Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:5564

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-05-2016
Datum publicatie
25-05-2016
Zaaknummer
C-09-509089-KG ZA 16-466
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser moet tijdens zijn meldplichtgesprekken bij de reclassering informatie blijven verstrekken en vragen beantwoorden, als onderdeel van de bijzondere voorwaarden die zijn verbonden aan zijn voorwaardelijke invrijheidstelling. Dat is de beslissing van de voorzieningenrechter in Den Haag in een kort geding dat eiser had aangespannen tegen de Staat om onder deze verplichting uit te komen.

Eiser en Staat twisten over uitleg meldplicht

Het Openbaar Ministerie (OM) heeft de aan eiser opgelegde meldplicht onlangs gewijzigd, in die zin dat daaruit nu duidelijk blijkt dat het zich (enkel) melden bij de reclassering niet voldoende is. Hij dient tijdens de gesprekken ook informatie te verstrekken en bepaalde vragen van de reclassering te beantwoorden. Die wijziging was volgens de Staat noodzakelijk omdat partijen de meldplicht verschillend interpreteren en eiser deze plicht sinds enige tijd zo invult dat hij zich alleen meldt, maar geen inhoudelijk gesprek met de reclassering meer aangaat. Eiser is van mening dat hij daarmee aan de aan hem opgelegde meldplicht voldoet en dat er voor wijziging geen aanleiding is.

Oordeel rechter

De voorzieningenrechter volgt eiser niet in zijn beperkte uitleg van de meldplicht. Deze heeft in dit geval een ander doel dan alleen het beperken van vrijheid, namelijk het bieden van begeleiding en hulp en steun en er vloeien ook meer verplichtingen uit voort dan alleen op komen dagen. De Staat heeft eiser dit de afgelopen tijd ook duidelijk gemaakt. De wijziging die het OM onlangs heeft aangebracht, betreft dan ook geen uitbreiding van de meldplicht, maar een nadere explicitering van wat de meldplichtcontacten moeten inhouden om bij te kunnen dragen aan het doel. Hiervoor was volgens de voorzieningenrechter voldoende aanleiding gezien de gewijzigde houding van eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/509089 / KG ZA 16/466

Vonnis in kort geding van 25 mei 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. W.H. Jebbink te Amsterdam,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (Openbaar Ministerie en Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met de daarbij en de nadien overgelegde producties;

- de akte houdende een vermeerdering van eis;

- de door de Staat overgelegde producties;

- de op 11 mei 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Het gerechtshof te Amsterdam heeft [eiser] bij arrest van 18 juli 2003 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van achttien jaar wegens, in het bijzonder, de moord op W.S.P. Fortuijn (beter bekend als: Pim Fortuyn) en het bedreigen van zijn chauffeur.

2.2.

Bij besluit van 25 april 2014 (hierna: het Besluit van 25 april 2014) heeft het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) [eiser] met ingang van 2 mei 2014 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Aan de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: v.i.) zijn bijzondere voorwaarden verbonden als bedoeld in artikel 15a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr), waaronder een meldplicht bij Reclassering Nederland (hierna: de reclassering). Deze meldplicht is als volgt geformuleerd:

“Meldplicht (8. MELDP)

Namelijk:

- dat u gedurende de proeftijd contact onderhoudt met reclassering Nederland voor de hulp en steun. (Gegevens zijn u persoonlijk bekend gemaakt.) Het eerste contact zal plaatsvinden binnen 5 (werk)dagen na invrijheidstelling en daarna zo vaak en op de wijze zoals de reclassering, na consultatie van de CVv.i. noodzakelijk acht. Dit contact heeft tot doel u te kunnen begeleiden bij het vinden van zelfstandige huisvesting, dagbesteding (studie), werk en inkomen. U zult voorts door de reclassering worden begeleid bij de praktische kant van het re-integreren in de maatschappij.

