Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:5461

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-05-2016
Datum publicatie
19-05-2016
Zaaknummer
C/09/506240 / KG ZA 16-253
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De stormparaplu’s Stormaxi en Stormini van het merk Impliva wijken zodanig af van de Senz Original en de Senz Mini dat er geen sprake is van een inbreuk op het model- en auteursrecht (of andere rechten) van het bedrijf Senz. Dat is het oordeel van de Haagse kortgedingrechter in de zaak die Senz was gestart tegen Impliva.

Ruzie over modellen

Senz wilde dat Impliva stopt met het maken en verkopen van een aantal paraplu-modellen, omdat ze te veel lijken op haar eigen ontwerpen. De kortgedingrechter ging hier niet in mee, omdat Impliva voldoende afstand gehouden heeft van de modellen van Senz. Hierbij geldt dat de asymmetrie en de piramide-vorm van de paraplu’s door de techniek worden bepaald en een ontwerper van stormparaplu’s maar weinig vrijheid heeft. Hierdoor zijn relatief kleine verschillen al voldoende. Vooral van de bovenzijde of onderzijde af gezien, zijn duidelijk verschillen te zien. Ten eerste valt de afwijkende breedte van de achterkant van de paraplu’s op. Samen met het gebruik door Impliva van een centrale balein aan voor- en achterkant, is er een afwijkende vorm. Ook de andere aanzichten zijn anders.

Achtergrond bij dit kort geding

Senz is producent van stormparaplu’s. Zij heeft een paraplu ontworpen onder de naam Senz Original. Naast deze Senz Original is door Senz de Senz Mini ontworpen, een kleinere, opvouwbare variant van de Senz Original, met een vergelijkbare vormgeving. Het bedrijf heeft beide modellen geregistreerd om zich te beschermen tegen namaak-modellen.

Impliva is eveneens producent van paraplu’s. Recent heeft Impliva een model paraplu op de markt gebracht onder de naam Stormaxi. Naast de Stormaxi brengt Impliva ook nog een opvouwbare variant hiervan op de markt onder de naam Stormini.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zittingsplaats Den Haag

zaaknummer / rolnummer: C/09/506240 / KG ZA 16-253

Vonnis in kort geding van 19 mei 2016

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SENZ TECHNOLOGIES B.V.,

gevestigd te Delft,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SENZ UMBRELLAS B.V.,

gevestigd te Delft,

eiseressen,

advocaten mr. F.W.E. Eijsvogels, mr. R. van Kleeff,

en mr. I.C. de Bruijn, allen te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IMPLIVA B.V.,

gevestigd te Mijdrecht,

gedaagde,

advocaten mr. R.C.K. van Oerle, mr. Ch. Gielen en mr. A.M.E. Verschuur, allen te Amsterdam.

Eiseressen zullen hierna Senz Technologies en Senz Umbrellas worden genoemd en gezamenlijk worden aangeduid als Senz. Gedaagde zal hierna Impliva genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1-44;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens overlegging producties, met producties 1-27;

  • -

    de akte houdende overlegging reactieve producties van Senz, met producties 45-49;

  • -

    de conclusie van repliek, tevens akte houdende wijziging van eis;

  • -

    de conclusie van dupliek tevens antwoord wijziging van eis;

  • -

    de akte houdende overlegging productie 28 van Impliva;

  • -

    de akte houdende overlegging producties 29-34 van Impliva met aanvullende kostenstaat;

  • -

    de email/brief van Senz d.d. 26 april 2016 met een aangepaste kostenopgave;

  • -

    de mondelinge behandeling d.d. 28 april 2016;

  • -

    de pleitnota van Senz;

  • -

    de pleitnota van Impliva.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Senz is producent van stormparaplu’s. Zij heeft een paraplu ontworpen onder de naam Senz Original. Hieronder is een afbeelding van het betreffende product geplaatst.

2.2.

Naast deze Senz Original is door Senz de Senz Mini ontworpen, een kleinere, opvouwbare variant van de Senz Original, met een vergelijkbare vormgeving:

2.3.

Senz Technologies heeft de vormgeving van de Senz Original en de Senz Mini als gemeenschapsmodel geregistreerd onder de volgende nummers:

00579032-0001 met registratiedatum 25 augustus 2006 en de volgende afbeeldingen:

00579032-0002 met registratiedatum 25 augustus 2006 en de volgende afbeeldingen:

2.4.

De Senz Original en de Senz Mini worden op de markt gebracht door Senz Umbrellas in de volgende kleuren:

2.5.

Impliva is eveneens producent van paraplu’s. Impliva heeft The Office for Harmonization in the Internal Market (OHIM) verzocht de hiervoor genoemde modelrechten van Senz nietig te verklaren. Impliva deed daarbij een beroep op US 5505221 (in de uitspraken wel aangeduid met 'the earlier patent'), gepubliceerd op 9 april 1996, waarbij onder meer de volgende figuren horen:

2.6.

In de daarop volgende procedure heeft uiteindelijk het Gerecht van Eerste Aanleg van de EU op 21 mei 2015 (T-22/13 en T-23/13) beslist dat het verzoek van Impliva dient te worden afgewezen. Het Gerecht overwoog onder meer het volgende:

24 Regarding the first argument put forward by the applicant, to the effect that a design has nothing to do with patents, it should first of all be borne in mind that the definition laid down in Article 3(a) of Regulation No 6/2002, under which a design is defined as 'the appearance of the whole or a part of a product resulting from the features of, in particular, the lines, contours, colours, shape, texture and/or materials of the product itself and/or its ornamentation'. As rightly pointed out by OHIM at the hearing, it is only 'the appearance' as such which is the decisive criterion for there to be a design within the meaning of Regulation No 6/2002 and not the legal form under which that appearance is protected. The fact that the earlier right relied on by the intervener is a patent is therefore of no import in the present case, so long as that patent has the required characteristics of a design as laid down in Article 3(a) of Regulation No 6/2002. The earlier patent covers the umbrella designated by it as resulting from the features of its lines, contours, angles and shape. Therefore, the earlier patent contains not only the technical description of an asymmetrical umbrella but also its appearance. It is accordingly a design within the meaning of Article 3(a) of Regulation No 6/2002 on which the intervener could rightly rely as an earlier design within the meaning of Article 7(1) thereof. The applicant's argument in that regard must therefore be rejected.

