Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:4717

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-04-2016
Datum publicatie
13-05-2016
Zaaknummer
C/09/499332 / HA RK 15-503
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Verzoeker in dienst bij gemeente, valt in 'oliehok'. Aansprakelijkstelling gemeente o.a. op grond van artikel 7:658 BW. Ambtshalve vraag opgeworpen of civiele rechter ontvankelijk is. Partijen moeten zich daarover uitlaten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 170
Burgerlijk Wetboek Boek 6 174
Burgerlijk Wetboek Boek 6 181
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 615
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1334
NJF 2016/277
JA 2016/116
AR-Updates.nl 2016-0507
PS-Updates.nl 2016-0163
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rekestnummer: C/09/499332 / HA RK 15-503

Beschikking van 13 april 2016

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. A.P. Hovinga te Rotterdam,

tegen

1. de openbare rechtspersoon

GEMEENTE MOERDIJK,

gevestigd te Zevenbergen,

2. de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn en kantoorhoudend te Leiden,

verweersters,

advocaat mr. M.A. Bosman te Rotterdam.

Partijen worden hierna [verzoeker] , de Gemeente en Achmea genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift tot het houden van een deelgeschil ex artikel 1019w e.v. Rv van 5 november 2015, met producties;

  • -

    het verweerschrift inzake deelgeschil van 24 februari 2016, met producties;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 1 maart 2016;

  • -

    de e-mail van 15 maart 2016 van de zijde van de gemeente, met 1 productie;

  • -

    de e-mail van 21 maart 2016 van de zijde van [verzoeker] .

1.2.

Ten slotte is een datum voor beschikking bepaald. Abusievelijk is in het proces-verbaal vermeld dat de zaak verwezen is naar de rol van 13 april 2016 voor het wijzen van vonnis; van een rolzaak en ene vonnis is geen sprake.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] , is met ingang van 1 november 1991 in dienst getreden bij de (buitendienst van) de gemeente als (vrachtwagen)chauffeur.

2.2.

Op het terrein van de Gemeente waarvan de buitendienst voor haar werkzaamheden gebruik maakt bevindt zich een ‘oliehok’ (ook washok genoemd). Medewerkers van de buitendienst, waaronder [verzoeker] , betreden regelmatig het ‘oliehok’ in verband met hun werkzaamheden. In het ‘oliehok’ bevond zich een opslagtank voor olie, een elektronisch schakelpaneel dat met een code geactiveerd diende te worden om buiten een vrachtwagen te kunnen tanken en een haspel met spuitstuk die werd gebruikt om de vrachtwagens buiten, op de wasplaats, te wassen.

2.3.

[verzoeker] draagt tijdens zijn werkzaamheden door de gemeente verstrekte veiligheidsschoenen met een anti slipzool.

2.4.

De gemeente heeft een Risico-inventarisatie en -evaluatie op laten maken door Humatix RIE Manager. Het onderzoek is gestart op 31 augustus 2009 en de rapportage is gedateerd op 25 januari 2010.

2.5.

Op 22 maart 2010 heeft [verzoeker] zijn huisarts geconsulteerd in verband met klachten aan zijn rechterpols naar aanleiding van een ongeval tijdens zijn werk op
10 november 2009. In het huisartsenjournaal is in verband met het bezoek op 22 maart 2010 opgenomen: “
S 4 mnd na trauma (retroflexie straal) pijn radiair
S rechterpols
O enige zwelling distale radius; drukpijn tabetiere
P Naar: rontgologie; incl navicualeresie; als
P rontgen gb naar FT”
In 2010 is hij op advies van de huisarts in behandeling gegaan van een fysiotherapeut; na blijvende klachten is hij in september 2010 verwezen naar een orthopedisch chirurg, [A] . In een patiëntbrief van 21 oktober 2010 heeft [A] onder meer vermeld dat “Patient is gezien door collega [B] in verband met aanhoudende pijnklachten aan deradiaire zijde van de rechter pols. De klachten zijn ontstaan na een val op de pols. Rontgenonderzoek heeft een forse degeneratie laten zien van het radiocarpale gewricht. Er is sprake van een SLAC wrist.(…)”. [verzoeker] is geplaatst op een wachtlijst voor een operatie, meer specifiek een “intercarpale artrodese (4-corner fusie) met een resectie van het os scaphoideum rechts”.

2.6.

