Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:5491

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-05-2016
Datum publicatie
24-05-2016
Zaaknummer
C/09/476172 / HA ZA 14-1233
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis in bevoegdheidsincident. Tussen partijen zijn al verschillende arbitrageprocedures gevoerd alsmede twee civiele procedures bij deze rechtbank. In beide civiele procedures heeft deze rechtbank zich op vordering van eiseressen onbevoegd verklaard, tegen welke vonnissen door gedaagde hoger beroep is ingesteld. Hangende de appelprocedures is de onderhavige procedure aanhangig gemaakt, waarna partijen in onderling overleg beide appelprocedures hebben doorgehaald. Vervolgens is door gedaagde in de onderhavige procedure een bevoegdheidsincident opgeworpen. Door thans de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter in te roepen, maakt gedaagde misbruik van haar processuele bevoegdheid. Naar het oordeel van de rechtbank impliceert de afspraak om de appelprocedures ‘uit hoofde van proceseconomie’ in te trekken immers dat in de onderhavige procedure een oordeel zou worden verkregen over het materiële geschilpunt dat partijen verdeeld houdt. Dat impliceert dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet opnieuw ter discussie zou worden gesteld. Indien gedaagde deze bedoeling niet had, had het onder de gegeven omstandigheid dat partijen al lange tijd procedeerden over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter op de weg van gedaagde gelegen om bij het maken van de afspraak over de intrekking van de appelprocedures over die bevoegdheid expliciet aan eiseressen kenbaar te maken dat zij haar standpunt over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter had gewijzigd. Gelet op genoemd misbruik van de processuele bevoegdheid, zal de rechtbank op de betwisting van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter dan ook geen acht slaan. Nu gedaagde is verschenen in de procedure is de rechtbank op grond van artikel 24 EEX-verordening bevoegd om van de vordering van eiseressen kennis te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/298
TvA 2016/78
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/476172 / HA ZA 14-1233

Vonnis in incident van 4 mei 2016

in de zaak van

1. de rechtspersoon naar buitenlands recht

GÜRIŞ INSAAT VE MÜHENDISLIK A.Ş.,

voor zich en mede handelend namens:

2. de rechtspersoon naar buitenlands recht

SIEMENS AKTIENGESELLSCHAFT,

3. de rechtspersoon naar buitenlands recht

SIEMENS SANYI VE TICARET A.Ş.,

4. de rechtspersoon naar buitenlands recht

TÚVASAŞ TÚRKIYE VAGON SANAYI A.Ş.,

alle woonplaats kiezende te Amsterdam,

eiseressen in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

procesadvocaat mr. D. Knottenbelt te Rotterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon naar Turks recht

BURSA BÚYÚKŞEHIR BELEDIYESI,

gevestigd te Bursa, Turkije,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. P.W. Tubbergen te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Güriş (vrouwelijk enkelvoud) en Bursa genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 21 maart 2014;

  • -

    de akte houdende wijziging van eis met producties;

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie tot onbevoegdheid;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident;

  • -

    de ter gelegenheid van het pleidooi in het incident op 18 maart 2016 door beide partijen overgelegde pleitnota’s.

1.2.

Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten

2.1.

Bursa, een gemeente in Turkije, heeft in januari 1997 een opdracht aan Güriş verstrekt tot – kort gezegd – de bouw van een metrolijn.

2.2.

Tussen partijen zijn verschillende arbitrageprocedures gevoerd conform het toenmalige reglement van het International Court of Arbitration van de International Chamber of Commerce (ICC) met Den Haag als zetel van arbitrage, waaronder een procedure die heeft geleid tot een arbitraal vonnis van 23 februari 2002 (zaaknummer ICC 11380/TE). Dit arbitraal vonnis is door deze rechtbank bij vonnis van 25 augustus 2004 vernietigd. Laatstgenoemd vonnis is bekrachtigd door het gerechtshof te Den Haag op 28 november 2006. Het arrest van het gerechtshof is door de Hoge Raad bekrachtigd op 5 december 2008 (NJ 2009, 6, ECLI:NL:HR:2008:BF3799).

2.3.

Vervolgens heeft Güriş op 21 april 2009 de zaak opnieuw aan een arbitraal college voorgelegd. Bij arbitraal vonnis van 25 oktober 2010 heeft het scheidsgerecht zich onbevoegd verklaard (zaaknummer ICC 16261/GZ). Bij dagvaarding van 18 april 2011 heeft Güriş bij deze rechtbank in conventie gevorderd het arbitragevonnis te vernietigen. In reconventie heeft Bursa gevorderd te verklaren voor recht dat zij niets meer aan Güriş verschuldigd is. Deze rechtbank heeft zich ten aanzien van de vordering in reconventie bij vonnis van 10 oktober 2012 onbevoegd verklaard. Hiertegen heeft Bursa hoger beroep ingesteld. De vordering in conventie is door deze rechtbank verworpen bij vonnis van 18 december 2013, waartegen geen rechtsmiddel is ingesteld.