- Deze voorwaarde zal iedere 3 maanden, ingaande vanaf 2 mei 2014, worden geëvalueerd met de CVv.i. In de evaluatie zal de voortgang, handhaving en mogelijke bijstelling van de voorwaarden centraal staan.”

Voorts is in het Besluit van 25 april 2014 opgenomen:

“Het openbaar ministerie geeft reclassering Nederland de opdracht om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en waarbij de politie een bijdrage levert aan de handhaving van de bijzondere voorwaarden (…)”

2.3.

Op 20 mei 2015 heeft er een evaluatie plaatsgevonden betreffende de voortgang van de v.i. van [eiser] (hierna: de evaluatie van 20 mei 2015). In het verslag hiervan staat onder meer vermeld:

“(…) Dhr [eiser] geeft aan dat hij de meldplichtcontacten sowieso één grote poppenkast vindt en dat het voor hem zeker niet recidive verlagend werkt. Hij heeft ook geen hulpvraag aan de reclassering.

Mevr [A] en mevr [B] maken duidelijk dat de meldplichtcontacten bedoeld zijn om inzicht te krijgen in de ontwikkeling van dhr [eiser] , in zijn dagbesteding. Er zijn een vast aantal leefgebieden waar de reclassering inzicht in wil krijgen. Daarbij is het van belang dat hij transparant is.

De raadsman stelt voor om een kader vast te stellen voor de meldplichtcontacten, een soort vragenlijst met te bespreken onderwerpen. De reclassering stelt een dergelijke vragenlijst op, dhr [eiser] kan hierin meedenken. Het blijft de reclassering echter vrij staan om vragen te stellen die zij meent te moeten stellen ook al staan die niet op de lijst.

(…)

Afspraken:

(…)

De reclassering stelt een soort agenda met gespreksonderwerken/-vragen voor de meldplichtcontacten op. Dhr [eiser] kan hierin meedenken. Het blijft de reclassering vrij staan tijdens de contacten vragen te stellen die niet op de vooraf opgestelde agenda staan

Aan het eind van ieder meldplichtcontact wordt samen bekeken of alle te bespreken onderwerpen voldoende duidelijk besproken zijn. ”

2.4.

De reclassering heeft in een op 20 september 2015 uitgezonden aflevering van het televisieprogramma Brandpunt Reporter zonder toestemming van [eiser] informatie over hem verstrekt. (Mede) naar aanleiding daarvan heeft [eiser] besloten vanaf 1 oktober 2015 geen informatie meer aan de reclassering te verstrekken.

2.5.

In een brief van 15 oktober 2015 van het OM aan de raadsman van [eiser] (hierna: de brief van 15 oktober 2015) staat, voor zover thans relevant, vermeld:

“(…) U heeft uw cliënt geadviseerd ten aanzien van de meldplicht om deze te beperken tot datgene waartoe hij op grond van de voorwaarden strikt is gehouden. In uw visie zou dit zich beperken tot het zich enkel melden bij de reclassering met de mededeling: ‘Ik meld me, tot ziens.’

Ik deel deze zienswijze niet.

Tijdens het evaluatie gesprek op 20 mei jl. is het volgende afgesproken:

(…)

Nadien is door de reclassering een vragenlijst opgesteld:

Deze vragen luiden als volgt:

  1. Vertel eens wat je de afgelopen 3 weken hebt gedaan

  2. Vertel eens wat je de afgelopen 3 weken heeft bezig gehouden

  3. Vertel eens welke plannen je voor de aankomende weken hebt.

  4. Vertel eens hoe het contact in de afgelopen 3 weken met je gezin, familie en vrienden is verlopen.

  5. Vertel eens hoe het contact in je buurt en in je vrijwilligerswerk is verlopen

Aan deze vragen is later een 6e vraag toegevoegd, namelijk of de toezichthouder van mening is dat betrokkene de vragen naar tevredenheid heeft beantwoord.

Deze vragen zijn gehanteerd tijdens de daaropvolgende meldplichtafspraken zoals blijkt uit het voortgangsverslag van Reclassering Nederland d.d. 15 september 2015.