Op 13 december 2010 heeft de direct leidinggevende, [C] , met [verzoeker] een ongevallenregistratieformulier opgemaakt, waarin - onder meer - is opgenomen:

ONGEVALSGEGEVENS

Datum ongeval: 10 november Tijdstip: 8.15 uur

Locatie van het ongeval (nauwkeurig omschrijven)

[onleesbaar] …. in het oliehok

(…)

2. OMSCHRIJVING VAN DE WERKZAAMHEDEN TEN TIJDE VAN HET ONGEVAL
Hij was op deze lokatie i.v.m. aftanken vrachtauto.
(…)

4. HEEFT HET SLACHTOFFER LETSEL
Ja
5. WELK( E ) LICHAAMSDEEL/-DELEN ZIJN GEWOND
Polsbreuk rechterarm
6. WAT IS DE AARD VAN HET LETSEL
(…)
anders, nl.: botbreuk
(…)
7. HOE IS DE EERSTE BEHANDELING VAN HET LETSEL VERLOPEN
(…)
anders, nl.: is in april naar de huisarts gegaan (gebroken in november zonder dat hij het zelf wist, is in april naar de huisarts gegaam i.v.m.[onleesbaar] … v/d pols geconstateerd botbreuk.

8. HEEFT DE GETROFFENE DE WERKZAAMHEDEN MOETEN STAKEN
Nee
(…)

10. WAT IS DE VERMOEDELIJKE OORZAAK VAN HET ONGEVAL
Verzuim van veiligheidsregels er lag zeep op de grond
(…)
11. WAARDOOR KON HET ONGEVAL ONTSTAAN
(…)
anders, nl: omdat kan lek was gegaan.

12. HOE IS HET ONGEVAL IN DE TOEKOMST TE VOORKOMEN
Dit is gekomen door lekkage van een kan zeepsop. Is overmacht
13. TOELICHTING DOOR GETROFFENE
kan iedereen overkomen gezien de situatie die is aangegeven.
14. TOELICHTING DOOR DIRECT LEIDINGGEVENDE
Er wordt wekelijks alles schoongemaakt en dagelijks gecontroleerd”
Het Ongevallenregistratieformulier is op 13 december 2010 ondertekend door [verzoeker] , [C] en, op onbekende datum, door een preventiemedewerker.

2.7.

[verzoeker] is in januari 2011 geopereerd aan zijn rechterpols. Naderhand is er dystrofie geconstateerd in die pols.

2.8.

Tijdens een werkoverleg van de buitendienst van 27 januari 2011 is als “wat verder ter tafel komt” verzocht om de hogedrukslang te vervangen voor het schoonmaken van de vrachtwagen. Gezegd is dat de slang al vervangen is.

2.9.

[verzoeker] heeft zich vanaf 18 januari 2011 arbeidsongeschikt gemeld voor zijn werk als vrachtwagenchaffeur vanwege handklachten. Hij heeft gedurende een periode een Ziektewetuitkering ontvangen en daarna een WIA-uitkering. Hij heeft er op enig moment voor gekozen vervroegd met pensioen te gaan en is dientengevolge uit dienst getreden.

2.10.

[verzoeker] heeft de Gemeente bij brief van 16 augustus 2011 aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van een door hem op
10 november 2009 overkomen bedrijfsongeval. De Gemeente heeft bij monde van Achmea, aansprakelijkheid van de hand gewezen.

2.11.

Op verzoek van [verzoeker] en na verweer van de Gemeente en Achmea, heeft de rechtbank Breda bij beschikking van 31 maart 2014 een voorlopig getuigenverhoor gelast. Als getuigen zijn gehoord [verzoeker] zelf en zijn echtgenote [D] , verpleegkundige, [C] , Teamhoofd buitendienst, [E] , Toezichthouder, [F] , Chauffeur, [G] , Ondersteunend medewerker,
[H] , Onderhoudsmedewerker, [I] , ambtenaar, [J] , planner, werkvoorbereider, allen in dienst bij de Gemeente en [K] , een gepensioneerd voormalige medewerker bij de Gemeente.

3 Het geschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w-1019cc Rv dat de rechtbank:

  1. zal beslissen dat de gemeente aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] heeft geleden ten gevolge van de val op 10 november 2009 te Moerdijk;

  2. zal beslissen dat Achmea de schade rechtsreeks aan [verzoeker] dient te voldoen op basis van de directe actie ex artikel 7:954 BW;

  3. de (juridische) kosten van het deelgeschil van [verzoeker] zal begroten ex artikel 6:96 BW jo artikel 1019aa Rv en de gemeente en Achmea zal veroordelen dat bedrag aan [verzoeker] te voldoen.

3.2.

[verzoeker] legt aan zijn verzoek - samengevat en zakelijk weergegeven - ten grondslag dat hij op 10 november 2009 in het “oliehok” van de gemeente ten val is gekomen. Volgens [verzoeker] is de gemeente aansprakelijk voor het hem overkomen ongeval en de daaruit voortvloeiende schade op grond van artikel 6:174 BW, artikel 6:181 BW, artikel 7:658 BW, artikel 6:170 BW, dan wel artikel 6:162 BW.

3.3.

