Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:502

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
25-02-2016
Zaaknummer
C-09-479768-HA ZA 15-17
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

uithuisplaatsing kinderen; geen onrechtmatige daad van de Staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/479768 / HA ZA 15-17

Vonnis van 3 februari 2016

in de zaak van

1 [de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [de moeder],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat prof.mr. A.B. van Rijn te Leiden,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Eiser 1 zal hierna de vader, eiseres 2 zal de moeder en eisers gezamenlijk zullen de ouders genoemd worden. Gedaagde zal de Staat genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 t/m 14 van 12 december 2014;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 16 van 4 maart 2015;

  • -

    het tussenvonnis van 18 maart 2015 waarbij een comparitie na antwoord is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie na antwoord van 29 september 2015 met de daarin genoemde producties;

  • -

    de akte houdende overlegging producties van de Staat van 14 oktober 2015 met productie 17;

  • -

    de brief van de zijde van de ouders van 20 oktober 2015 met opmerkingen over het proces-verbaal van comparitie;

  • -

    de brief van de zijde van de Staat van 28 oktober 2015 met opmerkingen over het proces-verbaal van comparitie;

  • -

    de akte houdende uitlating producties, tevens akte houdende overlegging producties en akte houdende wijziging van eis van 11 november 2015 met producties 15 t/m 18 van de zijde van de ouders;

  • -

    de brief van de zijde van de Staat van 19 november 2015, waarin de Staat bezwaar maakt tegen het overleggen van laatstgenoemde akte van de ouders en de bijbehorende producties;

  • -

    de brief van de zijde van de ouders van 23 november 2015;

  • -

    de brief van de rechtbank van 26 november 2015, waarin de rechtbank aan partijen kenbaar heeft gemaakt dat zij de door de ouders ingediende stukken als onderdeel van het procesdossier beschouwt en dat de wijziging van eis een vermindering van eis is, waardoor de Staat niet in zijn belangen is geschaad.

1.2.

Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Eisers zijn de ouders van [minderjarige 1] (geboren [geboortedatum 1] ), [minderjarige 2] (geboren [geboortedatum 2] ) en [minderjarige 3] (geboren [geboortedatum 3] ), die hierna gezamenlijk zullen worden aangeduid als de kinderen.

2.2.

Bij beschikking van 16 april 2007 van deze rechtbank zijn de kinderen, na een daartoe strekkend verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen de Raad) van diezelfde datum (hierna: het verzoek van de Raad van 16 april 2007) en met toepassing van artikel 800 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voorlopig onder toezicht gesteld van 16 april 2007 tot 25 april 2007 en is een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing voor dezelfde periode verleend. De behandeling van het verzoek van de Raad van 16 april 2007 is voor het overige aangehouden. De kinderen zijn op 16 april 2007 bij de ouders weggehaald. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in verschillende pleeggezinnen ondergebracht. [minderjarige 3] is eerst vijf dagen in een weeshuis geplaatst, en vervolgens in een pleeggezin ondergebracht.

2.3.

Aan het verzoek van de Raad van 16 april 2007 is een verzoek door Bureau Jeugdzorg Haaglanden (BJZ) d.d. 21 maart 2007 (hierna: het verzoek van BJZ) voorafgegaan. Daarbij heeft BJZ de Raad verzocht een onderzoek te verrichten naar het gezin “om te bezien of hulpverlening in het kader van een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is”. Bij dit verzoek aan de Raad zijn bijlagen overgelegd, te weten:

  • -

    Onderbouwing geïndiceerde zorg en onderbouwing verzoek raadsonderzoek;

  • -

    Overzicht contactjournaals

  • -

    PGB Zorgvraag

  • -

    Verwijsbrief huisarts van 16 januari 2007

  • -

    Sociaal-medisch advies van 21 september 2006

  • -

    Stamblad

De PGB zorgvraag wordt in de opsomming van de bijlagen aangeduid als “Brief met hulpaanvraag van moeder”. In de onderbouwing van het verzoek van BJZ staat dat de moeder deze brief heeft meegenomen naar het screeningsgesprek waarin ze de gang van zaken beschrijft en haar hulpvragen heeft geformuleerd. Dit stuk heeft voor zover relevant, de volgende inhoud:

PGB Zorgvraag

Inleiding:

Ik ben [de moeder] geboren op [geboortedatum 4] en moeder van 3 kindjes. Ik heb in 2001 een

psychose gehad. Ik heb toen haldol voorgeschreven gekregen en therapie voor 1 jaar gehad bij Parnassia. Echter ben ik niet genezen alleen weet ik nu hoe ik met stress en drukte om moet gaan en dat heeft mij goed geholpen. Fysiek heb ik nog last van mijn bekken en rug. Dat is door de zwangerschap gekomen en is blijvend.

[minderjarige 1] is geboren op [geboortedatum 1] en dus al 5 jaar, maar nog compleet afhankelijk van mij. Ik moet zijn tanden poetsen, verschonen, wassen, eten geven, aankleden, Hij kan dat niet zelf. Ook moet ik hem s’nachts verschonen anders lekt het door naar het beddengoed en kan ik alles gaan wassen. Ook is hij sinds September elke week ziek. Als hij naar school gaat wordt hij binnen een paar dagen ziek en moet ik hem voor de rest van de week thuishouden.

[minderjarige 2] is geboren op [geboortedatum 2] en heeft ook problemen. Zij heeft chronische obstipatie sinds zij 1 jaar was. Soms moet zij twee weken niet poepen en zit dan ook niet goed in haar vel en dan is het toedienen van klisma’s noodzakelijk. Bij het poepen wordt zij helemaal hysterisch en lijkt het tegen te houden. Zij geeft aan pijn te hebben maar de ontlasting is niet hard Voor dit probleem heeft zij lactulose gehad maar dit wilt zij niet innemen en dit valt ook niet te mengen. Momenteel heeft zij Movicolum Junior , maar zij heeft moeite met het innemen. En zij heeft ook een verwijzing gehad voor de kinder fysio. Ook wordt zij hysterisch bij het tanden poetsen en het douchen. Het kan zelfs zo ver gaan dat ze overgeeft.

De gang van zaken:

Sinds [minderjarige 1] naar school gaat is hij ook bijna iedere week ziek. De verschijnselen zijn dan veel hoesten (voorals’nachts) snotneuzen, overgeven, en afwisselend koorts. Dit houd de rest van de week aan en dan moet hij worden thuisgehouden en verzorgd worden anders wordt het alleen erger. Hij is in November 2006 geopereerd aan zijn neusamandel omdat de KNO arts dacht dat het daaraan lag , maar na 1 week thuisgebleven na de ingreep ging hij weer naar school en na 2 dagen was hij weer ziek en zo ging het door tot op heden. Hij is verleden week nog ziek geweest en heeft 5 dagen lang overgegeven en weer vaak s’nachts. Dit is voor mij zeer vermoeiend en omdat ik ook nog de zorg heb voor mijn twee andere kindjes en vraag ik hier extra hulp bij in de vorm van ondersteunende begleiding.

