Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:4655

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-04-2016
Datum publicatie
02-05-2016
Zaaknummer
4885595 RP VERZ 16-50176
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot ontbinding arbeidsovereenkomst bij langdurige alcoholverslaving wordt afgewezen. Het verzoek houdt verband met ziekte; arbeidsongeschiktheid heeft geen twee jaren (aaneengesloten) geduurd en werknemer heeft meegewerkt aan zijn behandeling.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 669
Burgerlijk Wetboek Boek 7 670
Burgerlijk Wetboek Boek 7 671b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2016/145
AR 2016/1237
JAR 2016/136 met annotatie van mr. J. Dop
AR-Updates.nl 2016-0457
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

CB

Zaaknr.: 4885595 RP VERZ 16-50176

Uitspraakdatum: 21 april 2016

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen,

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

verzoekende partij,

verder te noemen: UWV,

gemachtigde: mr E.C. van Fenema,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij,

verder te noemen: [verweerder] ,

gemachtigde: mr J. Kaldenberg.

1 Het procesverloop

1.1.

UWV heeft de kantonrechter bij verzoekschrift (met 50 producties), bij de griffie ingekomen op 4 maart 2016 verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerder] heeft een verweerschrift (met 12 producties) ingediend.

1.2.

Daarnaast heeft [verweerder] nog twee aktes (van 5 april 2016 en van 6 april 2016) genomen met producties (nrs. 13, 14 en 15) en heeft UWV nog een akte genomen (van 6 april 2016), eveneens met een productie (nr. 51).

1.3.

Op 7 april 2016 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Verschenen zijn mevr. [NB] en de heer [RM] namens UWV en [verweerder] in persoon, beide partijen bijgestaan door hun gemachtigden. Tijdens de mondelinge behandeling zijn door beide partijen pleitnota’s overgelegd. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt die zich in het procesdossier bevinden.

1.4.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[verweerder] is geboren op [1963] en sinds [1989] in dienst van (de rechtsvoorganger van) UWV, (laatstelijk) in de functie van [functie] tegen een salaris van € [xx] bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en eindejaarstoeslag.

3 Het verzoek

3.1.

UWV verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, (I.) de tussen UWV en [verweerder] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1 sub a BW, (II.) bij het bepalen van de ontbindingsdatum conform artikel 7:671b lid 8 sub a BW rekening te houden met de proceduretijd, (III.) te bepalen dat [verweerder] geen recht heeft op een transitievergoeding ten laste van UWV, althans de transitievergoeding billijkheidshalve te matigen tot een in goede justitie te bepalen bedrag, en (IV.) [verweerder] in de kosten van de procedure te veroordelen.

3.2.

Aan dit verzoek legt UWV ten grondslag dat sprake is van - kort gezegd - een hardnekkige alcoholverslaving, die het functioneren van [verweerder] reeds vanaf eind 2012 in belangrijke mate beïnvloedt. [verweerder] verschijnt geregeld niet op het werk en komt stelselmatig werk- en controleafspraken niet na, ondanks dat UWV [verweerder] intensief heeft begeleid en hulp heeft geboden bij het oplossen van zijn verslavingsprobleem. Inmiddels is na een veelheid aan onbenut gelaten kansen om het tij te keren de maat meer dan vol en verzoekt UWV de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden op de grond dat er een dusdanige verstoring van de arbeidsverhouding is dat in redelijkheid niet meer van UWV gevergd kan worden om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

4 Het verweer

4.1.

[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Hij voert daartoe - samengevat - aan dat zijn alcoholverslaving moet worden aangemerkt als een ziekte en dat het opzegverbod tijdens ziekte aan toewijzing van het verzoek in de weg staat. Daarnaast betwist [verweerder] dat er sprake is van een verstoring van zijn arbeidsverhouding met UWV.

5 De beoordeling

5.1.

Tegen het ontbindingsverzoek heeft [verweerder] twee verweren aangevoerd, namelijk dat het opzegverbod tijdens ziekte aan toewijzing van het verzoek in de weg staat en dat er geen sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. De kantonrechter zal eerst ingaan op het meest verstrekkende verweer van [verweerder] : de vraag of de opzegging verband houdt met zijn ziekte.

5.2.

Het is vaste rechtspraak dat (alcohol)verslaving als ziekte kan worden aangemerkt.

5.3.

Vaststaat dat [verweerder] sinds 2012/2013 veelvuldig afwezig is geweest van zijn werk, ofwel in verband met intensieve behandelingen van zijn alcoholverslaving in (tenminste) een drietal specialiseerde instellingen, ofwel in verband met andere redenen van afwezigheid. In een aantal gevallen was zijn afwezigheid van langere duur. Zo was [verweerder] afwezig van 7 januari 2013 tot 31 maart 2013 wegens klinische opname in U-center. Daarna was [verweerder] afwezig van 15 juli 2013 tot 7 augustus 2013 vanwege een crisis-opname in een kliniek in Zoetermeer na een ernstig auto-ongeval. De volgende langduriger periode van afwezigheid was van 30 maart 2015 tot 6 mei 2015. In die periode was [verweerder] in therapie bij Brijder Verslavingszorg. Van 6 juli 2015 tot 4 januari 2016 is [verweerder] afwezig geweest, in welke periode hij tussen 21 juli 2015 en 9 oktober 2015 in de verslavingskliniek Mirage opgenomen is geweest. Tussen 4 januari 2016 en 10 februari 2016 was [verweerder] voor 50% arbeidsgeschikt en werkzaam op een UWV-locatie in Leiden.