2.4.

Bij dagvaarding van 6 juli 2009 heeft Bursa bij deze rechtbank gevorderd te verklaren voor recht dat zij niets meer aan Güriş verschuldigd is. In deze procedure heeft Güriş betoogt dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is van het geschil kennis te nemen. Bij vonnis van 26 oktober 2011 heeft deze rechtbank zich onbevoegd verklaard. Tegen dit vonnis heeft Bursa hoger beroep ingesteld.

2.5.

Nadat de onderhavige procedure aanhangig is gemaakt door Güriş heeft mr. Tubbergen bij brief van 20 juni 2014 het volgende aan mr. J.D. Drok, behandelend advocaat van Güriş, bericht:

“(…)

In de beide gevoegde zaken voor het Gerechtshof te ’s-Gravenhage is thans bij arrest van 17 juni 2014 een comparitie voor grieven bepaald.

Nu de zin van deze procedure inmiddels achterhaald is door de namens uw cliënte nieuw voor de Rechtbank ’s-Gravenhage uitgebrachte dagvaarding lijkt het mij uit hoofde van proceseconomie wel wenselijk om de gevoegde procedures in hoger beroep door te halen en deze zaak te beëindigen, waarbij elk der partijen de eigen kosten draagt.

Ik verneem gaarne of u hiermee kun instemmen en zal het Gerechtshof vervolgens daaromtrent berichten. (…)”

Mr. Drok heeft mr. Tubbergen vervolgens telefonisch bericht hiermee in te stemmen, waarna de beide procedures bij het gerechtshof te Den Haag zijn doorgehaald.

3 Het geschil en de beoordeling daarvan in het incident

3.1.

In de hoofdzaak vordert Güriş – samengevat – een verklaring voor recht dat Bursa aansprakelijk is voor vertragingen in de bouw van de metrolijn en dat Bursa gehouden is de door Güriş daardoor geleden schade te vergoeden, met een verwijzing naar de schadestaatprocedure.

3.2.

Bursa vordert in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaard, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en met veroordeling van Güriş in de proceskosten.
Bursa stelt daartoe dat deze rechtbank zich ten aanzien van het hier aan de orde zijnde geschil al bij vonnissen van 26 oktober 2011 en 10 oktober 2012 onbevoegd heeft verklaard en dat deze uitspraken in kracht van gewijsde zijn gegaan door de doorhalingen van het tegen die vonnissen ingestelde hoger beroep, terwijl partijen ook geen forumkeuze zijn overeengekomen.

3.3.

Güriş voert verweer tegen de gevorderde onbevoegdverklaring.

3.4.

De rechtbank overweegt als volgt. Voor de beantwoording van de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt, dient de Verordening (EG) nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: de EEX-Vo) te worden geraadpleegd. Het geschil valt binnen het materieel toepassingsgebied van de EEX-Vo op grond van artikel 1 van deze verordening, terwijl de zaak bij deze rechtbank is aangebracht vóór 10 januari 2015 zodat het geschil ook valt binnen het temporele toepassingsgebied van de EEX-Vo.

3.5.

Nu Bursa geen woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, geldt ingevolge artikel 4 lid 1 EEX-Vo dat door de bepalingen van het commune internationaal privaatrecht wordt geregeld of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, onverminderd de artikelen 22 en 23 EEX-Vo. Voorts kan bevoegdheid van de Nederlandse rechter voortvloeien uit artikel 24 EEX-vo, dat een onbeperkte formele reikwijdte heeft.

3.6.

Het geschil in de hoofdzaak betreft niet één van de onderwerpen genoemd in artikel 22 EEX-Vo, zodat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet op dat artikel kan worden gegrond. Ook hebben partijen geen uitdrukkelijke forumkeuze als bedoeld in artikel 23 EEX-Vo gedaan.

3.7.

Ingevolge artikel 24 EEX-Vo is het gerecht van een lidstaat waarvoor de verweerder verschijnt bevoegd, met dien verstande dat dit voorschrift niet van toepassing is indien de verschijning ten doel heeft de bevoegdheid te betwisten. De rechtbank is van oordeel dat Bursa op na te noemen gronden misbruik maakt van haar processuele bevoegdheid door in de onderhavige procedure de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter in te roepen. De rechtbank zal op de betwisting van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter door Bursa dan ook geen acht slaan. Nu Bursa is verschenen in de procedure is de rechtbank op grond van artikel 24 EEX-Vo bevoegd om van de vordering van Güriş kennis te nemen. Hiertoe is het volgende redengevend.