De huisarts staat ook voor een raadsel van de oorzaak van het ziek zijn en heeft mij een

antibiotica Amoxcilline voorgeschreven en heeft mij doorverwezen naar een kinderarts in het Bronovo. Die heeft [minderjarige 1] bekeken en doorverwezen naar de kinderfysio en bloed geprikt om te kijken of zij iets kan vinden wat de oorzaak kan aanwijzen.

De GGD arts heeft [minderjarige 1] ook gezien en zij maakte zich ook zorgen over het ziek zijn en

heeft een tweede antibiotica kuur voorgeschreven en advies gegeven dat hij de hele maand

December thuis moest blijven om eens goed uit te zieken en heeft m doorverwezen naar een

diëtiste om te kijken of het voedsel wel volwaardig genoeg was. Ik ben bij [A] geweest en zij heeft mij uitgelegd wat een kind van zijn leeftijd moet eten en uit werd

gesloten dat hij ziek zou worden door onvolwaardig voedsel. Dus dat sluiten wij ook uit.

Na de antibiotica en het thuis blijven ging hij weer naar school en werd na 2 dagen weer ziek.

Ook heeft de leerkracht mevrouw [B] geconstateerd dat hij een achterstand had. Zij zegt dat hij minstens een jaar achterblijft wat betreft de andere kinderen en door het ziek zijn gaat het niet echt voorruit. Ook is hij nog niet zindelijk al zijn ze daar wel mee bezig op school.

Ik vraag ook hier weer extra hulp in de vorm van ondersteunende begeleiding. Zodat iemand met hem bezig kan zijn met het zindelijk worden en met hem gaat oefenen zodat hij wat minder achterblijft met de lesstof. Hij heeft veel aandacht nodig en ik moet mijn aandacht verdelen over de andere kindjes.

Als [minderjarige 1] thuis is is hij erg druk. Hij gaat door het huis rennen, springt op de bedden op de bank. Je ziet dat hij zijn energie niet kwijt kan en daarom is het voor hem belangrijk om met hem activiteiten te organiseren zodat hij zijn energie kan uiten en wat rust heeft. Met name als hij geen school heeft. Hier vraag ik ook extra hulp in de vorm van ondersteunende

begeleiding/ Vakantie begeleiding.

(…)

Ook is het goed om met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] 1 keer in de week te gaan zwemmen dit werkt

ontspannend en is goed voor de motorische beweging alleen is het voor mij onmogelijk om

met hen mee te gaan en vraag daarvoor ook ondersteunende begleiding.

Aan het eind van de week ben ik helemaal uitgeput en gestresst en dat voelen de kinderen

ook. Het zou daarom goed zijn voor beide partijen als de kinderen uit logeren zouden gaan en dan zou ik weer wat uit kunnen rusten zodat ik maandag er weer tegenaan kan

gaan. (Weekendopvang)

Samenvatting:

Vraag naar Persoonlijke begeleiding voor de verzorging van mijn kinderen.

Vraag naar Ondersteunende begeleiding.

Vraag naar Logeeropvang in de weekenden.

Vraag naar Vakantie opvang.”

2.4.

De bij het verzoek van BJZ gevoegde brief van huisarts [huisarts] van 16 januari 2007 vermeldt dat hij BJZ verzoekt om begeleiding van moeder voor [minderjarige 1] met als reden: “ is erg druk en vaak ziek. Vertoont soms agressief gedrag. Nog niet zindelijk. Moeder staat er alleen voor. Graag uw begeleiding.”

2.5.

Het bij het verzoek gevoegde Sociaal-Medisch Advies van 21 september 2006 vermeldt dat moeder voor onbepaalde tijd arbeidsongeschikt is met als conclusie: “Mw. heeft een chronisch psychiatrisch ziektebeeld waarbij ze in een wankel evenwicht verkeert en makkelijk kan decompenseren door stress en vermoeidheid. Mw. heeft als alleenstaande moeder de zorg voor 3 jonge kinderen en kan dit in feite niet aan. Haar hiernaast nog belasten met loonvormende arbeid is onmogelijk. Mw. is arbeidsongeschikt. Herbeoordeling is pas zinvol na meer dan 2 jaar.”

2.6.

Het contactjournaal maakt onder meer melding van het feit dat medewerkers van BJZ in maart 2007 huisbezoeken hebben afgelegd en daarbij hebben gesproken met de moeder. Ook staat daarin dat BJZ in diezelfde periode een aantal keren heeft gesproken met de leerkracht. Tijdens deze gesprekken heeft de leerkracht van [minderjarige 1] – samengevat – het volgende verteld. De leerkracht maakte zich zorgen over de moeder. Ze heeft de moeder doorverwezen naar de schoolarts, waar de moeder de problemen ontkende. Daarna heeft de school de moeder naar een opvoedcursus verwezen, die de moeder niet wilde volgen. Nu wilde de moeder naar Jeugdzorg omdat ze het niet meer zag zitten. De rol van de vader is onduidelijk. [minderjarige 1] laat een grote achterstand zien op alle gebieden, in taal, spraak en motoriek en heeft extra hulp nodig voor zijn ontwikkeling. Hij is maar weinig op school geweest. De school gelooft niet meer zomaar dat [minderjarige 1] ziek is. De leerkracht geeft te kennen dat [minderjarige 1] een ander kind is, wanneer de moeder er niet is; met de moeder erbij gedraagt hij zich jonger. De invloed van de moeder is zorgelijk, aldus de leerkracht, die ook te kennen geeft dat school denkt aan een melding bij het AMK en Bureau Leerplicht.

2.7.

Het contactjournaal vermeldt verder dat BJZ op 14 maart 2007 tegen de moeder heeft gezegd dat BJZ wil dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar een Medisch Kinderdagverblijf (MKD) gaan en dat daarnaast Gespecialiseerde Gezins Verzorging (GGV) wordt ingezet voor de thuissituatie. De moeder was het niet eens met het voorstel over het MKD en stond wel achter GGV. Afgesproken is dat ze zou nadenken over het MKD en dat ze tijdens een volgend gesprek op 20 maart 2007 laat horen of ze instemt met de voorgestelde maatregelen voor de kinderen. Op 20 maart 2007 zegt de moeder geen MKD te willen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en GGV thuis ook niet te zien zitten. Het journaal vermeldt tevens: “Moeder wil zelf de touwtjes in handen houden en wil middels een pgb hulp voor haar kinderen regelen.”

