Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:4882

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-04-2016
Datum publicatie
04-05-2016
Zaaknummer
4800979 \ EJ VERZ 16-80613
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

De werkgever heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereen¬komst tussen partijen te ontbinden. Werkneemster heeft verweer gevoerd en tegenverzoeken gedaan. Werkneemster, 54 jaar, is op 1 december 1997 als directeur in dienst getreden.

De werkgever heeft sinds 1 januari 2014 veranderingen in de organisatie doorgevoerd, onder andere wegens de invoering van de WMO in 2007. In verband met de veranderingen heeft de werkgever een beleidsplan opgesteld.

De werkgever heeft aan het verzoek het volgende ten grondslag gelegd. De werkneemster is ongeschikt om de overeengekomen werkzaamheden te verrichten. Zij beschikt volgens de werkgever niet over de vereiste persoonlijke eigenschappen en vaardigheden om de functie van directeur in de nieuwe fase van de werkgever uit te voeren. De ongeschiktheid van de werkneemster wordt geïllustreerd door een rapport naar aanleiding van een onderzoek naar het functioneren van de werkgever. Aan werkneemster is een passende functie aangeboden en er is alles aan gedaan om het functioneren te verbeteren.

De werkneemster heeft de verwijten betwist en heeft aangevoerd dat zij ziek is en het verzoek verband houdt met haar ziekte. De werkneemster heeft verklaringen van externe samenwerkingsorganisaties en interne werknemers overgelegd waaruit haar goede functioneren blijkt.

De kantonrechter overweegt dat de ziekte geen verband houdt met het verzoek en gaat hieraan voorbij. Voorts is de kantonrechter van oordeel dat er onvoldoende is komen vast staan dat de werkneemster disfunctioneert in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub d BW en is er onvoldoende gelegenheid geboden om het functioneren te verbeteren. De primaire grondslag voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst komt hiermee te vervallen en derhalve komt de beoordeling van artikel 7:669 lid sub h BW aan de orde.

De kantonrechter is van oordeel dat het verschil van inzicht op het niveau van bestuur en directeur, in relatie tot de moeilijke omstandigheden waarin de werkgever momenteel verkeert waardoor eensgezindheid meer dan ooit nodig is, “andere omstandigheden” zoals vermeld in de h-grond van artikel 7:669 lid 3 BW opleveren. Deze zijn zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Herplaatsing is niet aan de orde. Op grond hiervan moet de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden worden met ingang van 1 juli 2016.

De werkneemster heeft naast de transitievergoeding om een billijke vergoeding verzocht. De kantonrechter is van oordeel dat de werkneemster schade heeft geleden door de wijze en het tijdstip waarop de werkgever het voornemen tot ontslag aan de werkneemster kenbaar heeft gemaakt. Werkneemster was op dat moment arbeidsongeschikt en bevond zich derhalve in een kwetsbare positie. Nu inmiddels een interim directeur was aangesteld is niet goed in te zien waarom de werkgever niet het einde van de arbeidsongeschiktheid of de fase van re-integratie heeft afgewacht. Ook heeft de werkneemster schade geleden als gevolg van het feit dat de werkgever het voornemen tot ontslag direct na het gesprek met werkneemster kenbaar heeft gemaakt aan het eigen personeel en aan derden. Het voorgaande levert naar het oordeel van de kantonrechter een ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van de werkgever op. De kantonrechter begroot de schade, alles afwegend, op een bedrag van € 20.000,00.

De werkgever wordt veroordeeld tot betaling aan de werkneemster van € 54.775,00 betreffende een transitievergoeding en € 20.000.00 betreffende een billijke vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1260
AR-Updates.nl 2016-0485
GZR-Updates.nl 2016-0225
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Leiden

EJM

Rep.nr.: 4800979 \ EJ VERZ 16-80613

Datum: 7 april 2016

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

de stichting Stichting Maatschappelijke Ondersteuning Voor Elkaar,

gevestigd en kantoorhoudende te Voorschoten,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. R.Ch. Rombach

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. A.W.E.S. van Duyneveldt-Franken.

Partijen worden aangeduid als “de Stichting” en “ [verweerster] ”.

1 Het procesverloop

1.1.

De Stichting heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerster] heeft verweer gevoerd en tegenverzoeken gedaan.

1.2.