25 As to the other arguments put forward by the applicant as part of its first plea in law, it should be remembered that Article 7(1) of Regulation No 6/2002 provides that '[f]or the purpose of applying Articles 5 and 6, a design shall be deemed to have been made available to the public if it has been published following registration or otherwise, or exhibited, used in trade or otherwise disclosed, before the date referred to in Articles 5(l)(a) and 6(l)(a) or in Articles 5(1)(b) and 6( 1)(b), as the case may be, except where these events could not reasonably have become known in the normal course of business to the circles specialised in the sector concerned, operating within the Community'.

26 A design is therefore deemed to have been made available once the party relying thereon has proven the events constituting disclosure. In order to refute that presumption, the party challenging the disclosure must establish to the requisite legal standard that the circumstances of the case could reasonably prevent those facts from becoming known in the normal course of business to the circles specialised in the sector concerned.

27 Moreover, the presumption provided for in Article 7(1) of Regulation No 6/2002 applies irrespective of where the events constituting disclosure took place, since it can be seen from the wording of the first sentence of Article 7(1) of Regulation No 6/2002 that it is not absolutely necessary, for the purpose of applying Articles 5 and 6 of that regulation, for the events constituting disclosure to have taken place within the European Union in order for a design to be deemed to have been made available to the public (judgment of 13 February 2014 in H. Gautzsch Groβhandel, C-479/12, ECR, EU:C:2014:75, paragraph 33).

(…)

39 In the light of all the foregoing, the conclusion is therefore that the applicant has failed to establish sufficiently that the circumstances of the present case prevented the circles specialised in the sector concerned from learning of the publication of the earlier patent on the USPTO website and thereby learn of the patent. Accordingly, the Board of Appeal did not err in finding that the earlier patent had been made available within the meaning of Article 7(1) of Regulation No 612002. The first plea in law relied on by the applicant must therefore be rejected in its entirety.

(…)

41 The Board of Appeal defined the informed user as someone wishing to use an umbrella, who needs to purchase one and who has become informed on the subject. The umbrella will be used in accordance with its purpose, which is to protect the user from rain and inclement weather.

(…)

46 The conclusion, therefore, is that the definition of the informed user adopted by the Board of Appeal is, rightly, not challenged by the applicant.

(…)

The degree of freedom of the designer

54 The Board of Appeal held that there was 'some degree of design freedom' in the overall shape or size of the canopy and considerable design freedom in terms of the possibilities for varying patterns and colours.

55 All parties to the present proceedings consider, as they confirmed at the hearing, that in the present case the designer is limited by technical constraints arising from the wind-resistance function of umbrellas, which places limits on the designer's degree of freedom.

56 According to the case-law, the designer's degree of freedom is established by, inter alia, the constraints of the features imposed by the technical function of the product or an element thereof, or by statutory requirements applicable to the product. Those constraints result in a standardisation of certain features, which will thus be common to the designs applied to the product concerned (judgments of 9 September 2011 in Kwang Yang Motor v OHIM- Honda Giken Kogyo (Internal combustion engine), T-I1108, EU:T:2011:447, paragraph 32, and of 25 April 2013 in Bell & Ross v OHIM - KIN (Wristwatch case), T-80/10, EU:T:2013:214, paragraph 112).

57 Therefore, the greater the designer's freedom in developing a design, the less likely it is that minor differences between the designs at issue will be sufficient to produce different overall impressions on an informed user. Conversely, the more restricted the designer's freedom in developing a design, the more likely it is that minor differences between the designs at issue will be sufficient to produce different overall impressions on an informed user. Therefore, if the designer enjoys a high degree of freedom in developing a design, that reinforces the conclusion that designs that do not have significant differences produce the same overall impression on an informed user (judgments in Internal combustion engine, cited in paragraph 56 above, EU:T:2011:447, paragraph 33, and Wristwatch case, cited in paragraph 56 above, EU:T:2013:214, paragraph 113).

58 In the present case, it must be observed, firstly, that an umbrella must necessarily have a shaft, a canopy resting on at least three ribs, a handle and eye savers. Although it is true that the umbrella designs may come in unlimited varieties according to the colours and patterns used for the canopy, those design features have no bearing on the comparison of the umbrella covered by the earlier patent and the umbrellas covered by the contested designs. However, the possibilities for varying the shape of the canopy, which in turn necessarily affects the number of ribs, are rather limited in that the designer may opt for a rectangular, polyangular, round, asymmetrical or atypical shape, such as a heart or star shape, whilst accommodating functional constraints arising from the fact that the canopy must ensure sufficient protection against rain. The designer may also vary the threedimensional appearance of the canopy to give it a cupola or more flat, conical or pyramidal shape. As regards, inter alia, the handle, the eye savers, the ribs and the shaft, the possibilities for variation are limited, principally because their appearances are to a large extent dictated by the functionality of an umbrella. By contrast, the umbrellas covered by the contested designs are umbrellas intended to be highly wind-resistant. As explained by the parties at the hearing, this windresistant function, which the umbrellas covered by the contested designs must perform, places limitations subsequently on the possibilities for varying inter alia the shape and depth of the canopy, ribs and eye savers.

59 Accordingly, the conclusion is that the degree of freedom of the designer in the present case is limited, with the result that, in accordance with the case-law cited in paragraph 57 above, even minor differences between the earlier patent and the contested designs suffice to produce different overall impressions on the informed user.

(…)

86 In order to determine whether the contested designs have individual character in relation to the earlier patent, account must be taken of the comparisons made of different views, the degree of attention shown by the informed user and the degree of freedom of the designer in the development of the design.

87 As regards the informed user, the definition provided by the Board of Appeal, according to which the informed user is someone wishing to use an umbrella, who needs to purchase one and who has become informed on the subject, has been accepted. The informed user also knows the different models of umbrella and their usual features and shows a relatively high level of attention in respect of the products concerned.

88 The designer's degree of freedom has been held to be limited.

89 The comparison of the umbrella covered by the earlier patent with the umbrellas covered by the contested designs has shown that all the umbrellas are asymmetrical in appearance in that their shafts are positioned off-centre in relation to their canopies.

90 As to the comparison of the different views of the umbrella covered by the earlier patent and the umbrellas covered by the contested designs, it has been found that the overhead views are different, that the views from underneath, which can be taken into account only in so far as they can be deduced from the other views, comprise the same differences and that the lateral views, in terms of the lateral view of the earlier patent in so far as it can be deduced from the cross-intersection (Fig. 3), comprise significant differences.

91 The umbrella covered by the earlier patent has a flat surface in the middle and is characterised by curved lateral contours resting on a regular octagon, whereas the design contested in Case T-22/13 has an irregular pyramidal shape and the design contested in Case T-23/13 has a quasi-pyramidal shape with slightly bent lateral contours marked by ribs made up of straight parts. The umbrellas covered by the contested designs are also resting on an elongated, irregular octagon.

