat zij tot 1 januari 2016 bij haar werkgever 8 uur per week (naar de rechtbank begrijpt deels betaald) ouderschapsverlof heeft gehad en 8 uur per week vakantie/ATV heeft opgenomen, zodat zij in 2014 en 2015 feitelijk 24 uur per week werkte. Vanaf 2016 is het recht op ouderschapsverlof en ATV bij haar werkgever vervallen en heeft zij in verband met de zorg voor de kinderen haar dienstverband moeten aanpassen naar uiteindelijk 22 uur per week met de bijbehorende inkomensdaling, aldus de vrouw.


De man heeft verweer gevoerd, stellende dat het inkomensverlies als gevolg van de keuze van de vrouw om minder te gaan werken niet ten laste mag komen van haar (en zijn) onderhoudsverplichtingen jegens de kinderen. De man heeft in dit verband gesteld dat er voor de vrouw voldoende mogelijkheden zijn om naast de zorg voor de minderjarigen fulltime te werken, onder meer door de man (meer) te betrekken bij de zorg voor de kinderen of door meer gebruik te maken van buitenschoolse opvang.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw de noodzaak voor haar urenvermindering met bijbehorend inkomensverlies in 2016, mede gelet op de nog relatief jonge leeftijd van de kinderen en op het feit dat de vrouw de hoofdzorg heeft voor de beide kinderen, in deze procedure voldoende heeft onderbouwd. De vrouw werkt aldus haar toelichting ter zitting in 2016 wekelijks nog 3 x 7 uur op dinsdag t/m donderdag en daarnaast nog 1 uur per week op een andere dag. Op dinsdag en donderdag maakt zij nog gebruik van buitenschoolse opvang. Op woensdagmiddag vangen de ouders van de vrouw de kinderen uit school op. Onvoldoende gesteld of gebleken is dat de man aan de vrouw concreet heeft aangeboden de kinderen op maandag en/of vrijdag uit school te kunnen opvangen en/of dat de vrouw in de gegeven omstandigheden bij haar huidige werkgever of elders in 2016 nog meer dan 22 uur per week zou kunnen werken, rekening houdend met de schooltijden van de kinderen. De rechtbank zal daarom bij de bepaling van de kinderalimentatie alles afwegende rekening houden met het feitelijke inkomensverlies aan de zijde van de vrouw in 2016.

Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw in 2016 zal de rechtbank uitgaan van het door de vrouw zelf in haar productie 14 geschatte bruto jaarinkomen 2016 van € 27.000,-, zoals zij dit kennelijk zelf heeft opgegeven aan de belastingdienst voor haar voorlopige aanslag 2016. Dit door de vrouw zelf geschatte bruto jaarinkomen van € 27.000,- in 2016 past naar de schatting van de rechtbank ook voldoende bij de door de vrouw als haar productie 13 overgelegde salarisstrook van januari 2016 met een fiscaal maandloon van toen afgerond € 1.817,- bruto per maand en de voor de vrouw daarenboven geldende jaarlijkse eindejaarsuitkering en vakantietoeslag. Rekening houdend met de door de vrouw in 2016 te ontvangen heffingskortingen en het te ontvangen kindgebonden budget van € 4.443,-- per jaar schat de rechtbank volgens de aangehechte NBI berekening het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in 2016 aldus op € 2.392,-- per maand.

Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank ervan uit dat de man bij zijn nieuwe werkgever in 2016 een vergelijkbaar bruto jaarloon als in 2015 zal verdienen. Rekening houdend met het feit dat de man pas medio februari 2015 in dienst is getreden bij zijn nieuwe werkgever en daar in 2015 een bruto jaarloon heeft ontvangen van € 37.740,-, schat de rechtbank dat de man in 2016 een bruto jaarloon zal ontvangen van omgerekend
€ 43.132,--, inclusief ploegentoeslag, vakantietoeslag en 13de maand. Dat bedrag van omgerekend € 43.132,-- is ook vermeld op de door de man als zijn productie 32 overgelegde salarisstrook van januari 2016. Op grond daarvan schat de rechtbank volgens de aangehechte NBI berekening het netto besteedbaar inkomen van de man in 2016 op
€ 2.528,-- per maand.

Het bedrag aan draagkracht stelt de rechtbank vast aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 890,--)].