Op 24 maart 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft de Stichting nog stukken toegezonden. Ter zitting zijn door beide partijen pleitnotities overgelegd.

2 De feiten

2.1.

Op grond van de onweersproken inhoud van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken gaat de kantonrechter van het volgende uit.

2.2.

De Stichting is een organisatie die was gericht op welzijn van ouderen in Voorschoten. Sinds 1 januari 2014 is de organisatie omgevormd. De doelstelling is sindsdien verbreed naar een algemene welzijnsorganisatie, gericht op alle kwetsbare burgers van Voorschoten. De statutaire naam is sindsdien Stichting Maatschappelijke Ondersteuning Voor Elkaar. Het personeelsbestand van de Stichting is na de overkomst van twee medewerkers van de Stichting Rondom Mantelzorg in 2014 uitgebreid van vier parttime medewerkers naar 6 parttime medewerkers. Nadat was besloten tot de oprichting en ontwikkeling van een vrijwilligerscentrale als onderdeel van de Stichting telde de Stichting in 2015 negen parttime medewerkers, inclusief [verweerster] . Aanleiding voor de veranderingen zijn onder meer de invoering van de WMO in 2007 en de integratie van de mantelzorg in de Stichting.

2.3

[verweerster] , geboren op [1961] , is op [1997] als [functie] in dienst getreden. Haar salaris bedraagt laatstelijk € [xx] bruto per maand bij een werkweek van 32 uur. [verweerster] heeft verder recht op 8% vakantietoeslag en een eindejaarsuitkering van 8,3%. Partijen zijn het erover eens dat de opzegtermijn 4 maanden bedraagt.

2.4.

In verband met de veranderingen heeft de Stichting een beleidsplan opgesteld. In verband met deze wijzigingen in het takenpakket is vanaf eind 2013 een lid van het stichtingsbestuur, de heer [JC] , als [functie] naast [verweerster] benoemd. Tot zijn takenpakket behoorde onder andere de personele zaken, de projecten, de public relations en de (financiële) bedrijfsvoering.

2.5

In oktober/november 2014 vond er een werkoverleg plaats waarbij personeelsleden en [verweerster] aanwezig waren. [verweerster] heeft dit overleg voortijdig verlaten. Naar aanleiding van dit incident heeft het bestuur van de Stichting in november 2014 een externe adviseur, de heer [MN] , gevraagd een analyse te maken van wat er speelt in de organisatie. Na gehouden gesprekken met onder meer personeelsleden en [verweerster] constateert hij op 16 maart 2015 onder meer:

(…..)

“Bij velen heerst een gevoel van onveiligheid, er is gebrek aan onderling vertrouwen en aan

respect voor elkaar. Er is behoefte aan duidelijkheid (weten waar men aan toe is), openheid,

eerlijkheid en integriteit. Er is veel te weinig overleg en het gevoel bestaat dat er teveel ‘top

down’ wordt beslist. Sommigen meenden ook dat een centrale locatie voor alle

medewerkers de onderlinge communicatie zou verbeteren. Ook de term overlevingsmodus

is gevallen en de neiging bestaat het eigen werkterrein af te schermen. Tenslotte – en veel van de genoemde problemen lijken daarmee te maken te hebben – is er dringend behoefte aan goede en consequente leiding.

Wat te doen? Ik denk dat het goed zou zijn als er bijvoorbeeld eens per kwartaal of half jaar

overleg zou zijn tussen het bestuur of enkele bestuursleden en alle medewerkers (of enkel

diegenen die in het zogenaamde ‘frontline overleg’ zitten) waarin plannen worden

besproken, de koers wordt uitgezet en iedereen de gelegenheid krijgt zijn zegje te doen. Dit

om te voorkomen dat er teveel ‘top down’ wordt beslist. Verder lijkt het mij goed een coach

te zoeken die [verweerster] begeleidt bij het leiding geven. Ook een centrale locatie voor

alle medewerkers zou de onderlinge communicatie kunnen verbeteren. Verder zou het

wellicht helpen indien een bestuurslid individuele gesprekken voert met medewerkers

waarbij ook aan de orde komt hoe bepaalde gedragingen van de een door de ander worden

ervaren.”

2.6.

