Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:4696

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-05-2016
Datum publicatie
02-05-2016
Zaaknummer
09/842389-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zijn vrouw, waar hij tot twee weken voor het ten laste gelegde, twintig jaren van zijn leven mee had gedeeld, op een zeer gewelddadige wijze om het leven gebracht. Verdachte heeft haar met een mes en een priem 73 maal in haar hoofd, hals en bovenlichaam gestoken en heeft ten slotte haar keel met een mes doorgesneden.

Verweer dat geen sprake was van een door verdachte bewuste aanvaarding van de kans op het overlijden van het slachtoffer, verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0133
EeR 2016, afl. 4, p. 198

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/842389-15

Datum uitspraak: 2 mei 2016

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1972 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum te Amsterdam.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 11 september 2015, 23 november 2015, 2 februari 2016 (telkens pro forma) en 18 april 2016 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. Mol en van hetgeen door de raadslieden van verdachte mrs. G.G.J. Knoops en C.J. Knoops-Hamburger, advocaten te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 2 juni 2015 te Zoetermeer, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet met een mes de keel/hals van die [slachtoffer] (gedeeltelijk) doorgesneden en/of met een mes en/of een priem, althans met een scherp en/of puntig voorwerp een groot aantal malen in het lichaam van die [slachtoffer] gestoken, ten gevolge waarvan die voornoemde [slachtoffer] is overleden.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding1

Op 2 juni 2015 om 12.40 uur gaan verbalisanten naar aanleiding van een melding ter plaatse bij de [adres] te Zoetermeer. Dit betreft de woning van verdachte. Eenmaal binnen treffen verbalisanten in een slaapkamer op de eerste verdieping het stoffelijk overschot aan van (naar later bleek) [slachtoffer] Het stoffelijk overschot zit onder het bloed, het tapijt in de slaapkamer is doordrenkt met bloed en op verschillende plaatsen in de woning worden bloedspetters en sporen van bloed aangetroffen.2

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] zijn circa 73 steek- en snijwonden verspreid over het lichaam geconstateerd, welke het gevolg zijn van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend scherprandig klievend en perforerend geweld. In de diverse steek- en snijwonden waren de vitale organen (de hersenen, het hart en de beide longen) geraakt. Ook was de hals links doorgesneden met daarbij klieven van de grote halsvaten links. In de buik was de onderste holle ader naast de leverwortel geperforeerd. Het overlijden wordt als gevolg van massaal bloedverlies en functieverlies van de vitale organen zondermeer verklaard. De grote steek- en snijverwondingen zijn opgelopen door meermalen steken en snijden met een scherp voorwerp en passen bij steken en snijden met een of meer messen. Gezien de vorm van de steekwonden, met een scherpe en een stompe punt, kunnen ze passen bij steken met een eenzijdig snijdend mes. De kleine perforaties passen bij meermalen steken met een scherp en puntig voorwerp zoals een priem, ijspiek of iets dergelijks.3

Verdachte wordt diezelfde dag om 19:24 uur aangehouden in Oudenhoorn. Verdachte heeft diverse verwondingen, die hij, naar later blijkt, aan zichzelf heeft toegebracht.