92 The umbrella covered by the earlier patent has curved ribs, whereas the design contested in Case T-22/13 has straight ribs and the design contested in Case T-23/13 has two ribs in the back made up of three straight parts bent towards the back and six ribs made up of two straight parts bent towards the front or towards the sides.

93 In the light of those observations, the conclusion is that it is the canopy shapes which characterise the overall impressions produced by the earlier patent and by the contested designs and which gives each of the umbrellas examined a very specific and, therefore, individual character within the meaning of Article 6(1) of Regulation No 6/2002.

95 First of all, as regards the comparison between the situation in the present case and the situation where someone who has never seen an aircraft before and for the first time sees a Concorde and an Airbus A 380, the conclusion is that a user faced for the first time with an asymmetrical umbrella cannot be likened to the user described by OHIM. The appearance of an asymmetrical umbrella may be regarded as innovative or even original, but it is not so striking that a user would lose sight of all the other remarkable features of the umbrella. Moreover, if OHIM's line of argument were to be followed, it would lead to a situation where the proprietor of the first design registered for a new product could prevent protection of any subsequent design concerning the same category of products on the sole ground that the new and unusual character of the design of the first model no longer allows for identification and perception of differences in subsequent models or, to put it another way, that the first design protected precludes, for the duration of its protection, any future design concerning the same type of product. It goes without saying that such a position is completely untenable. Contrary to OHIM's submission, nor is support for the approach it advocates to be drawn from the judgment of 13 November 2012 in Antrax It v OHIM - THe (Radiators for heating) (T-83111 and T-84111, ECR, EU:T:2012:592), in which the Court of Justice stated, in paragraph 89, that a possible saturation of the state of the art, deriving from the alleged existence of other designs for thermosiphons or radiators which have the same overall features as the designs at issue, was relevant, in so far as it could be capable of making the informed user more attentive to the differences in the internal proportions of those different designs. There is nothing in that case-law to support the position that a user confronted with two new and unusual designs, which in the present case have significant differences, is no longer able to perceive those differences solely because one of the characteristic features of those designs is the same for both.

96 Secondly, as to the argument put forward a number of times by OHIM and the intervener, to the effect that the off-centre positioning in relation to the canopy is the dominant feature of the earlier patent and the contested designs, with the result that it dominates the informed user's perception, it must be observed that the off-centre positioning is perceived strongly only if the comparison is made only with a more usual type of umbrella model, that is to say, a symmetrical umbrella. By contrast, when two asymmetrical umbrellas are to be compared, the mere fact that they both are asymmetrical does not preclude the overall impression produced by the umbrellas from being different.

97 Thirdly, the fact that the user views the umbrella inter alia from underneath is also irrelevant to the assessment of the individual character of the contested designs. In attaching greater weight to the perception of the umbrellas from the perspective of underneath, the Board of Appeal disregards the fact that the designs are rights protecting the appearance as it results from specific designs and not perspectives which have not been reproduced in those designs. Moreover, if decisive weight were to be attached to the perspective during use for the assessment of the perception of an appearance by the user, all the objects which the user puts on (such as clothing), wears (such as hats, bonnets, glasses or helmets) or on or in which the user may habitually find himself or herself (such as bicycles), are, in principle, devoid of individual character because they have no distinctive appearance when used (glasses, helmets, hats) or a barely perceptible appearance and similar contours (bicycles, clothing). Clearly such a consequence does not reflect the reality in which the user makes his or her decision to purchase and decision to use these types of objects, which in most cases is based on their design. Moreover, even if the user sees certain products from only a limited perspective when using them, he or she will be aware of all the other perspectives at the time of use.

98 Fourthly, the conclusion that the contested designs each have individual character in relation to the umbrella covered by the earlier patent is not contradictory with the judgment of 9 September 2011 in Kwang Yang Motor v ORIM - Honda Giken Kogyo (Combustion engine with the vent on the top) (T-lO/08, EU:T:2011:446) cited by the Board of Appeal in paragraph 19 of the contested decision. That case concerned a lawnmower. In paragraph 22 of that judgment the Court held that the user, standing behind the lawnmower, sees the engine from the top and therefore sees principally the upper side of the engine. It follows that the upper side of the engine determines the overall impression produced by the engine. Unlike products which the user can easily turn over and around and thus observe from any perspective, the engine of a lawnmower can be seen from another angle than from above only with difficulty. It goes without saying that the user will not engage in such behaviour when observing, purchasing or using a lawnmower. However, there is no reason to suppose that the informed user should not see an umbrella from above or the sides before making his or her purchasing decision.

99 Fifthly, as to the argument put forward inter alia by the intervener, with which OHIM also concurred in its final observations at the hearing, to the effect that the shape of the canopy is the result of aerodynamic constraints, which is why it cannot be taken into consideration, or only to a lesser degree, in the assessment of individual character of the umbrella covered by the earlier patent and the umbrellas covered by the contested designs, it must be borne in mind that, under Article 8(1) of Regulation No 6/2002, a design does not subsist in the features of a product's appearance which are solely dictated by its technical function.

100 The Court observes, first, that the Board of Appeal, in paragraph 29 of each of the contested decisions, found only that differences between the umbrellas also depend on aerodynamic considerations rather than pure aesthetic design'. Nor did it examine to what extent the features of the appearance of the contested designs were 'solely' dictated by their function.

101 The Court also observes that Regulation No 6/2002 does not provide for a limitation of protection for designs and those of their features which (also) fulfil a technical function, It is only when one or more features of a product's appearance are dictated solely by its technical function that that regulation provides that such a feature must not be taken into account for the purposes of such an assessment of individual character. The Board of Appeal therefore erred in attaching only limited importance to the features which also resulted from the wind-resistance function of the umbrellas covered by the contested designs for the purpose of assessing the individual character of those designs.

102 It follows from all the foregoing that the Board of Appeal erred in concluding that the contested designs do not have individual character. The applicant's second plea is therefore admissible. The action must therefore be upheld and the contested decision annulled.

2.7.

Eerder, in 2007, is door de voorzieningenrechter van deze rechtbank geoordeeld dat een destijds door Impliva ontworpen prototype van een stormparaplu inbreuk maakt op de modelrechten van Senz.

2.8.

In 2013 heeft Senz Impliva aangeschreven omdat bepaalde modellen paraplu’s die Impliva volgens Senz op de markt wilde brengen, naar de mening van Senz inbreuk maakten op haar modelrechten. Impliva is niet overgegaan tot het daadwerkelijk op de markt brengen van de desbetreffende producten.