3.8.

Partijen hebben de onder 2.3 en 2.4 genoemde appelprocedures doorgehaald ‘uit hoofde van proceseconomie’. Doorhaling heeft een louter administratief karakter en heeft in het bijzonder niet het rechtsgevolg dat de instantie erdoor eindigt; elk der partijen kan na doorhaling de zaak opbrengen ter voortzetting van de procedure. Bij doorhaling kan de procedure wel eindigen als partijen de rechtsgevolgen van de doorhaling bij overeenkomst hebben bepaald of als er andere gronden zijn om aan te nemen dat de procedure is beëindigd.

3.9.

Gezien het voorgaande komt het aan op de vraag of partijen bij de doorhaling van de appelprocedures waarin de rechtsmacht van de Nederlandse rechter aan de orde was een afspraak hebben gemaakt die ertoe leidt dat in deze procedure de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet meer ter discussie kan worden gesteld.

3.10.

Partijen zijn het erover eens dat deze afspraak naar Nederlands recht beoordeeld moet worden. De rechtbank gaat daarvan uit. Ingevolge de naar Nederlands recht van toepassing zijnde Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635) dienen overeenkomsten niet slechts te worden uitgelegd op grond van hun letterlijke bewoordingen, maar komt het bij de uitleg van overeenkomsten aan op de zin die partijen aan hetgeen is overeengekomen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Hierbij is in deze zaak van belang dat het een afspraak tussen advocaten is, zodat ervan moet worden uitgegaan dat partijen de juridische implicaties van hun handelen kenden.

3.11.

Naar het oordeel van de rechtbank impliceert de afspraak om de appelprocedures ‘uit hoofde van proceseconomie’ in te trekken dat in de onderhavige procedure een oordeel zou worden verkregen over het materiële geschilpunt dat hen verdeeld houdt. Dat impliceert dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet opnieuw ter discussie zou worden gesteld. Wanneer een uitspraak over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter gewenst is – zoals Bursa thans stelt – dient het immers de proceseconomie niet om de appelprocedures hierover in te trekken en opnieuw in eerste aanleg te procederen over die internationale bevoegdheid en een vonnis te verkrijgen waartegen weer appel kan worden ingesteld. Het zou dan juist veel meer voor de hand liggen om de onderhavige procedure aan te houden in afwachting van een in de doorgehaalde procedures te vellen oordeel over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter.

3.12.

Indien Bursa voornoemde bedoeling niet had, had het onder de gegeven omstandigheid dat partijen al lange tijd procedeerden over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter op de weg van Bursa gelegen om bij het maken van de afspraak over de intrekking van de procedures over die bevoegdheid bij het gerechtshof te Den Haag expliciet aan Güriş kenbaar te maken dat zij haar standpunt over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter had gewijzigd. Nu Bursa dit heeft nagelaten, mocht Güriş redelijkerwijs verwachten dat Bursa de bevoegdheid van de Nederlandse rechter in de hier aan de orde zijnde procedure niet zou betwisten. Nu Bursa dit thans wel doet, maakt zij misbruik van haar procesbevoegdheid. Zoals hiervoor is overwogen zal de rechtbank voorbijgaan aan het beroep op onbevoegdheid van de Nederlandse rechter. Daarmee is de Nederlandse rechter op grond van artikel 24 EEX-Vo bevoegd is van de vordering van Güriş in de hoofdzaak kennis te nemen.

3.13.

De rechtbank zal de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring afwijzen en zal de beslissing over de proceskosten in het incident aanhouden tot het eindvonnis in de hoofdzaak.

3.14.

Bursa heeft ter gelegenheid van het pleidooi van 18 maart 2016 gevraagd om tussentijds hoger beroep open te stellen tegen dit vonnis indien de rechtbank de gevorderde onbevoegdverklaring afwijst. Güriş heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Nu Güriş geen verweer heeft gevoerd tegen het verzoek van Bursa om tussentijds hoger beroep open te stellen en gelet op de te verwachten omvang van de procedure over het materiële geschilpunt en de daarmee gemoeide kosten, ziet de rechtbank aanleiding om tegen dit vonnis tussentijds hoger beroep open te stellen.

4 De beoordeling in de hoofdzaak

4.1.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden, in afwachting van het voortprocederen in de hoofdzaak door het nemen van een conclusie van antwoord.

5 De beslissing

De rechtbank:

in het incident

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot het eindvonnis in de hoofdzaak;

5.3.

bepaalt dat tegen dit incidentele vonnis tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld;

in de hoofdzaak

5.4.

verwijst de zaak naar de rol van 15 juni 2016 voor conclusie van antwoord;

5.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Alwin en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2016.1

1 type: 1881 coll: 2141