Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:5469

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-02-2016
Datum publicatie
16-06-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1556
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2016:3419, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1358
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 15/1556 en SGR 15/1559

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 februari 2016 in de zaken tussen

[B.V. X] , gevestigd te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: drs. R. Dekker),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres de volgende naheffingsaanslagen loonbelasting (met heffingsrente) opgelegd:

- met dagtekening 8 mei 2014 een naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 ten bedrage van € 24.089, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 6.022 (25% van de nageheven belasting). Voorts is € 2.248 heffingsrente in rekening gebracht (SGR 15/1556);

- met dagtekening 8 mei 2014 een naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 ten bedrage van € 4.214, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 1.053 (25% van de nageheven belasting). Voorts is € 280 heffingsrente in rekening gebracht (SGR 154/1559).

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 16 januari 2015 de naheffingsaanslagen en de vergrijpboetes alsmede de beschikkingen heffingsrente gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft, na een daartoe strekkend verzoek, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.

Eiseres heeft voor de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2015.

Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde, bijgestaan door [persoon A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon B] en [persoon C] .

De zaken van eiseres zijn ter zitting gezamenlijk behandeld met de zaken van [B.V. Y] met zaaknummers SGR 15/1557 en SGR 15/1558.

Overwegingen

Feiten

1. De bedrijfsactiviteiten van eiseres bestaan uit de exploitatie van een transportbedrijf, gespecialiseerd in bijzonder transport. Het bijzonder transport heeft onder andere betrekking op het transporteren van tramrails, tramstellen, metrostellen en dergelijke.

2. De werknemers van eiseres hebben gedurende het naheffingstijdvak een opleiding Chauffeur goederenvervoer (de opleiding) gevolgd, een door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) erkende basisberoepsopleiding op MBO-2-niveau die onder nummer 91830 is opgenomen in het Centraal Register Beroepsonderwijs (Crebo).

3. De bij de opleiding betrokken onderwijsinstellingen zijn [onderwijsinstelling A] en [onderwijsinstelling B] . [onderwijsinstelling A] is enig aandeelhouder van [onderwijsinstelling B] . De feitelijke onderwijsactiviteiten werden verricht door [onderwijsinstelling B] . Voor de uitvoering van het onderwijsproces (de beroepspraktijkvorming, de begeleiding en het examineringsproces) maakt [onderwijsinstelling A] gebruik van [bedrijf A] . Bij de uitvoering van de onderwijsactiviteiten heeft [onderwijsinstelling B] samengewerkt met [bedrijf B] .

4. Blijkens een tot de stukken van het geding behorende samenwerkingsovereenkomst van 24 december 2009 tussen eiseres en [onderwijsinstelling A] , heeft [onderwijsinstelling A] een maatwerkopleidingstraject verzorgd voor werknemers van eiseres. In de betreffende overeenkomst is onder het kopje “Komen als volgt overeen”, onder 1.1. vermeld:

"Deze overeenkomst betreft de beroepsbegeleidende (BBL) opleiding Chauffeur Goederenvervoer die in het CREBO aangeduid wordt met nummer 91830.”

5. Voor het desbetreffende opleidingstraject zijn 11 werknemers van eiseres ingeschreven bij de onderwijsinstelling [onderwijsinstelling B] , onderdeel van de [onderwijsinstelling A] voor de opleiding. Een studiewijzer ten behoeve van de deelnemers en een ‘Onderwijs en Examenregeling’ maken deel uit van de gedingstukken.

6. Tot de stukken van het geding behoren voorts de praktijkovereenkomsten beroepsonderwijs van het [onderwijsinstelling A] . Deze praktijkovereenkomsten bevatten onder meer de volgende gegevens:

- gegevens van de deelnemer: achternaam, voorletters, adres, postcode, woonplaats,

geboortedatum, geboortegemeente en geslacht,

- gegevens van de praktijkbiedende organisatie: eiseres,

- gegevens van de onderwijsinstelling: [onderwijsinstelling A] ,

- gegevens van [bedrijf A] : naam (VTL) en

contactpersoon,

- gegevens betreffende de opleiding: Chauffeur goederenvervoer, Crebo nummer opleiding

91830, leerweg BBL, niveau 2, ingangsdatum BPV: 21-1-2010, einddatum BPV:

20-1-2011, totaal aantal klokuren praktijkvorming: 1600 uren per periode.