2.9.

Recent heeft Impliva een model paraplu op de markt gebracht onder de naam Stormaxi. Een afbeelding daarvan is hieronder weergegeven.

Impliva brengt deze paraplu’s in de volgende kleuren op de markt:

2.10.

Naast de Stormaxi brengt Impliva ook nog een opvouwbare variant hiervan op de markt onder de naam Stormini (in dezelfde kleuren):

2.11.

Senz heeft Impliva bij brief van 14 januari 2016 schriftelijk gesommeerd het aanbieden van de Stormaxi en Stormini te staken en gestaakt te houden. Impliva heeft hierop niet gereageerd.

3 Het geschil

3.1.

Senz vordert na wijziging van eis:

A. Impliva te bevelen binnen 24 uur na betekening van dit vonnis iedere inbreuk op de Gemeenschapsmodelrechten van Senz Technologies te staken en gestaakt te houden in alle lidstaten van de Europese Unie;

B. Impliva te bevelen binnen 24 uur na betekening van dit vonnis iedere inbreuk op de auteursrechten van Senz Technologies op de Senz Modellen (zoals gedefinieerd de dagvaarding) te staken en gestaakt te houden in Nederland en in alle overige landen van de Europese Unie en overige landen die aangesloten zijn bij de Berner Conventie en/of de Universele Auteursrecht Conventie;

C. Impliva te bevelen binnen 24 uur na betekening van dit vonnis ieder onrechtmatig handelen jegens Senz als in de dagvaarding en in de onderhavige conclusie omschreven, te staken en gestaakt te houden in Nederland en in alle overige landen die aangesloten zijn bij het Unieverdrag van Parijs dan wel – subsidiair – alle landen van de Europese Unie, meer in het bijzonder, maar niet beperkt tot, het (doen) vervaardigen, het in voorraad hebben, het (doen) im- en exporteren, het te koop (doen) aanbieden, het (doen) verkopen en het (doen) leveren van paraplu’s indien het (doen) verrichten van deze handelingen door Impliva een misleidende of oneerlijke handelspraktijk betreft en/of anderszins onrechtmatig is jegens Senz omdat de betreffende paraplu’s een slaafse nabootsing vormen van [de voorzieningenrechter leest] de Senz Original of de Senz Mini;

D. Impliva te bevelen bij overtreding van ieder van de hiervoor in sub A, B en/of C gevorderde bevelen, aan Senz Technologies en bij overtreding van het sub C gevorderde bevel aan Senz een onmiddellijk opeisbare dwangsom te betalen van EUR 20.000,- (zegge: twintigduizend euro) per dag, een gedeelte van een dag voor een gehele gerekend, dat Impliva dit bevel overtreedt, dan wel, ter keuze van de betreffende eiseres, van

EUR 10.000,- (zegge: tienduizend euro) per bij een handelen in strijd van een of meerdere van deze bevelen betrokken product, met een maximum van EUR 1.000.000,- (zegge: een miljoen euro);

E. Impliva te bevelen binnen 24 uur na de betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan alle personen waaraan zij de mailing heeft gestuurd zoals bedoeld in paragraaf 44 van de inleidende dagvaarding een rectificatie mailing te doen uitgaan alsmede een rectificatie op de voorpagina van haar website te plaatsen (direct zichtbaar bij het openen van www.impliva.nl), met uitsluitend de navolgende tekst:

“( EN ) In a preliminary decision of [ date ] issued at the request of Senz Technologies B.V. and Senz Umbrellas B.V. (the designers and sellers of the original Senz storm umbrellas) the District Court of The Hague ordered us not to offer, sell, deliver, display pictures of and/or otherwise commercialize our Stormaxi and Stormini umbrellas anymore as they infringe upon the European design rights and copyrights of Senz and/or because the marketing thereof is regarded as an act of unfair competition towards Senz.

( NL ) Bij vonnis van [ datum ] heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag ons op verzoek van Senz Technologies B.V. en Senz Umbrellas B.V. (de ontwerpers en verkopers van de originele Senz stormparaplu) bevolen om onze Stormaxi en Stormini paraplu’s niet meer aan te bieden, te verkopen, te leveren, afbeeldingen daarvan te tonen en/of anderszins te commercialiseren omdat zij inbreuk maken op de Europese modelrechten en auteursrechten van Senz en/of omdat de verhandeling daarvan ongeoorloofde mededinging oplevert jegens Senz.”

dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen tekst;

F. Impliva te gebieden binnen 24 uur na verzending van de onder E bedoelde mailing een afschrift van de rectificatiemailing aan de advocaten van Senz te sturen inclusief bewijs dat die rectificatiemailing is verstuurd aan alle personen waaraan deze conform het petitum onder E dient te worden verstuurd;

G. Impliva te bevelen binnen 72 uur na de betekening van het in dit geding te wijzen vonnis aan een ieder die bij haar een order heeft geplaatst of na de betekening plaatst voor de Stormaxi of Stormini uitsluitend het navolgende mee te delen (in de taal waarin de order werd geplaatst):

“We regret to have to inform you that we will be unable to fulfill your order. This is due to the fact that the District Court of The Hague in a preliminary decision of [ date ] issued at the request of Senz Technologies B.V. and Senz Umbrellas B.V. (the designers and sellers of the original Senz storm umbrellas) ordered us not to offer, sell, deliver and/or otherwise commercialize our Stormaxi and Stormini umbrellas.

We apologize for the inconvenience caused.

Yours sincerely,

Impliva B.V.”

dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen tekst;

H. Impliva te gebieden een afschrift van de onder G bedoelde berichten telkens binnen drie dagen na verzending aan de advocaten van Senz te sturen;

I. Impliva te bevelen alle reeds aan zakelijke afnemers geleverde exemplaren van de Stormaxi en de Stormini op eigen kosten terug te nemen en daartoe, binnen zeven (7) dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis, een brief in normale opmaak, met gebruik van een normaal lettertype en normale lettergrootte, zonder overige toevoegingen en met uitstuitend de navolgende inhoud aan deze afnemers te sturen, onder gelijktijdige toezending van een afschrift van iedere verzonden brief aan de advocaten van Senz:

“( EN ) In a preliminary decision of [ date ] issued at the request of Senz Technologies B.V. and Senz Umbrellas B.V. (the designers and sellers of the original Senz storm umbrellas) the District Court of The Hague ordered us not to offer, sell, deliver and/or otherwise commercialize our Stormaxi and Stormini umbrellas anymore as they infringe upon the European design rights and/or copyrights of Senz and/or because the sale thereof constitutes an act of unfair competition towards Senz.