Bovengenoemde afspraken zijn vastgelegd in het evaluatieverslag van 20 mei 2015 en daarna bij brief d.d. 26 mei 2015 nogmaals door mijn collega [A] aan u bevestigt. Deze afspraken zijn nog steeds van kracht. Ik verwacht dan ook dat uw cliënt zich aan de voorwaarden zal houden. (…)”

2.6.

In een brief van 26 oktober 2015 van het OM aan de raadsman van [eiser] (hierna: de brief van 26 oktober 2015) staat, voor zover thans relevant, vermeld:

“(…) In uw brief stelt u dat u mr. [C] op 30 september 2015 telefonisch en per e-mail in kennis hebt gesteld hoe het openbaar ministerie de meldplicht interpreteert. Deze interpretatie deel ik niet. In mijn vorige brief heb ik u laten weten wat het standpunt is van het openbaar ministerie ten aanzien van de meldplicht. (…) Ik blijf bij dit standpunt en verwacht dat uw cliënt de meldplicht naleeft en de vragen zoals die door de reclassering zijn opgesteld zullen worden behandeld en beantwoord. De vragen zijn opgesteld naar aanleiding van het evaluatiegesprek van 20 mei 2015 waarin u heeft voorgesteld de meldplicht meer structuur te geven. Hetgeen schrijft zou hiermee in tegenspraak en onlogisch zijn.

Dat met het louter melden wordt voldaan aan de meldplicht, zoals u onder andere stelt in uw brieven d.d. 30 juli 2015 en 19 oktober 2015, is door de CVv.i. nooit erkend. (…)”

2.7.

Op 16 november 2015 heeft de reclassering een “Voortgangsverslag toezicht aan opdrachtgever” uitgebracht (hierna: het voortgangsverslag van 16 november 2015). Daarin staat als conclusie ten aanzien van de meldplicht vermeld:

“Betrokkene heeft zich strikt genomen aan de voorwaarde van de meldplicht gehouden. Hij is op één gesprek na op alle afspraken en op tijd verschenen. De heer [eiser] heeft zich echter gaandeweg het toezicht steeds minder begeleid baar opgesteld door een afwijzende en soms vijandige houding aan te nemen. (…)

In juni 2015 (…) leek het contact met betrokkene iets te verbeteren.

Echter na de uitzending van Brandpunt Reporter heeft betrokkene de reclassering laten weten het meldplichtcontact zodanig invulling te geven dat hij zich zou melden met: ‘Ik meld mij, tot ziens’. De reclassering is hiermee niet akkoord gegaan en heeft het CVvi verzocht om de afspraken, gemaakt tijdens de evaluatie van 20 mei 2015, te handhaven. Het CVvi deelt de mening van de reclassering en heeft dit per brief aan de advocaat van betrokkene bevestigd.

Reclassering Nederland acht het noodzakelijk dat ondubbelzinnige uitleg en duidelijkheid wordt verschaft aan betrokkene over de taak van RN (wat houdt de meldplicht in, de reikwijdte van de toezichthoudende rol van RN) en wat dit vraagt in houding en gedrag van de heer [eiser] . Hier ligt een rol voor Reclassering Nederland, maar ook voor het CVvi.”

2.8.

In een brief van de reclassering aan [eiser] van 21 maart 2016 (hierna: de brief van 21 maart 2016) reageert de reclassering op brieven van [eiser] van 26 en 28 februari 2016, waarin hij zich beklaagt over de totstandkoming en de inhoud van het voortgangsverslag van 16 november 2015. Ten aanzien van de meldplicht is in de brief van 21 maart 2016 opgenomen:

