Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:5043

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-05-2016
Datum publicatie
24-05-2016
Zaaknummer
3489028 RL EXPL 14-30386
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad - onrechtmatige plaatsing gedetineerde in zwaarder penitentiair regime - immateriële schadevergoeding - aantasting in de persoon - inbreuk op de persoonlijke levenssfeer

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 106
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2016/113 met annotatie van mr. C.C. Janssen
PS-Updates.nl 2016-0164
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Kanton

DG

zaak.nr. 3489028 RL EXPL 14-30386

4 mei 2016

Vonnis in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,

gemachtigde: mr. R.J.H. van der Wal te Hengelo,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

De Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde partij,

vertegenwoordigd door: dhr. F. Boone.

Partijen worden aangeduid als [eiser] en de Staat.

Procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 25 september 2014, met producties 1 tot en met 5;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 4;

  • -

    de akte met producties 5 en 6 zijdens de Staat van 17 september 2015;

  • -

    de brief met producties genummerd 8 en 9 zijdens de Staat van 8 december 2015;

  • -

    de brief met producties genummerd 10 en 11 zijdens de Staat van 16 februari 2016;

  • -

    het proces-verbaal van de bij mondeling tussenvonnis bevolen comparitie van partijen van 17 maart 2016.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

1 Feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.

1.1

[eiser] is in Duitsland veroordeeld tot een gevangenisstraf van in totaal negen jaren en zes maanden. In april 2012 is [eiser] uitgeleverd aan Nederland om hier het restant van zijn gevangenisstraf uit te zitten.

1.2

[eiser] verbleef in de Penitentiaire Inrichting Almelo, locatie De Niendure (hierna: de Niendure). De Niendure is een zogenaamde zeer beperkt beveiligde inrichting (hierna: zbbi). Het regime in deze zbbi is open: de inrichting is niet bewaakt en gedetineerden werken doordeweeks buiten de inrichting. In het weekend verblijven zij op hun verlofadres.

1.3

Op 9 februari 2013 deed zich op het verlofadres van [eiser] een voorval voor in de familiesfeer, waardoor [eiser] niet meer op dat verlofadres terecht kon.

1.4

Op 15 februari 2013 heeft de directeur van de Niendure (hierna: de directeur) een ordemaatregel opgelegd aan [eiser] , inhoudende dat hij 14 dagen in afzondering op de eigen cel of verblijfsruimte moest verblijven. Omdat de familie van [eiser] heeft gemeld dat [eiser] niet meer welkom was op zijn verlofadres, wenste De Niendure de situatie op het verlofadres te onderzoeken. De ordemaatregel is opgelegd om onttrekking aan detentie te voorkomen.

1.5

Bij beslissing van gelijke datum heeft de directeur besloten dat deze ordemaatregel ten uitvoer gelegd zou worden op de gesloten afdeling van de Penitentiaire Inrichting Almelo, locatie De Karelskamp (hierna: De Karelskamp), omdat De Niendure zich daar niet voor leende.

1.6

Bij beslissingen van 28 februari 2013 heeft de directeur de ordemaatregel verlengd met 14 dagen, omdat het onderzoek nog niet was afgerond.

1.7

Het bezwaar van [eiser] tegen deze beslissingen is afgewezen.

1.8

[eiser] is vervolgens in beroep gekomen tegen deze beslissingen op bezwaar bij de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna: RSJ). De RSJ heeft het beroep gegrond verklaard en daartoe overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat er een gerechtvaardigde vrees bestond dat [eiser] zich aan detentie zou onttrekken. De RSJ heeft aan [eiser] een tegemoetkoming van

€ 140,00 toegekend.

1.9

Bij beslissing van 14 maart 2014 is [eiser] door de selectiefunctionaris geselecteerd voor deelname aan een Basis Penitentiair Programma per 3 april 2014.

1.10

Per 3 juni 2014 is [eiser] voorwaardelijk in vrijheid gesteld.

2 Vordering

[eiser] vordert dat de Staat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld:

I. tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 18.690,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van voldoening;

II. in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over die kosten vanaf de vijftiende dag na heden.

[eiser] legt aan de vordering voormelde vaststaande feiten ten grondslag, alsmede, samengevat, de volgende stellingen.

2.1

Door de beslissing van de RSJ staat vast dat [eiser] ten onrechte vier weken in afzondering is geplaatst in De Karelskamp. Dat heeft hij als bijzonder zwaar ervaren. In die periode heeft hij niet over zijn eigen spullen kunnen beschikken. Daarnaast was [eiser] door de ordemaatregel niet in staat zijn persoonlijke bezittingen op te halen op zijn verlofadres, terwijl hij daarvoor al een afspraak had gemaakt. Die bezittingen, waaronder diploma’s, zijn daarop door zijn familie weggegooid. [eiser] heeft daardoor schade geleden. Gelet op de richtlijnen van het Landelijk Overleg van Voorzitters van de Strafsectoren (hierna: LOVS) vordert [eiser] een bedrag van € 105,00 aan schadevergoeding per dag, zijnde een totaalbedrag van € 2.940,00.

