Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:4923

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
09-05-2016
Zaaknummer
16/7382
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bewaring, Marokko, zicht op verwijdering

Met betrekking tot het zicht op uitzetting verwijst de rechtbank naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle van 24 maart 2016 (ECLI:NL:RBOVE: 2016:1020). Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat op 23 maart 2016 zes personen in persoon zijn gepresenteerd bij het consulaat in Amsterdam. Op 12 april 2016 zijn zes personen in persoon gepresenteerd bij het consulaat in Den Bosch. Het consulaat in Den Bosch heeft op 8 april 2016 twee lp’s verstrekt, die op 12 april 2016 door verweerder zijn opgehaald. Voor één vreemdeling – die thans vreemdelingrechtelijk is gedetineerd en voor wie een lp is opgehaald - is een vlucht aangevraagd. Van de andere vreemdeling, voor wie eveneens een lp is opgehaald, was de inbewaringstelling inmiddels opgeheven. Uit het voorgaande volgt dat zicht op uitzetting naar Marokko thans niet ontbreekt. Van eiser mag daarom worden verwacht dat hij actief en volledig meewerkt aan de (voorbereiding van de) verwijdering, wat onder meer inhoudt dat hij aan de Marokkaanse autoriteiten te kennen geeft bereid te zijn terug te keren naar Marokko.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/7382

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum],

van Marokkaanse nationaliteit,

V-nummer [nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. M.E. Muller),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. A. Hanje).

Procesverloop

Eiser heeft op 12 april 2016 beroep ingesteld tegen het voortduren van de bewaring.Het beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan eiser en aan de rechtbank toegezonden. Eiser is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2016. Eiser en gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 4 januari 2016 is eiser in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 23 februari 2016 (Awb 16/2136) heeft de rechtbank laatstelijk een eerder tegen de bewaring gericht beroep ongegrond verklaard. Thans staat uitsluitend ter beoordeling of het voortduren van de bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van het onderzoek op 16 februari 2016 in die zaak.

2. Eiser stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van voortvarend handelen met betrekking tot zijn uitzetting. Eiser betwist dat er nog steeds sprake is van zicht op uitzetting op korte termijn.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de voortgangsrapportage van 14 april 2016 blijkt dat verweerder meerdere malen heeft gerappelleerd, laatstelijk op 4 april 2016 en dat vertrekgesprekken hebben plaatsgevonden, laatstelijk op 30 maart 2016. Eiser is op 7 maart 2016 gepresenteerd aan de vertegenwoordiger van Marokko in Rotterdam, de lp-aanvraag is in onderzoek genomen en er is een kopie paspoort overgelegd aan de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Deze beroepsgrond faalt.

4. Met betrekking tot het zicht op uitzetting verwijst de rechtbank naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle van 24 maart 2016 (ECLI:NL:RBOVE: 2016:1020). Uit de in die zaak overgelegde brieven van verweerder van 16 maart 2016 en 17 maart 2016 blijkt dat vreemdelingen zijn gepresenteerd bij de consulaten in Rotterdam (7 maart 2016), Den Bosch (12 januari, 26 januari, 4 februari en 1 maart 2016) en zullen worden gepresenteerd bij het consulaat in Amsterdam (23 maart 2016). Bij het consulaat in Utrecht zijn geen vreemdelingen gepresenteerd; met de Consul Generaal van dat consulaat is afgesproken dat lopende zaken op 23 maart 2016 worden besproken.

Voorts blijkt uit de brieven dat naar aanleiding van de presentaties in Den Bosch een laissez passer (lp) is verstrekt ten behoeve van een vreemdeling die vreemdelingrechtelijk was gedetineerd, dat van een vreemdeling de nationaliteit nogmaals is bevestigd en dat de overige zaken in onderzoek zijn genomen en door worden gestuurd naar de autoriteiten in Marokko voor identificatie. Naar aanleiding van de presentatie in Rotterdam zijn alle zaken in onderzoek genomen en worden de zaken doorgestuurd naar de autoriteiten in Marokko voor identificatie.

Ten slotte blijkt uit de brieven dat door het consulaat in Den Bosch op 12 februari 2016 een lp is afgegeven en dat in de periode van 1 januari tot 11 maart 2016 vier Marokkaanse vreemdelingen gedwongen zijn teruggekeerd naar Marokko; drie vreemdelingen met een paspoort en een vreemdeling met een lp.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat op 23 maart 2016 zes personen in persoon zijn gepresenteerd bij het consulaat in Amsterdam. Op 12 april 2016 zijn zes personen in persoon gepresenteerd bij het consulaat in Den Bosch. Het consulaat in Den Bosch heeft op

8 april 2016 twee lp’s verstrekt, die op 12 april 2016 door verweerder zijn opgehaald. Voor één vreemdeling – die thans vreemdelingrechtelijk is gedetineerd en voor wie een lp is opgehaald - is een vlucht aangevraagd. Van de andere vreemdeling, voor wie evens een lp is opgehaald, was de inbewaringstelling inmiddels opgeheven.

Uit het voorgaande volgt dat zicht op uitzetting naar Marokko thans niet ontbreekt. Van eiser mag daarom worden verwacht dat hij actief en volledig meewerkt aan de (voorbereiding van de) verwijdering, wat onder meer inhoudt dat hij aan de Marokkaanse autoriteiten te kennen geeft bereid te zijn terug te keren naar Marokko. De beroepsgrond faalt.

5. Het beroep is ongegrond. Daarom kan geen schadevergoeding worden toegekend.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.M.J. Bouwman, rechter, in aanwezigheid van

H.B. Slot-Akkerman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.