In addition, the Court ordered us to recall all infringing products that we delivered to business customers for destruction. We therefore ask you to return to us all storm umbrellas (Stormini and Stormaxi) that you ordered from us and that you still have under your control. We will reimburse the costs involved with returning these products.

( NL ) Bij vonnis van [ datum ] heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag ons op verzoek van Senz Technologies B.V. en Senz Umbrellas B.V. (de ontwerpers en verkopers van de originele Senz stormparaplu) bevolen om onze Stormaxi en Stormini paraplu’s niet meer aan te bieden, te verkopen, te leveren en/of anderszins te commercialiseren omdat zij inbreuk maken op de Europese modelrechten en/of auteursrechten van Senz en/of omdat de verhandeling daarvan ongeoorloofde mededinging oplevert jegens Senz.

Daarnaast heeft de rechtbank ons bevolen alle inbreukmakende producten die wij aan zakelijke afnemers hebben geleverd terug te roepen ter vernietiging. Wij verzoeken u daarom alle Stormparaplu’s (Stormini en Stormaxi) die u van ons hebt afgenomen en nog onder controle heeft, aan ons te retourneren. De hiermee gemoeide kosten zullen wij vergoeden.”

dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen tekst;

J. Impliva te bevelen de advocaten van Senz binnen veertien (14) dagen na betekening van het in dit geding te wijzen vonnis te verstrekken een schriftelijke verklaring, gestaafd door goed leesbare afschriften van documenten zoals inkooporders, facturen en afschriften uit de administratie van gedaagde, gecontroleerd en goedgekeurd door een registeraccountant op basis van onafhankelijk en zelfstandig onderzoek door deze accountant, betreffende:

i- de volledige namen en adressen van de leveranciers van wie gedaagde de Stormaxi en de Stormini heeft betrokken;

ii- de volledige namen en adressen van de professionele afnemers aan wie gedaagde de Stormaxi en de Stormini heeft geleverd;

iii- het aantal door gedaagde vervaardigde en/of ingekochte exemplaren van de Stormaxi en de Stormini, gespecificeerd per type product (Stormaxi en -mini);

iv- het aantal exemplaren van de Stormaxi en de Stormini dat gedaagde heeft verkocht, gespecificeerd per type product (Stormaxi en -mini);

v- de totale hoeveelheid exemplaren van de Stormaxi en de Stormini die gedaagde, eventuele nevenvestigingen van gedaagde en derden voor gedaagde, op de dag van betekening van deze dagvaarding in voorraad hielden respectievelijk houden, gespecificeerd per type product (Stormaxi en -mini);

K. Impliva te bevelen binnen veertien (14) dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis de totale voorraad exemplaren van de Stormaxi en de Stormini, zoals blijkt uit de te verstrekken opgave als bedoeld in vordering sub J onder v, alsmede binnen veertien (14) dagen na ontvangst van de door een afnemer ingevolge de in vordering sub I bedoelde brief geretourneerde producten, op eigen kosten te laten vernietigen onder toezicht en in het bijzijn van een deurwaarder en een kopie van het door de deurwaarder opgemaakte proces-verbaaI van vernietiging aan de advocaten van Senz te sturen;

L. Impliva te bevelen bij overtreding van ieder van de hiervoor in sub E, F, G, H, I en/of J gevorderde bevelen, aan Senz Technologies een onmiddellijk opeisbare dwangsom te betalen van EUR 10.000,- (zegge: tienduizend euro) per keer dat gedaagde dit bevel overtreedt, dan wel, zulks ter keuze van Senz Technologies, EUR 10.000,- (zegge: tienduizend euro) voor iedere rectificatie die in strijd met vordering sub E niet of niet tijdig wordt geplaatst, voor ieder afschrift en/of bewijs dat in strijd met sub F, H en/of I niet naar de advocaten van Senz wordt verstuurd, voor iedere mededeling/brief die niet of niet tijdig in overeenstemming met vordering sub G en/of I wordt verstuurd, voor ieder exemplaar van de Stormaxi of Stormini dat in strijd met vordering sub I niet of niet tijdig wordt teruggenomen, voor ieder exemplaar van de Stormaxi of Stormini waarvan in strijd met de vordering sub J geen of te laat accurate opgave wordt gedaan en voor ieder exemplaar van de Stormaxi of Stormini dat in strijd met vordering sub K niet of niet tijdig wordt vernietigd, met een maximum van EUR 1.000.000,- (zegge: een miljoen euro);

M. De termijn als bedoeld in artikel 1019i Rv binnen welke de eis in de hoofdzaak dient te worden ingesteld te bepalen op zes maanden na het wijzen van vonnis;

N. Impliva te veroordelen in de kosten van het geding met inachtneming van hetgeen is bepaald in artikel 1019h Rv, en voor zover artikel 1019h Rv niet van toepassing is, op basis van het liquidatietarief, in beide gevallen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen, althans vanaf een door de voorzieningenrechter redelijk geachte termijn, na het in deze te wijzen vonnis indien en voor zover Impliva deze kosten niet voordien heeft voldaan.

O. Impliva te veroordelen in de nakosten ten bedrage van respectievelijk EUR 131,= zonder betekening, en EUR 199,= met betekening, laatstbedoeld bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente indien en voor zover Impliva dit niet binnen (de wettelijk vereiste termijn van) twee dagen, althans binnen een door de voorzieningenrechter redelijk geachte termijn na betekening van het in deze te wijzen vonnis heeft voldaan.

P. Het vonnis, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad toe te verklaren.

3.2.

Senz stelt dat Impliva inbreuk maakt op haar intellectuele eigendomsrechten, althans zich schuldig maakt aan slaafse nabootsing van haar producten.

3.2.1.

Gezien de uitspraak van het Gerecht van Eerste Aanleg van de EU van 21 mei 2015 moet er van moet worden uitgegaan dat Senz een geldig modelrecht heeft voor de Senz Original en Senz Mini. De Stormaxi en Stormini wekken een zelfde algemene indruk bij de geïnformeerde gebruiker als de modellen van Senz. Die algemene indruk wordt vrijwel geheel bepaald door de vorm van het doek. Die is bij de producten van Impliva (nagenoeg) gelijk. De overeenkomsten tussen de producten van Senz en die van Impliva zijn volgens Senz niet (uitsluitend) het gevolg van technische of functionele vereisten. De Stormaxi en Stormini lijken ook veel meer op de Senz Original en Senz Mini dan op andere producten uit het vormgevingserfgoed, zoals door het Gerecht beoordeeld. Er is derhalve sprake van inbreuk op haar modelrechten, aldus Senz.

