Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:4629

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-04-2016
Datum publicatie
02-05-2016
Zaaknummer
VK-16_5676, 16_5679 en 16_5680
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel.

Russische Federatie.

Geloofwaardig relaas.

Bescherming bij hogere autoriteiten.

Algemeen ambtsbericht van 12 augustus 2015.

Beroep gegrond.

Verdergaande motiveringsplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 16/5676, 16/5679 en 16/5680

V-nummers: [nummers]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 15 april 2016 in de zaken tussen

[naam], eiseres 1,

[naam], eiser,

[naam], eiseres 2,

gezamenlijk te noemen: eisers,

gemachtigde, mr. drs. R.E.J.M. van den Toorn,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde, mr. P. van Zijl,

Procesverloop

Bij drie afzonderlijke besluiten van 21 maart 2016 (hierna: de bestreden besluiten), genomen in de zogeheten algemene asielprocedure (AA-procedure), zijn de asielaanvragen van eisers afgewezen als ongegrond.

Op 22 maart 2016 hebben eisers tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld.

De behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden op 7 april 2016. Eisers zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig S. Perfilyeva, tolk in de Russische taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres 1 heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum]. Haar kinderen stellen te zijn geboren op [geboortedatum] (eiser) en op [geboortedatum] (eiseres 2). Allen stellen de Russische nationaliteit te bezitten. Op 8 oktober 2015 hebben zij aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft bij de bestreden besluiten deze aanvragen afgewezen als ongegrond, op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

2. Eisers hebben aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag gelegd. Eisers hebben gewoond in [woonplaats], gelegen in de Russische Federatie. Eisers zijn moslims en behoren tot de stroming van de shuya of shuïty. Eisers stellen al jarenlang dagelijks discriminatie, vernedering en mishandeling te hebben ondervonden vanwege hun religie, hun uiterlijk en hun achternaam. Eiseres 1 heeft problemen ondervonden bij haar werk op de markt. Eiser en eiseres 2 zijn veelvuldig mishandeld en gepest op school. Eiser is een keer zodanig mishandeld dat hij daardoor bewusteloos raakte. Eiseres 2 is onderweg van school naar huis mishandeld door vijf medescholieren waarbij haar hoofddoek werd afgerukt en haar haar in brand werd gestoken. Voornoemde incidenten vormden de directe aanleiding voor het vertrek van eisers. Eisers hebben in de afgelopen jaren talrijke malen getracht aangifte te doen van de mishandelingen en de vernederingen, maar er is niets met hun aangiften gebeurd.

Eisers hebben geen hulp meer gezocht bij de hogere autoriteiten omdat zij dat zinloos achtten. Zij vreesden bovendien dat door het vragen van deze hulp de lagere autoriteiten zouden worden ingelicht en dat zij daarna door deze autoriteiten geconfronteerd zouden worden met intimidatie en wraakacties.

3. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit, herkomst, etniciteit en de religie van eisers geloofwaardig geacht. Ook acht verweerder de discriminatoire bejegeningen door medeburgers vanwege hun uiterlijk en hun geloof geloofwaardig. Wat eisers naar voren hebben gebracht wordt echter onvoldoende zwaarwegend geacht om hen als vluchteling te aan te merken dan wel te concluderen dat eisers een reëel risico lopen op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De discriminatie waar eisers het slachtoffer van zijn geworden, is niet zodanig ernstig dat sprake is van een maatschappelijk en sociaal onhoudbare situatie. Eiseres 1 had immers werk en haar kinderen hadden toegang tot onderwijs, medische zorg, huisvesting. Eisers kunnen bovendien de bescherming van de (hogere) autoriteiten inroepen tegen deze vorm van discriminatie. Verweerder heeft de verklaringen van eisers over hun vele pogingen om aangifte te doen en bescherming te krijgen van de autoriteiten niet geloofwaardig geacht, nu deze niet met stukken zijn onderbouwd. Dat het zinloos was om naar hogere autoriteiten te gaan met hun klachten, berust volgens verweerder op niet onderbouwde vermoedens van eisers. Verweerder heeft hierbij verwezen naar het algemeen ambtsbericht van het ministerie van Buitenlandse Zaken inzake de Russische Federatie van 12 augustus 2015 (hierna: het algemeen ambtsbericht). Daarin is vermeld dat wanneer de politie in gebreke blijft een aangifte in behandeling te nemen, personen zich kunnen wenden tot de hogere autoriteiten, de ombudsman en ngo’s. Verweerder heeft daarnaast gesteld dat eisers een vestigingsalternatief hebben elders in de Russische Federatie.

4. Eisers hebben samengevat het volgende aangevoerd:

- ten onrechte heeft verweerder de relazen van eisers niet in samenhang op zwaarwegendheid beoordeeld. Het gezin van eisers werd vele jaren met problemen geconfronteerd en het probleem van de een had een negatieve uitstraling op de situatie van de andere gezinsleden. Naar de mening van eisers is in die zin sprake van een versterkend proces dat het leven van eisers onhoudbaar maakte.