De praktijkovereenkomsten vermelden voorts:

“Gelet op:

1. Het bepaalde in de artikelen 7.2.8 en 7.2.9 van de Wet van 21 oktober 1995, houdende bepalingen met betrekking tot educatie en beroepsonderwijs (Wet educatie en beroepsonderwijs, Staatsblad 1995/nummer 501);

2. De onderwijsovereenkomst beroepsovereenkomst die de deelnemer en de onderwijsinstelling zijn overeengekomen, welke met deze overeenkomst een geheel vormt;

3. De gunstige beoordeling van de beroepspraktijkvormingsplaatsen in de praktijkbiedende organisatie door het betreffende Kenniscentrum Beroepsonderwijs Bedrijfsleven als bedoeld in artikel 7.2.10. van eerder genoemde Wet educatie en beroepsonderwijs, welke orgaan in het geval van een beroepsbegeleidende leerweg (BBL) deze overeenkomst mede heeft ondertekend.”

De praktijkovereenkomsten zijn ondertekend door de vier deelnemers:

- de deelnemer (21 januari 2010),

- de praktijkbiedende organisatie (21 januari 2010),

- de onderwijsinstelling (geen datum), en

- [bedrijf A] (10 februari 2010).

7. Voorts heeft eiseres de zogeheten statusformulieren voor de portfolio’s ingebracht, met de door de werknemers van eiseres gevolgde werkprocessen, Leren, Loopbaan en Burgerschap (LLB) en taal, alsook de beoordeling van deze onderdelen door de praktijkbegeleider en de onderwijsinstelling.

8. Aan de werknemers die het examen met een voldoende resultaat hebben afgelegd, is door [onderwijsinstelling A] op 13 januari 2011 het landelijk erkende MBO-diploma Chauffeur goederenvervoer uitgereikt.

9. Gedurende de naheffingstijdvakken heeft eiseres een vermindering afdracht onderwijs, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder a, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (Wva), toegepast voor de categorie BBL.

10. Naar aanleiding van een in 2014 bij eiseres ingesteld boekenonderzoek heeft verweerder geconcludeerd dat eiseres ten onrechte voormelde afdrachtvermindering heeft toegepast en heeft hij de hiervoor genoemde naheffingsaanslagen en vergrijpboetes aan eiseres opgelegd. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn neergelegd in een tot de gedingstukken behorend controlerapport van 17 april 2014.

Geschil

11. In geschil is of eiseres recht heeft op de afdrachtvermindering onderwijs, waarbij het in het bijzonder gaat om de vraag of de werknemers de volledige beroepsopleiding hebben gevolgd. Daarnaast zijn de vergrijpboetes in geschil.

Niet langer in geschil zijn de vraag of de opleiding kwalificeert als deelkwalificatie en de vraag of de naheffingsaanslag die betrekking heeft op het jaar 2011 terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Eveneens is niet langer in geschil de vraag of de afdrachtvermindering die ziet op de werknemer [persoon D] in 2010 ten onrechte is toegepast omdat geen beroepspraktijkovereenkomst is overgelegd.

12. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslagen en de verzuimboetes ten onrechte zijn opgelegd. Er is volgens eiseres wel sprake van een BBL-opleiding. De werknemers hebben het gehele traject doorlopen en met een diploma afgesloten, zodat zij aldus eiseres recht heeft op de afdrachtvermindering. Daarnaast beroept eiseres zich op het gelijkheidsbeginsel.

13. Verweerder neemt het standpunt in dat eiseres geen recht heeft op afdrachtvermindering onderwijs, omdat het opleidingstraject dat de werknemers van eiseres hebben gevolgd niet voldoet aan de eisen van artikel 7.2.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs (hierna: WEB), maar in feite een verplichte nascholingscursus voor de zogenoemde Code 95 op het rijbewijs behelst. Voorts is niet gebleken dat de werknemers daadwerkelijk beroepspraktijkvorming hebben gevolgd. Verweerder neemt het standpunt in dat de boetes terecht zijn opgelegd omdat eiseres ernstig lichtvaardig heeft gehandeld.