3.2.2.

Senz stelt daarnaast dat haar producten auteursrechtelijk worden beschermd. De Senz Original en de Senz Mini hebben een eigen oorspronkelijk karakter en dragen het persoonlijk stempel van de maker. De papaplu’s van Senz onderscheiden zich door het gebruik van rechte lijnen en een strakke vormgeving. Zowel de voor- als achterzijde loopt, gezien in zijaanzicht, vanuit de top schuin af. Alle door baleinen begrensde panelen lopen schuin naar beneden af in (vrijwel) rechte lijnen (met bij de Senz Mini een uitgesproken vouw). Hierdoor is bij ieder aanzicht een duidelijke knik bij de top zichtbaar. Verder loopt de achterzijde van de paraplu naar het einde taps toe. Deze combinatie van (niet technisch bepaalde) elementen leidt tot een auteursrechtelijk beschermd werk. Omdat Impliva al deze elementen heeft overgenomen is sprake van inbreuk op het auteursrecht van Senz.

3.2.3.

Ook los van voormelde inbreuk op intellectuele eigendomsrechten is volgens Senz sprake van onrechtmatig handelen door Impliva. Er is sprake van slaafse nabootsing van haar producten waardoor onnodig verwarring wordt gewekt bij het publiek. Daar komt bij dat Impliva op onrechtmatige wijze profiteert van het bedrijfsdebiet van Senz, door promotionele teksten te kopiëren, eenzelfde kleurenrange voor haar producten te gebruiken en een vergelijkbaar promotiefilmpje van een windtunneltest te gebruiken. Ook misleidt Impliva het publiek door op de Facebookpagina van het International Film Festival Rotterdam waarop een afbeelding was geplaatst van een als prijs te winnen paraplu van Senz te (laten) vermelden dat zij deze paraplu “10x zo goedkoper” verkoopt.

3.3.

Impliva voert verweer. Met haar huidige modellen, de Stormaxi en Stormini, is bewust gekozen voor een andere vormgeving dan de eerdere ontwerpen, die door Senz (en de voorzieningenrechter in 2007) inbreukmakend werden geacht. Impliva verwijst verder naar rapporten van deskundigen, waaruit blijkt dat de vorm van een asymmetrische aerodynamische stormparaplu merendeels bepaald wordt door technische vereisten. Dat deel van de door Senz gekozen vorm valt daarmee buiten de beschermingsomvang van het modellenrecht. Volgens Impliva is verder van belang dat zij, anders dan Senz, heeft gekozen voor een stormbestendige constructie die is gebaseerd op stijfheid van baleinen. Hierdoor is de vorm van haar product reeds voor een groot deel bepaald, wat het meest zichtbaar is in de ‘knik’ of ‘piramide’ in de top. Binnen deze begrenzing wijkt de vorm van de Stormaxi en de Stormini echter op een groot aantal punten af van de Senz Original en Senz Mini. De baleinen zijn anders gepositioneerd, wat onder meer tot gevolg heeft dat bij het ontwerp van Impliva het voorvlak in tweeën wordt gesplitst. Verder heeft de onderkant van het doek bij de paraplu’s van Senz een boogvorm, terwijl deze bij de ontwerpen van Impliva plat is. Ook neemt de breedte van de paraplu’s, naar de achterzijde toe bezien, bij de modellen van Senz gelijkmatiger af, terwijl deze bij de paraplu’s van Impliva breed blijft. Daarnaast zijn de modellen van Impliva minder hoog, waardoor de baleinen een minder steile hoek met de stok maken. Door deze en andere verschillen zal bij de geïnformeerde gebruiker niet dezelfde algemene indruk ontstaan. Van inbreuk op het modelrecht is daarom geen sprake.

3.3.1.

Gezien de mate waarin het ontwerp van een stormparaplu wordt bepaald door technische en functionele vereisten komen deze volgens Impliva niet in aanmerking voor auteursrechtelijke bescherming. Voor zover dit toch het geval is dient bij het bepalen van de inbreuk te worden geabstraheerd van de overeenkomsten die voortvloeien uit deze technische en functionele vereisten. De verschillen die dan overblijven, zoals hiervoor genoemd, leiden tot een andere totaalindruk.

3.3.2.

Om de hiervoor genoemde redenen is volgens Impliva evenmin sprake van slaafse nabootsing. Impliva betwist dat zij op onrechtmatige wijze profiteert van het bedrijfsdebiet van Senz. Voor windtunneltests zijn slechts weinig locaties beschikbaar en de camerapositie is grotendeels technisch bepaald. Een zekere mate van overeenstemming in de promotiefilmpjes is dan onvermijdelijk, maar van bewust nabootsen is geen sprake. Impliva betwist dat zij haar producten in dezelfde kleurenrange als Senz aanbiedt. Het bericht op Facebook en de volgens Senz gekopieerde promotieteksten zijn afkomstig van partijen waarover Impliva geen zeggenschap heeft, zodat zij daarvoor niet verantwoordelijk kan worden gehouden.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.

Impliva heeft de internationale noch relatieve bevoegdheid betwist. Volledigheidshalve wordt overwogen dat de voorzieningenrechter bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen ter zake het modellenrecht op grond van de artikelen 80 lid 1, 81 aanhef en onder a, 82 lid 1 en 90 lid 1 GModVo1, aangezien Impliva in Nederland is gevestigd. Deze bevoegdheid strekt zich wat betreft de gestelde inbreuk op grond van artikel 83 lid 1 en 90 lid 3 GModVo uit tot alle lidstaten van de Europese Unie. Voor zover de vorderingen zien op landen buiten de EU is er internationale bevoegdheid op basis van artikel 2 Rv2.

Modelrecht

4.2.

De voorzieningenrechter neemt, gelet op de uitspraak van het Gerecht van Eerste Aanleg van de EU van 21 mei 2015 zoals hiervoor in r.o. 2.5 weergegeven in dit kort geding tot uitgangspunt dat de Senz-modellen geldig beschermd zijn. De reikwijdte van de daarmee verkregen bescherming omvat elk model dat bij de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk wekt. Daarbij wordt rekening gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van een model (artikel 10 GModVo).

4.3.