“U geeft aan de aanbeveling aan het Openbaar Ministerie om ondubbelzinnige uitleg en duidelijkheid te geven over de meldplicht onbegrijpelijk te vinden. Er is verschil tussen uzelf en Reclassering Nederland over de vraag wat de reikwijdte is van een aantal bijzondere voorwaarden en de rol van Reclassering Nederland bij het toezien op de bijzondere voorwaarden, waaronder de meldplicht. U heeft hier in verschillende klachten bij Reclassering Nederland aandacht voor gevraagd. Tijdens de evaluatie van 20 mei 2015 is besproken dat er een soort kader voor de meldplichtcontacten vastgesteld zou worden: een vragenlijst met te bespreken onderwerpen. Op 1 oktober 2015 heeft u tijdens het meldplichtcontact aangegeven de vragen niet meer te beantwoorden maar u te beperken tot ‘Hierbij meld ik me, tot ziens’. U heeft hierbij de vraag gesteld of u hiermee in overtreding was. Uit overleg met het Openbaar Ministerie is gebleken dat dit niet het geval is. Reclassering Nederland heeft zich op het standpunt gesteld dat een dergelijke invulling van de meldplicht een onwenselijke invulling is, omdat dit het houden van toezicht op het naleven van de voorwaarden bemoeilijkt. Om deze reden is gesteld dat een duidelijke uitleg is gewenst.”

2.9.

Op 30 maart 2016 heeft er een evaluatie plaatsgevonden van de v.i. van [eiser] . Hierin staat onder meer vermeld:

“(…) Mevr [D] zegt dat het OM van mening is dat de meldplicht inhoudt dat naast het melden ook de vragen beantwoord dienen te worden die in mei vorig jaar zijn vastgesteld samen met dhr. [eiser] en dhr. Jebbink . In ieder geval dienen deze vragen beantwoord te worden en dient verdere informatie verstrekt te worden die van belang is, zodat de reclassering de toezichtstaak die zij heeft op een goede manier kan uitoefenen. Op dit moment geeft dhr. [eiser] geen informatie en is de reclassering niet in staat om haar taak goed uit te kunnen voeren. (…) Mevr. [D] geeft aan dat haar mededeling geldt voor de komende meldplichtgesprekken (…). Mevr. [D] stelt dat vast dat wanneer dhr. [eiser] de vragen niet beantwoord en geen informatie verstrekt er sprake is van een overtreding van de voorwaarden en dat zij zich over de eventuele consequenties hiervan zal beraden. (…)”

2.10.

Op 25 april 2016 heeft het OM aan [eiser] bericht, voor zover thans relevant:

“(…) Op 30 maart 2016 heeft er in het kader van uw v.i.-toezicht een evaluatiegesprek plaatsgevonden.

Na dit gesprek heb ik besloten de v.i. voorwaarden zo te formuleren dat geen misverstand bestaat over de wijze waarop u aan de bijzondere voorwaarden invulling dient te geven. De bijzondere voorwaarden met betrekking tot de meldplicht, de begeleiding door een psycholoog of psychiater en de evaluatiegesprekken zijn nader geformuleerd. (…)

Ik heb (…) ook de afspraken die in mei 2015 met u zijn gemaakt met betrekking tot de invulling van de meldplicht in het (gewijzigde) v.i.-besluit opgenomen.

Het wijzigingsbesluit v.i. treft u hierbij aan. (…)”

In het bij deze brief gevoegde Wijzigingsbesluit voorwaardelijke invrijheidstelling van 25 april 2016 (hierna: het Besluit van 25 april 2016) is de bijzondere voorwaarde van de meldplicht als volgt geformuleerd:

“Meldplicht (8. MELDP)

Namelijk:

- dat u zich gedurende de proeftijd zult melden bij reclassering Nederland (contact- en adresgegevens zijn u persoonlijk bekend gemaakt), zolang en zo vaak de CVv.i., na eventuele advisering door de reclassering, dit noodzakelijk acht.

- Deze meldplicht heeft tot doel:

u te kunnen begeleiden bij en controleren op de naleving van de opgelegde bijzondere voorwaarden

zicht te krijgen op uw dagelijkse bezigheden en sociaal emotionele ontwikkeling

u hulp en steun bieden

- U bent verplicht om op actieve wijze medewerking te verlenen aan de meldplichtgesprekken door de gevraagde en overige relevante informatie te verstrekken. U dient aanwijzingen van de reclassering over de invulling van de meldplicht op te volgen.