De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 615,-- per maand. De draagkracht van de vrouw is volgens de formule € 549,-- per maand. Derhalve bedraagt de gezamenlijke draagkracht van partijen in totaal € 1.164,-- per maand.

De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

het eigen aandeel van de man bedraagt: 615 / 1.164 x 1.148 = afgerond 607

het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 549 / 1.164 x 1.148 = afgerond 541

Derhalve komt van de totale behoefte van de minderjarigen een gedeelte van € 607,-- per maand voor rekening van de man. Rekening houdend met de daarop in mindering te brengen zorgkorting van € 172,-- per maand voor de man, bedraagt de door de man te betalen kinderalimentatie in 2016 afgerond € 435,-- per maand, ofwel € 217,50 per kind per maand.

Beoordeling resterende geschilpunten

De omvang van de door de man al betaalde kinderalimentatie

De man verzoekt de rechtbank om te bepalen dat een door de man al aan de vrouw betaald bedrag van in totaal € 6.880,-- in mindering strekt op de door hem nog aan de vrouw verschuldigde kinderalimentatie, naar de rechtbank begrijpt in aanvulling op het door de vrouw al erkende bedrag van € 1.900,- dat de man al aan kinderalimentatie heeft betaald. De man heeft zijn verzoek onderbouwd met producties, waaronder bankafschriften.

De vrouw betwist dat alle of de meeste door de man vanaf april 2013 aan de vrouw betaalde bedragen als kinderalimentatie moeten worden aangemerkt. Volgens de vrouw hebben partijen destijds afgesproken dat zolang de gemeenschappelijke gezinswoning nog niet verkocht was, de man maandelijks € 500,-- zou bijdragen voor hypotheeklasten, € 200,-- voor boodschappen, € 50,-- voor kosten kinderopvang en € 360,-- voor overige kosten van de huishouding. De vrouw stelt zich op het standpunt dat alle voornoemde bedragen zijn betaald op grond van de formeel nog niet beëindigde notariële samenlevingsovereenkomst en/of uit hoofde van een dringende verplichting van moraal en fatsoen en dus niet als kinderalimentatie. De man betwist dat op zijn beurt gemotiveerd.

Naar het oordeel van de rechtbank moeten de hierna volgende vaststaande betalingen door de man aan de vrouw worden aangemerkt als betaling van kinderalimentatie en/of van kosten van kinderopvang in de periode van 1 april 2013 tot het loonbeslag door het LBIO in augustus 2015 in opdracht van de vrouw en ten laste van de man:

  • -

    € 1.900,-- in totaal betaald per bank met de omschrijving “kinderalimentatie” (4 x
    € 400,--) en contant (1 x € 300,-) in de periode van juli 2014 t/m maart 2015, zoals volgt uit productie 15 van de man en productie 22 van de vrouw;

  • -

    € 1.200,-- in totaal betaald per bank met de omschrijving “kinderalimentatie” (3 x
    € 400,--) van april t/m juni 2015, zoals blijkt uit productie 30 van de man;

  • -

    € 1.050,-- in totaal betaald per bank met de omschrijving “kinderopvang” (21 x € 50,--) in de periode van april 2013 tot augustus 2015 en voorts in november 2015, zoals blijkt uit productie 30 van de man;

  • -

    € 850,-- in totaal betaald per bank met de omschrijvingen “boodschappen” (3 x € 200,-) en “boodschappen plus verjaardag [de minderjarige 2] ” (1 x € 250,-) in de periode van april t/m september 2013, zoals blijkt uit productie 30 van de man;

  • -

    € 2.520,-- in totaal betaald per bank met de omschrijving “huishoudkosten” (7 x € 360,-) in de periode van april t/m oktober 2013.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat en waarom de man na de vaststaande verbreking van de feitelijke samenwoning in maart 2013 rechtens nog gehouden was om enige betaling ten behoeve van de vrouw zelf te doen, anders dan de door hem te betalen bijdragen voor zijn kinderen en zijn deel van de hypotheeklasten van € 500,- per maand voor de toenmalige gemeenschappelijke woning.