2.8.

Bij beschikking van 24 april 2007 van deze rechtbank zijn de kinderen op verzoek van de Raad, na een mondelinge behandeling van de zaak, waarbij ook de ouders met hun raadsvrouw aanwezig waren, voorlopig onder toezicht gesteld van 25 april 2007 tot 16 juli 2007 en is een machtiging tot uithuisplaatsing voor dezelfde periode verleend. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden, waarbij de Raad is verzocht tijdig voor de volgende zitting rapport en advies uit te brengen.

2.9.

Op 3 juli 2007 heeft de Raad een raadsrapport opgemaakt en naar de rechtbank gezonden. Bij beschikking van 10 juli 2007 van deze rechtbank zijn de kinderen na een mondelinge behandeling, waarbij alle betrokkenen aanwezig waren, onder toezicht gesteld van 16 juli 2007 tot 16 april 2008 en is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend van 16 juli 2007 tot 16 november 2007.

2.10.

Bij beschikking van 23 oktober 2007 van deze rechtbank is de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen op verzoek van BJZ verlengd tot 16 april 2008.

2.11.

De uitvoering van de beschermingsmaatregelen is door BJZ met ingang van 1 oktober 2007 gemandateerd aan de stichting Leger des Heils (Leger des Heils).

2.12.

Bij beschikking van 21 december 2007 van deze rechtbank is de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen beëindigd met ingang van 4 januari 2008. De kinderen zijn op 3 januari 2008 naar hun ouders teruggegaan.

2.13.

De ondertoezichtstelling is bij beschikkingen van 15 april 2008, 20 mei 2008, 18 november 2008 en 17 maart 2009 van deze rechtbank steeds verlengd. Op 26 mei 2009 is de ondertoezichtstelling van de kinderen beëindigd.

2.14.

De Klachtencommissie IV van de Raad heeft op 1 april 2010 een beslissing genomen op de klacht van de ouders over de handelwijze van de Raad. De samenvattende conclusie van de klachtencommissie luidt:

“Uit de aan de commissie overgelegde informatie komt een beeld naar voren van een moeder die bij BJZ de aandacht heeft gevraagd voor een aantal, hier en daar als ernstig aangeduide, problemen in haar gezin. Het is begrijpelijk dat deze informatie van de moeder die voor een groot deel bevestigd werd door de school van de kinderen, in combinatie met de informatie die van de Sociale Dienst werd verkregen, tot zorgen heeft geleid over de veiligheid van de kinderen en dat deze zorgen aan de Raad werden gemeld. De Raad heeft gezien de grote zorgen die BJZ had met spoed onderzocht of de kinderen uit huis moesten worden geplaatst. Daarbij is de Raad afgegaan op informatie die van informanten werd verkregen. Zo ontstond het beeld van een moeder die ondanks een psychische stoornis, alle hulp afhield. De informatie die de Raad daarover aan de kinderrechter verstrekte teneinde een machtiging tot uithuisplaatsing te verkrijgen, was, zoals in de beoordeling van de individuele klachten terug te vinden is, niet op alle punten voldoende onderbouwd. De commissie heeft de indruk dat de moeder, onbedoeld, zelf een aandeel heeft gehad in het ontstaan van een bepaald beeld doordat zij wellicht een gestreste indruk maakte op school en ook daar zorgen over de kinderen meldde. Voorts heeft zij dit beeld in stand gehouden door de aangeboden hulp niet te accepteren. Achteraf bezien heeft dat wellicht te maken gehad met de illegale positie van haar partner en met de omstandigheid dat de moeder wellicht alleen een “rugzakje” wilde en niet zo zeer door de zorgverleners geboden zorg in natura passend bij de door haar geuite klachten. Toen het onderzoek startte en toen de kinderrechter een oordeel moest geven over de gevraagde machtiging tot uithuisplaatsing was over de aanwezigheid van de partner van de moeder niets bekend. Al deze factoren tezamen hebben er naar het oordeel van de commissie voor gezorgd dat het tot een uithuisplaatsing kwam.

Daartegenover staat dat de Raad van de aanvang af onvoldoende oog lijkt te hebben gehad voor signalen die de zorgen konden relativeren. Zo heeft de Raad zich ten tijde van de uithuisplaatsing geen eigen oordeel gevormd over de actuele psychische situatie van de moeder, is (kennelijk) weinig waarde toegekend aan de informatie verkregen van de wijkverpleegkundige mevrouw [C] in april 2007, aan de voor ouders positieve informatie van de heer [D] en aan de informatie verkregen van mevrouw [E] . Voorts is de informatie afkomstig van de kinderarts [kinderarts] , die de kinderen en met name [minderjarige 2] meerdere keren had gezien, wel opgenomen in het rapport, maar blijkt niet dat deze informatie op een positieve manier is gewogen. De positieve informatie had op zijn minst aanleiding moeten zijn nog eens kritisch te kijken naar het bij de aanvang van het onderzoek genoemde vermoeden van Münchhausen by Proxy en de noodzaak van de uithuisplaatsing. Uit het rapport van 3 juli 2007 blijkt niet dat in deze zin een afweging heeft plaatsgevonden. Voor zover dat wel is gebeurd, is daarvan in het rapport in ieder geval onvoldoende melding gemaakt.

Met het voorgaande heeft de commissie willen aangeven dat de gang van zaken naar inschatting van de commissie niet alleen is veroorzaakt door de Raad maar dat klagers zelf ook een aandeel daarin lijken te hebben gehad.”

2.15.

De ouders hebben op 28 maart 2011 een klacht ingediend bij de Nationale ombudsman. De klacht bij de Nationale ombudsman is als volgt geformuleerd:

"Verzoekers klagen erover dat de Raad voor de Kinderbescherming geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht naar de situatie van hun kinderen. Volgens verzoekers heeft de Raad toe geredeneerd naar één conclusie, namelijk dat het beter was dat de kinderen (spoedig) uit huis werden geplaatst. De Raad baseerde zich daarbij volgens verzoekers op onjuiste informatie, stond daarbij niet open voor andersluidende, positieve verklaringen maar is steeds op de ingeslagen weg verder gegaan en heeft uiteindelijk ook de rechter en andere betrokkenen eenzijdig en onjuist geïnformeerd.