- U bent verplicht om tijdens de meldplicht de vragen van de reclassering te beantwoorden. Het gaat daarbij in ieder geval om de volgende vragen:

Vertel eens hoe het met je gaat.

Vertel eens wat je de afgelopen 3 weken hebt gedaan.

Vertel eens wat je de afgelopen 3 weken heeft bezig gehouden.

Vertel eens welke plannen je voor de aankomende weken hebt.

Vertel eens hoe het contact in de afgelopen 3 weken met je gezin, familie en vrienden is verlopen.

Vertel eens hoe het contact in je buurt en in je (vrijwilligers)werk is verlopen.”

2.11.

Er is een risicoanalyse betreffende [eiser] gemaakt. De conclusies daarvan zijn neergelegd in een rapport van 3 mei 2016.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert na eisvermeerdering, zakelijk weergegeven:

1. de Staat met onmiddellijke ingang te verbieden om aan [eiser] gedurende de proeftijd de voorwaarde en de eis te stellen en de verplichting op te leggen om in het kader van de meldplicht bij de reclassering – als bedoeld in het Besluit van 25 april 2014 – informatie te verstrekken en vragen te beantwoorden, althans deze voorwaarde/eis/verplichting te schorsen;

2. de Staat met onmiddellijke ingang te verbieden uitvoering te geven aan het Besluit van 25 april 2016, althans voor zover daarmee de voorwaarden van het Besluit van 25 april 2014 worden gewijzigd en/of aangevuld, dan wel de tenuitvoerlegging van dat besluit, althans van de daarin opgenomen ten opzichte van het besluit van 25 april 2014 gewijzigde en/of aangevulde voorwaarden, te schorsen;

met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. Het rechtszekerheidsbeginsel leidt ertoe dat uit opgelegde voorwaarden in het kader van een v.i. geen andere verplichtingen kunnen worden afgeleid dan expliciet uit de tekst hiervan blijken. In het geval van de aan [eiser] opgelegde meldplicht betekent dit dat hij zich eens per drie weken dient te melden bij de reclassering. Die verplichting leeft [eiser] na. De reclassering en het OM hebben dit ook erkend en zij hebben aan [eiser] bevestigd dat, indien hij zich meldt en daarbij geen vragen beantwoordt, hij de voorwaarde van de meldplicht niet overtreedt. Dit blijkt uit door [eiser] opgenomen gesprekken, de brief van 21 maart 2016 en een appeldagvaarding betreffende een ander kort geding aangaande de bijzondere voorwaarden. [eiser] heeft zich ook nimmer tot beantwoording van vragen verbonden. Hij heeft enkel een periode vrijwillig verteld over zijn situatie. Gelet op het vorenstaande is de wijziging van de bijzondere voorwaarde van de meldplicht onrechtmatig. Dat is namelijk enkel toegestaan indien voorwaarden gebrekkig worden nageleefd of bij een wijziging van overige omstandigheden. Daarvan is geen sprake. [eiser] leeft alle voorwaarden na en rapporten geven een stabiel en positief beeld van hem. Hieruit blijkt niet van enige gewijzigde omstandigheid die voor de naleving van de bijzondere voorwaarden van belang is. De wijziging is voorts niet noodzakelijk. Het recidiverisico van [eiser] is immers laag en dit is heel recent, in de rapportage van 3 mei 2016, nog bevestigd. Het besluit van [eiser] om geen informatie meer aan de reclassering te verstrekken – hetgeen hij overigens al meer dan zes maanden niet meer doet – levert ook geen noodzaak tot wijziging op. Hiermee schendt [eiser] immers niet het Besluit van 25 april 2014. [eiser] heeft voorts geen hulpvraag en hetgeen de reclassering van hem verlangt staat ook haaks op zijn persoonlijkheid. Verder is er sprake van strijd met het IVBPR en het EVRM, meer in het bijzonder met het recht van [eiser] op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer. De wet voorziet ook niet in een toetsing van de bijzondere voorwaarden door een rechter en dat is wel noodzakelijk. Ten slotte is de totstandkoming van het Besluit van 25 april 2016 in strijd met hetgeen de Staat heeft meegedeeld, te weten om pas een beslissing te nemen over eventuele aanpassing van de voorwaarden na een risicotaxatie. Die is echter pas nadien verschenen. Bovendien wordt daarin niet geadviseerd tot wijziging van de voorwaarden.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[eiser] baseert zijn vorderingen op onrechtmatig handelen van de Staat. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de civiele rechter, in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding, gegeven.