Begin 2015 stopt de heer [JC] met zijn werkzaamheden als [functie] en is [verweerster] weer [functie] . Achter de schermen is vervolgens een drietal bestuursleden betrokken bij taken van de [functie] . De heer [JC] bij dezelfde taken die hij eerder als [functie] uitvoerde. Mevrouw [VK] bij het personeelsbeleid en de heer [G] bij de huisvesting/verhuizing.

2.7.

De Stichting is per 1 juli 2015 verhuisd naar een nieuwe locatie. In juni/juli 2015 is het Bureau BMC ingeschakeld om [verweerster] en de medewerkers van de Stichting te ondersteunen bij een aantal specifieke, door de gemeente Voorschoten gesubsidieerde, projecten.

2.8.

Omdat het bestuur van de Stichting niet tevreden was met het werk van [verweerster] en de resultaten die zij behaalde, heeft zij haar op 8 juli 2015 aangeboden een andere functie binnen de Stichting te gaan vervullen, te weten de functie van [functie] . [verweerster] heeft dit voorstel afgewezen.

2.9.

[verweerster] heeft kort nadien aan het bestuur voorgesteld om haar huidige takenpakket te verdelen over twee personen die gezamenlijk het managementteam gaan vormen. Daartoe zou een manager/coördinator bedrijfsvoering moeten worden aangesteld voor 16 tot 24 uur per week. Het bestuur heeft dit voorstel afgewezen omdat, kort gezegd, de organisatie daarmee een topzware leiding zou krijgen en de financiële middelen hiervoor ontbraken.

2.10.

Op 13 en 20 oktober 2015 hebben twee bestuursleden voortgangsgesprekken met [verweerster] gevoerd. Daarvan is een verslag gemaakt. Op 8 november 2015 heeft [verweerster] zich ziek gemeld. In eerste instantie leek het om een ernstige ziekte (leukemie) te gaan, maar later is duidelijk geworden dat er sprake was van arbeidsongeschiktheid als gevolg van stress en overbelasting.

2.11.

Het bestuur heeft in verband met de afwezigheid wegens ziekte van [verweerster] met ingang van 30 november 2015 een [functie] aangesteld.

2.12.

De gemeente Voorschoten heeft het RadarAdvies, een bureau voor sociale vraagstukken, in het najaar van 2015 opdracht gegeven een onderzoek te doen naar het functioneren van de Stichting. De opdracht aan Radar luidt in eerste instantie:

“ - Hoe geeft VE rol als verbindingsofficier vorm in afstemming met andere partijen in het

veld?

- - Hoe draagvlak verwerven/versterken binnen lokale sociale domein?

- - Aan welke eisen moet de Stichting voldoen om beoogde preventieve en verbindende

spilfunctie te kunnen vervullen?

- - Wat betekent dit voor de huidige organisatie?”

2.13.

De uitkomsten van het onderzoek zijn kritisch ten aanzien van de Stichting. Er wordt onder meer geconcludeerd dat de Stichting niet zichtbaar is bij aanbieders, in wijken, in omgevingen met zorginfrastructuur; dat consulenten van de Stichting niet goed bereikbaar zijn voor inwoners, aanbieders en gemeente; dat de Stichting niet de samenwerking zoekt, maar deze zelfs afhoudt.

2.14.

Over de organisatie van de Stichting wordt het volgende opgemerkt:

- Actieve bestuurders, denkkracht

  • -

    Geen stevige aansturing van organisatie door directeur

  • -

    Bestuur is op stoel van directeur gaan zitten

  • -

    Groot gat tussen ambitie en werkelijkheid

  • -

    Top down ipv bottom up vernieuwing

  • -

    Onvoldoende vertaling van plannen naar uitvoering

  • -

    Verdeeldheid onderling, onveiligheid (medewerkers en directie)”

2.15.

Op 7 januari 2016 is [verweerster] door het bestuur uitgenodigd voor een gesprek. In dit gesprek is haar te kennen gegeven dat het bestuur de arbeidsovereenkomst wenst te beëindigen. Het bestuur heeft vervolgens het personeel van de Stichting en externe instanties hiervan op de hoogte gebracht.

3 Het verzoek

3.1.

De Stichting verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel d BW, subsidiair onderdeel h BW.

3.2.

