Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:5078

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-05-2016
Datum publicatie
17-05-2016
Zaaknummer
C-09-508562-KG ZA 16-426
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser zit sinds ongeveer twee jaar in detentie, waarvan periodes in voorlopige hechtenis vanwege een strafzaak en (tijdens de schorsing van die voorlopige hechtenis) periodes in faillissementsgijzeling (artikel 87 Fw). Hij vordert in kort geding de curator en de Staat (de rechter-commissaris) te bevelen om af te zien van het doen van verdere verzoeken tot faillissementsgijzeling en om hen te bevelen met bekwame spoed hun werk af te ronden. In deze vorderingen wordt hij niet-ontvankelijk verklaard, omdat er andere met voldoende waarborgen omklede procedures zijn bij de faillissementsrechter waarin hij kan bewerkstelligen wat hij met zijn vorderingen beoogt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2016-0223
AR 2016/1384
prof. mr. A.W. Jongbloed annotatie in UDH:TvCu/13362
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/508562 / KG ZA 16/426

Vonnis in kort geding van 13 mei 2016

in de zaak van

[eiser] ,

thans gedetineerd te [locatie] ,

eiser,

advocaat mr. drs. M.J.N. Vermeij te Den Haag,

tegen:

1 [de curator] ,

kantoorhoudende te [plaats] ,

advocaat: mr. J.A.A. Boers,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te Den Haag,

advocaat: mr. S. Heeroma te Den Haag,

gedaagden.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’, ‘de curator en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met de daarbij en de nadien overgelegde producties;

- de akte houdende een vermeerdering van eis;

- de door de Staat overgelegde conclusie van antwoord met producties;

- de door de curator overgelegde producties;

- de op 29 april 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door alle partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

Wat betreft de strafrechtelijke veroordelingen van [eiser]

2.1.

is bij arrest van 12 februari 2013 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het gerechtshof) in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, wegens, kort gezegd, bedrieglijke bankbreuk. Dit arrest is op 4 november 2014 onherroepelijk geworden.

2.2.

Bij vonnis van 31 augustus 2015 heeft de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) [eiser] veroordeeld voor, kort gezegd, bedrieglijke bankbreuk, verduistering en gewoontewitwassen tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren. [eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Hierop is nog niet beslist.

Wat betreft het faillissement van [eiser]

2.3.

Bij vonnis van 11 juli 2013 heeft de rechtbank [eiser] (persoonlijk) failliet verklaard. Zowel het hoger beroep als het cassatieberoep tegen dit vonnis is verworpen. In eerste instantie is als curator benoemd mr. [A] . Hij is opgevolgd door [de curator] .

Wat betreft de voorlopige hechtenis van [eiser] en zijn inbewaringstelling op grond van artikel 87 Faillissementswet (Fw)

2.4.

Bij beschikking van 27 juli 2013 heeft de rechtbank bevolen om [eiser] in verzekerde bewaring te stellen op grond van artikel 87 Fw (faillissementsgijzeling), omdat [eiser] zich had onttrokken aan zijn verplichting ex artikel 105 van de Faillissementswet (Fw), kort gezegd zijn informatieverplichting. Deze beschikking is door het gerechtshof bekrachtigd en het daartegen ingestelde cassatieberoep is verworpen.

2.5.

[eiser] is in mei 2014 door de Spaanse autoriteiten aan Nederland overgeleverd ten behoeve van de strafzaak die heeft geleid tot het vonnis van 31 augustus 2015 als vermeld onder 2.2. Vanaf 19 mei 2014 bevond [eiser] zich hiervoor in voorlopige hechtenis. Op 20 november 2014 is deze voorlopige hechtenis geschorst.

2.6.

Op 20 november 2014 is [eiser] in bewaring gesteld op grond van de beschikking van 27 juli 2013 als vermeld onder 2.4 (bevel faillissementsgijzeling).

2.7.