4.2.

[eiser] neemt bij zijn vorderingen tot uitgangspunt een beperkte uitleg van de in het Besluit van 25 april 2014 opgenomen meldplicht, in die zin dat hieraan volgens hem wordt voldaan als hij zich (enkel) meldt bij de reclassering, waarbij hij niet gehouden is om een gesprek met de reclassering aan te gaan. In die uitleg wordt [eiser] niet gevolgd. [eiser] wijst er wel terecht op dat de meldplicht – de plicht om zich met een bepaalde frequentie te melden – volgens de Memorie van Toelichting een (vrijheids)beperkend doel heeft (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 513, nr. 3). Dat wil echter niet zeggen dat de verplichtingen daartoe beperkt dienen te blijven en geen ander doel kunnen hebben. Bijzondere voorwaarden zijn immers, eveneens volgens de Memorie van Toelichting, verplichtingen die betrekking hebben op het gedrag van de veroordeelde. Naast de plicht om zich te melden, kunnen dan ook andere verplichtingen betreffende het gedrag van de veroordeelde worden opgenomen (zie ook artikel 15a, derde lid, sub 10° Sr) en die kunnen ook een ander doel hebben. Uit de tekst van de meldplicht in het Besluit van 25 april 2014 blijkt duidelijk dat daarvan in het geval van [eiser] sprake is. In deze voorwaarde is immers opgenomen i) dat [eiser] contact onderhoudt met de reclassering voor hulp en steun, ii) dat het contact tot doel heeft om [eiser] te kunnen begeleiden bij het vinden van zelfstandige huisvesting, dagbesteding (studie), werk en inkomen en iii) dat de reclassering [eiser] zal begeleiden bij de praktische kant van het re-integreren in de maatschappij. Daaraan kan evident niet worden voldaan indien er geen – inhoudelijk – gesprek plaatsvindt en [eiser] weigert om vragen te beantwoorden over hoe het met hem gaat, waar hij zich mee bezig houdt en heeft gehouden, wat zijn plannen zijn en hoe bepaalde contacten verlopen. Ook kan de reclassering dan niet voldoen aan haar toezichthoudende taak, die eveneens in de bijzondere voorwaarden is opgenomen.

4.3.