Verder klagen verzoekers er over dat de Raad te weinig gevolgen heeft verbonden aan de uitspraak van de klachtencommissie en onvoldoende oog heeft gehad voor het onrecht dat hen door de Raad is aangedaan en de impact die dat op hun gezin heeft gehad en nog heeft."

2.16.

In het rapport van de Nationale ombudsman dat dateert van 8 mei 2012 (rapportnummer: 2012/075 , hierna: het rapport van de Nationale ombudsman) wordt geconcludeerd dat de door de ouders ingediende klacht over de Raad gegrond is ten aanzien van:

- het raadsonderzoek voorafgaande aan het verzoek tot uithuisplaatsing, wegens schending van het vereiste van goede voorbereiding;

- het raadsonderzoek na de uithuisplaatsing, wegens schending van het beginsel van onpartijdigheid;

- de klachtbehandeling, wegens schending van het redelijkheidsbeginsel.

De Nationale ombudsman heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aanbevolen in overweging te nemen om zich tezamen met de Raad en andere ketenpartners, aan de hand van de onderhavige zaak, te bezinnen op de gevolgde werkwijze en na te denken over waarborgen om situaties als de onderhavige zoveel als mogelijk te voorkomen. Verder heeft de Nationale ombudsman de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie in overweging gegeven om in samenspraak met de Raad te komen tot erkenning en een passende vorm van excuses richting de ouders.

2.17.

Bij brief van 4 oktober 2012 heeft drs. [F] , lid van de landelijke directie van de Raad voor de Kinderbescherming, onder meer aan de ouders geschreven:

“Ik heb uit het rapport van de Nationale ombudsman begrepen dat de Raad het op veel punten niet goed heeft gedaan, en achteraf gezien kan ik me dat oordeel van de Nationale ombudsman wel voorstellen. Ik ben van mening dat de Raad niet gehandeld heeft zoals verwacht had mogen worden van een overheidsorganisatie. Ik kan de situatie helaas niet terugdraaien, maar wil u erkennen in uw gevoelens. Ik heb tijdens ons gesprek reeds mijn excuses gemaakt maar ik wil dat graag bij deze nog eens schriftelijk bevestigen.”

Bij brief van 27 december 2012 aan de ouders heeft drs. [F] deze passage herhaald.

2.18.

Bij verzoek van 31 juli 2012 hebben de ouders deze rechtbank om herroeping van alle hiervoor genoemde beschikkingen verzocht, op de grond dat deze beschikkingen inzake ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing tot stand zijn gekomen door middel van bedrog door de Raad, valsheid van stukken of achterhouding van stukken van beslissende aard als bedoeld in artikel 390 Rv in samenhang met artikel 382 Rv.

2.19.

Bij beschikking van 15 november 2012 heeft deze rechtbank het verzoek van de ouders om herroeping van deze beschikkingen afgewezen. De rechtbank heeft over het verzoek van de Raad van 16 april 2007 onder andere het volgende overwogen:

“Naar het oordeel van de rechtbank is niet, althans onvoldoende, gesteld en is in ieder geval niet gebleken dat de Raad ten tijde van het indienen van het verzoekschrift d.d. 16 april 2007 feiten heeft verzwegen of anderszins heeft belet dat feiten aan het licht zouden komen die tot een voor de ouders gunstige afloop van de procedure zouden hebben kunnen leiden. (…) De Raad is in dezen afgegaan op zijn informanten en heeft de kinderrechter geïnformeerd over hetgeen zij hem hebben medegedeeld. Op basis van de toen beschikbare informatie, kan er naar het oordeel van de rechtbank gelet op de informatie die het verzoekschrift in zijn geheel bezien behelst, niet, althans niet zonder meer, vanuit worden gegaan dat de kinderrechter, indien daarmee bekend anders zou hebben beslist. Daarbij merkt de rechtbank op dat ook bij spoedverzoeken als de onderhavige geldt dat hoge eisen moeten worden gesteld aan de zorgvuldigheid van het onderzoek van de Raad en de beoordeling daarvan door de kinderrechter en dat die eisen temeer klemmen in gevallen waarin wordt afgezien van het horen van de ouders en voor zover aan de orde de minderjarigen. Tegelijkertijd geldt dat de verzochte maatregelen een voorlopig karakter hebben en dat in voorkomend geval ter afwending van onmiddellijk en ernstig gevaar voor een minderjarige direct en in sommige gevallen op basis van (zeer) beperkte informatie moet worden gehandeld juist in afwachting van nader onderzoek.”

2.20.

In de beschikking van 15 november 2012 heeft de rechtbank voorts ten aanzien van de beschikkingen van 24 april 2007 en 10 juli 2007 en hetgeen daaraan voorafging overwogen:

“Blijkens deze beschikkingen werden de ouders bijgestaan door een advocaat en hebben zij ter weerlegging van de stellingen van de Raad voorafgaand aan die beschikkingen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling een verweerschrift en bijbehorende stukken en nadere stukken ter onderbouwing van hun verweer ingediend, waaronder ter gelegenheid van de mondelinge behandeling d.d. 24 april 2007 de schriftelijke informatie van [psychiater] , psychiater, en [huisarts] , huisarts, betreffende de moeder. Voor zover de rechtbank op basis van de archiefdossiers heeft kunnen nagaan zijn alle stukken die zijn gedateerd van vóór de genoemde beschikkingen reeds toen in het geding gebracht en daarmee door de kinderrechter gewogen bij zijn beoordelingen. In ieder geval is niet gesteld of gebleken, in aanmerking genomen dat de ouders in de gelegenheid zijn geweest verweer te voeren en ook hebben gevoerd, dat sprake is geweest van een oneerlijke proceshouding van de zijde van de Raad zoals hiervoor weergegeven. Voor zover moet worden aangenomen dat de Raad in zijn rapport heeft verzuimd voldoende informatie ter relativering van zijn zorgen op te nemen of verklaringen c.q. observaties onvolledig of suggestief heeft weergegeven, verdient opmerking dat de ouders reeds toen, uitvoerig en onderbouwd met stukken, hebben betoogd dat het beeld dat door de Raad werd geschetst, niet was gebaseerd op feiten en volgens hen aantoonbaar onjuist was. Evenmin is gesteld of gebleken dat de ouders eerst ná de betreffende beschikkingen stukken van beslissende aard in handen hebben gekregen die door toedoen van de Raad zijn achtergehouden in de procedure die heeft geleid tot deze beschikkingen.”

2.21.

Bij brief van 1 juli 2013 hebben de ouders de Staat aansprakelijk gesteld en een verzoek tot schadevergoeding ingediend. Bij brief van 12 augustus 2013 heeft de Staat aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3 Het geschil

3.1.