2.2

Daarnaast was oorspronkelijk bepaald dat [eiser] de inrichting per 1 juni 2013 mocht verlaten, waarbij wel toezicht zou worden gehouden middels een enkelband (hierna: invrijheidstelling onder toezicht). Hij had daarom voor de periode vanaf 1 juni 2013 al een baan gezocht en gevonden. Als gevolg van de ordemaatregel is [eiser] eerst per 11 september 2013 in vrijheid gesteld onder toezicht. [eiser] vordert een bedrag van € 15.750,00 aan schadevergoeding voor de periode van plusminus vijf maanden dat hij nog niet in vrijheid werd gesteld onder toezicht.

3 Verweer

De Staat verweert zich tegen de vordering en voert daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aan.

3.1

Er bestaat geen aanleiding om, naast de reeds door de RSJ toegekende tegemoetkoming, schadevergoeding toe te kennen aan [eiser] . [eiser] heeft niet onderbouwd welke schade hij heeft geleden. De Staat betwist dat [eiser] immateriële schade heeft geleden. Van aantasting in zijn persoon in de zin van artikel 6:106 lid 1 sub b BW is geen sprake. Van onrechtmatige detentie is evenmin sprake. De Staat betwist voorts dat [eiser] vertraging heeft opgelopen in het proces leidend tot het verlaten van de inrichting, dan wel dat de ordemaatregel daarvan de oorzaak is.

4 Beoordeling

4.1

De Staat erkent dat zij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] door hem ten onrechte de voormelde ordemaatregel op te leggen. Het geschil spitst zich daarmee toe op de vraag of [eiser] als gevolg van die ordemaatregel schade heeft geleden en op de vraag of die schade voor vergoeding in aanmerking komt. Op [eiser] rust de stelplicht – en bij voldoende betwisting de bewijslast – van zijn stelling dat hij als gevolg van de ordemaatregel schade heeft geleden.

4.2

De door [eiser] gestelde schade bestaat, kort gezegd, uit twee delen: de gedurende de duur van de ordemaatregel direct geleden schade door het verblijven in verdergaande beperkingen dan zonder de ordemaatregel het geval was geweest en de gevolgschade in de vorm van de vertraging in het traject naar invrijheidstelling onder toezicht. De kantonrechter stelt vast dat deze schadeposten geen vermogensschade betreffen, zodat het toetsingskader voor immateriële schadevergoeding van artikel 6:106 BW van toepassing is.

4.3

[eiser] stelt in dat verband dat hij door de ordemaatregel in zijn persoon is aangetast in de zin van artikel 6:106 lid 1 sub b BW, hetgeen de Staat betwist. De kantonrechter begrijpt die stelling van [eiser] aldus dat hij bedoelt te betogen dat hij ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast in de zin van dat artikel. Van lichamelijk letsel of een schending van zijn eer of goede naam is immers niet gebleken.

4.4

Voor de toewijsbaarheid van een op voormeld subonderdeel gegronde schadevergoedingsvordering is, zoals de Staat terecht stelt, uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Op dat uitgangspunt kunnen wel uitzonderingen worden aanvaard in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer (vgl. HR 29 juni 2012, NJ 2012/410). Voor het aannemen van geestelijk letsel is niet voldoende dat sprake is van meer of minder sterk psychisch onbehagen of zich gekwetst voelen (vgl. HR 13 januari 1995, NJ 1997, 366)

4.5

De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld om te kunnen concluderen dat sprake is van geestelijk letsel. De enkele stelling dat de overplaatsing naar de Karelskamp door hem als bijzonder zwaar is ervaren is daarvoor onvoldoende, nu daaruit niet volgt dat sprake is van meer dan (sterk) psychisch onbehagen.

4.6

De kantonrechter ziet desondanks aanleiding af te wijken van voormeld uitgangspunt en [eiser] in zijn persoon aangetast te achten, omdat de onrechtmatige plaatsing in de Karelskamp als een ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer moet worden gekwalificeerd. In een zodanig geval is geestelijk letsel niet vereist (vgl. HR 1 november 1991, NJ 1992/58 en HR 9 juli 2004, NJ 2005, 391). Voor dat oordeel is het volgende redengevend. Als onweersproken staat vast dat [eiser] gedurende zijn verblijf in De Niendure een voor een gedetineerde relatief grote mate van vrijheid genoot: hij kon doordeweeks buiten de inrichting werken en in het weekend verblijven op zijn verlofadres buiten de inrichting. Slechts de resterende tijd bracht hij door in de inrichting, die bovendien nagenoeg onbewaakt was. Door de plaatsing in de Karelskamp zijn die aanzienlijke vrijheden [eiser] gedurende vier weken afgenomen: het stond hem niet meer vrij zich buiten de inrichting te begeven, waarbij moet worden aangenomen dat continu bewaking aanwezig was om dat ook te voorkomen. [eiser] bevond zich kortom weer in een gesloten regime. Daarbij komt nog dat de Staat onvoldoende heeft weersproken dat [eiser] als gevolg van de ordemaatregel de beschikking over zijn persoonlijke bezittingen verloor. Gelet op dit verlies aan persoonlijke vrijheden is naar het oordeel van de kantonrechter sprake van een aantasting in de persoon. De stelling van de Staat dat voor de vrijheidsbeneming op zichzelf wel een geldige titel bestond kan daaraan niet afdoen; het gaat er om dat [eiser] ten onrechte gedurende een aaneengesloten periode van vier weken een aantal wezenlijke vrijheden is afgenomen waarover hij eerder wel beschikte. [eiser] heeft reeds daarom in beginsel recht op schadevergoeding.