Aan dit verzoek legt de Stichting ten grondslag dat [verweerster] ongeschikt is de overeengekomen werkzaamheden te verrichten. Zij beschikt volgens de Stichting niet over de vereiste persoonlijke eigenschappen en vaardigheden om de functie van directeur in de nieuwe fase van de Stichting als brede welzijnsinstelling uit te voeren. De Stichting voert aan dat zij veel heeft gedaan om het functioneren van [verweerster] te verbeteren, maar dat dit geen resultaat heeft gehad. Verder wijst zij erop dat [verweerster] een aanbod voor een andere, naar het oordeel van de Stichting, passende, functie is gedaan, maar dat zij dit aanbod heeft afgewezen. De Stichting is afhankelijk van gemeenschapsgeld en uit onderzoek dat door Radar is ingesteld blijkt dat er onder andere door de gemeente zeer kritisch naar de Stichting wordt gekeken. Volgens de Stichting is daarom haar voortbestaan in het geding en dus ook de arbeidsplaatsen van de andere werknemers. De subsidiaire grond voor het onderhavige ontbindingsverzoek is met name op dit laatste gebaseerd.

3.3.

De ongeschiktheid van [verweerster] zou onder meer zijn gebleken bij het in gebreke blijven met het uitdragen naar de andere werknemers van het nieuwe beleidsplan.

Een tweede verwijt betreft de personele aansturingskwaliteiten van [verweerster] . Deze bevindingen van het bestuur van de Stichting kunnen als volgt worden samengevat: [verweerster] kan geen leiding geven aan de medewerkers, omdat ze onduidelijk is in haar aanwijzingen en inconsistent in haar gedrag en besluiten, ze kan geen structuur aanbrengen en overzicht bewaren en ze slaagt er niet in om de geplande projecten mede vorm te geven en tot uitvoering te brengen. Het bestuur heeft daarbij onder meer verwezen naar pogingen om meer zicht te krijgen op de tijdsbesteding door de medewerkers van de Stichting. De aanzetten hiertoe zijn door [verweerster] niet goed uitgevoerd en zij geeft zelf niet het goede voorbeeld. Voorts worden een aantal hardnekkige personeelsproblemen met in ieder geval een aantal medewerkers niet opgelost, wordt er niet gestuurd op overwerk, verlof en aanwezigheid, als gevolg waarvan verlofstuwmeren ontstaan. Inhoudelijk werkoverleg vindt niet structureel plaats, maar incidenteel. Het bestuur van de Stichting heeft ter illustratie naar de rapportage van [MN] verwezen en voorts aangegeven dat uit het rapport van Radar blijkt dat er veel is aan te merken op de aansturende kwaliteiten van [verweerster] . Tenslotte verwijt het bestuur van de Stichting [verweerster] , ook weer kort samengevat, dat alleen door toedoen van leden van het bestuur de verhuizing van de Stichting per 1 juli 2015 goed is afgelopen.

4 Het verweer en de tegenverzoeken

4.1.

[verweerster] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Zij voert daartoe – samengevat – het volgende aan.

4.2.

[verweerster] betwist de haar gemaakte verwijten. Zij voert primair aan dat de Stichting niet ontvankelijk is in het verzoek, nu zij nog ziek is en het verzoek verband houdt met haar ziekte en er geen omstandigheden zijn op grond waarvan de arbeidsovereenkomst in het belang van [verweerster] zou moeten eindigen, zodat geen sprake is van een uitzonderingssituatie van artikel 7:671b lid 6 BW. Ter onderbouwing van haar stelling dat het verzoek verband houdt met haar ziekte heeft [verweerster] een verklaring van haar huisarts overgelegd.

4.3.

[verweerster] voert verder aan dat er vanaf 2014 grote wijzigingen in de organisatie zijn opgetreden, dat daardoor de complexiteit en hoeveelheid van het werk sterk is toegenomen, terwijl haar aanstelling niet werd uitgebreid, maar 32 uur per week bleef. Zij wijst daarbij op de uitbreiding van het werkterrein van de Stichting. Eerder ging het om welzijnswerk voor zelfstandig wonende ouderen; vanaf 2014 om het welzijn van alle kwetsbare burgers in Voorschoten. Zij wijst voorts op de uitbreiding van het personeelsbestand als gevolg van het opheffen van de Stichting rondom Mantelzorg en op de uitbreiding van de activiteiten in verband met het oprichten en ontwikkelen van een aparte vrijwilligersorganisatie. En tenslotte wordt door haar de verhuizing per 1 juli 2015 genoemd. [verweerster] heeft uitgelegd dat zij zich op deze veranderingen heeft voorbereid door de hulp van een coach in te roepen en door een opleiding Thematranche Welzijn te doen. Van haar coach, mevrouw [B] , heeft zij een verklaring overgelegd. De conclusie van deze verklaring luidt als volgt:

[functie] beschikt volgens de coach over strategische visie en goed beleidsmatig inzicht. Zij is zeer goed op de hoogte van het werkveld en de beleidscontext en is in staat dit te vertalen naar activiteiten van haar organisatie. Daarbij ziet zij nieuwe kansen en gaat zij vernieuwend te werk. Ook beschikt zij over een breed, relevant netwerk voor de

organisatie en is zij gericht op samenwerking.”

4.4. [verweerster] bevestigt dat haar in juli 2015 door het bestuur een andere functie is aangeboden. Zij heeft deze functie afgewezen omdat deze naar haar mening niet passend was. Zij heeft daarop een tegenvoorstel gedaan, zoals hiervoor al vermeld.

4.5. [verweerster] voert verder aan dat zij op 7 januari 2016, terwijl zij arbeidsongeschikt was, van het bestuur te horen heeft gekregen dat het bestuur haar wilde ontslaan en dat haar daartoe op 15 januari 2016 een conceptvaststellingsovereenkomst is voorgelegd en dat zij hiermee niet heeft ingestemd.

4.6.

[verweerster] stelt dat de gemeente Voorschoten nimmer heeft aangegeven geen vertrouwen meer in haar te hebben en verwijst daarbij ter onderbouwing naar de goede relatie die zij heeft met een van de wethouders. Het onderzoek van Radar is volgens haar niet gericht geweest op het functioneren van haar als [functie] , maar op algemene vragen die bij de gemeente leefden naar aanleiding van het beleidsplan van de Stichting van februari 2015.

4.7.

[verweerster] acht zich onverkort gesteund door organisaties waarmee zij heeft samengewerkt en heeft ter ondersteuning daarvan een aantal verklaringen overgelegd. Het betreft onder meer:

- een brief van het Platform Gehandicaptenbeleid Voorschoten;

- een brief van Pluspunt Leiderdorp (voor welzijn en dienstverlening);

- een schrijven van de locatiemanager van de Gemiva-SVG Groep;

- een schrijven van de Cliëntenraad Sociale Zaken Voorschoten;

- een schrijven van de voorzitter CAW.

Voorts heeft zij enkele verklaringen van vrijwilligers in het geding gebracht.

4.8.

[verweerster] heeft ter zitting onder andere aangevoerd dat de Stichting de aan haar adres gemaakte verwijten niet heeft onderbouwd. Zij meent dat volstrekt onvoldoende is komen vast te staan dat zij heeft gedisfunctioneerd en wijst op het grote draagvlak dat zij intern onder medewerkers en extern bij samenwerkingspartners heeft. Aan de voorwaarden van artikel 7:669 lid 3 sub d BW is volgens haar dan ook niet voldaan. Temeer nu zij niet of onvoldoende door het bestuur van de Stichting in de gelegenheid is gesteld haar functioneren te verbeteren. Evenmin is aan de voorwaarden van artikel 7:669 lid 3 sub h voldaan. Zij concludeert tot afwijzing van het verzoek tot ontbinding en verzoekt de kantonrechter de Stichting te bevelen haar toe te laten tot re-integratie in haar eigen functie en werkhervatting zodra zij is hersteld. Daarnaast verzoekt zij een gebod tot rectificatie van eerdere onjuiste berichtgeving aan medewerkers en relaties over haar functioneren, alles onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat de Stichting hiermee in gebreke blijft. Zij verzoekt subsidiair, voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, het einde daarvan te bepalen met in achtneming van de opzegtermijn, met toekenning van een transitievergoeding van € 54.775,00 bruto en een billijke vergoeding van € 109.550,00 bruto dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen vergoeding. Zij verzoekt tenslotte de Stichting in de proceskosten te veroordelen.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.

5.2.