De ouders vorderen – na wijziging van eis – dat de rechtbank

I. zal verklaren voor recht dat de Staat jegens de ouders onrechtmatig heeft gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 BW en dat de Staat om die reden de schade die eisers daardoor hebben geleden, nader op te maken bij staat, dient te vergoeden;

II. de Staat zal veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder nakosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf vijf dagen na de datum van vonnis.

3.2.

De ouders leggen aan hun vordering ten grondslag dat de Raad onrechtmatig heeft gehandeld jegens hen door onzorgvuldig en vooringenomen onderzoek te verrichten voorafgaande aan het verzoek aan de kinderrechter om de kinderen voorlopig uit huis te plaatsen en onder toezicht te stellen. Als de Raad deugdelijk en neutraal onderzoek had verricht, dan zou de Raad hebben gezien dat de verzochte kinderbeschermingsmaatregelen niet gerechtvaardigd waren. Bij dit verzoek van de Raad van 16 april 2007 en de volgende verzoeken heeft de Raad echter (opzettelijk) onjuiste feiten gepresenteerd, waarbij de ouders in een negatief daglicht zijn geplaatst.

De Raad heeft dusdoende volgens de ouders:

  1. een aantal algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden en daarmee in strijd met artikel 3:14 BW gehandeld;

  2. in strijd gehandeld met artikel 8 EVRM, in het bijzonder voor zover dit het recht op eerbiediging van het gezinsleven waarborgt;

  3. in strijd met de artikelen 1:242, 1:254 en 1:261 BW zijn bevoegdheid misbruikt dan wel verkeerd aangewend;

  4. in strijd met artikel 21 Rv onvolledige feiten en onwaarheden aan de rechter voorgelegd;

  5. in strijd gehandeld met de artikelen 6 en 9 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp).

De Raad heeft overigens ook erkend dat zij fout heeft gehandeld.

Als direct gevolg van het onrechtmatig handelen van de Raad hebben de ouders en de kinderen materiële schade geleden in de vorm van onder andere inkomstenderving, onderzoekskosten en kosten van deskundigen. Voorts hebben zij immateriële schade geleden, bestaande uit geestelijke trauma’s van de vader en van de kinderen als gevolg van de uithuisplaatsing en de ondertoezichtstelling. De nadelige gevolgen daarvan zullen ook in de toekomst leiden tot nieuwe materiële schade, onder meer in de vorm van inkomstenderving en behandelkosten.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Inleiding

4.1.

Deze zaak gaat over het optreden van de Raad in verband met de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de drie jonge kinderen van de ouders. De rechtbank onderkent – en dat is ook op geen enkele manier in geschil – dat de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing diep hebben ingegrepen in het leven van de ouders en van de kinderen. De rechtbank ziet dat de ouders er stellig van overtuigd zijn dat er geen enkele grond was voor deze maatregelen en dat zij vinden dat hen groot onrecht is aangedaan door de betrokken personen en instanties, waaronder de Raad. Naar hun eigen zeggen heeft het leven van de ouders de afgelopen jaren in het teken gestaan van de strijd om erkenning waartoe zij zich gedwongen voelen. Zij hebben vele procedures gevoerd tegen de betrokken personen en instanties en de vader heeft boeken daarover geschreven, getiteld “Recht voor allen” en “De Samenzwering”. De ouders hebben te kennen gegeven dat het hen in deze procedure mede te doen is om erkenning door de Raad/de Staat van het door hen gevoelde onrecht. De rechtbank begrijpt dat erkenning een belangrijke drijfveer is van de ouders om de Staat in rechte te betrekken. De vraag die de rechtbank echter dient te beantwoorden is of er een feitelijke en juridische grondslag bestaat om de Staat uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk is te houden voor het handelen van de Raad en of de Staat uit dien hoofde gehouden is tot vergoeding van de gestelde schade. Dat zal de rechtbank hierna beoordelen.

Verjaring

4.2.

De rechtbank beoordeelt eerst het meest verstrekkende verweer van de Staat. De Staat beroept zich op verjaring van de rechtsvordering van de ouders, nu zij de Staat voor het eerst aansprakelijk hebben gesteld bij brief van 1 juli 2013.

4.3.

Op grond van artikel 3:310 BW, eerste lid, BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. De verjaringstermijn van vijf jaar staat niet alleen in het teken van de rechtszekerheid, maar ook van de billijkheid. De eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon moet naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad zo worden opgevat dat het gaat om een daadwérkelijke bekendheid. Het aanvangstijdstip van de verjaringstermijn hangt af van het moment waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering in te stellen.

4.4.

Niet gesteld en ook niet gebleken is dat de ouders vóór 1 juli 2013 (zijnde de datum waarop zij de Staat voor het eerst aansprakelijk hebben gesteld) stuitingshandelingen hebben verricht. De ouders stellen dat zij deels materiële en deels immateriële schade hebben geleden als gevolg van het handelen van de Raad. Zij stellen naar de rechtbank begrijpt dat de eerste verzoeken van de Raad in april 2007 bepalend zijn geweest voor het veroorzaken van de schade en dat wat daarna is gebeurd feitelijk een voortzetting is van dit schadeveroorzakend handelen. De door de ouders gestelde materiele schade bestaat uit inkomstenderving, onderzoekskosten, reiskosten, behandelkosten, administratieve kosten, kosten van postbezorging, kosten van deskundigen, proceskosten en verletkosten. De gestelde immateriële schade heeft betrekking op de door de ouders genoemde geestelijke trauma’s van de kinderen (angst en labiliteit bij [minderjarige 1] , selectief mutisme bij [minderjarige 2] en sinds de gebeurtenissen frequent terugkerende en ernstige nachtmerries bij [minderjarige 3] ) en van de vader (een posttraumatische stressstoornis). Deze uiteenlopende schadeposten zijn ook opgesomd en toegelicht in het verzoek tot schadevergoeding van de ouders aan de Raad van 1 juli 2013. Voor deze gestelde schadeposten geldt dat ze op uiteenlopende momenten zijn ontstaan en dat de ouders, die vanaf de bemoeienissen van de Raad in april 2007 (die volgens de ouders de gestelde schade hebben veroorzaakt) op de hoogte waren van de aansprakelijke persoon, op uiteenlopende momenten op de hoogte kunnen zijn geraakt van de verschillende schadeposten. De verjaringstermijnen van de verschillende schadeposten kunnen dus op uiteenlopende momenten zijn aangevangen. Daarmee is de bekendheid van de ouders met de schade doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of hun rechtsvordering verjaard is.

4.5.

