Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:5185

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-05-2016
Datum publicatie
06-07-2016
Zaaknummer
15_6525 IB/PVV
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2017:1454, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft van 30 december 2005 tot 1 juli 2007 onroerende zaken ter beschikking gesteld. De waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken is (in een andere procedure) door Hof Den Haag per 30 december 2005 bepaald op € 555.000. Vanaf 1 juli 2007 zijn de onroerende zaken verhuurd aan een derde. In haar aangifte IB/PVV voor het jaar 2007 heeft eiseres in verband met de staking van de terbeschikkingstelling geen resultaat aangegeven. De onroerende zaken zijn op 31 december 2007 in de rendementsgrondslag sparen en beleggen aangegeven. De inspecteur heeft een navorderingsaanslag opgelegd en daarbij een stakingsresultaat in aanmerking genomen dat is gebaseerd op een waarde in economisch verkeer per 1 juli 2007 van meer dan € 1,5 miljoen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres bij het indienen van de aangifte te kwader trouw gehandeld en is de navorderingsaanslag als zodanig terecht opgelegd. De inspecteur heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht een stakingsresultaat in aanmerking genomen, maar is er niet in geslaagd een dergelijke omvangrijke waardestijging, die niet ondersteund wordt door de vastgestelde WOZ-waarden van de onroerende zaken op de waardepeildata 1 januari 2007 en 1 januari 2008, aannemelijk te maken. De rechtbank bepaalt de waarde van de onroerende zaken op € 575.000 en vermindert de aanslag IB/PVV overeenkomstig. Daarbij honoreert de rechtbank het verzoek van de inspecteur om interne compensatie, hetgeen betekent dat het inkomen uit sparen en beleggen dient te worden verhoogd voor zover de waarde van de onroerende zaken al niet is begrepen in de rendementsgrondslag. De rechtbank ziet aanleiding de opgelegde vergrijpboete te matigen wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1557
FutD 2016-1761 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2016/2056 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 15/6525

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 mei 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. G. de Jong),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats] , verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2007 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 647.751 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 55.542. Tevens is bij beschikking een vergrijpboete van € 153.883 opgelegd en is voor een bedrag van € 57.475 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 555.894 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 55.542, de boete verminderd tot € 130.000 en de heffingsrente verminderd tot € 48.554.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2016.

Namens eiseres zijn verschenen [persoon A] , kantoorgenoot van de gemachtigde, [persoon B] en [persoon C] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon D] , [persoon E] , [persoon F] en [persoon G] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres hield in 2007 met tussenkomst van de houdstervennootschap [B.V. X] 50% van de aandelen in [B.V. Y] ( [B.V. Y] ). De overige 50% van de aandelen in [B.V. Y] werd, eveneens met tussenkomst van een houdstervennootschap, gehouden door de zus van eiseres, [persoon H] . Eiseres was in 2007 bestuurder van [B.V. Y] .

2. Tot het vermogen van [B.V. Y] behoorden tot 30 december 2005 een aantal in [plaats] gelegen percelen met opstallen (de onroerende zaken).

3. Op 22 april 2002 heeft verweerder zich akkoord verklaard met een waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken van € 316.285.

4. [B.V. Y] heeft op 30 december 2005 de onroerende zaken voor € 316.285 (de koopprijs) verkocht aan eiseres en haar zus. Eiseres is daarmee voor 50% eigenaar van de onroerende zaken geworden.

5. De onroerende zaken zijn van 30 december 2005 tot 1 juli 2007 door eiseres en haar zus ter beschikking gesteld aan [B.V. Y] en vanaf 1 juli 2007 verhuurd aan een derde.

6. In het kader van de Wet waardering onroerende zaken (de wet WOZ) is de waarde van de onroerende zaken op waardepeildata 1 januari in 2007 tot en met 2012 door de Gemeente Alphen aan den Rijn (de gemeente) vastgesteld op respectievelijk € 526.000, € 522.000, € 513.000, € 508.000, € 514.000 en € 509.000.

7. Verweerder heeft de onroerende zaken in 2009 laten taxeren. De conclusie van deze taxatie is dat de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken op waardepeildatum 28 december 2005 € 1.500.000 bedraagt.