Dat de Staat heeft geaccepteerd dat de meldplicht zo beperkt is als [eiser] deze uitlegt dan wel dat de Staat de feitelijke situatie sinds 1 oktober 2015 heeft aanvaard, zoals [eiser] heeft betoogd, kan evenmin worden gevolgd. Reeds tijdens de evaluatie van 20 mei 2015 is aan de orde gekomen dat naar het oordeel van de Staat de meldplichtcontacten bedoeld zijn om inzicht te krijgen in de ontwikkeling van [eiser] , in zijn dagbesteding en in een aantal leefgebieden, alsmede wat daar volgens de Staat voor nodig is. [eiser] betwist dat er tijdens deze evaluatie afspraken zijn gemaakt en hij stelt dat hij nadien vrijwillig heeft verteld over zijn situatie. Wat daar echter ook van zij, in ieder geval staat vast dat partijen toen met elkaar hebben gesproken over de tijdens de reclasseringscontacten te bespreken onderwerpen en dat zij hier vervolgens ook gevolg aan hebben gegeven. Naar aanleiding van het besluit van [eiser] begin oktober 2015 om zich te beperken tot het zich enkel melden, heeft het OM expliciet aan [eiser] bericht (in de brieven van 15 en 26 oktober 2015) dat dat niet voldoende is en dat van [eiser] wordt verwacht dat hij naleeft wat in de evaluatie van 20 mei 2015 is afgesproken. Ook de reclassering heeft (in het voortgangsverslag van 16 november 2015) aan [eiser] bericht niet akkoord te gaan met de wijze waarop hij heeft besloten invulling te geven aan de meldplichtcontacten en aangegeven de afspraken gemaakt tijdens de evaluatie van 20 mei 2015 te willen handhaven. De door [eiser] overgelegde fragmenten uit (door hem opgenomen) gesprekken tijdens meldplichtcontacten en evaluaties acht de voorzieningenrechter onvoldoende duidelijk wat betreft de uitlatingen en de context hiervan om iets af te kunnen doen aan de inhoud van voormelde schriftelijke verslagen en brieven.

4.4.

De uitlatingen van de reclassering en/of het OM dat [eiser] zich “strikt genomen” heeft gehouden aan de voorwaarde van de meldplicht en dat hij deze niet heeft overtreden, in de brief van 21 maart 2016 en in de appeldagvaarding waarnaar [eiser] verwijst, moeten naar voorshands oordeel worden gezien als betrekking hebbend op de plicht voor [eiser] om zich met een bepaalde frequentie te melden. Die verplichting is immers concreet in de meldplicht opgenomen, terwijl overige verplichtingen hieruit wel kunnen worden afgeleid – gezien het in de meldplicht omschreven doel hiervan – maar hierin niet expliciet zijn genoemd. Dit laatste maakt ook dat bezwaarlijk van een overtreding hiervan kan worden gesproken. De voorzieningenrechter heeft hierbij ook acht geslagen op de omstandigheid dat bij die uitlatingen ook telkens is opgemerkt dat daarbij onvoldoende zicht kan worden gekregen op de ontwikkeling van [eiser] en/of dat dit onwenselijk is en/of dat dit het houden van toezicht bemoeilijkt.

4.5.

Het vorenstaande in aanmerking nemende, kan de wijziging van de meldplicht als vermeld in het Besluit van 25 april 2016 niet worden gezien als een uitbreiding van de bijzondere voorwaarden, zoals [eiser] stelt, maar veeleer als een nadere explicitering van wat de meldplichtcontacten ten minste moeten inhouden om bij te kunnen dragen aan het doel daarvan, zoals de Staat terecht heeft betoogd. Een dergelijke wijziging kan naar voorshands oordeel niet als onrechtmatig jegens [eiser] worden aangemerkt. Bijzondere voorwaarden kunnen op grond van artikel 4, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit voorwaardelijke invrijheidstelling door het OM worden aangevuld, gewijzigd of opgeheven, indien de naleving van de voorwaarden door de veroordeelde dan wel wijziging van overige omstandigheden daar aanleiding toe geeft. Dat er aanleiding was voor een explicitering als hiervoor bedoeld is genoegzaam gebleken, gelet op de interpretatieverschillen tussen partijen ten aanzien van de meldplicht – waarbij het standpunt van de Staat zoals voormeld door de voorzieningenrechter wordt gesanctioneerd – en de volharding van [eiser] in zijn besluit en in zijn houding tijdens de meldplichtcontacten, ondanks de gevoerde gesprekken en de schriftelijk communicatie vanuit de Staat ten aanzien van wat van [eiser] wordt verwacht.

4.6.

Of het overigens goed gaat met [eiser] , in hoeverre de deskundigenrapporten een stabiel en positief beeld van hem schetsen, en wat kan worden geconcludeerd ten aanzien van zijn risicoprofiel – waar beide partijen zich over hebben uitgelaten – kan in het kader van dit geding in het midden blijven. Ook als [eiser] gevolgd zou worden in zijn stellingen hieromtrent maakt dit het vorenstaande niet anders, gelet op voormeld karakter van de wijziging van de meldplicht (een verduidelijking). Of er gelet op voormelde omstandigheden aanleiding is om de bijzondere voorwaarden te beperken of op te heffen is in dit geding niet aan de orde.