Onder het begrip ‘geïnformeerde gebruiker’ dient te worden te worden verstaan een gebruiker die niet slechts gemiddeld, maar in hoge mate aandachtig is, hetzij door persoonlijke ervaring, hetzij door kennis van de betrokken sector. De voorzieningenrechter zal met het Gerecht uitgaan van de ‘de geïnformeerde gebruiker’ als iemand die een paraplu wil gebruiken, die er een moet kopen en geïnformeerd is op het gebied (zie r.o. 41-46 Gerecht).

4.4.

Modelbescherming geldt niet voor de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel die uitsluitend door een technische functie worden bepaald (artikel 8 lid 1 GModVo). Zulke elementen kunnen niet bijdragen aan het eigen karakter van een Gemeenschapsmodel.

4.5.

In navolging van het Gerecht gaat de voorzieningenrechter er daarbij tevens vanuit dat bij het ontwerpen van een stormparaplu de vrijheid van de ontwerper beperkt is, wat tot gevolg heeft dat ook kleine verschillen met de beschermde modellen tot een andere algemene indruk bij de geïnformeerde gebruiker leiden (r.o. 54-59 en 88 Gerecht).

4.6.

De voorzieningenrechter acht, alles overziende, voorshands een gerede kans aanwezig dat de bodemrechter zal oordelen dat, bij gebruik van stijve baleinen door Impliva, de resulterende strakke vormgeving door de technische functie ervan wordt bepaald. Zoals ter zitting door Impliva toegelicht dienen de door haar gebruikte stijve baleinen immers recht te zijn omdat de paraplu recht moet kunnen worden opgevouwen. De omstandigheid waar Senz op wijst dat er ook andere wijzen zijn om de windbestendigheid te creëren, maakt dit niet anders. Desgevraagd kon Senz ter zitting slechts noemen dat de baleinen relatief flexibel kunnen zijn, maar de beoogde weerstand door strakke spanning van het doek kan worden bereikt (niet veel anders dus dan de eigen oplossing van Senz). Daargelaten de door Impliva opgeworpen vraag dat dan niet hetzelfde technische effect wordt bereikt (de paraplu zal sterk deformeren bij harde wind en gaan flapperen), is in lijn met het hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2016:928) aan te nemen dat aan een keuze uit slechts enkele alternatieve technische oplossingen geen modelrechtelijke bescherming kan worden verbonden (r.o. 12, I). Evenmin kunnen andere marktdeelnemers worden verplicht “zinloze” toevoegingen te plegen om maar uit het vaarwater van de modellen te blijven (r.o. 12, II onder a). Voorshands dient er dan ook van te worden uitgegaan dat de strakke ‘knik’/piramidale vorm van de Impliva paraplu’s niet kan worden meegewogen bij de beantwoording van de overeenstemmingsvraag. Voor toepassing van de techniek-exceptie maakt het naar voorlopig oordeel dogmatisch geen verschil dat het hier een (uitsluitend) technisch bepaald kenmerk van het beweerdelijk inbreukmakende voortbrengsel betreft en niet van het ingeroepen model, gelet ook op de (terechte) overweging van het hof dat het modelrecht niet gebruikt mag worden om andere marktdeelnemers te beletten nieuwe technische verworvenheden in hun ontwerpen toe te passen (r.o. 12, slot).

4.7.

Senz heeft niet betwist dat de asymmetrie in de vorm van de paraplu’s die zorgt voor het ‘windvaaneffect’ als hiervoor bedoeld een uitsluitend technisch bepaald kenmerk is, daargelaten haar betoog dat er wel vele vormen denkbaar zijn om die asymmetrie vervolgens vorm te geven. Zowel de asymmetrische als piramidale vorm van de Impliva paraplu’s leiden zodoende, als zodanig noodzakelijk uitvloeisels van de technische keuzes van Impliva, niet tot de conclusie dat sprake is van inbreuk op het modelrecht van Senz.

4.8.

Binnen de vervolgens resterende en beperkte mate van vrijheid bij de ontwikkeling van het ontwerp heeft Impliva met de door haar gemaakte keuzes naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende afstand gehouden van de modellen van Senz. Vooral van de bovenzijde gezien (van de onderzijde af is dit voorshands niet anders), zijn deze verschillen duidelijk te zien in de vorm van het doek:

Senz Original Impliva Stormaxi

Senz Mini Impliva Stormini

En over elkaar heen (blauw de Stormaxi, rood de Stormini):

Ten eerste valt de afwijkende breedte van de achterkant van de doeken op. De Senz-modellen lopen taps toe, waar die van Impliva juist breed blijven. Verder is bij de Impliva paraplu’s een (tweetal) centrale baleinen te zien die het voor- en achterpaneel opdelen, ten opzichte van een ononderbroken voor- en achterpaneel bij de Senz-modellen, waardoor het doek een duidelijk afwijkende vorm krijgt. Hierdoor wordt ook het voor- en achteraanzicht duidelijk anders (je kijkt bij Impliva tegen de punt van de centrale balein, bij Senz tegen een ononderbroken paneel).

Van de zijkant gezien zijn er eveneens verschillen:


Senz Original Impliva stormaxi

Senz Mini Impliva Stormini

De paraplu’s van Impliva zijn meer in één vlak aan de onderzijde terwijl die van Senz krommingen vertonen en (vooral de Original) ranker lijkt. Er is bij de Impliva Stormaxi ook een duidelijk rond knopje op de top, terwijl deze bij Senz afgeplat is.

4.9.

Binnen de reeds door het Gerecht aangenomen beperkte ontwerpersvrijheid en hiervoor genoemde technische bepaalde kenmerken, leiden deze verschillen naar het oordeel van de voorzieningenrechter, naast de andere nog door Impliva genoemde, wellicht minder in het oog springende verschillen, tot een andere algemene indruk bij de geïnformeerde gebruiker.

Auteursrecht en slaafse nabootsing

4.10.

Om dezelfde redenen moet er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter vanuit worden gegaan dat de totaalindruk van de Stormaxi en Stormini zodanig afwijkt van de Senz Original en de Senz Mini dat van inbreuk op het auteursrecht evenmin sprake is, althans dat een gerede kans bestaat dat deze door de bodemrechter wordt afgewezen. Ook bij het auteursrecht dient immers uit te worden gegaan van een beperkte ontwerpvrijheid als gevolg van voormelde technische aspecten van de paraplu’s. Met inachtneming van de aldus auteursrechtelijk te beschermen trekken hebben de Impliva paraplu’s een andere totaalindruk. Gegeven dit voorshandse oordeel voor wat betreft het auteursrecht in Nederland, heeft Senz niet inzichtelijk gemaakt dat dit in de overige landen waar zij een verbod wenst, anders zou moeten luiden.