Als meest verstrekkend verweer voert [verweerster] aan dat het opzegverbod wegens ziekte aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staat. De kantonrechter gaat hieraan voorbij. De Stichting heeft aangevoerd dat het niet voldoende functioneren van [verweerster] respectievelijk het voortbestaan van de Stichting de reden is om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst te willen komen en dat verzoek houdt als zodanig geen verband met het feit dat [verweerster] als gevolg van arbeidsongeschiktheid de overeengekomen werkzaamheden niet kan verrichten.

5.3.

De Stichting voert primair aan dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in artikel 7:669 lid 3 sub d BW, te weten disfunctioneren anders dan ten gevolge van ziekte of gebreken van de werknemer. Als aanvullende voorwaarden worden dan nog genoemd dat de werkgever de werknemer tijdig hiervan in kennis heeft gesteld en de werknemer in voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld het functioneren te verbeteren. Daarnaast dient de ongeschiktheid niet het gevolg te zijn van onvoldoende zorg van de werkgever voor scholing van de werknemer of de arbeidsomstandigheden van de werknemer. Subsidiair wordt met verwijzing naar artikel 7:669 lid 3 sub h BW aangevoerd dat er andere omstandigheden zich hebben voorgedaan die zodanig zijn dat van de Stichting in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

5.4.

Hierboven onder 3.2 en 3.3. is samengevat hetgeen de Stichting aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd. [verweerster] heeft de juistheid van hetgeen de Stichting naar voren gebracht gedetailleerd bestreden.

5.5.

Naar het oordeel van de kantonrechter is onvoldoende komen vast te staan dat [verweerster] disfunctioneert in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub d BW. De gemachtigde van [verweerster] heeft met juistheid aangevoerd dat de onderbouwing die de Stichting hiervoor aanvoert te weinig concreet is. [verweerster] wordt verweten te kort te schieten in het uitdragen naar het personeel van het beleidsplan dat bestuur en directie hebben vastgesteld. Wat [verweerster] op dit punt precies wordt verweten is vaag gebleven. Wat precies de rolverdeling tussen bestuur en [functie] op dit punt is geweest, is evenmin met voldoende zekerheid vast te stellen. Desgevraagd heeft de Stichting ter zitting meegedeeld dat de verdeling van taken tussen bestuur en directeur niet schriftelijk is vastgelegd. Wel is duidelijk geworden dat het bestuur niet een bestuur is dat op afstand opereert en wil opereren. Juist in deze situatie is het dan van belang de taakverdeling helder vast te leggen. Voldoende is komen vast te staan dat er regelmatig overleg is geweest tussen bestuur en [functie] , maar van een gestructureerd overleg in de zin van functionerings- en beoordelingsgesprekken is geen sprake geweest. In oktober 2015 is een begin gemaakt met voortgangsgesprekken. Deze zijn vastgelegd in een verslag, maar in verband met de kort daarna optredende arbeidsongeschiktheid van [verweerster] , hebben deze overleggen daarna niet meer plaatsgevonden en is de uitvoering van gemaakte afspraken blijven steken. Afgezien van het feit dat niet is gebleken dat [verweerster] niet goed genoeg heeft gefunctioneerd, is er naar het oordeel van de kantonrechter daarnaast onvoldoende gelegenheid geboden om het functioneren te verbeteren. De aanpak die in oktober 2015 is gekozen, is immers niet verder voortgezet. Voor wat betreft de aansturing wordt [verweerster] verder onder meer verweten de opzet van een systeem van tijdschrijven niet goed te hebben begeleid en de verlofregistratie niet correct te hebben uitgevoerd waardoor ongewenste verlofstuwmeren zijn ontstaan. Wat het eerste betreft heeft [verweerster] uitgelegd dat daadwerkelijke doorvoering is vertraagd in verband met opstartproblemen. Wat het tweede betreft voert zij aan dat zij zich diende te houden aan het bij de Stichting geldende verlofreglement en dat het ook in de jaren voor 2015 niet ongewoon was dat dit betekende dat er aan het einde van het jaar weinig bezetting was. De Stichting heeft deze gedetailleerde betwisting van [verweerster] niet of onvoldoende weersproken. Maar ook al zou de Stichting hierin gelijk hebben, dan zouden beide incidenten naar het oordelen van de kantonrechter onvoldoende gewicht in de schaal leggen om tot disfunctioneren van [verweerster] te kunnen concluderen.