Voor een aantal schadeposten, in het bijzonder de vóór 1 juli 2008 gemaakte kosten, geldt dat de ouders daarmee voor die datum bekend moeten zijn geweest. Mede gezien de aard van een aantal gestelde schadeposten, waaronder de psychische schade, is echter niet uitgesloten dat er ook sprake kan zijn van schade, die voortvloeit uit de uithuisplaatsing maar waarmee de ouders niet vóór 1 juli 2008 daadwerkelijk bekend zijn geworden. Of dat zo is, kan pas worden vastgesteld als de discussie over de schade ten volle is gevoerd. Dat is in deze procedure, waarin schadevergoeding op te maken bij staat wordt gevorderd, niet gebeurd. Bij deze stand van zaken staat niet vast dat de vordering tot schadevergoeding met betrekking tot alle schadeposten is verjaard. Dit staat in de weg aan het honoreren van het verjaringsverweer van de Staat en betekent dat de ouders belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van de gevorderde verklaring van recht.

Aansprakelijkheid

4.6.

De rechtbank komt nu toe aan de beoordeling van de vraag of de Raad onrechtmatig heeft gehandeld jegens de ouders met zijn verzoeken en adviezen aan de rechtbank die hebben geleid tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de kinderen. De ouders stellen zich op het standpunt dat de Raad van de aanvang af ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door onvoldoende onderzoek te doen en willens en wetens langdurig te blijven volharden in een onhoudbaar standpunt, waardoor de ouders schade lijden. De Staat heeft een en ander betwist.

4.7.

In het kader van de aansprakelijkheidsvraag dient te worden beoordeeld of de Raad een civielrechtelijke zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden en zo ja, of er sprake is van causaal verband tussen dit verwijtbaar onzorgvuldig handelen en de (gestelde) schade.

Het verweer van de Staat komt er feitelijk op neer dat inhoudelijke toetsing van het handelen van de Raad geheel achterwege kan blijven, nu elk causaal verband tussen dit handelen en de schade zonder meer ontbreekt. De Staat heeft er daarbij op gewezen dat het door de Raad ingediende verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing en de nadien door BJZ ingediende verlengingsverzoeken steeds zijn getoetst door de kinderrechter en alle zijn toegewezen. Die rechterlijke beslissingen staan hier niet ter discussie; de gegeven beschikkingen zijn niet door de appelrechter vernietigd en ook de herzieningsprocedure heeft niet tot herziening van de gegeven beschikkingen geleid, zodat van de juistheid van die beslissingen in de onderhavige procedure moet worden uitgegaan, aldus de Staat.

Causaal verband

4.8.

De rechtbank is van oordeel dat het verweer van de Staat met betrekking tot het ontbreken van causaal verband in ieder geval hout snijdt voor zover het ziet op de rechterlijke beslissingen die zijn genomen na mondelinge behandeling van de verzoeken, derhalve vanaf 24 april 2007. Vanaf dat moment zijn de ouders immers steeds in de gelegenheid geweest hun verweer naar voren te brengen, terwijl niet in geschil is dat zij van die gelegenheid ook ruimschoots gebruik hebben gemaakt. De rechtbank tekent in dat kader aan dat blijkens de beschikking van 24 april 2007 voorafgaand aan die zitting al een verweerschrift is ingediend en door de ouders schriftelijke informatie is overgelegd van zowel een psychiater als de huisarts. Onder die omstandigheden ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank vanaf 24 april 2007 causaal verband tussen het gestelde onrechtmatig handelen van de Raad en de schade. De rechtbank verwerpt de stelling van de ouders dat wel degelijk ook ter zake van die beslissingen causaal verband bestaat, omdat de rechtbank zich feitelijk bij haar beslissingen slechts laat leiden door het standpunt van de Raad. Daargelaten dat de ouders er daarbij aan voorbijgaan dat de latere verlengingsverzoeken niet zijn ingediend door de Raad maar door BJZ, gaan de ouders er ook aan voorbij dat er van moet worden uit gegaan dat de kinderrechter een onafhankelijke beslissing neemt, na zorgvuldige weging van alle hem door beide partijen ter beschikking gestelde gegevens.

4.9.

Anders ligt het echter voor de beslissing op het verzoek van de Raad van 16 april 2007. Die beslissing is spoedshalve genomen zonder de ouders daarover eerst te horen. Dat laat de mogelijkheid open dat wel sprake is van causaal verband tussen het handelen van de Raad (waaruit de eerste beschikking is voortgevloeid) en de schade. Immers, de rechterlijke beslissing van 16 april 2007 waarbij de spoedbeslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is gegeven, is enkel en alleen genomen op basis van eenzijdige informatie van de Raad. De rechtbank zal dan ook hierna beoordelen of indiening van dit spoedverzoek, gegeven alle omstandigheden van het geval, in redelijkheid niet door de Raad gedaan had mogen worden.

Het verzoek van de Raad van 16 april 2007

4.10.

Het verzoek van de Raad van 16 april 2007 strekte tot het aanstonds geven van een beschikking tot voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging uithuisplaatsing. Bij de beoordeling van het handelen van de Raad neemt de rechtbank in aanmerking dat het verzoek van 16 april 2007 betrekking had op het nemen van een maatregel met een voorlopig karakter, mede ten behoeve van nader onderzoek door de Raad met het oog op een definitieve beslissing over ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de kinderen. Het gaat daarbij niet om een beoordeling van het handelen van de Raad met wetenschap achteraf, maar om de vraag of de Raad, zoals de ouders stellen, ten tijde van het verzoek van 16 april 2007 een dusdanig verkeerde inschatting heeft gemaakt, dat hij niet binnen de redelijke grenzen gebleven is van zijn algemene zorgplicht. Van belang is dat die algemene zorgplicht meebrengt dat de Raad soms preventief maatregelen moet nemen om de verwezenlijking van dreigend gevaar voor kinderen te voorkomen. In dat verband wijst de rechtbank op vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) dat ‘verkeerde beslissingen of beoordelingen van deskundigen niet noodzakelijkerwijs kinderbeschermingsmaatregelen onverenigbaar maken met artikel 8 EVRM. De sociale en medische autoriteiten hebben een zorgplicht voor kinderen en kunnen niet aansprakelijk zijn voor elke keer dat echte en redelijke zorgen over de veiligheid van kinderen ten opzichte van hun familie achteraf onwaar blijken.’ (Zie onder andere EHRM, 30-09-2008, nr. 38000(1)/05, NJB 2008, 1974).

4.11.