Beoordeling van het geschil

Wettelijke bepalingen

14. In artikel 14 van de Wva is vermeld dat de afdrachtvermindering onderwijs van toepassing is met betrekking tot:

“a. de werknemer die de beroepspraktijkvorming volgt van de beroepsbegeleidende leerweg van een in artikel 7.2.2., eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs bedoelde beroepsopleiding, op de grondslag van een in artikel 7.2.8 van die wet bedoelde overeenkomst, gesloten door de in artikel 7.2.9 van die wet genoemde partijen en mede ondertekend door het bestuur van het desbetreffende kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven.”

15.1

In artikel 7.2.2, eerste lid, van de WEB worden de volgende beroepsopleidingen onderscheiden:

“a. de assistentopleiding,

b. de basisberoepsopleiding,

c. de vakopleiding,

d. de middenkaderopleiding

e. de specialistenopleiding, en

f. andere opleidingen.”

15.2

Volgens artikel 7.2.2, tweede lid, van de WEB bestaan de in het eerste lid bedoelde opleidingen uit:

“a. een beroepsopleidende leerweg, omvattend een praktijkdeel van ten minste 20% en minder dan 60% van de studieduur, of

b. een beroepsbegeleidende leerweg, omvattend een praktijkdeel van 60% of meer van de studieduur, dan wel

c. zowel de onder a als de onder b bedoelde leerweg.

(…).”

15.3

In artikel 7.2.4, achtste lid, van de WEB, wordt ter zake van de studieduur bepaald: “De studielast van elke opleiding wordt uitgedrukt in normatieve studiejaren. Een normatief studiejaar telt veertig weken van elk veertig uren studie, daaronder mede begrepen het onderricht in de praktijk. De studielast bedraagt voor de onderscheiden in artikel 7.2.2, eerste lid, onder a tot en met f, bedoelde opleidingen het volgende aantal normatieve studiejaren of het volgende gedeelte daarvan:

a. ten minste een half jaar en ten hoogste 1 jaar,

b. ten minste 2 en ten hoogste 3 jaren,

c. ten minste 2 en ten hoogste 4 jaren,

d. ten minste 3 en ten hoogste 4 jaren, en

e. ten minste 1 jaar en ten hoogste 2 jaren.

f. ten minste 15 weken.”

15.4

In artikel 7.2.8 van de WEB worden de volgende eisen gesteld aan de beroepspraktijkvorming:

“1. Van elke beroepsopleiding maakt onderricht in de praktijk van het beroep deel uit.

2. De beroepspraktijkvorming wordt verzorgd op grondslag van een overeenkomst, gesloten door de in artikel 7.2.9 genoemde partijen. De overeenkomst regelt de rechten en verplichtingen van partijen en omvat met inachtneming van het dienaangaande bij of krachtens deze wet bepaalde, ten minste bepalingen over:

a. de aanvangsdatum en einddatum van de beroepspraktijkvorming, alsmede het aantal te volgen praktijkuren per kalenderjaar,

b. de begeleiding van de deelnemer,

c. dat deel van de eindtermen dat de deelnemer tijdens de praktijkperiode dient te realiseren en de beoordeling daarvan, en

d. de gevallen waarin en de wijze waarop de overeenkomst voortijdig kan worden ontbonden.

(…)”

15.5

Het eerste lid van artikel 7.2.9 van de WEB luidde in 2010 als volgt:

“1. Het bevoegd gezag van de instelling draagt zorg voor de totstandkoming van de in artikel 7.2.8 bedoelde overeenkomst. De overeenkomst wordt gesloten door de instelling, de deelnemer en het bedrijf dat of de organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt. De overeenkomst wordt voor zover het de beroepsbegeleidende leerweg betreft, mede ondertekend door het bestuur van het desbetreffende kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven, dat daarmee verklaart:

a. dat het een bedrijf of organisatie betreft met een gunstige beoordeling als bedoeld in artikel 7.2.10, en

b. dat de gronden voor deze gunstige beoordeling nog steeds aanwezig zijn.”

