Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:4792

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-04-2016
Datum publicatie
30-05-2016
Zaaknummer
AWB - 15_6451
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:1754, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Planschade ivm komst hoogspanningslijn

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening 6.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/6451

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 april 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.M.C. Marius-van Eeghen),

en

de minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. H.M. Sipman en mr. J.H. Verheul-Verkaik).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [B.V. X], te [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: mr. N.H. van den Biggelaar).

Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een tegemoetkoming in planschade toegekend van € 14.826,- inclusief de wettelijke rente en de restitutie van het betaalde recht.

Bij besluit van 28 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon A] en zijn gemachtigden, bijgestaan door [persoon B] van [adviesbureau A] . Namens belanghebbende is [persoon C] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde.

Het beroep is gelijktijdig behandeld met een aantal verwante beroepen. Na de zitting zijn de beroepen gesplitst.

Overwegingen

1.1

Bij besluit van 28 augustus 2009 hebben verweerder en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer het “Inpassingsplan Zuidring Wateringen - Zoetermeer (380 kV leiding)” (hierna: het inpassingsplan) vastgesteld. Het inpassingsplan voorziet in de aanleg van een nieuwe 380 kiloVolt (hierna: kV) hoogspanningsverbinding van ongeveer 20 kilometer tussen Wateringen en Zoetermeer, de zogenoemde Zuidring. Het eerste deel van het tracé, tussen Wateringen en tot voorbij de Kruithuisweg bij de wijk Tanthof in Delft, wordt bovengronds aangelegd door ophanging van de hoogspanningslijnen aan zogenoemde Wintrackmasten. Het tracé is voorzien tussen de bebouwde kom van Delft en ten oosten van de A4, waaraan het tracé parallel zal komen te liggen, en wordt tot aan de Kruithuisweg gecombineerd met de bestaande 150 kV-verbinding. Het tweede deel van het tracé, tussen de wijk Tanthof in Delft en Pijnacker wordt ondergronds aangelegd. Ten noordwesten van de wijk Tanthof en ten oosten van Pijnacker wordt een opstijgpunt gerealiseerd. Het derde deel van het tracé loopt van het opstijgpunt in Pijnacker tot aan het transformatorstation in Zoetermeer en is ook bovengronds voorzien door middel van ophanging van de hoogspanningslijnen aan Wintrackmasten. Het tracé kruist onder meer het bebouwingslint aan de Noordeindseweg en passeert vervolgens de wijk Rokkeveen in Zoetermeer.

1.2

Bij uitspraak van 29 december 2010 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), ECLI:NL:RVS:2010:BO9217, geoordeeld dat elf gevoelige bestemmingen en enkele nog niet gerealiseerde bouwmogelijkheden voor gevoelige bestemmingen binnen de magneetveldzone aanwezig zullen blijven. Met betrekking tot deze gevoelige bestemmingen was evenwel niet beoordeeld of deze redelijkerwijs gehandhaafd kunnen blijven. De Afdeling heeft hierop het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan vernietigd wat betreft de plangrens en de ministers opgedragen een herziening van het inpassingsplan vast te stellen. De rechtsgevolgen van het inpassingsplan zijn voor het overige in stand gelaten. Bij besluit van 26 juni 2012 is het inpassingsplan herzien en is hieraan een gebiedsaanduiding “specifieke magneetveldzone” toegevoegd.

1.3

[B.V. X] is krachtens de Elektriciteitswet 1998 aangewezen als beheerder van het landelijke hoogspanningsnet en heeft uitvoering gegeven aan het inpassingsplan. Op 23 april 2009 zijn [B.V. X] en verweerder een planschadevergoedingsovereenkomst “Randstad 380, verbinding Wateringen-Zoetermeer” overeengekomen, waarbij [B.V. X] zich heeft verbonden om het volledige bedrag dat is toegekend in verband met de schade veroorzaakt door het inpassingsplan aan degene die vergoeding van die schade heeft gevraagd namens de Staat te betalen.

1.4

Eiser is eigenaar van de woning aan de [adres] te [woonplaats] op ongeveer 80 meter van de hoogspanningslijn. Eiser heeft verweerder verzocht om tegemoetkoming in de planschade die hij stelt te hebben geleden ten gevolge van de inwerkingtreding van het inpassingsplan. Aan dit verzoek heeft hij ten grondslag gelegd dat het inpassingsplan het mogelijk heeft gemaakt een hoogspanningsleiding dichtbij zijn woning te realiseren, waardoor de waarde van zijn onroerende zaak is verminderd.

1.5

Verweerder heeft ten aanzien van dit verzoek advies gevraagd aan [adviesbureau A] . In een advies van 24 november 2014 heeft [adviesbureau A] een vergelijking gemaakt tussen de planologische mogelijkheden van het inpassingsplan en die van het oude planologische regime en heeft geconcludeerd dat eiser door de inwerkingtreding van het inpassingsplan in een nadeliger positie is komen te verkeren en dat hij in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in de daaruit voorvloeiende planschade. Door het inpassingsplan ontstaat een intensivering van het gebruik in vergelijking met het voorheen toegestane gebruik voor agrarische doeleinden. Ook wordt hogere bebouwing mogelijk gemaakt met visuele hinder en horizonvervuiling als gevolg. Verder stelt [adviesbureau A] vast dat niet uit te sluiten is dat door de hoogspanningsverbindingen toenemend geluid ontstaat waarmee een potentiële koper in negatieve zin rekening zal houden. Hierbij houdt [adviesbureau A] rekening met de planologische mogelijkheid dat andere, meer geluid veroorzakende, masten dan de ‘Wintrackmast’ zouden kunnen worden gerealiseerd. De invloed van het planologisch nadeel op de waarde van de woning heeft [adviesbureau A] bepaald aan de hand van de afstand van de woning tot de hoogspanningsverbinding en de ligging van de woning. Wat betreft zonlichttoetreding en situeringswaarde heeft [adviesbureau A] geoordeeld dat deze niet of niet substantieel worden verminderd. [adviesbureau A] heeft zich verder op het standpunt gesteld dat op basis van de huidige onderzoeken niet onomstotelijk vast is komen te staan dat er sprake is van gezondheidsrisico’s als gevolg van hoogspanningsverbindingen. Dergelijke risico’s zijn door [adviesbureau A] dan ook niet als waardebeïnvloedende schadefactor meegenomen. In het advies heeft [adviesbureau A] de waarde van de woning van eiser op de peildatum 29 december 2010 getaxeerd op € 465.000,- en de waarde van de woning na de planologische wijziging vastgesteld op € 441.500,-, waarmee hij een waardevermindering als gevolg van het inpassingsplan heeft aangenomen van € 23.500,-. Vervolgens is bekeken in hoeverre de schade binnen het normaal maatschappelijk risico valt en voor rekening van eiser blijft, zodat is geadviseerd een bedrag van € 14.200,- voor vergoeding in aanmerking te laten komen.

1.6

Bij het primaire besluit heeft verweerder de conclusies van dit advies overgenomen en het verzoek om tegemoetkoming in de planschade toegekend van € 14.200,-.

1.7

Naar aanleiding van de hoorzitting in de bezwaarprocedure heeft verweerder aan [adviesbureau A] gevraagd de taxaties inzichtelijker te maken en de motivering ten aanzien van het verschil tussen de door [adviesbureau A] gemaakte taxatie en de WOZ-waarde van de woning aan te vullen. In een aanvullend advies van 8 december 2014 heeft [adviesbureau A] uiteengezet waarop de geschatte waardedaling is gebaseerd.

2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit, onder aanvulling van de motivering naar aanleiding van het aanvullende advies van [adviesbureau A] , het primaire besluit in bezwaar gehandhaafd.

3. Eiser heeft aangevoerd dat [adviesbureau A] is uitgegaan van de verkeerde peildatum en dat uitgegaan had moeten worden van de datum van vaststelling van het inpassingsplan, zijnde 28 augustus 2009. Eiser acht dit van belang in verband met de aanzienlijke waardedalingen van onroerend goed in Nederland na deze datum. Ook zouden er met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen bouwwerken worden gerealiseerd op de gronden waarop het inpassingsplan ziet en had uitgegaan moeten worden van de feitelijke situatie. [adviesbureau A] is ook, aldus eiser, ten onrechte uitgegaan van een maximale belastinggraad van de masten van 30 % per jaar, nu deze belasting in de praktijk hoger kan komen te liggen. Ook wat betreft het geluid had uitgegaan moeten worden van hetgeen het inpassingsplan maximaal mogelijk maakt en is ten onrechte geen rekening gehouden met windfluiten. Volgens eiser is uit onderzoek gebleken dat een relatie bestaat tussen het wonen bij hoogspanningslijnen en leukemie bij kinderen. [adviesbureau A] heeft in het advies ten onrechte de gezondheidseffecten van de hoogspanningsleiding buiten beschouwing gelaten. Ook heeft [adviesbureau A] nadelige effecten, zoals gevaar door ijsafzetting en brand, ten onrechte niet onderzocht. Voorts kan eiser zich niet verenigen met de door [adviesbureau A] verrichte taxatie van de woning. Hierbij heeft hij gewezen op daling van de WOZ-waarde van de woning als gevolg van de bouw van de hoogspanningsmasten.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge het tweede lid, aanhef onder a, is een bepaling van een inpassingsplan een oorzaak, als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager.

Ingevolge artikel 6.6, eerste lid, treden gedeputeerde staten voor de toepassing van de bij of krachtens deze afdeling gestelde regels in de plaats van burgemeester en wethouders, indien provinciale staten met toepassing van artikel 3.26, eerste lid, een inpassingsplan vaststellen.

4.2

Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden onderzocht of de verzoeker door wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een geobjectiveerde vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende planologische regime. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 oktober 2009, ECLI:NLRVS:2009:BK0823) kunnen slechts de ruimtelijke gevolgen en de objectief te verwachten overlast van belang zijn. Subjectieve elementen spelen daarbij geen rol.

Peildatum

4.3

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie de uitspraak van 15 januari 2003, ECLI:NL:RVS:AF2900), dient voor het antwoord op de vraag welke datum als peildatum voor een schadeveroorzakend planologisch besluit heeft te gelden, te worden uitgegaan van het moment waarop het besluit rechtskracht heeft gekregen. Dat moment was gelegen op de dag na die waarop de beroepstermijn afloopt. Dit is alleen anders indien binnen de beroepstermijn bij de voorzitter van de Afdeling een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend. Uit die uitspraak volgt dat verweerder een juiste peildatum voor de berekening van de planschade heeft gehanteerd, omdat de voorzitter van de Afdeling bij uitspraak van11 april 2010 bij wijze van voorlopige voorziening het inpassingsplan heeft geschorst. Eerst na de bodemuitspraak op 29 december 2010 verkreeg het inpassingsplan (voor een deel) rechtskracht en was de aanleg van de hoogspanningsverbinding mogelijk. Voor de berekening van de omvang van de planschade is het verschil tussen de waarde van de woningen van eiser voorafgaand aan de peildatum van 29 december 2010 en de waarde daarna bepalend.

Gezondheidsrisico’s

4.4

De rechtbank stelt vast dat er uitgebreid wetenschappelijk onderzoek is gedaan naar de gezondheidsrisico’s als gevolg van het plaatsen van hoogspanningslijnen. Op basis daarvan zijn internationaal geldende normen vastgesteld voor de sterkte van het magnetisch veld (100 microTesla (µT)) die ook in Nederland worden gehanteerd. Uit de huidige wetenschappelijke informatie, waar ook eiser naar verwijst, blijkt tevens dat er een zwakke statistisch significante correlatie, maar niet een causaal verband, bestaat tussen het wonen in de buurt van hoogspanningslijnen en het optreden van leukemie bij kinderen. Hoewel niet helemaal zeker, zijn er aanwijzingen dat de verhoging van het risico te maken heeft met het verhoogde magnetische veld in de nabijheid van de hoogspanningslijnen. De grenswaarde waarboven het risico toeneemt, ligt in de buurt van 0,4 µT. Informatie over het mechanisme waardoor het magnetische veld leukemie zou veroorzaken is echter tot nu toe, ondanks de vele onderzoeken, niet bekend. Ook uit de bovengenoemde uitspraak van de Afdeling van 29 december 2010 blijkt dat, gelet op het beleid en gegeven de bestaande onzekerheden over de mogelijke gezondheidsrisico’s, aan het inpassingsplan een magneetveldzone van 0,4 µT ten grondslag mocht worden gelegd.

4.5

In de uitspraak betreffende het inpassingsplan “Randstad 380 kV-verbinding Noordring Beverwijk - Zoetermeer (Bleiswijk)” van 5 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2050), heeft de Afdeling haar overwegingen uit de uitspraak betreffende de Zuidring met betrekking tot de gezondheid herhaald. In deze uitspraak is de Afdeling ook ingegaan op de Zwitserse onderzoeken en het risico op het krijgen van de ziekte van Alzheimer door het wonen in de nabijheid van een hoogspanningsverbinding. Uit deze uitspraak volgt dat het onderzoek alleen wetenschappelijk voldoende betrouwbaar is op een afstand van minder dan 50 meter aan weerszijden van de hoogspanningsverbinding. Voorts bevat het Zwitserse onderzoek een aantal beperkingen, waardoor uit dit onderzoek geen conclusie over een oorzakelijk verband tussen de ziekte van Alzheimer en het wonen in de nabijheid van hoogspanningsverbindingen kan worden getrokken.

4.6

De rechtbank onderschrijft vorengenoemde overwegingen van de Afdeling met betrekking tot de onderzoeken naar de gezondheidsrisico’s en het wonen bij een hoogspanningsverbinding. De door eiser thans in het geding gebrachte wetenschappelijke informatie is door de Afdeling bezien en deze informatie brengt ook geen ander inzicht in de kwestie van een causaal verband tussen het wonen in de buurt van hoogspanningslijnen en het optreden van bijvoorbeeld Alzheimer. Hierbij wordt betrokken dat eiser niet binnen een straal van 50 meter van de hoogspanningslijn wonen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in navolging van [adviesbureau A] dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de vrees van eiser voor gezondheidsschade ten gevolge van de hoogspanningsverbinding niet kan leiden tot een tegemoetkoming in de schade op de voet van artikel 6.1 van de Wro, omdat op basis van thans beschikbare algemene wetenschappelijke inzichten moet worden aangenomen dat er geen causaal verband bestaat tussen het wonen in de buurt van hoogspanningslijnen en het optreden van leukemie bij kinderen. Dit geldt ook voor overige gezondheidsschade zoals Alzheimersterfte. Gelet hierop heeft [adviesbureau A] terecht met betrekking tot de gestelde vrees van kopers voor de magnetische velden geconcludeerd dat de in dit kader gestelde schade het gevolg is van de subjectieve beleving van het wonen bij een hoogspanningslijn, die niet objectiveerbaar is. Zoals ook de Afdeling heeft overwogen (uitspraken van 30 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU6314 en 25 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:914) ter zake van mogelijke gezondheidsrisico's van UMTS-masten, speelt de onbestemde angst van toekomstige kopers voor vermeende gezondheidsrisico's geen rol in de planologische vergelijking.

Maximale invulling inpassingsplan

4.7

De rechtbank stelt vast dat uit de uitspraken van de Afdeling van 29 december 2010 en 5 mei 2013 blijkt dat de jaargemiddelde belasting van 30% van de hoogspanningsverbinding is gebaseerd op onderzoek van het RIVM (Achtergrondenbeleid bovengrondse hoogspanningslijnen RIVM rapport 861020014/2007). Een keuze voor 30% van de ontwerpstroom anticipeert op groei van het elektriciteitsgebruik in de komende decennia. De aanname van 30% wordt periodiek geëvalueerd met de evaluatie van de handreiking voor deze berekeningen. Hierbij heeft de Afdeling overwogen dat uit de Elektriciteitswet 1998 en de netcode volgt dat de hoogspanningsverbinding niet maximaal zal kunnen worden belast, omdat anders niet kan worden voldaan aan de eisen die de netcode hieraan stelt en dat te verwachten valt dat deze binnen de planperiode niet structureel zal stijgen. Ter zitting heeft de gemachtigde van [B.V. X] verklaard dat het inderdaad wenselijk en reëel is de lijnen tot 30% te belasten. De lijnen kunnen hoger worden belast wanneer één van de lijnen uitvalt en de overgebleven lijnen dit moeten opvangen. Ook bij een hogere belasting moet een magneetveldzone van 0,4 µT gegarandeerd zijn. Daarbij zal een hogere belasting van de lijnen, volgens [B.V. X] , hooguit leiden tot een iets bredere magneetveldzone, maar niet zodanig breed dat de woning van eiser hieronder zal vallen. Gelet op de uitspraken van de Afdeling en de toelichting van belanghebbende ter zitting acht de rechtbank met voldoende waarborgen omkleed dat de jaargemiddelde belasting van de hoogspanningsverbinding niet zal worden verhoogd. [adviesbureau A] is in het kader van deze planvergelijking daarom terecht uitgegaan van een jaargemiddelde belasting van 30%.

Geluid

4.8

[adviesbureau A] heeft in de adviezen naar voren gebracht dat ten aanzien van het zogenoemde windfluiten en het coronageluid wordt voldaan aan de geluidspecificaties voor de Wintrackmasten, zoals ook blijkt uit de uitspraak van 29 december 2010 van de Afdeling betreffende het inpassingsplan. [adviesbureau A] heeft hierbij betrokken dat eventueel gekozen kan worden voor een andere mast, waardoor de geluidbelasting hoger wordt. Rekening houdend met de afstand van de woning van eiser tot de hoogspanningsverbinding en de ligging van deze woning, heeft [adviesbureau A] vastgesteld in hoeverre dit geluid van de hoogspanningsverbinding kan leiden tot nadeel. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk gemaakt dat sprake zal zijn van meer geluidbelasting dan waarmee [adviesbureau A] rekening heeft gehouden.

Taxatie

4.9

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 28 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY4421), wordt bij het vaststellen van de WOZ-waarde niet, zoals bij planvergelijking, gekeken naar de maximale invulling van het planologisch regime, maar is vooral de feitelijke situatie bepalend. Dit neemt evenwel niet weg dat van verweerder kan worden verlangd dat hij zijn besluit van een nadere motivering voorziet in geval een aanzienlijk verschil tussen de WOZ-waarde en de taxatiewaarde in het kader van planschade bestaat. In dit geval heeft [adviesbureau A] de woning na de peildatum getaxeerd op € 441.500,-. Nu de bepaling van de WOZ-waarde geschiedt aan de hand van de feitelijke situatie, zou, naar het oordeel van de rechtbank, de waardebepaling van het jaar 2013 als vergelijking te gelden hebben, nu in dat jaar het inpassingsplan verwezenlijkt is. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt dat de WOZ-waarde van de woning in 2013 op € 437.000,- is vastgesteld. [adviesbureau A] heeft er in zijn advies op gewezen dat het verschil tussen een taxatie in het kader van de planvergelijking en de WOZ-waarde (in dit geval een verschil van € 4.500,-) kan worden verklaard door de omstandigheid dat de maximale invulling van het bestemmingsplan afwijkt van de feitelijke omstandigheden die bepalend zijn geweest voor de WOZ-waardering. In dit verband acht de rechtbank nog van belang dat inzichten van een taxateur in een geval als dit zijn gebaseerd op kennis en ervaring en een nadere toelichting op deze inzichten niet in alle gevallen kan worden verlangd. De rechtbank verwijst hiertoe naar een uitspraak van de Afdeling van 2 november 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BU3114). In zoverre kan een verschil van dit soort inzichten bij verschillende taxateurs leiden tot een verdedigbare afwijkende taxatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het verschil tussen de in het kader van de planschade en de in het kader van de WOZ vastgestelde waardebepalingen daarom voldoende gemotiveerd.

4.10

Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem gestelde nadelige effecten op de hoogspanningsverbinding zich überhaupt voordoen, laat staan hoe vaak of onder welke omstandigheden deze effecten zich zouden kunnen voordoen, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat [adviesbureau A] deze effecten ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen in zijn advies.

4.11

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank overeenkomstig de vaste rechtspraak van de Afdeling op dit punt (zie onder meer de uitspraak van 4 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1992) geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder het advies van [adviesbureau A] niet aan zijn besluitvorming ten grondslag had mogen leggen, nu op objectieve en onpartijdige wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Lagas, voorzitter, en mr. M.M. Meessen en mr. F.X. Cozijn, leden, in aanwezigheid van mr. A.W.W. Koppe, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.