8. Op 3 juli 2009 is de aangifte IB/PVV van eiseres voor het jaar 2007 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 55.894 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 55.542. Per 1 januari 2007 is een bedrag van € 158.142, ofwel 50% van de koopprijs, aangegeven als ter beschikking gesteld vermogen. Per 31 december 2007 is het aandeel van eiseres in de onroerende zaken in de rendementsgrondslag voor het belastbare inkomen uit sparen en beleggen opgenomen. Eiseres heeft geen “stakingsresultaat” aangegeven.

9. De aanslag IB/PVV voor het jaar 2007 is opgelegd conform de ingediende aangifte.

10. De navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2007 is opgelegd met dagtekening 24 november 2012. Bij het opleggen van de navorderingsaanslag heeft verweerder in verband met de staking van de terbeschikkingstelling van de onroerende zaken € 591.857 (50% * [€ 1.500.000 -/- € 316.285]) gecorrigeerd.

11. Gerechtshof Den Haag heeft bij uitspraak van 26 februari 2013 (ECLI:NL:GHDHA:2013:545) de waarde van de onroerende zaken per 30 december 2005 bepaald op € 555.000. Tegen deze uitspraak is geen cassatie ingesteld.

12. Van 26 februari 2013 tot en met eind 2013 is getracht een compromis te bereiken inzake de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken per 1 juli 2007. Van 25 juni 2014 tot 5 augustus 2014 is mediation betracht. Beide trajecten hebben niet geleid tot overeenstemming.

13. Op 28 januari 2015 zijn de onroerende zaken in opdracht van verweerder door [persoon I] per waardepeildatum 30 juni 2007 getaxeerd op € 1.570.000.

14. Op 2 juni 2015 zijn de onroerende zaken in opdracht van eiseres door [adviesbureau] per waardepeildatum 1 juli 2007 getaxeerd op € 575.000.

15. In de bestreden uitspraak op bezwaar gaat verweerder uit van een waarde in het economische verkeer van € 555.000 op 30 december 2005 en van € 1.555.000 op 1 juli 2007. Het verschil tussen deze waarden van € 500.000 (50% * [€ 1.555.000 -/- € 555.000]) heeft verweerder aangemerkt als in verband met de staking van de terbeschikkingstelling behaald resultaat.

Geschil

16. In geschil of verweerder de navorderingsaanslag heeft mogen opleggen. Bij bevestigende beantwoording van die vraag is in geschil of verweerder, bij het bepalen van het belastbare inkomen uit werk en woning van eiseres, terecht een resultaat van € 500.000 in aanmerking heeft genomen in verband met de staking van de terbeschikkingstelling van de onroerende zaken. Het geschil spitst zich toe op de waarde van de onroerende zaken per 1 juli 2007. Niet in geschil is dat de waarde van de onroerende zaken per 30 december 2005 € 555.000 bedroeg.

17. Eiseres neemt primair het standpunt in dat de navorderingsaanslag niet had mogen worden opgelegd, omdat geen sprake is van een nieuw feit of kwade trouw en de bevoegdheid om een navorderingsaanslag te kunnen opleggen op grond van artikel 16, tweede lid, onder c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) reeds was vervallen. Subsidiair stelt eiseres dat de waarde van de onroerende zaken per 1 juli 2007 € 575.000 bedraagt. Ter onderbouwing van deze waarde verwijst eiseres naar de onder 14 vermelde taxatie. Meer subsidiair stelt eiseres dat een hogere waarde dan € 575.000 op basis van de foutenleer dient te worden toegerekend aan de periode voorafgaand aan 30 december 2005 en dat slechts de waardevermeerdering die is ontstaan na die datum in de grondslag van de navorderingsaanslag IB/PVV 2007 dient te worden meegenomen.

18. Verweerder stelt zich op het standpunt dat nagevorderd kon worden, omdat eiseres in haar aangifte bewust is uitgegaan van een te lage waarde van de onroerende zaken. Volgens verweerder bedraagt de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken op 1 juli 2007 € 1.518.000. Ter onderbouwing van deze waarde verwijst verweerder naar de onder 13 genoemde taxatie. Op deze taxatie is door verweerder een correctie verricht in verband met opslag voor de aankoop van een belendend perceel dat eigendom is van een derde. In het geval de rechtbank oordeelt dat de waarde in economische verkeer van de onroerende zaken meer bedraagt dan aangegeven in de heffingsgrondslag voor sparen en beleggen maar minder is dan € 1.518.000, dan stelt verweerder dat - met toepassing van het leerstuk van interne compensatie - de heffingsgrondslag voor sparen en beleggen dient te worden verhoogd met inachtneming van de door de rechtbank bepaalde waarde in het economische verkeer.