De ouders leunen blijkens hun stellingen zwaar op het negatieve oordeel van de Nationale ombudsman over bepaalde facetten van het optreden van de Raad bij de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de kinderen, in casu de voorbereiding van het verzoek van de Raad. De rechtbank hecht echter voor de beoordeling van de aansprakelijkheidsvraag geen doorslaggevende betekenis aan het rapport van de Nationale ombudsman. Het door de Nationale ombudsman gegeven oordeel over het optreden van de Raad leidt, anders dan de ouders kennelijk menen, niet zonder meer en één op één tot het oordeel dat de Raad onrechtmatig heeft gehandeld jegens de ouders. Daarbij is van belang dat het beoordelingskader van de Nationale ombudsman niet hetzelfde is als de toets in het kader van het civiele aansprakelijkheidsrecht. Bovendien wordt in het rapport van de Nationale Ombudsman de vraag waar het in deze procedure om gaat, te weten of de Raad op 16 april 2007 binnen de redelijke grenzen van zijn zorgplicht met in achtneming van de haar toen ter beschikking staande gegevens in redelijkheid de inschatting heeft kunnen maken dat sprake was van een - voor de kinderen - ernstige situatie als bedoeld in artikel 1:255 BW, niet beantwoord. Overigens tekent de rechtbank nog aan dat uit het rapport van de ombudsman niet blijkt dat hij bij zijn beoordeling van de voorbereiding van het verzoek van de Raad de beschikking heeft gehad over de brief van de moeder zelf (de PGB zorgvraag) die de zorgen over moeder en de kinderen bij de Raad heeft aangewakkerd.

4.12.

De rechtbank is van oordeel dat er op het moment dat de Raad zijn verzoek indiende voldoende aanleiding voor de Raad bestond zich ernstige zorgen (echte en redelijke zorgen in de zin van de EHRM jurisprudentie) te maken over de situatie van de kinderen en die situatie ter beoordeling voor te leggen aan de rechtbank. De rechtbank licht dat oordeel als volgt toe.

4.13.

Tot de stukken waarover de Raad op 16 april 2007 beschikte behoort het verzoek van BJZ en de daarbij behorende bijlagen, waaronder de hiervoor in r.o. 2.3 geciteerde, ongedateerde brief met de kop ‘PGB Zorgvraag’ De ouders betwisten dat de moeder deze ongedateerde brief heeft opgesteld. De rechtbank acht deze betwisting echter onvoldoende gemotiveerd, gelet op de inhoud van de brief (opgesteld in de ik-vorm), de daarin vermelde persoonlijke informatie en het feit dat in het verzoek van BJZ wordt gesproken over deze brief als een brief die de moeder in een screeninggesprek met BJZ heeft meegenomen.

4.14.

In dit verzoek om een PGB wordt door de moeder een situatie geschetst die ernstige zorg over de kinderen oproept. Lezing ervan leidt er toe dat moet worden betwijfeld of de moeder in staat is adequate zorg aan de kinderen te bieden. Daarbij springen de door haar zelf gemelde ontwikkelingsachterstand van [minderjarige 1] , de beschrijving van zijn gedrag, zijn veelvuldig ziek zijn en zijn schoolverzuim in het oog, net als de geschetste medische problematiek en het gedrag van [minderjarige 2] . De door de moeder geschetste zorg over [minderjarige 1] wordt overigens bevestigd door haar huisarts [huisarts] , die blijkens de voorhanden zijnde verwijzingsbrief op basis van vergelijkbare problemen de moeder in januari 2007 heeft verwezen naar BJZ. Verder vermeldt het stuk van de moeder dat de geboden hulp voor haar niet voldoende is en is de strekking ervan dat de moeder de veeleisende zorg voor de kinderen niet aankan. De onder meer door haar gevraagde weekend- en vakantieopvang is een verstrekkende maatregel. De door de inhoud van dit stuk in het leven geroepen zorg wordt versterkt door de verdere informatie waarover de Raad begin april 2007 beschikte, waaronder het gegeven dat de moeder was vrijgesteld van de sollicitatieplicht voor de bijstand en sinds 2006 reeds een PGB ontving van vier uur per dag voor huishoudelijk hulp en persoonlijke verzorging, verband houdend met haar psychische gesteldheid. Daarnaast had de Raad de beschikking over het Sociaal Medisch Advies (SMA). De ouders kan worden nagegeven dat dat advies van september 2006 dateert en was gegeven in een ander kader, maar dat laat onverlet dat het advies was opgesteld door een arts en dat daarin werd gesproken over een chronisch psychiatrisch ziektebeeld, dat herbeoordeling op termijn van twee jaar (dus voor september 2008) volgens de betreffende arts niet zinvol maakte. Dat de Raad in zijn verzoek op pagina 1, het SMA citerend, heeft vermeld (achteraf gezien ten onrechte) dat sprake was van een chronisch psychiatrisch ziektebeeld van de moeder is dan ook in het licht van de voorhanden zijnde gegevens, op zich en in onderlinge samenhang bezien, niet dermate onbegrijpelijk dat deze vermelding in het verzoek onrechtmatig moet worden geacht. Dit geldt te meer daar die vermelding in de conclusie van het verzoek wordt genuanceerd. Daar valt immers te lezen dat er “geen zicht of duidelijkheid” over het psychiatrisch ziektebeeld van moeder valt te krijgen. Uit de stukken waarover de Raad beschikte blijkt verder, dat vast staat dat de leerkracht van [minderjarige 1] ernstige zorgen heeft geuit, bang was dat de moeder buiten beeld zou raken en dat de school overwoog met een melding bij het AMK en Bureau Leerplicht in te grijpen ten aanzien van [minderjarige 1] , die sinds januari 2007 leerplichtig was en veelvuldig thuis werd gehouden. Voorts blijkt uit de stukken die de Raad ter beschikking had (hetgeen de moeder in de procedure ook niet gemotiveerd heeft weersproken) dat de moeder de door BJZ noodzakelijk geachte en aangeboden hulp in het vrijwillig kader niet wilde aanvaarden. Zij weigerde de hulp in de vorm van MKD en GGV voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , alhoewel zij eerst wel had ingestemd met GGV; daarnaast had zij eerder al de door de school geadviseerde hulp in de vorm van een opvoedcursus afgewezen. Daar komt nog bij dat het de Raad inmiddels duidelijk was geworden dat de moeder niet alleenstaand was, zoals zij naar buiten toe deed voorkomen, maar samenwoonde met een illegaal in het land verblijvende partner, wat voor extra spanning en problemen zorgde. Al met al acht de rechtbank het onder de gegeven omstandigheden dan ook niet onbegrijpelijk, noch verwijtbaar onzorgvuldig, dat de Raad een beschermingsmaatregel heeft gevraagd.

4.15.