De verzocht vergoeding van kosten van het deelgeschil bedraagt € 5.725,46. Dit bedrag is opgebouwd uit de door de advocaat van [verzoeker] gemaakte kosten, bestaande uit gewerkte uren (15,58 uur á € 275,- per uur =) € 4.284,50, vermeerderd met 5% kantoorkosten á € 214,23 en € 944,73 BTW en daarnaast het griffierecht van € 282.

3.4.

De Gemeente voert verweer.

3.5.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover relevant, verder worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[verzoeker] is ambtenaar geweest. Het verzoek van [verzoeker] is mede gebaseerd op artikel 7:658 BW. De Gemeente heeft opgemerkt dat die bepaling in dezen niet van toepassing is omdat artikel 7:615 BW de toepasselijkheid uitsluit voor personen die in dienst zijn van - onder andere - een gemeente. Beide partijen lijken er echter van uit te gaan dat de gewone burgerlijke rechter (in dit geval: de deelgeschillenrechter) het verzoek van [verzoeker] , ook voor zover gebaseerd op (analoge) toepassing van artikel 7:658 BW kan beoordelen. De rechtbank heeft redenen om de ontvankelijkheid, mede in het licht van deze grondslag van het verzoek van [verzoeker] , voor zover nodig ambtshalve aan de orde te stellen.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat indien er voor een ambtenaar een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat c.q. heeft opengestaan, hij in een civiele procedure niet ontvankelijk moet worden verklaard (Hoge Raad 28 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0527, NJ 1992, 687).

4.3.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 oktober 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BJ6020, NJ 2010, 52) geoordeeld (in 5.3) dat de - in die zaak betrokken - benadeelde het recht heeft zijn vordering tegen de gemeente wegens onrechtmatig handelen van haar ondergeschikte aan de burgerlijke rechter voor te leggen, nadat de gemeente hem te kennen heeft gegeven geen aansprakelijkheid te erkennen. Hieraan staat volgens de Hoge Raad niet in de weg dat die benadeelde als ambtenaar van de gemeente ook de bestuursrechtelijke weg had kunnen (ver)volgen, nu de bestuursrechter (nog) geen oordeel over de gevorderde schadevergoeding had gegeven.

4.4.

Dit oordeel van de Hoge Raad betreft niet de vraag of de weg naar de burgerlijke rechter voor de ambtenaar ook openstaat in die gevallen dat hij schadevergoeding claimt uit hoofde van zijn rechtspositie, doch daaraan niet een (eerder door de rechter vernietigd) besluit ten grondslag legt. Advocaat-Generaal Spier wijst er in zijn conclusie (in 4.36) voorafgaand aan laatstgenoemd arrest van de Hoge Raad op dat materiële vragen nopens de aansprakelijkheid voor overheidshandelen niet (zonder meer) tevens kunnen worden voorgelegd aan de civiele rechter indien de bestuursrechter bevoegd is. Daarbij doelt hij op aansprakelijkheid op publiekrechtelijke grondslag (daaronder in voorkomende gevallen begrepen analoge toepassing van bepalingen van burgerlijk recht).

4.5.

Gelet op het vorenstaande en onder verwijzing naar de arresten van het gerechtshof Leeuwarden van 14 december 2010 en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 maart 2015 (ECLI:NL:GHLEE:2010:5904 respectievelijk ECLI:NL:GHARL:2015:2261) is de rechtbank voorshands van oordeel dat artikel 7:658 BW geen civielrechtelijke grondslag kan opleveren op grond waarvan de burgerlijke rechter de aansprakelijkheid van de Gemeente als werkgever tegenover [verzoeker] als ambtenaar kan baseren. In artikel 7:615 BW is wettelijk geregeld dat dit artikel niet geldt voor personen in overheidsdienst. Dat de Centrale Raad van Beroep dit artikel analoog toepast wanneer een overheidsdienst als werkgever aansprakelijk wordt gesteld, maakt niet dat de burgerlijke rechter artikel 7:615 BW kan negeren. [verzoeker] heeft voorts zijn verzoek mede gestoeld op het algemene onrechtmatige daadsartikel 6:162 BW, maar - met het gerechtshof Leeuwarden - is de rechtbank van oordeel dat artikel 7:658 BW hierin niet kan worden ingelezen.

4.6.

Alvorens verder te beslissen, verzoekt de rechtbank partijen dan ook om zich uit te laten ontvankelijkheid van [verzoeker] voor zover zijn verzoek gebaseerd is op (de analoge toepassing van) artikel 7:658 BW.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verzoekt partijen zich uiterlijk donderdag 12 mei 2016 uit te laten over de ontvankelijkheid van [verzoeker] voor zover zijn verzoek gebaseerd is op (de analoge toepassing van) artikel 7:658 BW,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2016.1

1 type: 1555