Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:5142

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-05-2016
Datum publicatie
30-05-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 8912
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bodemprocedure

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/8912

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2016 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. S.G.C. van Ingen),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) gemachtigde: (A.M. Snijders)

Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 26 februari 2015 geweigerd.

Bij besluit van 28 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De gronden zijn later aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2016.

Eiseres is verschenen, vergezeld door een begeleider en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres, voorheen werkzaam als secretaresse voor 24 uren per week via een Uitzendbureau heeft zich op 28 februari 2013 vanuit de Werkloosheidswet ziek gemeld

met rechterheup- en beenklachten. Eiseres was al bekend met lage rugklachten.

Eiseres heeft op 2 december 2014 een Wet WIA uitkering aangevraagd, wat heeft geleid tot de onder ‘Procesverloop’ genoemde besluitvorming.

2. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat eiseres op 26 februari 2015, de in geding zijnde datum, geschikt was voor het verrichten van de eigen arbeid.

3. Eiseres heeft hiertegen -kort samengevat- aangevoerd dat zij tijdens de eerstejaars Ziektewet beoordeling sterk beperkt werd geacht. Er is geen sprake van verbetering. Eiseres vindt het derhalve onbegrijpelijk dat er minder beperkingen dan voorheen zijn vastgesteld. Eiseres is niet in staat om te lopen. Er is geen informatie van de orthopedisch chirurg meegewogen. Het is voor eiseres onbegrijpelijk dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) tot de conclusie is gekomen dat eiseres zich zonder problemen een half uur kan voortbewegen. Eiseres voert voorts aan dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar haar eigen werk. Voorts kan zij de werkzaamheden van de geduide functies niet verrichten in verband met het vereiste opleidingsniveau en omdat er in de functies te lang achtereen moet worden gezeten. Ter onderbouwing van haar beroep heeft eiseres een brief van een GGD-arts van 18 januari 2016 en een brief van de bewindvoerder van 5 februari 2016 ingediend.

4.1.

Naar aanleiding van haar WIA aanvraag is eiseres uitgenodigd voor het spreekuur bij de verzekeringsarts op 29 december 2014, waar zij zowel lichamelijk als psychisch is onderzocht. De verzekeringsarts heeft voorts dossierstudie verricht en aanvullende informatie bij de orthopedisch chirurg opgevraagd. Uit zijn rapport van 29 december 2014 blijkt dat de verzekeringsarts op basis van zijn onderzoek, het klachtenverhaal en dagverhaal tot de conclusie is gekomen dat er beperkingen zijn in het locomotore vlak. De verzekeringsarts heeft de beperkingen vastgelegd in een functionele mogelijkhedenlijst (FML).

4.2.

De verzekeringsarts b&b, heeft vervolgens aan de hand van de door eiseres naar voren gebrachte bezwaren de bevindingen van de verzekeringsarts beoordeeld, nadat arts-assistent [arts-assistent] eiseres had onderzocht. [arts-assistent] heeft eiseres gezien op het spreekuur van 9 september 2015 en zowel een lichamelijk als psychisch onderzoek verricht. Van dit onderzoek is een verslag opgemaakt. De verzekeringsarts b&b heeft kennisgenomen van dit verslag, dossierstudie verricht en nog aanvullende informatie verkregen van de behandelend orthopedisch chirurg van 27 juli 2015. Uit zijn rapport van 22 oktober 2015 blijkt dat de verzekeringsarts b&b het eens is met de conclusie van de verzekeringsarts.

5. Met betrekking tot de medische beoordeling van het bestreden besluit heeft de rechtbank geen redenen gevonden om te oordelen dat het medisch onderzoek zoals vermeld onder 4.1 en 4.2 onjuist of onzorgvuldig is verlopen of dat de beperkingen van eiseres niet juist zijn vastgelegd in de FML. Er is geen reden om aan te nemen dat de verzekeringsarts b&b een onjuist beeld had van de lichamelijke en geestelijke gezondheidstoestand van eiseres. Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts b&b wel informatie van de orthopedisch chirurg heeft gezien en heeft meegewogen in zijn conclusie. Uit zijn rapport blijkt dat hij elke klacht van eiseres in samenhang met de bijbehorende informatie van de specialist heeft meegewogen en heeft vertaald naar de FML. De rechtbank verwijst voorts naar het rapport van 13 januari 2016 waar de verzekeringsarts gemotiveerd is ingegaan op beroepsgronden van eiseres. De rechtbank heeft geen grond voor een ander oordeel. Tevens heeft de verzekeringsarts b&b in zijn rapport van 22 maart 2016 afdoende aangegeven waarom de brief van de GGD-arts hem geen aanleiding heeft gegeven voor wijziging van zijn standpunt. Eiseres voert verder aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de vrijstelling van de sollicitatieverplichtingen voortvloeiende uit de WSNP. Hierover overweegt de rechtbank dat de brief van 5 februari 2016 met betrekking tot de vrijstelling van de sollicitatieverplichtingen van eiseres niet zonder meer gevolgd worden nu deze beoordeling heeft plaatsgevonden in een ander kader en met andere criteria dan de beoordeling die in onderhavige zaak in het kader van de Wet WIA moet worden gemaakt. Genoemde brief bevat geen medische informatie waaraan in het licht van de arbeidsgeschiktheidsbeoordeling enige betekenis toekomt.

6. Aan de hand van de FML heeft de arbeidsdeskundige eiseres primair geschikt geacht voor haar maatgevende arbeid en subsidiair heeft hij voor eiseres de functies productiemedewerker (sbc-code 111180), verkoper groothandel (sbc-code 317012) en telefonist, receptionist, typist (sbc-code 315120) geduid. De functies boekhouder, medisch secretaresse, receptionist, baliemedewerker, secretaresse, typist en administratief medewerker geselecteerd. De arbeidsdeskundige b&b heeft na heroverweging de maatgevende functie en de geduide functies geschikt bevonden.

7. Zoals hiervoor uit de overweging 5 blijkt, hanteert de rechtbank het uitgangspunt dat de beperkingen van eiseres juist zijn gewaardeerd. Niet gebleken is dat de maatgevende arbeid de FML van eiseres overschrijdt. De stelling van eiseres dat er onvoldoende onderzoek naar haar functie is gedaan volgt de rechtbank niet. De rechtbank verwijst hiervoor naar het rapport van 26 februari 2015 waaruit blijkt dat de arbeidsdeskundige wel degelijk informatie heeft opgevraagd over de werksituatie met betrekking tot de harde paden. De rechtbank verwijst voorts nog naar het rapport van 26 oktober 2015 aangevuld met het rapport van 25 januari 2016 waar de arbeidsdeskundige b&b naar het oordeel van de rechtbank gemotiveerd heeft aangegeven waarom eiseres geschikt wordt geacht voor haar maatgevende functie. Eiseres heeft in beroep niets ingebracht voor een ander oordeel. Eiseres was dan ook in staat te achten haar eigen werk te verrichten. Nu eiseres geschikt wordt geacht voor haar eigen werk behoeft de geschiktheid voor de geduide functies geen bespreking.

8. Aangezien eiseres haar maatmaninkomen kan verdienen, is er geen verlies aan verdiencapaciteit. Verweerder heeft eiseres dan ook terecht een uitkering op grond van de Wet WIA onthouden.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van J.A. de Kievit-Tempels, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.