Bij zijn eerste verhoor, dat eveneens plaatsvindt op 2 juni 2015, verklaart verdachte dat [slachtoffer] op 15 mei 2015 hun (huwelijks)relatie heeft verbroken. Zij heeft daarop de echtelijke woning verlaten en is naar [partner slachtoffer] , haar baas (de rechtbank begrijpt [partner slachtoffer] ) gegaan, met wie zij inmiddels een relatie had.4 In de nacht van 2 juni 2015 heeft verdachte [slachtoffer] gebeld en verzocht langs te komen omdat het niet goed met hem ging. [slachtoffer] heeft toen gezegd dat zij zou komen.5 Verdachte heeft kort voordat zij arriveerde maatregelen getroffen in de slaapkamer omdat hij wilde dat zij naar hem zou luisteren en zijn vragen zou beantwoorden. Hij heeft hiertoe twee elektriciteitskabels aan het bed vastgemaakt waarmee hij haar zo nodig zou kunnen vastbinden, heeft een ijspriem gepakt en op het bed gelegd en heeft het messenblok uit de keuken in de slaapkamer gezet.6 [slachtoffer] is naar verdachte toegekomen, ze hebben in de woonkamer nog even op de bank gezeten en vervolgens zijn ze naar de slaapkamer gelopen omdat verdachte zijn oxazepam wilde innemen.7 Eenmaal in de slaapkamer ontstond al snel een worsteling, waarbij verdachte en [slachtoffer] elkaar hebben geslagen en geschopt nadat verdachte [slachtoffer] op het bed had geduwd. Verdachte heeft [slachtoffer] toen met een priem gestoken, waarna ze beiden op de grond vielen.8 Op de grond heeft verdachte [slachtoffer] meermalen met een mes gestoken.9 Hierna heeft verdachte op verschillende manieren getracht om een einde aan zijn leven te maken, aldus verdachte.

Verdachte is in totaal vier keer verhoord (ook nog op 4 juni 2015, 10 juni 2015 en op 1 juli 2015). In die verhoren verklaart verdachte dat hij [slachtoffer] meerdere malen met een priem10 en een mes11 heeft gestoken en uiteindelijk met een snijdende of zagende beweging in haar hals heeft gesneden12.

Ook in deze latere verhoren heeft verdachte verklaard dat hij die nacht op verschillende manieren (middels het snijden met een mes in zijn polsen en hals, door zichzelf op te hangen aan een touw in het trapgat en door zichzelf met een vleesvork in zijn buik te prikken) heeft getracht om een einde aan zijn leven te maken.

De bekennende verklaringen van verdachte, worden ondersteund door de resultaten van het onderzoek naar biologische sporen en het DNA-onderzoek. Daarbij is het DNA-profiel van [slachtoffer] aangetroffen in bemonsterde bloedsporen op een mes en op een priem, en het DNA-profiel van verdachte in bemonsterde bloedsporen op een ander mes en een vleesvork.13 Genoemde messen, priem en vleesvork zijn in de woning van verdachte aangetroffen en veiliggesteld.14

Over deze feiten en omstandigheden bestaat geen discussie. De rechtbank stelt op grond van het vorengaande vast dat verdachte [slachtoffer] in de nacht van 2 juni 2015 meermalen met een mes en een priem heeft gestoken en haar hals heeft doorgesneden, ten gevolge waarvan zij is overleden.

De rechtbank ziet zich thans gesteld voor de vraag of het vorengaande dient te leiden tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde doodslag, of dat de door de verdediging gevoerde verweren dienen te leiden tot een vrijspraak.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zal verklaren.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben – overeenkomstig de pleitnota – het volgende aangevoerd.

Verdachte dient te worden vrijgesproken omdat niet is voldaan aan het vereiste van voorwaardelijk opzet nu geen sprake is geweest van een door verdachte bewuste aanvaarding van de kans op het overlijden van [slachtoffer] .

De volgende contra-indicaties wijzen daarop:

  • -

    Uit de verklaringen van verdachte komt naar voren dat verdachte nooit heeft gewild dat [slachtoffer] kwam te overlijden.

  • -

    Verdachte heeft verklaard dat ten tijde van het handelen bij hem sprake was van een mate van boosheid die hij niet eerder heeft ervaren, en die kennelijk gepaard ging met een bepaalde roes c.q. waas waarin hij kwam te verkeren.

  • -

    Uit verklaringen van verdachte kan tevens worden afgeleid dat bij verdachte sprake was van een verminderde mate van bewustzijn.

  • -

    Uit de rapportage van drs. Offermans blijkt dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde tot aan het tijdstip van zijn aanhouding gedissocieerd is geweest, dat wil zeggen van zichzelf en zijn omgeving vervreemd. Voor het verkeren in deze toestand kan ondersteuning worden gevonden in het rapport van NIFP rapporteur drs. Keppel.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Opzet

Van voorwaardelijk opzet is sprake indien verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het gevolg heeft aanvaard. Hierbij dient allereerst de vraag te worden beantwoord of het handelen van verdachte – naar algemene ervaringsregels – de aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer] met zich bracht. Of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. De rechtbank overweegt dat verdachte, door [slachtoffer] circa 73 keer met een priem en een mes in haar lichaam te steken en haar hals door te snijden, de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood teweeg heeft gebracht.