5.4.

Tussen de periodes van langduriger afwezigheid heeft [verweerder] zijn functie als verzekeringsarts uitgevoerd, maar was hij vaak kortdurend afwezig. De door hem opgegeven redenen van afwezigheid waren zeer uiteenlopend, maar achteraf heeft [verweerder] toegegeven dat een aantal redenen verzonnen was en dat hij onjuiste redenen had opgegeven om zijn alcoholverslaving te verbloemen. Deze periodes van afwezigheid kunnen derhalve niet los worden gezien van zijn alcoholverslaving.

5.5.

De huidige periode van arbeidsongeschiktheid is begonnen op 6 juli 2015 en duidelijk is dat [verweerder] kort daarna voor meer dan twee maanden opgenomen is geweest in verslavingskliniek Mirage. Zijn ziekte en huidige (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid houden derhalve verband met zijn alcoholverslaving, waarvan hij nu binnenkort volledig hoopt te herstellen.

5.6.

Weliswaar kampt [verweerder] al geruime tijd, enige jaren, met een alcoholverslaving, maar niet is gebleken dat [verweerder] op enig moment een behandeling van die verslaving heeft tegengewerkt. Telkens indien er sprake was van een terugval heeft [verweerder] zich juist weer, ook buiten UWV om, onder behandeling laten stellen en aan die behandeling meegewerkt. Ook wat betreft zijn huidige behandeling is dat het geval. Daarbij komt nog dat een terugval telkens verband lijkt te houden met het optreden van depressieve klachten bij hem.

5.7.

De huidige stand van zaken is dat [verweerder] beperkt inzetbaar is. Volgens een recente rapportage van de bedrijfsarts van UWV van 6 april 2016 (Productie 15) luidt het advies om nog met een beperkte inzetbaarheid rekening te houden. Met een opbouwschema van momenteel 6 uur per dag en aangepast werk, met ingang van 25 april 2016 8 uur per dag met aangepast werk, zou [verweerder] per 23 mei 2016 weer volledig geschikt zijn voor zijn eigen werk.

5.8.

Als grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst voert UWV een verstoorde arbeidsverhouding aan, maar in de onderhavige procedure is naar voren gekomen dat door UWV gestelde verstoorde arbeidsverhouding uitsluitend te maken heeft met de veelvuldige afwezigheid van [verweerder] in verband met zijn verslaving en het feit dat hij bij kortdurende afwezigheid onjuiste redenen voor zijn afwezigheid heeft opgegeven. Het verzoek houdt geen verband met zijn functioneren als verzekeringsarts, omdat uit de verschillende overgelegde functioneringsgesprekverslagen blijkt dat hij als verzekeringsarts goed functioneert. Dat heeft UWV tijdens de mondelinge behandeling ook nog eens uitdrukkelijk bevestigd.

5.9.

Op basis van het voorgaande is de kantonrechter tot de overtuiging gekomen, dat het onderhavige verzoek verband houdt met de ziekte van [verweerder] .

5.10.

Op grond van de ‘reflexwerking’ van het opzegverbod tijdens ziekte (artikel 7:670 lid 1 BW), neergelegd in artikel 7:671b lid 6 aanhef en onder a. BW, dat erop neerkomt dat, indien het verzoek tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst is gegrond op artikel 7:669, lid 3, onderdelen b. tot en met h. (waaronder dus, als onderhavige ontbindingsgrond, een verstoorde arbeidsverhouding, onderdeel g.), kan de kantonrechter het verzoek (alleen) inwilligen, indien het verzoek geen verband houdt met omstandigheden, waarop het opzeggingsverbod betrekking heeft. Nu het verzoek, zoals hiervoor overwogen, wel verband houdt met de ziekte van [verweerder] staat de reflexwerking van het opzegverbod in het onderhavige geval aan het toewijzen van het verzoek in de weg en dient het verzoek derhalve te worden afgewezen.

5.11.

Voor zover UWV nog gesteld heeft dat geen opzegverbod van toepassing is, omdat de ziekte van [verweerder] reeds meer dan twee jaar duurt, passeert de kantonrechter deze stelling. Weliswaar is [verweerder] meer dan twee jaar ziek, ervan uitgaande dat zijn alcoholverslaving nooit geheel verdwenen is geweest, maar zijn arbeidsongeschiktheid is nooit meer dan twee jaar aaneengesloten geweest, zoals ook blijkt uit rechtsoverwegingen 5.3 en 5.4, en (arbeids)ongeschiktheid en niet ziekte is volgens artikel 7:670 lid 1 onder a. BW het criterium voor het buiten toepassing blijven van het opzegverbod tijdens ziekte.

5.12.

Bij deze stand van zaken kan een beoordeling van de overige stellingen en verweren van partijen buiten beschouwing blijven.

5.13.

Als in het ongelijk gestelde partij zal UWV worden veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van [verweerder] .

6 De beslissing

De kantonrechter:

- wijst het verzoek af;

- veroordeelt UWV tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verweerder] tot en met vandaag vaststelt op € 400,- als het aan de gemachtigde van [verweerder] toekomende salaris ;

- verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr C.W.D. Bom en op 21 april 2016 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.