Beoordeling van het geschil

19. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Awr, kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, de te weinig geheven belasting worden nagevorderd. Een feit dat de inspecteur bekend was, of redelijkerwijs bekend had behoren te zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dat feit te kwader trouw is. In artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de Awr is bepaald dat navordering mede kan plaatsvinden in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven, doordat ten gevolge van een fout een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, hetgeen de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is.

20. De bewijslast dat de navorderingsaanslag terecht is opgelegd, rust op verweerder. Verweerder baseert de bevoegdheid tot navordering, naar de rechtbank begrijpt, erop dat sprake is van kwade trouw als bedoeld in artikel 16, eerste lid, laatste volzin, van de Awr. Een belastingplichtige is te kwader trouw indien hij de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen onthoudt of opzettelijk onjuiste inlichtingen verstrekt (vgl. Hoge Raad 11 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2160). Ook indien er sprake is van voorwaardelijk opzet, dat wil zeggen dat de belastingplichtige door de inspecteur de juiste inlichtingen te onthouden of onjuiste inlichtingen te verstrekken zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zijn inkomen tot een te laag bedrag in de aanslag zou worden begrepen, moet worden geoordeeld dat hij te kwader trouw was (vgl. Hoge Raad 14 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6204).

21. Verweerder heeft onder meer aangevoerd dat eiseres zich in haar aangifte IB/PVV voor het jaar 2007 ten onrechte heeft gebaseerd op een waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken waarover in april 2002 met de Belastingdienst overeenstemming was bereikt. Zij moet zich er, aldus verweerder, bewust van zijn geweest dat de aangegeven waarde niet overeenkwam met de waarde in het economische verkeer per 1 juli 2007. De rechtbank volgt deze opvatting en overweegt dat van algemene bekendheid is dat een onroerende zaak gedurende een tijdspanne van bijna 5 jaar een bepaalde waardeontwikkeling doormaakt. Gelet op de marktontwikkeling in de periode van april 2002 tot 1 juli 2007 was daarbij te verwachten dat de waarde van de onroerende zaken zou zijn toegenomen. Daarbij had eiseres met de WOZ-waarden van de onroerende zaken per waardepeildata 1 januari 2007 (€ 526.000) en 1 januari 2008 (€ 522.000), die reeds bekend waren op het moment dat aangifte werd ingediend, een concrete aanwijzing dat de in 2002 overeengekomen waarde niet langer actueel was. Deze omstandigheden in samenhang bezien leiden de rechtbank tot het oordeel dat eiseres, door in haar aangifte IB/PVV voor het jaar 2007 uit te gaan van de in 2002 overeengekomen waarde, zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat haar inkomen tot een te laag bedrag in de aanslag IB/PVV zou worden begrepen. Aldus is de rechtbank van oordeel dat sprake is van kwader trouw en heeft verweerder mogen navorderen.

22. Ten aanzien van de hoogte van de navorderingsaanslag stelt de rechtbank voorop dat er een relatief en absoluut groot verschil bestaat tussen enerzijds de door gerechtshof Den Haag en de gemeente vastgestelde waarde van de onroerende zaken op de waardepeildata 30 december 2005 respectievelijk 1 januari 2007 en 1 januari 2008 en anderzijds de door verweerder bepleite waarde in het economische verkeer per 1 juli 2007.

23. De bewijslast dat zich omstandigheden hebben voorgedaan die rechtvaardigen dat de waarde in het economische verkeer per 1 juli 2007 substantieel hoger is dan de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde op de waardepeildata 1 januari 2007 en 1 januari 2008, rust naar het oordeel van de rechtbank op verweerder. Verweerder heeft gesteld dat de gemeente bij het bepalen van de WOZ-waarde ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid van een bestemmingswijziging van de betreffende percelen (de percelen). De rechtbank volgt deze stelling, die niet met stukken of anderszins is onderbouwd, niet. Daarbij weegt de rechtbank mee dat bestemmingswijziging een bevoegdheid van de gemeente betreft en niet valt in te zien waarom een mogelijke bestemmingswijziging bij het bepalen van de WOZ-waarde van de onroerende zaken buiten beschouwing zou zijn gebleven. Dit geldt temeer nu de gemeente er geen belang bij heeft de WOZ-waarde van de onroerende zaken te laag vast te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder niet in zijn bewijslast geslaagd.