4.7

Ten aanzien van de gestelde gevolgschade is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] , gelet op de betwisting daarvan door de Staat, onvoldoende heeft onderbouwd dat de ordemaatregel tot gevolg heeft gehad dat hij niet per 1 juni 2013 de inrichting mocht verlaten met een enkelband. Door de Staat is op dat punt onweersproken gesteld dat de beoordeling of iemand tot een zodanig regime wordt toegelaten afhankelijk is van meerdere omstandigheden en rapportages, en dat onder andere problemen bestonden met het vinden van de benodigde huisvesting. Door [eiser] is niet gesteld dat aan al de andere voorwaarden voor invrijheidstelling onder toezicht was voldaan, noch dat er wel huisvestingsmogelijkheden voor hem bestonden. Daarmee is niet vast komen te staan dat het opleggen van de ordemaatregel de oorzaak was dat [eiser] niet per 1 juni 2013 in vrijheid is gesteld onder toezicht. Om die reden kan verder in het midden blijven of daadwerkelijk reeds was bepaald dat [eiser] per 1 juni 2013 in vrijheid zou worden gesteld.

4.8

Voor de bepaling, naar billijkheid, van de hoogte van de aan [eiser] toe te kennen schadevergoeding is dan ook slechts relevant de periode dat [eiser] ten onrechte in de Karelskamp was geplaatst. Daarbij dient de kantonrechter wel rekening te houden met alle omstandigheden van het geval. De kantonrechter acht daarbij niet van belang dat de familie van [eiser] persoonlijke bezittingen van hem zou hebben weggegooid omdat hij, als gevolg van de ordemaatregel, niet op een afspraak is verschenen, nu niet valt in te zien hoe dat handelen van de familie van [eiser] de Staat kan worden toegerekend.

4.9

Voor zover de Staat in dat verband nog betoogt dat de door de RSJ toegekende tegemoetkoming als vergoeding van de door [eiser] geleden schade moet worden beschouwd, slaagt dat standpunt niet. De tegemoetkoming van de RSJ is expliciet niet bedoeld als schadevergoeding in de zin die daaraan in het burgerlijk recht wordt gegeven (zie bijvoorbeeld RSJ 28 december 2015, 15/3028/TA en RSJ 3 november 2015, 15/1886/GM). Voor het verkrijgen van schadevergoeding staat daardoor voor de benadeelde de gang naar de burgerlijk rechter nog open (vgl. Rechtbank Rotterdam 10 maart 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BL7883). Wel zal de kantonrechter rekening houden met de reeds toegekende tegemoetkoming bij de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding.

4.10

De kantonrechter ziet voorts geen aanleiding om voor de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding aan te knopen bij de richtlijnen van het LOVS voor vrijheidsbeneming zonder grondslag, zoals [eiser] kennelijk bedoelt te betogen. Van onrechtmatige vrijheidsbeneming was immers, gelet op de aan [eiser] opgelegde en op dat moment nog voortdurende gevangenisstraf, geen sprake. De kantonrechter zal daarom aan [eiser] , alles afwegende, naar billijkheid een bedrag van € 400,00 aan schadevergoeding toekennen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding.

4.11

Nu [eiser] op dat hoofdpunt in het gelijk is gesteld wordt de Staat, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten veroordeeld, met dien verstande dat die veroordeling niet verder zal strekken dan het bedrag dat aan proceskosten verschuldigd was geweest indien [eiser] slechts het toegewezen bedrag van

€ 400,00 had gevorderd, zijnde in dat geval een bedrag van € 290,80 (€ 77,00 aan griffierecht, € 120,00 (2 punten à € 60,00) aan salaris voor de gemachtigde en

€ 93,80 aan explootkosten). De daarover gevorderde rente vanaf de vijftiende dag na heden, zijnde 19 mei 2016, is toewijsbaar.

Beslissing

De kantonrechter:

1. veroordeelt de Staat aan [eiser] te betalen een bedrag van € 400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 september 2014 tot aan de dag van algehele voldoening;

2. veroordeelt de Staat in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 290,80, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2016 tot aan de dag van algehele voldoening;

3. wijst af het meer of anders gevorderde;

4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 mei 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.

type: 2432

coll: 2068