4.7.

De voorzieningenrechter gaat voorbij aan het standpunt van [eiser] dat de aan hem opgelegde verplichting tot informatieverstrekking en het beantwoorden van vragen in strijd is met artikel 8 EVRM en/of artikel 17 IVBPR. De Staat heeft dit standpunt gemotiveerd betwist, stellende dat van een inbreuk geen sprake is, dan wel, als daarvan al sprake is, dat die inbreuk gerechtvaardigd is in het belang van de veiligheid van de samenleving en het voorkomen van strafbare feiten. In het licht van deze betwisting, heeft [eiser] zijn standpunt onvoldoende onderbouwd. Zijn stelling dat hij een volledig beeld van zijn privéleven moet geven en alles moet zeggen wat hij doet en denkt en met zijn naasten bespreekt, kan niet worden gevolgd. In het Besluit van 25 april 2016 zijn enkele elementaire vragen opgenomen en een verplichting om voor het doel relevante informatie te verstrekken. Daarbij heeft de Staat ter zitting verklaard dat als [eiser] een basaal zicht geeft op zijn re-integratie er niets aan de hand is. Voorts moet worden aangenomen dat, als dit al als een inbreuk zou kwalificeren, die gerechtvaardigd is, zoals de Staat terecht in het kader van zijn verweer naar voren heeft gebracht. Dat de wijziging niet kenbaar en niet voorzienbaar was, zoals [eiser] stelt, kan in het licht van hetgeen blijkt uit de feiten en hiervoor is overwogen, ook niet worden gevolgd.

4.8.

Het standpunt van [eiser] dat er bij de v.i. geen rechter is betrokken en dat dat wel noodzakelijk is, wordt ook verworpen. Aan [eiser] is op basis van een rechterlijke uitspraak zijn vrijheid ontnomen. De vaststelling van bijzondere voorwaarden en de wijziging daarvan betreft de nadere uitvoering van die straf. Overigens is in deze procedure een oordeel gegeven over de wijziging van de voorwaarde van de meldplicht, naar aanleiding van de vorderingen van [eiser] .

4.9.

[eiser] heeft er voorts nog op gewezen dat het besluit van 25 april 2016 is genomen voordat de risicotaxatie beschikbaar was, terwijl de Staat in de Tweede Kamer heeft meegedeeld dat hij een beslissing zal nemen over handhaving of aanpassing van de voorwaarden op basis van de uitgevoerde risicotaxatie. De onderhavige wijziging betreft echter geen beslissing over aanpassing van de voorwaarden zoals door de Staat lijkt te zijn bedoeld, te weten in de zin van een versoepeling of verzwaring hiervan, maar een noodzakelijk geachte concretisering van de verplichtingen voortvloeiend uit de meldplicht. Reeds hierom kan ook deze omstandigheid niet leiden tot toewijzing van het gevorderde.

4.10.

De vordering sub 1 als ook de vordering sub 2, voor zover die vordering betrekking heeft op de in het Besluit van 25 april 2016 gewijzigde meldplicht, is gezien het vorenstaande niet voor toewijzing vatbaar. Voor zover de vordering sub 2 ziet op de overige in het Besluit van 25 april 2016 gewijzigde bijzondere voorwaarden, zal deze eveneens worden afgewezen. Daartoe is redengevend dat het wijzigingen betreft naar aanleiding van tussen partijen over die voorwaarden gevoerde kort gedingen. Tegen de betreffende uitspraken is hoger beroep aangetekend, waarop nog niet is beslist. Gelet daarop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om thans ten aanzien daarvan in dit geding een ordemaatregel te treffen.

4.11.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.435,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 619,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2016.

ts