De verdediging heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat verdachte de hiervoor genoemde aanmerkelijke kans niet bewust heeft aanvaard, en heeft daartoe gewezen op de hiervoor vermelde (vier) contra-indicaties.

De eerste drie contra-indicaties

De eerste drie contra-indicaties die door de verdediging zijn aangedragen ter onderbouwing van de afwezigheid van een bewuste aanvaarding van de kans op de dood, zijn alle gebaseerd op de eigen verklaringen van verdachte. Zo heeft verdachte volgens de verdediging onder meer verklaard dat hij “haar nooit dood heeft gewild”, “haar niks wilde doen en alleen met haar wilde praten”, “het niet had mogen gebeuren”, dat hij nog nooit zo boos was” en dat hij “gewoon in een waas was”.

De rechtbank overweegt in dit verband dat deze uitlatingen van verdachte niets zeggen over (de mate van) het bewustzijn van verdachte op het moment van het steken van [slachtoffer] met een priem en een mes. De rechtbank acht hierbij van belang dat verdachte heeft verklaard dat hij de voorwerpen waarmee hij [slachtoffer] heeft gestoken zelf, voorafgaande aan de komst van [slachtoffer] , in de slaapkamer heeft klaargelegd omdat hij antwoorden van haar wilde. Dit zijn heel bewuste handelingen van verdachte geweest. Uit de door de verdediging aangehaalde opmerkingen kan naar het oordeel van de rechtbank geenszins worden afgeleid dat verdachte vervolgens ten tijde van het steken niet bewust heeft gehandeld. De hiervoor weergegeven uitlatingen van verdachte ten tijde van zijn verhoren geven naar het oordeel van de rechtbank veeleer een beeld van gevoelens van spijt bij verdachte weer, terugkijkend op hetgeen hij heeft gedaan, en kunnen in zoverre niet worden verbonden aan de geestestoestand van verdachte ten tijde van het delict.

Dissociatieve toestand

De verdediging heeft aangevoerd dat op basis van de rapportage van drs. Offermans, welke zou worden ondersteund door de rapportage van drs. Keppel, en op basis van de verklaringen van verdachte, kan worden geconcludeerd dat de gedragingen van verdachte aan een dissociatieve toestand kunnen worden toegeschreven. De gedragingen van verdachte hebben plaatsgevonden in een ongewone psychische toestand (een dissociatieve toestand/schemertoestand), waarbij sprake is geweest van een exceptionele en onverwacht heftige reactie, mede veroorzaakt door deze toestand van verlaagd bewustzijn. Volgens de verdediging is verdachte hierdoor ten tijde van de hem verweten gedragingen slechts in beperkte mate in staat geweest om zijn wil en zijn handelen vrijelijk te bepalen.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Drs. J.M.J.F. Offermans, psychiater te Bussum, heeft in zijn rapportage van 11 april 2016 overwogen dat het waarschijnlijk mag worden geacht dat verdachte onder invloed van zijn angstgevoelens de betreffende nacht gedissocieerd is geraakt (van zichzelf en zijn omgeving vervreemd, met bewustzijnsverlaging en geheugenverlies gepaard gaand), een toestand die na het ten laste gelegde nog geruime tijd heeft voortgeduurd, in ieder geval tot verdachte door de politie is aangetroffen. Dat verdachte zich achteraf weinig van het ten laste gelegde en de gebeurtenissen kan herinneren, lijkt deels terug te voeren tot eerdergenoemde dissociatie, maar heeft zeker ook te maken met een sterke mate van verdringing.

Ter terechtzitting heeft drs. Offermans voornoemde passage uit zijn rapport toegelicht en verklaard dat hij de mogelijk aanwezige dissociatieve toestand bij verdachte niet heeft laten meewegen in zijn conclusie dat verdachte, op basis van een aanpassingsstoornis, enigszins verminderd toerekeningsvatbaar is, nu niet is gebleken dat sprake is van een dissociatieve stoornis; hooguit was sprake van voormelde dissociatieve toestand.

Uit de rapportage d.d. 5 november 2015 van drs. M.H. Keppel, GZ-psycholoog te Den Haag, blijkt dat de mogelijkheid van dissociatie is overwogen, maar dat er vanuit het testonderzoek geen aanwijzingen bestaan dat er bij verdachte sprake is van een verhoogde gevoeligheid voor dissociatie. Mogelijk kunnen de gedragingen van verdachte, zowel ten tijde als na het doden van zijn partner, welke als vreemd en oninvoelbaar beschreven kunnen worden, wel aan een dissociatieve toestand toegeschreven worden. Dit is echter een geestesgesteldheid, die niet uit pathologie voortkomt en bij een ieder kan voorkomen, waarbij gedachten, emoties, waarnemingen of herinneringen buiten het bewustzijn worden geplaatst en tijdelijk niet oproepbaar zijn of minder samenhang vertonen. Men kan dan in een soort schemertoestand geraken, waarin handelen en gevoel worden afgesplitst en waarbij (gedeeltelijk) geheugenverlies voor de gedragingen kan bestaan. Keppel acht het hierbij wel opmerkelijk dat het geheugenverlies van verdachte in de tijd lijkt toe te nemen.

Drs. A. Banaei Kashani, psychiater te Den Haag, heeft ter terechtzitting verklaard dat zij de verklaringen die verdachte kort na het ten laste gelegde heeft afgelegd en het gerichte handelen van verdachte voorafgaande aan het ten laste gelegde (zoals dit blijkt uit zijn politieverhoren), niet kan rijmen met een dissociatieve toestand.

De rechtbank overweegt dat uit het vorenstaande volgt dat geen van de deskundigen hebben vastgesteld dat bij verdachte ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van een dissociatieve stoornis. De overwegingen van drs. Offermans in dit verband over een dissociatieve toestand vinden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun in hetgeen hierover is opgemerkt door de beide andere deskundigen in hun rapportages en ter zitting, en evenmin in de feiten en omstandigheden in het dossier. Hierom acht de rechtbank de aanwezigheid van een dissociatieve toestand van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde niet aannemelijk. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat de enkele omstandigheid dat de mogelijkheid van dissociatie door de rapporteurs is overwogen, geenszins maakt dat de gedragingen van verdachte aan een dissociatieve toestand kunnen worden toegeschreven.

Ten slotte overweegt de rechtbank in dit verband nog dat voor het ontbreken van opzet wegens een geestelijke stoornis, blijkens jurisprudentie van de Hoge Raad (NJ 1983, 412), dient te komen vast te staan dat verdachte tijdens het begaan van het bewezene van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan verstoken was. Dit laatste acht de rechtbank op basis van de informatie van alle drie de deskundigen en de inhoud van het dossier geenszins aannemelijk. Nog daargelaten dat de rechtbank, zoals hierna nog zal worden overwogen, van oordeel is dat ten tijde van het tenlastegelegde in het geheel geen geestelijke stoornis aanwezig was.

Conclusie

Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot de conclusie dat verdachte de kans op het overlijden van [slachtoffer] niet bewust heeft aanvaard.

Gelet op het vorengaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het overlijden van [slachtoffer] .

Aldus heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de ten laste gelegde doodslag.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

hij op 2 juni 2015 te Zoetermeer, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet met een mes de keel/hals van die [slachtoffer] (gedeeltelijk) doorgesneden en met een mes en een priem een groot aantal malen in het lichaam van die [slachtoffer] gestoken, ten gevolge waarvan die voornoemde [slachtoffer] is overleden.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

doodslag.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte op basis van het rapport van drs. Offermans, vanwege de daarin beschreven aanpassingsstoornis met angstige en depressieve stemming, enigszins verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd. Dit dient volgens de verdediging een mitigerend effect op de strafmaat te hebben.

Voorts heeft de verdediging erop gewezen dat sprake is van een laag recidivegevaar, verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit en tevens niet is gebleken dat verdachte eerder, op welke wijze dan ook, gewelddadig zou zijn geweest.

Voorts heeft de verdediging de rechtbank verzocht om rekening te houden met de toestand waarin verdachte verkeerde ten tijde van het ten laste gelegde. Verdachte is door de voor hem onverwachte relatiebreuk, na twintig jaar samenzijn met [slachtoffer] , kort gezegd volledig ontregeld geraakt en ingestort.

Ten slotte heeft de verdediging erop gewezen dat verdachte zijn volledige medewerking heeft verleend aan het onderzoek, de gevolgen van zijn handelen voor [slachtoffer] en haar nabestaanden ten zeerste betreurt en zelf ook zal moeten leven met de gevolgen van het ten laste gelegde.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Op 2 juni 2015 heeft verdachte zijn vrouw, waar hij tot twee weken voor het ten laste gelegde, twintig jaren van zijn leven mee had gedeeld, op een zeer gewelddadige wijze om het leven gebracht. Verdachte heeft haar met een mes en een priem 73 maal in haar hoofd, hals en bovenlichaam gestoken en heeft ten slotte haar keel, toen zij volgens verdachte na al dit geweld nog in leven was, met een mes doorgesneden.

Door te handelen zoals verdachte heeft gedaan, heeft hij zich schuldig gemaakt aan één van de ernstigste misdrijven dat het Wetboek van Strafrecht kent. Verdachte heeft zijn vrouw haar meest kostbare bezit, het recht op leven, ontnomen. Dit misdrijf heeft voorts voor de nabestaanden, die geconfronteerd zijn met de zeer gewelddadige dood van een dierbare, een diep leed teweeggebracht, hetgeen ook is gebleken uit de ter terechtzitting uitgesproken schriftelijke slachtofferverklaringen. Een dergelijk misdrijf draagt een voor de rechtsorde bijzonder schokkend karakter en veroorzaakt sterke gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij.

De rechtbank heeft kennis genomen van een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 4 juni 2015, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op de navolgende rapportages:

  • -

    Voormeld Pro Justitia rapport, forensisch psychiatrisch onderzoek d.d. 4 november 2015, opgesteld door drs. A. Banaei Kashani, psychiater. Hierin wordt onder meer vermeld dat bij verdachte in aanloop tot en ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van een rouwreactie ten gevolge van een relatiebreuk. Daarnaast is bij verdachte sprake van afhankelijke en narcistische trekken, echter niet zodanig dat er gesproken kan worden van een persoonlijkheidsstoornis. Het ten laste gelegde is ernstig en onverwacht, echter vanuit psychiatrisch oogpunt is het niet mogelijk om een verklaringsmodel te geven van het ten laste gelegde, aangezien er geen sprake is van een psychiatrische diagnose. Voor de rapporteur is het daarom niet mogelijk om te adviseren met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

  • -

    Voormeld Pro Justitia rapport, psychologisch onderzoek d.d. 5 november 2015, opgesteld door drs. M.H. Keppel, GZ-psycholoog, met assistentie van drs. M.V. Onink, psycholoog. Hierin wordt onder meer vermeld dat bij verdachte geen sprake is van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Er is bij verdachte sprake van een persoonlijkheidsstructuur met narcistische en afhankelijke trekken, welke zich eigenlijk pas na de verlating door het slachtoffer, onder stress, in versterkte mate hebben gemanifesteerd. Verdachte was voor het ten laste gelegde een goed functionerend persoon, bij wie geen sprake was van pathologie en/of gewelddadig gedrag. Er is vanuit gedragswetenschappelijk oogpunt geen verklaring gevonden voor de omslag in zijn gedrag tot het doden van zijn partner. Geadviseerd wordt om verdachte volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen.

  • -

    Voormeld Pro Justitia rapport, psychiatrische rapportage d.d. 11 april 2016, opgesteld door drs. J.M.J.F. Offermans, psychiater. Hierin wordt onder meer vermeld dat verdachte na de voor hem volkomen onverwachte mededeling dat zijn partner hem ging verlaten, volledig ontregeld is geraakt. Ofschoon verdachte daarvoor niet bekend was met psychiatrische problematiek, beantwoordt het beeld na de verlating door zijn partner aan een aanpassingsstoornis met angstige en depressieve kenmerken en gaat verder qua aard en ernst dan een eenvoudige rouwreactie op verlating. Verdachte kan op basis van deze aanpassingsstoornis met angstige en depressieve stemming en de emotionele ontregeling als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

De rechtbank overweegt dat uit de hiervoor genoemde rapporten blijkt dat bij verdachte, naar aanleiding van de relatiebreuk met het slachtoffer, sprake was van een rouwreactie. Waar drs. Offermans hieraan een aanpassingsstoornis met angstige en depressieve kenmerken koppelt, komen drs. Banaei Kashani en drs. Keppel niet tot een dergelijke conclusie. Gelet op de inhoud van alle rapporten en op de toelichting die de rapporteurs hierop ter terechtzitting hebben gegeven, neemt de rechtbank de conclusie van drs. Offermans niet over. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd ten aanzien van het ten laste gelegde.

Gelet op het handelen van verdachte en de gruwelijke wijze waarop verdachte het slachtoffer om het leven heeft gebracht, kan de rechtbank niet anders dan een gevangenisstraf van aanzienlijke duur opleggen.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde partij A.] en [benadeelde partij B.], hebben zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 562,14.

7.1.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 562,14, met toewijzing van de gevorderde wettelijke rente.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 562,14, subsidiair 11 dagen hechtenis, ten behoeve van de slachtoffers genaamd [benadeelde partij A.] en [benadeelde partij B.] .

7.1.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft met betrekking tot deze vordering geen verweren gevoerd.

7.1.3 Het oordeel van de rechtbank

De vordering, is namens de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 562,14.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 2 juni 2015 is ontstaan.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 562,14, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 2 juni 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van de slachtoffers genaamd [benadeelde partij A.] en [benadeelde partij B.] .

[benadeelde partij C.] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 12.487,11.

7.2.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 12.487,11, met toewijzing van de gevorderde wettelijke rente.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 12.487,11, subsidiair 97 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij C.] .

7.2.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om de gevorderde uitvaartkosten te matigen vanwege de financiële situatie van verdachte, alsmede de omstandigheid dat een gedeelte van de uitvaartkosten reeds door de verzekering is vergoed.

Subsidiair heeft de verdediging verzocht om de omvang van de schadevergoedingsplicht ten aanzien van de gevorderde uitvaartkosten te matigen op grond van de aard van de aansprakelijkheid ex artikel 6:109 BW nu verdachte ten tijde van het ten laste gelegde enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

7.2.3 Het oordeel van de rechtbank

Reiskosten

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post € 636,46 ter zake van reiskosten, is door de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal dit deel van de vordering dan ook toewijzen.

Daarbij is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding bestaat de vordering te matigen. Namens de verdachte is onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van te weinig draagkracht voor toewijzing van de vordering benadeelde partij. De rechtbank is bovendien van oordeel dat de huidige draagkracht van verdachte thans niet zozeer van belang is, nu er een schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd en een lange detentie aan de uitvoering daarvan niet in de weg staat.

Uitvaartkosten

De vordering heeft voor het overige betrekking op de uitvaartkosten, groot € 11.850,65.

De rechtbank overweegt in dit verband dat de uitvaartkosten rechtstreeks verband houden met het bewezenverklaarde feit en in zoverre voor vergoeding in aanmerking komen. De uitvaartkosten betreffen blijkens de vordering de kosten die volgen uit de bijgevoegde factuur van Dela, de kosten van onderhoud van het graf, de vergunning voor het gedenkteken en de kosten van een lunch en diner van de nabestaanden op de dag van de begrafenis.

De verdachte heeft de omvang van uitvaartkosten in zoverre betwist, dat uit voornoemde factuur van Dela blijkt dat de daadwerkelijk gemaakte kosten op dit punt slechts € 1.918,24 betreffen in plaats van de door de benadeelde partij gevorderde € 7.089,58. Uit de factuur van Dela volgt immers dat een bedrag van € 4.584,34 is vergoed uit hoofde van de uitvaartverzekering van [slachtoffer] . Ook is een bedrag van € 587,- uitgekeerd op basis van een geldverzekering. De verdediging stelt dat deze bedragen in mindering moeten worden gebracht op de vordering, nu alleen de daadwerkelijk geleden schade voor vergoeding in aanmerking komt.

Namens de benadeelde partij is in dit verband, kort samengevat, gesteld dat, nu sprake is van een sommenverzekering, het vergoede bedrag niet in mindering op de uitvaartkosten dient te worden gebracht. Van verrekening ingevolge 6:100 BW kan aldus geen sprake zijn volgens de benadeelde partij.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat uit de strekking van voornoemd artikel volgt dat het moet gaan om een genoten voordeel. Daarvan is in de onderhavige kwestie echter geen sprake, nu het hier ten aanzien van beide bedragen gaat om een vergoeding van kosten. Deze vergoeding dient dan ook in mindering te worden gebracht op de vordering.

Voor zover de verdediging (subsidiair) heeft verzocht ook dit deel van de vordering te matigen, overweegt de rechtbank dat daarvoor geen aanleiding bestaat. Uit hetgeen in 6.3 is overwogen volgt dat de rechtbank verdachte volledig toerekeningsvatbaar acht, waardoor matiging op grond van verminderde aansprakelijkheid ex artikel 6:109 BW zoals door de verdediging is betoogd niet aan de orde is. Voorts geldt ook hier dat de rechtbank van oordeel is dat namens de verdachte onvoldoende is onderbouwd dat er sprake is van onvoldoende draagkracht. Voor het overige verwijst de rechtbank naar hetgeen zij in dit verband heeft overwogen met betrekking tot de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal derhalve dit deel van de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 6.679,31 (€ 1.918,24 + € 3.441,72 + € 947,55 + € 371,80).

Slotsom

De vordering van de benadeelde partij wordt derhalve toegewezen voor een totaalbedrag van € 7.315,77 (€ 636,46 ter zake van reiskosten en € 6.679,31 aan uitvaartkosten).

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 2 juni 2015, nu deze datum in dit verband niet namens verdachte is betwist.

De rechtbank zal voor het overige de vordering afwijzen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € € 7.315,77, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 2 juni 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

24c, 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

doodslag;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

Benadeelde partij [benadeelde partij A.] en [benadeelde partij B.]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij A.] en [benadeelde partij B.] , een bedrag van € 562,14, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 2 juni 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 562,14 ten behoeve van de slachtoffers genaamd [benadeelde partij A.] en [benadeelde partij B.] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 11 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

Benadeelde partij [benadeelde partij C.]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij C.] , een bedrag van € 7.315,77, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 2 juni 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 7.315,77 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij C.] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 71 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.J. Schiffers-Hanssen, voorzitter,

mr. H. Steenhuis, rechter,

mr. Y.C. Bours, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. N. de Jong, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 mei 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 2015164282 (onderzoek Golf15), van de politie eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche, met bijlagen.

2 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 13 t/m 15, ambtshandelingendossier.

3 Geschrift, ter weten rapport NFI ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’, pagina 341, forensisch dossier.

4 Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina 26 verdachtendossier.

5 Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina 41 verdachtendossier.

6 Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina 55, 56, 62 en 122 verdachtendossier.

7 Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina 41 verdachtendossier.

8 Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina 42 verdachtendossier.

9 Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina 43 verdachtendossier.

10 Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina 59 en 61 verdachtendossier.

11 Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina 71 verdachtendossier.

12 Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina 64 verdachtendossier.

13 Geschrift, te weten een NFI rapport ‘onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in Zoetermeer op 2 juni 2015, pagina 379 en 380, forensisch dossier.

14 Proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 53 en proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 160 forensisch dossier.