Bewijslast en toepassing afdrachtvermindering

16. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat op eiseres de bewijslast rust om de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die kunnen leiden tot het oordeel dat zij recht heeft op de afdrachtvermindering onderwijs. De afdrachtvermindering is immers een belastingverlagende maatregel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres aan haar bewijslast voldaan. Hierbij acht de rechtbank het volgende van belang.

17. Artikel 14 van de Wva stelt als voorwaarde voor de afdrachtvermindering onderwijs dat de werknemer de beroepspraktijkvorming volgt van de beroepsbegeleidende leerweg. Tussen partijen is niet in geschil dat de in het Creboregister opgenomen opleiding met nummer 91830 kwalificeert als een opleiding waarop afdrachtvermindering onderwijs kan worden toegepast.

18. Vaststaat dat het onderhavige opleidingstraject voor eiseres op maat is gemaakt en een aangepast programma bevat. Dit brengt echter niet mee dat daarmee geen sprake kan zijn van een opleiding die is opgenomen in het Creboregister als gevolg waarvan artikel 14 van de Wva niet van toepassing zou zijn. Eiseres heeft in dit verband gemotiveerd gesteld dat de bij eiseres verzorgde opleiding inhoudelijk niet afwijkt van de in het Creboregister opgenomen opleiding met nummer 91830 en alle daarvoor vereiste onderdelen bevat. Dat de opleidingsduur korter is dan de standaardopleiding, 1 jaar in plaats van 2 jaar, vindt zijn oorzaak in de relevante voorkennis en praktijkervaring van de werknemers die hebben deelgenomen aan deze opleiding. Eiseres stelt dat op basis van werkervaring, vrijstellingen, maatwerk en kennis van het leerbedrijf de werknemers een korter opleidingstraject konden afleggen teneinde het erkende MBO-diploma te behalen. De rechtbank acht dit niet onaannemelijk. Daarmee voldoet de opleiding naar het oordeel van de rechtbank aan de eisen van de WEB. Dat de gevolgde opleiding op onderdelen samenvalt met het programma van de verplichte nascholing om de chauffeursaantekening op het rijbewijs te verlengen, doet hier niet aan af. De onderhavige wet- en regelgeving biedt geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel. De rechtbank merkt ten overvloede op dat nu het diploma in een kortere periode dan daar officieel voor staat is behaald, ook gedurende een kortere periode dan de reguliere opleidingsduur aanspraak op afdrachtvermindering onderwijs heeft bestaan.

19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met de door haar overgelegde stukken en haar verklaring ter zitting aannemelijk gemaakt dat de werknemers feitelijk alle onderdelen van het lesprogramma hebben gevolgd en de beroepsopleiding met een diploma hebben afgerond. Daartoe overweegt de rechtbank dat:

- de overeenkomst zoals die tussen eiseres en [onderwijsinstelling A] is gesloten, is overgelegd;

- de door de deelnemers behaalde diploma’s zijn overgelegd, waardoor is vastgesteld dat de

daadwerkelijk gevolgde opleiding de BBL-opleiding is waarover in de overeenkomst

wordt gesproken;

- in de POK’s die zijn overgelegd wordt vermeld dat het een Crebo-opleiding betreft;

- de praktijkovereenkomsten bepalingen bevatten over de praktijkbegeleiding zoals bedoeld

in artikel 7.2.8 van de WEB;

- het vermelde aantal uren studiebelasting weliswaar niet overeenkomt met de genormeerde

studiebelasting (1.600) zoals vermeld op de ‘Crebolijst opleidingsdomeinen,

kwalificatiedossiers en kwalificaties’, maar dat een afwijking van deze normatieve

studieduur niet op voorhand uitgesloten is;

- eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat er voldoende capaciteit voor de

praktijkbegeleiding aanwezig was;

- eiseres gemotiveerd heeft weersproken dat het vak Duits door niemand is gevolgd, hetgeen

ook is gebleken uit de overgelegde stukken.

De rechtbank concludeert dan ook dat eiseres voldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die aannemelijk maken dat de opleiding daadwerkelijk is gevolgd en dat daarmee aan de wettelijke voorwaarden voor de afdrachtvermindering onderwijs is voldaan.

20. Nu uit het voorgaande volgt dat eiseres voor het jaar 2010 in aanmerking komt voor de geclaimde afdrachtvermindering onderwijs en het jaar 2011 niet langer in geschil is, behoeft het overige door eiseres opgeworpen geschilpunt geen behandeling meer.