5.6.Ter onderbouwing van haar standpunt heeft de Stichting voorts nog aangevoerd dat [verweerster] geen kans heeft gezien de problemen met een tweetal personeelsleden op te lossen. [verweerster] heeft dit erkend, maar erop gewezen dat deze problemen niet gemakkelijk zijn op te lossen. Zij wijst erop dat het bestuurslid dat in 2014 als [functie] belast was met personeelszaken hierin evenmin is geslaagd. Tenslotte voert de Stichting aan dat [verweerster] geen structuur kan aanbrengen en geen overzicht kan bewaren en er niet in slaagt om geplande projecten mede vorm te geven. Ook dit heeft [verweerster] gedetailleerd weersproken en onder meer verwezen naar de verklaringen van haar coach en de brieven/verklaringen van een aantal ketenpartners. De Stichting heeft tegenover deze gedetailleerde betwisting van [verweerster] niet of onvoldoende specifiek uiteengezet waar bij deze punten het disfunctioneren van [verweerster] uit bestaat.

5.7.

Nu de primaire grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet standhoudt, komt de subsidiaire grondslag van het verzoek aan de orde en dient te worden beoordeeld of zich andere omstandigheden hebben voorgedaan die zodanig zijn dat van de Stichting in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 7:669 lid 3 sub h BW). Dat is naar het oordeel van de kantonrechter het geval en daartoe wordt het volgende overwogen.

5.8.

Partijen zijn het erover eens dat het werkterrein van de Stichting sinds begin 2014 aanzienlijk is uitgebreid. Dat heeft rechtstreeks gevolgen gehad voor de inhoud van het werk van [verweerster] als [functie] . In het rapport van Radar wordt zeer kritisch over de Stichting geoordeeld. Het rapport is opgesteld op verzoek van de gemeente Voorschoten. Deze gemeente is de belangrijkste financier van de Stichting. Naar het oordeel van het bestuur is het voortbestaan van de Stichting in het geding en ook de gemachtigde van [verweerster] heeft ter zitting aangevoerd dat de Stichting in een storm verkeert voor wat betreft alle ontwikkelingen. In een dergelijke situatie is een eensgezind optrekken van bestuur en [functie] belangrijker dan ooit en daar ontbreekt het bij de Stichting aan. Zo verschillen partijen diametraal van mening over de uitkomsten van het onderzoek van Radar, terwijl de uitkomst van dat rapport de noodzaak tot krachtig en daadwerkelijk optreden wel duidelijk maakt. [verweerster] heeft aangevoerd dat zij deze rol prima op zich kan nemen, maar daarover bestaat bij de kantonrechter twijfel. In ieder geval verschilt het bestuur van de Stichting hierover fundamenteel van mening met [verweerster] . De kantonrechter acht het weinig realistisch dat hierin een verandering ten goede zal optreden, gelet op al eerder getroffen maatregelen, zoals het inschakelen van een mediator, een extern bureau zoals BMC en inzet van een coach.

De kantonrechter is van oordeel dat het verschil van inzicht op het niveau van bestuur en [functie] , in relatie tot de moeilijke omstandigheden waarin de Stichting momenteel verkeert waardoor eensgezindheid meer dan ooit nodig is, “andere omstandigheden” zoals vermeld in de h-grond van artikel 7:669 lid 3 BW opleveren. Deze zijn zodanig dat van de Stichting in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Op grond hiervan moet de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden worden. [verweerster] heeft met een beroep op de wetsgeschiedenis terecht aangevoerd dat de h-grond niet behoort te worden gebruikt voor het repareren van een op één van de andere gronden van artikel 7:669 lid 3 BW onvoldoende onderbouwd ontslag of dat meerdere onvoldragen gronden bij elkaar worden genomen om tezamen een voldragen grond te vormen. Dat is hier naar het oordeel van de kantonrechter niet aan de orde. In de wetsgeschiedenis wordt het voorbeeld genoemd van een voetbaltrainer of de manager bij een verschil van inzicht over het te voeren beleid waarbij van disfunctioneren geen sprake hoeft te zijn. Dat laatste is naar het oordeel in vergelijkbare zin in de onderhavige situatie aan de orde en hieraan doet niet af dat de kantonrechter hiervoor heeft overwogen dat van disfunctioneren van [verweerster] onvoldoende is gebleken.