De rechtbank heeft vervolgens bij diverse beschikkingen bevolen dat de inbewaringstelling van [eiser] zal voortduren, een en ander op verzoek van de curator dan wel op voordracht van de rechter-commissaris (hierna: de r-c). [eiser] heeft tegen al deze beschikkingen hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof heeft al deze beschikkingen bekrachtigd.

2.8.

Van 9 februari 2015 tot 26 februari 2015 is ten uitvoer gelegd de gevangenisstraf, die was opgelegd bij het (inmiddels onherroepelijk geworden) arrest van 12 februari 2013, zoals vermeld onder 2.1. Deze tenuitvoerlegging is echter gestaakt toen bleek dat de hiervoor benodigde toestemming van de Spaanse autoriteiten nog niet was verleend. Bij beschikking van 26 februari 2015 heeft de rechtbank bevolen dat [eiser] weer in verzekerde bewaring zal worden gesteld op grond van artikel 87 Fw.

2.9.

Op 31 augustus 2015 heeft de rechtbank de schorsing van de voorlopige hechtenis van [eiser] , zoals vermeld onder 2.5, opgeheven en sindsdien is [eiser] uit dien hoofde gedetineerd.

2.10.

Het gerechtshof heeft diverse verzoeken van [eiser] tot opheffing dan wel schorsing van zijn voorlopige hechtenis afgewezen, laatstelijk bij beschikking van 23 maart 2016. In verband met de mogelijke toewijzing op 26 februari 2016 van een schorsingsverzoek van 19 februari 2016 heeft de rechtbank bij beschikking van 26 februari 2016 de verzekerde inbewaringstelling van [eiser] bevolen omdat – kort gezegd – [eiser] niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit hoofde van de Faillissementswet. Na afwijzing van het verzoek van [eiser] tot schorsing van zijn voorlopige hechtenis, heeft de rechtbank het gegeven bevel tot verzekerde inbewaringstelling van [eiser] weer opgeheven.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, zakelijk weergegeven, na vermeerdering van eis en na wijziging van de eisvermeerdering ter zitting:

  1. de curator en de Staat te bevelen om af te zien van het doen van verdere verzoeken of voordrachten tot inbewaringstelling van [eiser] ex artikel 87 Fw;

  2. de curator en de Staat, in het bijzonder de curator, te bevelen om thans met bekwame spoed hun werk af te ronden althans de r-c te bevelen om een voordracht te doen tot opheffing van het faillissement;

met veroordeling van de curator en de Staat in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. De curator en de r-c hebben onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld. [eiser] heeft de curator op alle mogelijke manieren van informatie voorzien en daarmee voldaan aan zijn verplichtingen op grond van artikel 105 lid 1 Fw. De curator heeft daartegenover al lange tijd niets meer van zich laten horen en geen of slechts inhoudsloze informatieverzoeken gedaan en hij negeert verstrekte informatie of interpreteert deze doelbewust verkeerd. Desondanks komt er telkens op het moment dat de voorlopige hechtenis geschorst of opgeheven wordt of lijkt te worden, of als de executie van een vrijheidsstraf wordt stopgezet, weer een verzoek of voordracht tot inbewaringstelling op grond van artikel 87 Fw. In ieder geval de laatste voordracht als ook mogelijke nieuwe verzoeken of voordrachten vinden hun grondslag dan ook niet in een informatiebehoefte, maar enkel in een gecoördineerde opzet om [eiser] gedetineerd te houden en te schaden. Dat is echter niet het doel van een faillissementsgijzeling, zodat een dergelijke gijzeling een punitief en verboden karakter heeft. Bij de voorbereiding van de beslissing ten aanzien van een nieuwe gijzeling dreigen zulke fundamentele rechtsbeginselen veronachtzaamd te worden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken. Voormeld onrechtmatig handelen als ook diverse andere onrechtmatigheden, zoals ter zitting nader toegelicht, dreigen zich bij een toekomstig verzoek tot faillissementsgijzeling namelijk te herhalen en de rechtbank en het gerechtshof tuinen in de verkondigde onwaarheden en doen beschikkingen af met “knip-en-plakwerk”. De curator en de r-c misbruiken voorts de hun toekomende bevoegdheden als zij opnieuw overgaan tot faillissementsgijzeling. Daarbij weegt het belang van [eiser] om het hoger beroep van zijn strafzaak in vrijheid te kunnen voorbereiden zwaarder dan het belang van de curator tot het vasthouden van [eiser] . Verder sleept het (overzichtelijke) faillissement alleen nog voort door de nodeloze informatieverzoeken van de curator en diens voor het overige veel te passieve houding. Het faillissement dient nu voortvarend door de curator te worden afgewikkeld.