4.11.

Nu de rechtlijnige asymmetrische en piramidale vorm dwingend voortvloeit uit de door Impliva gebruikte techniek kan evenmin worden gesteld dat Impliva zonder aan de deugdelijkheid en betrouwbaarheid afbreuk te doen op dit punt een andere weg in had kunnen en moeten slaan. Waar dit wel mogelijk was heeft zij dit naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in voldoende mate gedaan, zoals hiervoor overwogen. Van slaafse nabootsing is derhalve evenmin sprake. Gegeven dit voorshandse oordeel voor wat betreft slaafse nabootsing in Nederland, heeft Senz niet inzichtelijk gemaakt dat dit in de overige landen waar zij een verbod wenst, anders zou moeten luiden.

Ander onrechtmatig handelen

4.12.

Voor zover de vorderingen van Senz tevens zien op anderszins onrechtmatig handelen van Impliva oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.

4.13.

Impliva heeft gemotiveerd betwist dat zij verantwoordelijk is voor een volgens Senz verwarringwekkend en misleidend bericht op Facebook. Nu Senz hierop geen nadere toelichting op haar stellingen heeft gegeven, kan hiervan voorshands niet worden uitgegaan. Hetzelfde geldt voor hetgeen Senz heeft gesteld met betrekking tot het gebruik van promotionele teksten. Ten aanzien van het gebruik van dezelfde kleurstellingen heeft Senz het betoog van Impliva dat dit niet anders dan in de branche gebruikelijke kleuren betreft, onvoldoende met feiten onderbouwd weersproken, zodat ook deze grondslag moet falen.

4.14.

Impliva heeft voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat de overeenkomsten wat betreft het windtunnelfilmpje een gevolg zijn van logischerwijs (en daarom overeenstemmende) gemaakte keuzes bij het maken van opnamen. Hierbij komt dat Impliva voorshands oordelend niet onjuist heeft opgeworpen dat gelijkenis nodig is voor een juiste vergelijking van de resultaten van haar stormparaplu’s met die van Senz. Dit handelen kan op zichzelf noch in onderlinge samenhang bezien onrechtmatig worden geacht. Gegeven dit voorshandse oordeel voor wat betreft anderszins onrechtmatig handelen in Nederland, heeft Senz niet inzichtelijk gemaakt dat dit in de overige landen waar zij een verbod wenst, anders zou moeten luiden.

Conclusie en proceskosten

4.15.

Uit het voorgaande volgt dat de gevraagde voorzieningen dienen te worden geweigerd. Senz zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

4.16.

Impliva vordert voor zover de procedure betrekking heeft op intellectuele eigendomsrechten volledige proceskostenvergoeding op de voet van artikel 1019h Rv. Haar specificatie hiervoor bedraagt € 126.917,57, waarvan een bedrag van € 36.403,15 aan kosten betrekking hebbend op de bij eiswijziging ingetrokken vorderingen (ter zake het octrooi en merk alsmede de auteursrechten op het filmpje). Senz stelt dat die laatste kosten voor 50% gematigd dienen te worden, Impliva verzet zich hiertegen. Bovendien stelt Senz onder verwijzing naar de conclusie van A-G Wathelet van 5 april 2016 inzake United Video Properties/Telenet3 dat eventueel aan Impliva toe te wijzen kosten niet het indicatietarief in IE-zaken mogen overschrijden. Tot slot meent Senz dat de gemaakte kosten voor een nietigheidsvordering van het eerst nog ingezette merk niet in deze procedure mogen worden meegenomen.

4.17.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. In de indicatietarieven zijn kosten van door partijen ingeschakelde deskundigen niet begrepen (uitgangspunt 3). In deze zaak zijn dergelijke deskundigen door Impliva ingeschakeld, vooral om de technische bepaaldheid van het ontwerp toe te lichten. Hierbij komt dat ook de indicatietarieven slechts een indicatie zijn van wat in de regel als redelijk en evenredig wordt ervaren. Het gaat niet om forfaitaire bedragen, maar om een handvat om de redelijkheid van de gemaakte proceskosten te beoordelen. De tarieven staan er niet aan in de weg dat een afwijkend, lager of hoger, bedrag wordt vastgesteld (zie uitgangspunt 8). Zeker samen met de (ingetrokken) grondslagen, betreft het hier een gecompliceerd en bewerkelijk kort geding. Tegenover de uitgebreide onderbouwing en specificering van de kosten (tegen de inzichtelijkheid waarvan Senz ook geen bezwaar heeft gemaakt), volstaat niet om slechts in algemene zin aan te geven dat de kosten gematigd dienen te worden. Strikt genomen is door Senz bovendien niet het standpunt ingenomen dat de opgevoerde kosten niet redelijk of evenredig zouden zijn maar doet zij een beroep op de billijkheidscorrectie. Dat Senz een relatief klein bedrijf zou zijn en daarom de door Impliva opgevoerde (het zij toegegeven: aanzienlijke) kosten niet zou kunnen dragen, is door Senz onvoldoende onderbouwd. In zoverre is daarom ervan uit te gaan dat de door Impliva opgevoerde kosten als redelijk en evenredig zijn te beschouwen en zijn deze conform 1019h Rv door Senz te vergoeden met inachtneming dat partijen het erover eens zijn dat 95% daarvan betrekking heeft op IE-grondslagen en 5% op OD, derhalve het liquidatietarief.

4.18.

Voorshands doet hieraan onvoldoende af wat door A-G Wathelet is geadviseerd aan het Hof van Justitie op 5 april jl. Er is immers nog geen uitspraak van het HvJ EU waarin het advies is gevolgd. Tot slot is het inzetten van een nietigheidsprocedure tegen het merk geen ongebruikelijk verweermiddel tegen een inbreukvordering, althans is dat door Senz niet inzichtelijk gemaakt.

4.19.

Gelet op het voorgaande worden de aan Impliva toe te wijzen kosten als volgt begroot:

€ 120.571,69 (95% van € 126.917,57 (IE-kosten))

€ 40,80 (5% van € 816,- (liquidatietarief))

€ 619,- (griffierecht)

€ 121.231,49 (totaal)

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen;

5.2.

veroordeelt Senz in de proceskosten, aan de zijde van Impliva tot op heden begroot op € 121.231,49 te vermeerderen met de nakosten begroot op € 131,- aan salaris advocaat, te vermeerderen met € 68,- en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente;

5.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.F. Brinkman en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2016.

1 Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen

2 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering

3 Zaak C-57/15; ECLI:EU:C:2016:201