24. Nu verweerder er niet in is geslaagd de door hem bepleite waarde van € 1.518.000 aannemelijk te maken, zal de rechtbank de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken per 1 juli 2007 in goede justitie bepalen. Gelet op de vastgestelde WOZ-waarden op de waardepeildata 1 januari 2007 en 1 januari 2008 en met inachtneming van de door eiseres gestelde waarde, bepaalt de rechtbank de waarde van de onroerende zaken per 1 juli 2007 op € 575.000.

25. De rechtbank honoreert verweerders beroep op interne compensatie. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen dient te worden verhoogd met inachtneming van de onder 24 bepaalde waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken voor zover de waarde al niet is begrepen in de rendementsgrondslag.

26. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard. Het belastbare inkomen uit werk en woning bedraagt € 185.251 (€ 55.894 + 50% * [€ 575.000 -/- € 316.285]). Daarnaast dient het belastbare inkomen uit sparen en beleggen te worden verhoogd als bepaald onder 25.

27. Eiseres heeft gesteld dat de opgelegde vergrijpboete van 50% van de nagevorderde belasting dient te worden vernietigd, omdat deze is opgelegd buiten de navorderingstermijn van artikel 16, derde lid, laatste volzin, van de Awr. De rechtbank kan eiseres in dit standpunt niet volgen nu de navorderingsaanslag niet is opgelegd op grond van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de Awr, maar op grond van artikel 16, eerste lid, van de Awr. Aldus vervalt de bevoegdheid om na te vorderen niet door verloop van twee jaren nadat de belastingaanslag is vastgesteld, maar na verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. De vergrijpboete is op 24 november 2012 en dus tijdig opgelegd.

28. De vergrijpboete dient wel te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de navorderingsaanslag die aan de boete ten grondslag ligt. De rechtbank acht de alsdan resterende boete passend en, uit een oogpunt van normhandhaving, geboden. Voorts bestaat er aanleiding om de boete te matigen wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is aangevangen met de aankondiging van de boete op 23 oktober 2012 en dat sinds die datum tot het moment waarop in deze zaak uitspraak wordt gedaan, 3 jaar en ruim 6 maanden zijn verstreken. Of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn hangt af van de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden die een langere termijn dan 2 jaar rechtvaardigen. De in overweging 12 genoemde compromispoging (circa 10 maanden in 2013) en mediation (circa 2 maanden in 2014), kunnen deels aan eiseres worden toegerekend. Naar het oordeel van de rechtbank is de redelijke termijn met bijna 12 maanden overschreden. De rechtbank ziet in de aan verweerder toe te rekenen overschrijding aanleiding de boete, conform de door Gerechtshof Amsterdam (zie uitspraak van 2 juli 2009, 04/03329, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298) geformuleerde uitgangspunten, te matigen met 10%. Uit het voorgaande volgt dat de boete dient te worden verminderd wegens vermindering van de navorderingsaanslag en vervolgens moet worden gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Proceskosten

29. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten bestaande uit kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en kosten van de taxateur. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.238 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en wegingsfactor 1).

De kosten die in verband met hierboven genoemde beroepen zijn gemaakt voor de werkzaamheden van de taxateur stelt de rechtbank, analoog aan de ‘Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties’, schattenderwijs op € 390 (6 uur à € 65 per uur), vermeerderd met 21% omzetbelasting, ofwel € 472. Aangezien de taxatie zowel dienstbaar is aan onderhavige zaak als aan de zaak met zaaknummer SGR 15/6522, wordt aan de onderhavige zaak € 236 toegerekend.

Voor een boven-forfaitaire proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen als bepaald onder 26;

- vermindert de vergrijpboete tot 45% van de nagevorderde belasting;

- vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.474;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, voorzitter, mr.dr. N. Djebali en mr. J.P.F. Slijpen, leden, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.