3.3.

De curator en de Staat voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[eiser] heeft ter zitting betoogd ontvankelijk te zijn in zijn vordering sub 1, omdat hij op voorhand een verbod vordert van mogelijke nieuwe gijzelingen en hij een dergelijke eis niet aan de faillissementsrechter kan voorleggen. Ook al is dit laatste op zichzelf juist, dat maakt nog niet dat [eiser] daarom in zijn vordering in dit kort geding kan worden ontvangen. [eiser] beoogt met het gevorderde verbod immers te bewerkstelligen dat hij niet meer in bewaring wordt gesteld op grond van artikel 87 Fw. Dat is echter pas aan de orde als er (in eerste instantie) door de faillissementsrechter toewijzend is beslist op een verzoek van de curator daartoe of op voordracht van de r-c. Al hetgeen [eiser] in deze procedure naar voren heeft gebracht, kan hij in die procedure ook aan de faillissementsrechter voorhouden (hetgeen hij, in ieder geval grotendeels, ook al heeft gedaan in de reeds gevoerde procedures). Voorts staat er nog hoger beroep open tegen de beschikking van de rechtbank (van welke mogelijkheid [eiser] ook al diverse malen gebruik heeft gemaakt). Dat is een met voldoende waarborgen omklede en speciaal daarvoor aangewezen procedure, zoals de Staat terecht in het kader van zijn ontvankelijkheidsverweer naar voren heeft gebracht. Het enkel door [eiser] uiten van enkele verwijten aan het adres van de rechtbank en het gerechtshof (als vermeld onder 3.2) acht de voorzieningenrechter een onvoldoende gemotiveerde weerspreking daarvan.

4.2.

Gelet op het vorenstaande dient [eiser] niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering sub 1. Aan de inhoudelijke stellingen en het verweer daartegen wordt derhalve niet toegekomen.

4.3.

Ook voor wat betreft de vordering sub 2 staat er een andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang voor [eiser] open, te weten de procedure die de Faillissementswet biedt, waarin onder meer is geregeld de mogelijkheid van het uitlokken van een bevel van de r-c dat de curator een bepaalde handeling verricht en de mogelijkheid van hoger beroep tegen beschikkingen van de r-c. Ook in deze vordering zal [eiser] derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.4.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Voor een veroordeling van de advocaat van [eiser] in de proceskosten is geen plaats. Anders dan de curator heeft betoogd, was [eiser] niet onbevoegd om opdracht te geven tot het voeren van dit geding, zoals bedoeld in artikel 254 lid 1 Rv (in welk geval een kostenveroordeling ten laste van de advocaat kan plaatsvinden). Dit geding betreft geen procedure die verband houdt met het beheer en de vereffening van de failliete boedel, die enkel de curator kan voeren, maar er is sprake van een procedure tegen de curator, waarmee [eiser] tracht een (mogelijk toekomstige) faillissementsgijzeling te voorkomen. In een dergelijke procedure kan hij zelf in rechte optreden. Ook als de curator zou worden gevolgd in zijn stellingen dat deze procedure kansloos is en dat [eiser] en zijn advocaat misbruik maken van het procesrecht kan dat, gelet op de limitatieve opsomming in artikel 245 lid 1 Rv, niet leiden tot veroordeling van de advocaat van [eiser] in de proceskosten.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van zowel de curator als de Staat begroot op € 1.435,-, waarvan € 816,- aan salaris advocaat en € 619,- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2016.

ts