Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:5111

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-04-2016
Datum publicatie
30-05-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 8012
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2017:3762, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen omkering bewijslast ondanks onherroepelijke informatiebeschikking. Verweerder maakt voorts niet aannemelijk dat eiser loon heeft uitbetaald dat buiten de loonadministratie is gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1159
FutD 2016-1386
NTFR 2016/1588
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 15/8012

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 april 2016 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2012 een naheffingsaanslag loonheffingen ten bedrage van € 14.301 opgelegd, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 7.150 (50% van de nageheven belasting). Tevens is bij beschikking € 693 aan heffingsrente alsmede bij beschikking € 99 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 september 2015 de naheffingsaanslag, de vergrijpboete alsmede de beschikkingen heffings- en belastingrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2016.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon A].

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft twee dochters, geboren op [geboortedatum] 1993 en [geboortedatum] 1996.

2. Eiser drijft van 1995 tot juni 2006 in de vorm van een eenmanszaak een steakhouse en afhaal grillrestaurant. Vanaf juni 2006 tot januari 2008 heeft eiser samen met zijn broer in de vorm van een vennootschap onder firma het restaurant geëxploiteerd. Vanaf 1 januari 2008 heeft eiser de onderneming weer als eenmanszaak voortgezet. De broer van eiser is vanaf 1 januari 2008 bij eiser in dienst. De oudste dochter van eiser is vanaf januari 2012 bij eiser in loondienst. In het onderhavige tijdvak waren voorts nog een aantal oproepkrachten bij eiser in dienst (2011: 6 en 2012: 7). Eiser heeft geen urenregistratie bijgehouden.

3. Vanaf 19 november 2012 heeft verweerder bij eiser een boekenonderzoek ingesteld, waarbij de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 2008 tot en met 2012 en de aangiften omzetbelasting en loonheffingen over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 30 september 2012 is onderzocht. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn neergelegd in een controlerapport van 5 februari 2014.

4. Op 30 oktober 2013 heeft verweerder aan eiser met betrekking tot voornoemde belastingmiddelen en jaren/tijdvakken een informatiebeschikking gegeven wegens het niet voldoen aan de administratie- en informatieverplichting. De gemachtigde heeft hiertegen op 28 november 2013 per e-mail bezwaar gemaakt. Verweerder heeft hierop bij brief van 5 december 2013 gereageerd en aangegeven dat hij dit bezwaar niet in behandeling zal nemen en dat voor het indienen van een bezwaar de formele weg dient te worden bewandeld.

5. Verweerder heeft met dagtekening 3 maart 2014 de onderhavige naheffingsaanslag en vergrijpboete aan eiser opgelegd. Verweerder heeft daarbij een correctie aangebracht voor niet-verloonde uren (2011: € 11.561 (1.423 uur); 2012 (tot en met september: € 2.740 (340 uur).

Geschil
6. In geschil is of de correctie wegens niet-verloonde uren terecht is aangebracht. Voorts is de vergrijpboete in geschil.

7. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de naheffingsaanslag en de vergrijpboete. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

8. Naar het oordeel van de rechtbank staat de informatiebeschikking, gelet op de

e-mail van de gemachtigde van 28 november 2013 en de brief van verweerder van 5 december 2013, anders dan eiser stelt, onherroepelijk vast. Hoewel de gemachtigde ter zitting heeft gesteld dat de - ter zitting ingebrachte - brief van verweerder van 5 december 2013 hem niet bekend voorkomt, nog daargelaten dat dit niet in lijn is met het eerder gestelde in het beroepschrift, mag van de gemachtigde als professioneel belastingadviseur worden verwacht dat hij wist dat tegen de onderhavige informatiebeschikking tijdig schriftelijk bezwaar moest worden gemaakt. Eiser is voorts in de gelegenheid gesteld zijn verzuim te herstellen en dat was binnen de bezwaartermijn nog mogelijk. Nu de gemachtigde heeft nagelaten tijdig bezwaar in te dienen, staat de informatiebeschikking onherroepelijk vast.

9. Uit de inhoud van de informatiebeschikking valt op te maken dat deze meer is toegespitst op de inkomstenbelasting en omzetbelasting dan op de loonheffingen. Verweerder heeft met betrekking tot de loonheffingen in de informatiebeschikking enkel verzocht om overlegging van werklijsten van de door het personeel gewerkte uren. Vast staat dat eiser niet over dergelijke lijsten beschikt. Voor het voeren van een loonadministratie bestaat echter geen verplichting om dergelijke lijsten bij te houden. Nu voorts gesteld noch gebleken is dat eiser in het onderhavige tijdvak op andere gronden een onvolledige loonadministratie heeft gevoerd, oordeelt de rechtbank dat er, ondanks de onherroepelijke informatiebeschikking, geen aanleiding is om in deze procedure te oordelen dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard.

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, op wie de bewijslast rust, niet aannemelijk gemaakt dat eiser in het onderhavige tijdvak loon heeft uitbetaald dat buiten de loonadministratie is gehouden. Weliswaar valt uit de gedingstukken op te maken dat begin 2011 sprake is van een grote daling van het aantal verloonde uren gevolgd door een stijging eind 2012 en dat die daling en stijging niet uit het verloop van de door eiser aangegeven (dalende) omzet kan worden herleid, maar eiser heeft dienaangaande geloofwaardig verklaard dat wegens noodzakelijke bezuinigingen als gevolg van de dalende omzet de oproepkrachten minder zijn opgeroepen, dat zijn beide dochters in beide jaren meer uren hebben gewerkt zonder dat daar een financiële vergoeding tegenover stond en dat zijn broer sinds maart 2010 een deel van zijn loon heeft ingeleverd en meer uren heeft gewerkt dan zijn uitbetaald. Hetgeen verweerder overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Dat eind 2012 ten tijde van de aanvang van het boekenonderzoek sprake is van een stijging van het aantal verloonde uren en het verloop van het aantal verloonde uren van de oproepkrachten - maandelijks tien uur per maand in de periode van februari 2011 tot en met september 2012 en wisselende uren in de periode van januari 2008 tot februari 2011 en in oktober en november 2012 - acht de rechtbank hiervoor onvoldoende. Hetzelfde heeft te gelden voor de omstandigheid dat een aantal oproepkrachten in 2011 en 2012 geen WW-uitkering hebben genoten in verband met de daling van hun inkomen alsmede dat in de aangiften omzetbelasting de af te dragen belasting over de omzet exact gelijk is aan de voorbelasting.

11. In voormeld oordeel ligt tevens besloten dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser niet de vereiste aangiften heeft gedaan.

12. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder ten onrechte de naheffingsaanslag opgelegd. Nu de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd, dienen tevens de vergrijpboete en de beschikkingen heffings- en belastingrente te worden vernietigd. Het beroep is derhalve gegrond.

Proceskosten

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.484 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag, de vergrijpboete en de beschikkingen heffings- en belastingrente;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.484;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.F. Slijpen, voorzitter, en mr. T.A. de Hek en mr. J.W. van den Berge, leden, in aanwezigheid van mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.