Uit het voorgaande volgt dat de man in deze procedure voldoende heeft aangetoond dat hij van april 2013 tot december 2015 in totaal € 7.520,-- aan de vrouw heeft betaald, welk bedrag moet worden aangemerkt als reeds betaalde kinderalimentatie en dus in mindering strekt op de door de man ingevolge deze beschikking aan de vrouw te betalen kinderalimentatie over de periode vanaf april 2013. Voor het overige gedeelte van de door de man naar de rechtbank begrijpt gestelde (€ 6.880,-- plus € 1.900,-- =) € 8.780,-- heeft de man dat naar het oordeel van de rechtbank gelet op de algemene betwisting door de vrouw onvoldoende met bewijsstukken aangetoond. De rechtbank zal aldus beslissen.

Terugbetaling en/of verrekening van diverse bedragen

Het in opdracht van de vrouw door het LBIO in augustus 2015 gelegde loonbeslag ten laste van de man ter incasso van zijn achterstand aan kinderalimentatie van volgens de vrouw toen € 23.100,- compliceert de rechtsverhouding tussen partijen aanzienlijk. Voor risico en rekening van de vrouw moet in beginsel blijven dat zij de beschikking van 28 januari 2015 uit de eerste procedure door het LBIO heeft doen incasseren, hoewel zij wist of behoorde te weten dat die eerdere vaststelling van de kinderalimentatie van € 500,- per maand per kind met ingang van april 2013 was gebaseerd op door de vrouw in haar toenmalige verzoek verzwegen gegevens: haar eigen relevante bruto jaarinkomsten in 2013, 2014 en 2015. Voorts kan de rechtbank nu in deze procedure bij gebreke van bewijsstukken niet vaststellen welk totaalbedrag het LBIO inmiddels door het loonbeslag bij de man heeft geïncasseerd en welk totaalbedrag daarvan het LBIO inmiddels heeft uitbetaald aan de vrouw.

In het licht van het voorgaande verwerpt de rechtbank in dit specifieke geval het betoog van de vrouw dat zij het door haar eventueel ingevolge deze beschikking in deze tweede procedure feitelijk teveel ontvangen bedrag aan kinderalimentatie niet behoeft terug te betalen aan de man.

De rechtbank laat het gezien het voorgaande verder aan partijen en hun advocaten over om te berekenen hoeveel de een ingevolge deze beschikking over de periode vanaf april 2013 tot heden (en daarna) per saldo nog verschuldigd is aan de ander voor rechtens verschuldigde kinderalimentatie, verrekening van al aan de vrouw rechtstreeks of via het LBIO betaalde kinderalimentatie, verrekening van door de man meer dan door de vrouw betaalde restschuld aan SNS Bank (art. 6:10 BW), aan beide zijden al betaalde incassokosten enzovoorts. Die laatste twee geschilpunten zijn ook niet aan de familierechter, maar aan de civiele rechter of de kantonrechter om te beslissen. Partijen en hun advocaten doen er vanzelfsprekend wel verstandig aan om over dit alles na deze beschikking een schikking te treffen, en zo mogelijk ook voor de nog resterende restschuld aan SNS Bank met de afdeling bijzonder beheer van SNS Bank. Dit onder meer om verdere incassokosten en proceskosten voor zichzelf en daardoor mede voor hun twee kinderen te voorkomen.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard over de kinderalimentatie betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissingen

De rechtbank, met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van

28 januari 2015:

- bepaalt de door de man met ingang van 1 april 2013 aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de twee minderjarigen:

- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

op € 247,-- per kind per maand in 2013;

- bepaalt de door de man met ingang van 1 januari 2014 aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen voornoemd op € 197,50 per kind per maand in 2014;

- bepaalt de door de man met ingang van 1 januari 2015 aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen voornoemd op

€ 166,-- per kind per maand in 2015;

- bepaalt de door de man met ingang van 1 januari 2016 aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen voornoemd op

€ 217,50 per kind per maand in 2016, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- bepaalt dat een totaalbedrag van € 7.520,--, dat de man in de periode van 1 april 2013 tot december 2015 al rechtstreeks aan de vrouw heeft betaald, in mindering strekt op de door de man ingevolge deze beslissing aan de vrouw nog verschuldigde kinderalimentatie over de periode vanaf 1 april 2013 tot en met vandaag;

- verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders verzochte;

- bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. H. Wien in tegenwoordigheid van mr. K. Veelenturf-Beukhof als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 mei 2016.