Voor zover de ouders zich op het standpunt stellen dat de Raad desondanks aansprakelijk is, omdat achteraf gebleken is dat bepaalde informatie (van derden) onjuist was, gaat de rechtbank daaraan voorbij. De rechtbank verwijst daarbij nogmaals naar de hiervoor genoemde uitspraak van het EHRM, waarin dat is overwogen. De rechtbank tekent nog aan dat de Raad bij een spoedverzoek, vooruitlopend op een raadsonderzoek, in redelijkheid mag afgaan op informatie van professionals, waaronder leerkrachten. Bovendien staat vast dat de Raad na de ontvangst van het verzoek van BJZ niet klakkeloos is afgegaan op de daarbij verstrekte informatie van derden, maar in april 2007 herhaaldelijk zelf contact heeft opgenomen met de school om de informatie van BJZ te verifiëren en op 16 april 2007 ook nog gepoogd heeft bij de huisarts en Parnassia na te gaan wat de actuele psychische conditie van de moeder was. Het enkele feit dat ten tijde van het indienen van het spoedverzoek nog niet alle duidelijkheid was verkregen en achteraf bepaalde feiten zijn opgehelderd leidt in het licht van de overige voorhanden zijnde gegevens dan ook niet tot een ander oordeel.

4.16.

De slotsom is dat de Raad binnen haar beoordelingsmarge in redelijkheid heeft kunnen komen tot indiening van het spoedverzoek van 16 april 2007, in afwachting van een nader raadsrapport. De rechtbank tekent daarbij nogmaals aan dat het verzoek van 16 april 2007 betrekking had op een voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Dat zijn maatregelen van korte duur die er mede toe strekken om meer duidelijkheid over de feitelijke situatie te verkrijgen. Daarvoor was nader onderzoek noodzakelijk, nu er ten tijde van indiening van het verzoek nog geen volledige duidelijkheid bestond over de ernst van de situatie van de kinderen, de (psychische) situatie van de moeder en de rol van de vader in dat alles. Van misbruik van bevoegdheid dan wel verwijtbaar verkeerd aangewende bevoegdheid door de Raad, in strijd met de artikelen 1:242, 1:254 en 1:261 BW, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Het verzoek van de Raad was op de wet gegrond en niet in strijd met artikel 8 EVRM.

4.17.

Anders dan de ouders kennelijk menen doet de uitspraak van de rechtbank van 21 december 2007 aan dit oordeel niet af. De rechtbank leest namelijk in de beschikking van deze rechtbank van 21 december 2007 (2.7.), waarbij de uithuisplaatsing op een termijn van 2 weken is beëindigd, niet dat de rechtbank tot die beslissing is gekomen, omdat haar gebleken zou zijn dat de Raad de rechtbank vanaf het begin af aan onjuist geïnformeerd had. De rechtbank heeft in de beschikking van 21 december 2007 slechts overwogen dat de gronden voor de uithuisplaatsing ‘niet langer aanwezig zijn’, en heeft overigens toen de ondertoezichtstelling gehandhaafd. Dat is dus een rechterlijk oordeel over de situatie op 21 december 2007 en niet over de situatie op 16 april van dat jaar. De rechtbank is ook voor het overige niet gebleken dat de Raad in het verzoek van 17 april 2007 opzettelijk onjuiste informatie aan de rechtbank zou hebben verstrekt; van strijd met artikel 21 Rv. die tot aansprakelijkheid moet leiden is dus evenmin sprake.

4.18.

De rechtbank tekent nog aan dat het enkele feit dat de Raad te kennen heeft gegeven zich achteraf te kunnen vinden in de door de Klachtencommissie en de Nationale ombudsman gegrond verklaarde klachtpunten, anders dan de ouders menen, geen erkenning van civielrechtelijke aansprakelijkheid met bijbehorende schadevergoeding impliceert. Dienovereenkomstig heeft de Staat benadrukt dat de Raad aldus doende slechts heeft beoogd de ouders te erkennen in hun gevoel en te benadrukken dat de Raad de door de Nationale Ombudsman gedane suggesties voor verbetering van de werkwijze ter harte zal nemen.

Schending Wet bescherming persoonsgegevens

4.19.

De ouders verwijten de Raad tot slot dat hij persoonsgegevens van hen en de kinderen heeft verzameld en verwerkt in strijd met de artikelen 6, 9 en 11 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). De Staat heeft dit gemotiveerd betwist, onder andere door aan te voeren dat dit standpunt van de ouders reeds eerder in rechte is beoordeeld, in de procedure die heeft geleid tot de beslissing van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 oktober 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN9526). Die bestuursrechtelijke procedure ging over het afwijzend besluit op het op de Wbp gebaseerde verzoek van de ouders om correctie van onjuiste gegevens uit het rapport van het Raadsonderzoek van 3 juli 2007. In die procedure is – kort gezegd – geoordeeld dat de bezwaren van de ouders gegrond waren voor zover deze betrekking hadden op het medisch dossier van de moeder. Voor het overige zijn de bezwaren tegen de weigering om een correctie aan te brengen op grond van de Wbp verworpen.

4.20.

Mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door de Staat hebben de ouders – op wie de stelplicht en de bewijslast rust – hun verwijten ter zake onvoldoende specifiek en concreet gesteld. Het door de ouders ter comparitie gemaakte verwijt dat de Raad, ondanks een toezegging daartoe, de stukken niet heeft vernietigd, is door de Staat voldoende weerlegd door erop te wijzen dat de Archiefwet niet toestaat dat dossiers worden vernietigd, te verwijzen naar de oplegnotitie op het betreffende dossier en door de uitgesproken bereidheid van de Raad het onderzoeksrapport van de Raad te voorzien van een instructie dat het dossier op geen enkele manier gebruikt mag worden. Los van het voorgaande tekent de rechtbank nog aan dat niet gebleken is van enig relevant causaal verband tussen deze verwijten en de gestelde schade.

Conclusie

4.21.

Het voorgaande brengt mee dat de gevorderde verklaring voor recht moet worden afgewezen en de verwijzing naar de schadestaat daarmee niet aan de orde is.

4.22.

De ouders zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op:

- griffierecht 608,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.512,00

4.23.

De rente over deze proceskostenveroordeling zal worden toegewezen als door de Staat gevorderd.

4.24.

Voor veroordeling in de nakosten, zoals door de Staat gevorderd, bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt de ouders in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de Staat begroot op € 1.512,00, vermeerderd met wettelijke rente daarover met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis;

5.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra - van Vliet, mr. L. Alwin en mr. I.A.M. Kroft en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2016.1

1 type: 1328 coll: