Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:4758

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-05-2016
Datum publicatie
12-05-2016
Zaaknummer
C/09/507787 / FA RK 16-2226
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2016:1714, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering. Verzoek tot teruggeleiding minderjarigen toegewezen. Geen geslaagd beroep op de weigeringsgronden als bedoeld in art. 13 lid 1 a, lid 1 b en lid 2 HKOV.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 16-2226

Zaaknummer: C/09/507787

Datum beschikking: 2 mei 2016

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 21 maart 2016 ingekomen verzoek van:

[verzoeker]

de vader,

wonende te [woonplaats] België,

advocaat: mr. H. Dreesmann-Bruijntjes te Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[verweerster] ,

de moeder,

verblijvende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. E.A.M. Brouwers-Bouwman te Wassenaar.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het f-formulier d.d. 23 maart 2016, met bijlage, van de zijde van de vader;

- het verweerschrift;

- de f-formulieren d.d. 13 en 15 april 2016, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

- de f-formulieren d.d. 15 april 2016 en 18 april 2016, met bijlage(n), van de zijde van de vader.

Op 31 maart 2016 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat en de Belgische advocaat mr. H. Schyvens, de moeder, bijgestaan door haar advocaat, de Raad voor de Kinderbescherming in de persoon van de heer [naam] , de Stichting Jeugdbescherming west in de persoon van de gezinsvoogd mevrouw [naam] . Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. J. Visser. De behandeling ter terechtzitting is aangehouden.

Op genoemde regiezitting is aan partijen de gelegenheid geboden om een crossborder mediation traject te volgen, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, teneinde tot een minnelijke regeling te komen. Partijen hebben daar om hen moverende redenen geen gebruik van gemaakt.

Na te melden minderjarigen zijn op 18 april 2016 in raadkamer gehoord.


Op 18 april 2016 is de behandeling ter terechtzitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat en de Belgische advocaat mr. H. Schyvens, de moeder, bijgestaan door haar advocaat, de Raad voor de Kinderbescherming in de personen van de mevrouw [naam] en mevrouw [naam] , alsmede de Stichting Jeugdbescherming west in de persoon van de gezinsvoogd mevrouw [naam] .

Overgelegd zijn van de zijde van de vader pleitnotities en nadere stukken en van de zijde van de moeder pleitnotities.

Verzoek en verweer

De vader heeft verzocht, met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet):

 de onmiddellijke terugkeer van na te melden minderjarigen te bevelen, zo nodig met behulp van de sterke arm, althans de terugkeer van de minderjarigen primair binnen een week na afgifte van een in deze te wijzen beschikking, subsidiair vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de moeder de minderjarigen dient terug te brengen naar België, dan wel – indien de moeder nalaat de minderjarigen terug te brengen – te bepalen op welke datum de moeder de minderjarigen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven, zodat hij de minderjarigen zelf mee terug kan nemen naar België,

 met veroordeling van de moeder in de kosten die de vader heeft moeten maken in verband met de ontvoering en teruggeleiding, zoals advocaatkosten en reiskosten, evenals in de overige kosten gemaakt in het kader van deze procedure, ter terechtzitting begroot op een bedrag van € 7.163,--,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] te [plaats] .

- Zij zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

- Eind september 2015 heeft de moeder met de minderjarigen de woning van partijen te [plaats] , België, verlaten en is zij met de minderjarigen naar Nederland vertrokken.

- Op 25 november 2015 heeft de vader bij de rechtbank [plaats] een verzoek tot echtscheiding ingediend.

- Bij vonnis d.d. 8 februari 2016 heeft de rechtbank [plaats] onder meer de uitoefening van het ouderlijk gezag over de minderjarigen uitsluitend opgedragen aan de vader, beslist dat de minderjarigen worden ingeschreven op het adres van de vader en zij aldaar hun hoofdverblijf houden en het verzoek tot echtscheiding aangehouden.

- De moeder is op 6 april 2016 in verzet gekomen tegen genoemd vonnis van de Rechtbank [plaats] .

- Bij mondelinge beschikking van deze rechtbank d.d. 8 maart 2016, schriftelijk bevestigd op 9 maart 2016 zijn de minderjarigen voorlopig onder toezicht gesteld van 8 maart 2016 tot 23 maart 2016 en is Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden gemachtigd de minderjarigen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen op een geheime crisisplaats van 8 maart 2016 tot 23 maart 2016.

- Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 22 maart 2016 zijn de minderjarigen voorlopig onder toezicht gesteld van 23 maart 2016 tot 8 juni 2016 en is Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland gemachtigd de minderjarigen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin, te weten bij de grootmoeder moederszijde te [plaats] , voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.

- De vader heeft de Nederlandse en Angolese nationaliteit, de moeder en de minderjarigen hebben de Nederlandse nationaliteit.

- De vader heeft zich gewend tot de Nederlandse Centrale Autoriteit (CA). De zaak is bij de CA geregistreerd onder IKO-nr. [nr.] .

Beoordeling

Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en België zijn partij bij het Verdrag.

Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Niet in geschil is dat de minderjarigen onmiddellijk voor hun overbrenging naar Nederland hun gewone verblijfplaats in België hadden.

Niet in geschil is voorts dat ten tijde van de overbrenging van de minderjarigen naar Nederland partijen belast waren met het gezamenlijk ouderlijk gezag over de minderjarigen.

Partijen twisten evenwel over de vraag of het gezagsrecht door de vader daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van de overbrenging.

De moeder heeft gesteld dat de minderjarigen geen rol spelen in het leven van de vader en dat de vader geen interesse heeft voor het welzijn van de minderjarigen. Volgens de moeder is de vader nimmer betrokken geweest bij de opvoeding van de minderjarigen, heeft de vader zich nimmer bemoeid met oudergesprekken of kinderactiviteiten op school van de minderjarigen en is zij tot op heden de primaire hoofdopvoedster van de minderjarigen geweest.

De vader heeft de stelling van de moeder gemotiveerd weersproken.

Bij de beoordeling van de stellingen van partijen stelt de rechtbank voorop dat voor een “daadwerkelijke gezagsuitoefening” in de zin van het Verdrag niet is vereist dat de gezagsdragende ouder de dagelijkse zorg voor de minderjarige heeft gedragen. Van belang is dat de met het gezag belaste persoon ervan heeft blijk gegeven dat hij de belangen van het kind, overeenkomstig de inhoud van het bestaande gezagsrecht, heeft behartigd. Hetgeen de moeder naar voren heeft gebracht is naar het oordeel van de rechtbank, gegeven het feit dat partijen samen in een huis met de kinderen woonden, onvoldoende om tot te kunnen concluderen dat op het tijdstip van de overbrenging het gezagsrecht door de vader niet daadwerkelijk werd uitgeoefend.

Partijen twisten voorts over de vraag of de vader toestemming heeft gegeven voor de overbrenging van de minderjarigen naar Nederland.

De moeder heeft het volgende gesteld. Zij is eind september 2015 vanwege een woedeaanval van de vader in paniek met de jongste minderjarige naar Nederland vertrokken. De twee oudste minderjarigen waren de rest van de dag bij de vader. De vader kwam er die dag al achter dat de moeder uit de echtelijke woning was vertrokken. De vader heeft daarna de moeder gebeld met het verzoek ook de twee oudste minderjarigen op te halen omdat hij wilde gokken. De moeder heeft toen aangegeven dat zij in Nederland zat. Tussen partijen stond vast dat “in Nederland zijn” betekent dat de moeder bij haar moeder, de grootmoeder, verblijft. Partijen spraken de volgende dag af op het station in [plaats] bij de Mc Donalds voor het overdragen van de twee oudste minderjarigen. De vader liet de twee oudste minderjarigen achter bij de Mc Donalds. Volgens de moeder heeft de vader hiermee toestemming verleend aan de moeder om de minderjarigen naar Nederland over te brengen.

De vader heeft betwist dat hij toestemming heeft verleend aan de moeder om de minderjarigen naar Nederland over te brengen. Hij heeft daartoe het volgende gesteld. De moeder is op een gegeven moment met de jongste minderjarige vertrokken. De twee oudste minderjarigen zijn thuis bij de vader gebleven. Op de volgende zaterdag belde de moeder dat zij de oudste twee minderjarigen zou komen halen en daarbij gaf zij aan dat zij de minderjarigen zondag zou terugbrengen. De vader heeft hiermee ingestemd en daarbij aangegeven dat de minderjarigen maandag weer naar school moesten. De vader heeft vervolgens de twee oudste minderjarigen bij de Mc Donalds aan de moeder overgedragen. Het was de vader op dat moment niet duidelijk dat de moeder met de minderjarigen naar haar moeder in Nederland zou gaan. Toen bleek dat de moeder de minderjarigen niet had teruggebracht heeft de vader de moeder gebeld met de mededeling dat de minderjarigen naar school moesten. De moeder heeft hierop aangegeven dat dit niet langer zijn probleem was. De vader heeft vervolgens alle juridische stappen ondernomen om de minderjarigen terug te krijgen.

Nu de vader uitdrukkelijk heeft betwist dat hij heeft ingestemd met de overbrenging van de minderjarigen naar Nederland en de moeder haar stelling met betrekking tot de toestemming vervolgens niet nader heeft onderbouwd, is de rechtbank van oordeel dat de moeder niet heeft aangetoond dat de vader kort voorafgaand aan haar vertrek naar Nederland toestemming heeft gegeven voor de overbrenging.

Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de overbrenging van de minderjarigen naar Nederland is geschied in strijd met het gezagsrecht naar Belgisch recht van de vader en dat deze overbrenging aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag

Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.

Op grond van lid 2 van artikel 12 van het Verdrag wordt de terugkeer van een kind gelast, zelfs als de termijn van één jaar is verstreken, tenzij wordt aangetoond dat het kind inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving.

Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van de minderjarigen naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de minderjarigen in Nederland zijn geworteld en dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.

De moeder heeft betoogd dat er sprake is van de weigeringsgronden, zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub a, artikel 13 lid 1 sub b en artikel 13 lid 2 van het Verdrag. De rechtbank overweegt als volgt.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag

Op grond van artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat de persoon die de zorg had voor de persoon van het kind, het recht betreffende het gezag niet daadwerkelijk uitoefende ten tijde van de overbrenging of het niet doen terugkeren, of naderhand in deze overbrenging of het niet doen terugkeren had toegestemd of berust.

De rechtbank heeft reeds geoordeeld dat de moeder niet voldoende heeft gesteld ter onderbouwing van haar stelling dat de vader het gezag niet daadwerkelijk uitoefende ten tijde van de overbrenging.

Ingevolge vaste jurisprudentie (vergelijk Hoge Raad 1 oktober 2010, NJ 2010/528, LJN BN6126) moeten bij de beoordeling van de vraag of de achterblijvende ouder heeft berust in het verblijf van zijn kind in een ander land, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen worden. Daarbij dient te worden gekeken naar de gedragingen van de achtergebleven ouder zelf, zowel in actieve als in passieve zin. Beslissend is of uit de objectieve omstandigheden van het geval kan worden afgeleid dat de vader heeft aanvaard dat het hoofdverblijf van de minderjarigen voortaan in Nederland zou zijn.

De rechtbank heeft reeds geoordeeld dat de moeder niet heeft aangetoond dat de vader heeft ingestemd met de overbrenging van de minderjarigen naar Nederland.

Ter onderbouwing van haar stelling dat de vader heeft berust in het verblijf van de minderjarigen in Nederland heeft de moeder gesteld dat zij uit de houding van de vader, met name het verzoek van de vader aan de moeder om ook de twee oudste minderjarigen op te halen op het station te [plaats] , opmaakt dat de vader zich heeft neergelegd bij de beslissing van de moeder om met de minderjarigen in Nederland te verblijven.

De rechtbank is van oordeel dat, nu de vader heeft betwist dat hij heeft berust in de overbrenging, hetgeen de moeder heeft aangevoerd onvoldoende is om aan te kunnen nemen dat er sprake is van berusting. In dit verband geldt dat uit de door de moeder gestelde feiten en omstandigheden niet kan worden afgeleid dat de vader er daadwerkelijk mee heeft ingestemd dat de minderjarigen voortaan in Nederland zouden verblijven. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat de vader, nadat hij zich eerst had gewend tot zijn Belgische advocaat, zich reeds in november heeft gewend tot de Belgische Centrale Autoriteit teneinde de terugkeer van de minderjarigen naar België te bewerkstelligen.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag

Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het doel en de strekking van het Verdrag brengen met zich dat deze weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd.

De moeder heeft ter onderbouwing van haar stelling dat sprake is van de weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag onder meer het volgende gesteld. De moeder en de minderjarigen zijn vanwege aanhoudend ernstig huiselijk geweld gevlucht naar Nederland. De vader is gokverslaafd, drinkt alcohol en gebruikt drugs. De vader heeft veelvuldig aangegeven dat hij de moeder en haar familie gaat vermoorden. De vader heeft ook in bijzijn van de oudste minderjarige gezegd dat hij zichzelf gaat doden. Moeder is op haar neus geslagen door vader. De vader heeft het oudste kind geslagen bij het overhoren van huiswerk. De vader heeft geappt dat hij nog liever wil dat de kinderen dood gaan dan dat ze bij de moeder verblijven. De moeder kan niet terug naar België. Een teruggeleiding betekent dat de minderjarigen van haar zullen worden gescheiden en brengt feitelijk met zich mee dat de vader de verzorging van de minderjarigen op zich zal moeten nemen. De moeder is doodsbang voor de vader en vreest voor haar lot en dat van haar kinderen als zij terug moeten naar België. De moeder heeft ter onderbouwing van haar stelling twee aangiften tegen de vader en een groot aantal WhatsApp-/emailberichten overgelegd.

De vader heeft de stellingen van de moeder betwist. De vader heeft gesteld dat de moeder bewust een dossier opbouwt tegen de vader zodat zij haar uiteindelijke doel, om met de minderjarigen naar de Dominicaanse Republiek te verhuizen, kan verwezenlijken. De vader heeft betwist dat de door de moeder overgelegde WhatsApp-berichten van hem afkomstig zijn en heeft gesteld dat deze niet vanaf zijn mobiele telefoon zijn verstuurd. De vader kent de accounts niet waarvandaan de overgelegde emailberichten zijn verstuurd. De vader heeft gesteld dat de rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming en GGZ volledig tot stand zijn gekomen op initiatief van de moeder en dat hij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij de totstandkoming van deze rapportages.

De rechtbank is van oordeel dat de moeder niet heeft aangetoond dat er een ernstig risico bestaat dat de minderjarigen door hun terugkeer worden blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand worden gebracht. De door de moeder overgelegde aangiften betreffen een aangifte uit 2012 en een aangifte van na de overbrenging van de minderjarigen naar Nederland. Niet gebleken is dat er strafvervolging tegen de vader is ingesteld. De aangiften zijn gebaseerd op de enkele stellingen van de moeder. Dat de WhatsApp-berichten zijn verstuurd in de Portugese taal, een taal die de moeder niet machtig zou zijn, acht de rechtbank, gelet op de betwisting door de vader, onvoldoende om aan te nemen dat deze berichten afkomstig zijn van de vader. Van feitelijke gedragingen tegen de minderjarigen, zoals door de moeder gesteld, is niet gebleken. Voorts heeft de moeder haar stelling dat zij niet terug kan naar België niet nader onderbouwd. Een teruggeleiding van de minderjarigen naar België heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet als gevolg dat de minderjarigen gescheiden zullen worden van de moeder.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Verdrag

Ingevolge artikel 13 lid 2 van het Verdrag kan de rechtbank eveneens weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden.

De moeder heeft gesteld dat de twee oudste minderjarigen bij de moeder en de grootmoeder kenbaar hebben gemaakt dat zij zich tegen terugkeer verzetten en dat zij bang zijn voor de vader. De moeder heeft voorts gesteld dat de jongste minderjarige zeer angstig is voor de vader. Volgens de moeder zijn de twee oudste minderjarigen oud genoeg om hun mening te kunnen geven en deze te onderbouwen.

De vader heeft erop gewezen dat het kwetsbare en jonge kinderen betreft en dat het de vraag is of de minderjarigen een zekere mate van rijpheid hebben, waardoor met hun mening rekening gehouden kan worden. Daarnaast heeft de vader benadrukt dat de minderjarigen al maanden onder de hoede van de moeder zijn en mogelijk beïnvloed zijn.

De rechtbank heeft de minderjarigen in raadkamer gehoord en ter terechtzitting kort verslag van dit verhoor gedaan.

De oudste minderjarige heeft onder meer het volgende verklaard. Hij vindt het leuk in Nederland, bij oma en met zijn Playstation. Hij heeft hier veel vriendjes. In België vond hij het ook leuk met zijn vriendjes. Hij vond het thuis niet leuk vanwege de ruzie tussen zijn ouders. De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaring van deze minderjarige niet is gebleken van verzet tegen terugkeer naar België.

De twee jongste minderjarigen wist weinig tot niets te vertellen over het leven in België. Ook bij deze minderjarigen is de rechtbank niet gebleken van verzet tegen terugkeer naar België, nog daargelaten of deze minderjarigen de mate van rijpheid hebben bereikt die rechtvaardigt dat met hun mening rekening wordt gehouden.

Nu er geen sprake is van (een van) de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen te volgen.

Ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het wenselijk dat de minderjarigen een eventuele uitspraak in hoger beroep in Nederland kunnen afwachten en zal het verzoek van de vader om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afwijzen. De rechtbank zal de terugkeer gelasten op uiterlijk 17 mei 2016, zijnde de eerste dag na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend. Het overigens verzochte door de vader met betrekking tot de datum van terugkeer zal worden afgewezen.

Sterke arm

Ingevolge artikel 13 lid 6 van de Uitvoeringswet juncto artikel 813 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van rechtswege voorzien in het met behulp van de sterke arm ten uitvoer leggen van de onderhavige beschikking. Het betreffende verzoek van de vader zal dan ook bij gebrek aan belang worden afgewezen.

KAls er uit de overgelegde buitenlandse bewijsstukken tegenstrijdigheden blijken over de persoonsgegevens, dan kan zulks hieronder ipv met "De persoonsgegevens...vermeld." overwogen worden met bijv: "Blijkens..., doch blijkens..."

osten

De vader heeft verzocht de moeder te veroordelen in de door hem in verband met de ontvoering en de teruggeleiding van de minderjarigen gemaakte kosten, door hem begroot op € 7.163,--.

Ingevolge artikel 26 lid 4 van het Verdrag en artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet kan de moeder worden veroordeeld tot betaling van de kosten gemaakt in verband met de ontvoering en de teruggeleiding van de minderjarigen.

Nu de moeder zich niet tegen de kostenveroordeling heeft verweerd, zal de rechtbank het verzoek van de vader toewijzen, met dien verstande dat de rechtbank de kosten voor zover deze geen verband houden met de ontvoering en teruggeleiding van de minderjarigen buiten beschouwing zal laten. Dit betekent dat de rechtbank op genoemd bedrag van € 7.163,-- in mindering zal brengen een bedrag van € 1.815,-- aan advocaatkosten gemaakt in verband met de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing en een bedrag van € 2.500,-- aan advocaatkosten België, nu onvoldoende gespecificeerd is dat deze laatste kosten zien op de ontvoering en de teruggeleiding van de minderjarigen.

(alleen opnemen indien kostenveroordeling is verzocht)

Beslissing

De rechtbank:

gelast de terugkeer van de minderjarigen:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

naar België uiterlijk op 17 mei 2016, waarbij de moeder de minderjarigen dient terug te brengen naar België en beveelt, indien de moeder nalaat de minderjarigen terug te brengen naar België, dat de moeder de minderjarigen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 17 mei 2016, opdat de vader de minderjarigen zelf mee terug kan nemen naar België;

veroordeelt de moeder tot betaling aan de vader van de door hem gemaakte kosten in verband met de ontvoering en teruggeleiding van de minderjarigen van € 2.848,-- (zegge: tweeduizend achthonderd achtenveertig euro);

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.C. Olland, I.D. Bellaart en M. Kramer, tevens kinderrechters, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 mei 2016.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.