5.9.

Herplaatsing in dezelfde of vergelijkbare functie bij de Stichting is, ook gelet op het feit dat het om een kleine organisatie gaat, niet aan de orde. Daarbij is voorts van belang dat de Stichting [verweerster] eerder een aanbod voor herplaatsing heeft gedaan. Dat aanbod is door [verweerster] afgewezen.

5.10.

De kantonrechter zal het verzoek van de Stichting toewijzen en de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW ontbinden wordt ontbonden met ingang van 1 juli 2016. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure, met een minimum van een maand.

5.11.

Gelet op deze uitkomst zullen de primaire tegenverzoeken van [verweerster] worden afgewezen.

5.12.

Subsidiair heeft [verweerster] om toekenning van een transitievergoeding van € 54.775,00 verzocht. De Stichting heeft in het verzoekschrift haar verplichting op dit punt erkend en de hoogte van het door [verweerster] gevorderde bedrag niet bestreden. De kantonrechter zal daarom op na te melden wijze bepalen dat [verweerster] recht heeft op voormelde transitievergoeding.

5.13.

[verweerster] heeft, eveneens subsidiair, verzocht om toekenning van een billijke vergoeding. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij haar baan zal verliezen en de hele gang van zaken haar schade heeft toegebracht. De Stichting heeft verweer gevoerd tegen de gevraagde billijke vergoeding en gesteld dat van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan haar zijde geen sprake is geweest. De kantonrechter overweegt dat de financiële gevolgen voor [verweerster] van het einde van de arbeidsovereenkomst niet voldoende zijn voor toekenning van een billijke vergoeding. Deze zijn in meer of mindere mate verdisconteerd in de transitievergoeding. Met [verweerster] is de kantonrechter echter van oordeel dat [verweerster] schade heeft geleden door de wijze en het tijdstip waarop de Stichting het voornemen tot ontslag aan [verweerster] kenbaar heeft gemaakt. [verweerster] was op dat moment arbeidsongeschikt en bevond zich derhalve in een kwetsbare positie. Nu inmiddels een [functie] was aangesteld is niet goed in te zien waarom de Stichting niet het einde van de arbeidsongeschiktheid of de fase van re-integratie heeft afgewacht. Ook heeft [verweerster] schade geleden als gevolg van het feit dat de Stichting het voornemen tot ontslag direct na het gesprek met [verweerster] kenbaar heeft gemaakt aan het eigen personeel en aan derden. De Stichting heeft niet of onvoldoende duidelijk gemaakt waarom deze mededeling reeds op dat moment diende te worden gedaan en deze handelwijze is onnodig beschadigend voor [verweerster] geweest. Het voorgaande levert naar het oordeel van de kantonrechter een ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van de Stichting op. De precieze schade die [verweerster] als gevolg hiervan heeft geleden is niet met nauwkeurigheid vast te stellen. De kantonrechter begroot deze schade, alles afwegend, op een bedrag van € 20.000,00.

5.14.

De Stichting heeft verzocht de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Gelet op het bepaalde in artikel 7:683 BW schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging niet. Het verzoek van de Stichting zal daarom worden afgewezen.

5.15.

Nu aan de ontbinding een vergoeding wordt verbonden, zal de Stichting gelet op artikel 7:686a lid 6 BW in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken binnen de hierna genoemde termijn.

5.16.

Gelet op de uitkomst van de zaak, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

bepaalt dat de termijn, waarbinnen de Stichting het verzoek kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij), zal lopen tot en met 21 april 2016;

Voor het geval de Stichting het verzoek niet binnen die termijn intrekt:

6.2.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juli 2016;

6.3.

veroordeelt de Stichting om aan de [verweerster] een transitievergoeding te betalen van

€ 54.775,00 bruto;

6.4.

veroordeelt de werkgever om aan de werknemer een billijke vergoeding te betalen van

€ 20.000,00 bruto;

6.5.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

Voor het geval de Stichting het verzoek binnen die termijn intrekt:

6.6.

veroordeelt de Stichting tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verweerster] tot en met vandaag vaststelt op € 600,00 voor gemachtigdensalaris, onverminderd de eventueel over deze kosten verschuldigde BTW;

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. E.J. van der Molen en uitgesproken ter openbare zitting van 7 april 2016.