Vergrijpboetes

21. Ingevolge artikel 67f van de Awr kan aan een inhoudingsplichtige een vergrijpboete worden opgelegd indien het aan diens opzet of grove schuld is te wijten dat belasting welke op aangifte moet worden afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald. De bewijslast voor het opleggen van de vergrijpboete ligt bij verweerder. Feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat sprake is van grove schuld zijn door verweerder nauwelijks gesteld, laat staan bewezen. De stellingen van verweerder dat eiseres zich bewust had moeten zijn van het feit dat zij afdrachtvermindering toepaste op het loon van werknemers terwijl de gevolgde opleiding daar niet voor in aanmerking kwam en dat zij zich dan ook bewust moet zijn geweest van de onjuistheden in haar handelwijze, alsook van het gevolg daarvan, zijn daartoe onvoldoende. Reeds hierom moet worden geoordeeld dat de vergrijpboetes ten onrechte zijn opgelegd.

Slotsom

22. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen voor zover die betrekking hebben op de naheffingsaanslag en beschikking heffingsrente over het jaar 2010 en de boetebeschikkingen over beide jaren gegrond te worden verklaard en voor het overige ongegrond. De rechtbank zal de naheffingsaanslag over het jaar 2010 verminderen tot een bedrag van € 146, zijnde het bedrag van de afdrachtvermindering voor werknemer

[persoon D] , waarover tussen partijen geen geschil bestaat (zie hiervoor onder 11).

Proceskosten

23. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van de daadwerkelijk door haar gemaakte proceskosten.

24. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Besluit) worden de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beginsel forfaitair berekend. In bijzondere omstandigheden bestaat echter de mogelijkheid om een hogere vergoeding toe te kennen. Hiervoor bestaat in ieder geval aanleiding indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand kan houden (Hoge Raad 13 april 2007, nr. 41235, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Ook indien het bestuursorgaan op andere wijze verregaand onzorgvuldig heeft gehandeld kan dit grond opleveren om een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit aanwezig te achten (Hoge Raad 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975).

25. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van een bijzondere omstandigheid die een integrale proceskostenvergoeding rechtvaardigt. Niet kan worden gezegd dat verweerder een uitspraak heeft gedaan terwijl op dat moment duidelijk was dat die uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand kan houden. Evenmin kan worden gezegd dat verweerder door zijn weigering om de zaak aan te houden verregaand onzorgvuldig of tegen beter weten in heeft gehandeld. Immers, eerst in de beroepsfase heeft eiseres in haar reactie op de conclusie van dupliek de gegevens overgelegd waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden die gelden voor de afdrachtvermindering.

26. Gelet op het voorgaande heeft eiseres recht op een forfaitaire vergoeding van de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep. De rechtbank stelt voorop dat zij de onderhavige zaken en de zaken van [B.V. Y] met zaaknummers SGR 15/1557 en SGR 15/1558 aanmerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit. De rechtbank stelt de vergoeding voor de door eiseres gemaakte proceskosten op grond van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op die eiseres in verband met het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken vast op € 2.598 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 voor het indienen van een conclusie van repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1 en een factor 1,5 wegens samenhang). De rechtbank rekent deze kosten voor de helft, derhalve € 1.299, toe aan de zaken van eiseres, de andere helft rekent de rechtbank toe aan de zaken van [B.V. Y] Voor een hogere kostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep dat ziet op de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar over 2010 in zoverre;

- vermindert de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met

31 december 2010 en stelt deze vast op € 146;

- draagt verweerder op de beschikking heffingsrente over het tijdvak

1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 dienovereenkomstig te verminderen;

- verklaart het beroep dat ziet op de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 ongegrond;

- verklaart de beroepen voor zover die zien op de boetebeschikkingen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar over 2010 en 2011 in zoverre;

- vernietigt de boetebeschikkingen;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde gedeelten van de uitspraken op bezwaar over 2010 en 2011;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.299;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. N. Djebali, voorzitter, mr. E.I. Batelaan-Boomsma en mr. J.W. van den Berge, leden, in aanwezigheid van mr. J. van der Plas, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.