- ten onrechte wordt eisers verweten dat zij geen schriftelijke stukken hebben van hun aangiften bij de Russische politie. Verweerder heeft een verkeerde perceptie van het doen van aangifte bij de politie. Het benaderen van de hogere autoriteiten betekent dat deze autoriteiten contact zullen opnemen met de lagere autoriteiten. Dat brengt het risico met zich dat de lagere autoriteiten wraakacties uitvoeren op de klagers. Feitelijk is deze weg onbegaanbaar.

- eisers zullen zich niet in de Russische Federatie kunnen hervestigen. Eisers verwijzen hiervoor naar het ambtsbericht.

De rechtbank overweegt het volgende.

5. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 3.37c, eerste lid, van het VV 2000 kan bescherming tegen vervolging, dan wel tegen ernstige schade alleen worden geboden door:

a. de staat, of

b. partijen of organisaties, met inbegrip van internationale organisaties, die de staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen,

mits zij bereid en in staat zijn bescherming te bieden overeenkomstig het tweede lid.

Ingevolge het tweede lid moet bescherming tegen vervolging of ernstige schade doeltreffend en van niet-tijdelijke aard zijn. In het algemeen wordt dergelijke bescherming geboden wanneer de actoren als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, redelijke maatregelen tot voorkoming van vervolging of ernstige schade treffen, onder andere door de instelling van een doeltreffend juridisch systeem voor de opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing van handelingen die vervolging of ernstige schade vormen, en wanneer de verzoeker toegang tot een dergelijke bescherming heeft.

6. Ter zitting heeft verweerder zijn standpunt verlaten dat eisers onvoldoende onderbouwd hebben dat zij aangiften en aanklachten bij de lagere autoriteiten hebben gedaan over hun problemen. Hun verklaringen hierover worden alsnog geloofwaardig bevonden. Ook wordt eisers niet meer tegengeworpen dat zij zich aan de discriminatie en de daaruit voortvloeiende problemen kunnen onttrekken door zich elders in hun land van herkomst te vestigen. Verweerder heeft evenwel onder verwijzing naar het algemeen ambtsbericht zijn standpunt gehandhaafd dat eisers de bescherming kunnen inroepen van de hogere autoriteiten in hun land van herkomst.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de bestreden besluiten onvoldoende heeft gemotiveerd dat de door eisers ondervonden discriminatie onvoldoende zwaarwegend is en overweegt daartoe als volgt.

8. De rechtbank stelt vast dat verweerder de verklaringen van eisers ten aanzien van de door hen ondervonden discriminatie van de zijde van medeburgers vanwege hun uiterlijk en hun geloof geloofwaardig heeft geacht. Ook hun vergeefse pogingen om hiertegen bescherming te krijgen van de plaatselijke autoriteiten, heeft verweerder blijkens het verhandelde ter zitting alsnog geloofwaardig bevonden.

Uit de relazen van eisers volgt dat zij ondanks de discriminatie getracht hebben zich te handhaven in hun stad. Gezien de opeenstapeling van hun moeilijkheden, het ontbreken van bescherming, en vanwege de ernst van de laatste incidenten, hebben eisers uiteindelijk besloten hun land van herkomst te verlaten. Gelet op deze cumulatieve feiten en omstandigheden, kon verweerder, ter onderbouwing van zijn standpunt dat geen sprake was van een onhoudbare situatie, naar het oordeel van de rechtbank niet volstaan met de constatering eiseres 1 nog werk op de markt had, de kinderen toegang hadden tot onderwijs en eisers huisvesting hadden.

9. Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat eisers de bescherming kunnen inroepen van de hogere autoriteiten in hun land van herkomst, is het navolgende van belang.

10. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer de uitspraak van 6 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:708), volgt dat ter beantwoording van de vraag of een vreemdeling in het land van herkomst bescherming kan krijgen eerst wordt onderzocht of in het desbetreffende land in het algemeen bescherming wordt geboden. Daarbij wordt informatie over de algemene situatie in een land van herkomst, in het bijzonder uit ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties, betrokken. Eerst nadat die vraag bevestigend is beantwoord komt aan de orde de vraag of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht. Indien dat laatste niet aannemelijk is gemaakt, kan slechts het tevergeefs inroepen van de bescherming leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden.

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de bestreden besluiten ook onvoldoende gemotiveerd dat de hogere autoriteiten in de Russische Federatie in het algemeen effectieve en voldoende doeltreffende bescherming bieden. De rechtbank acht hierbij van belang dat verweerder ter zitting heeft erkend dat eisers geen bescherming van de lokale autoriteiten konden krijgen en zij bang waren zich te wenden tot de hogere autoriteiten. In een dergelijke situatie rust naar het oordeel van de rechtbank op verweerder een verdergaande onderzoeks- en motiveringsplicht ter beantwoording van de vraag of in de Russische Federatie in het algemeen door de hogere autoriteiten bescherming wordt geboden.

12. Verweerder heeft deze vraag bevestigend beantwoord en daarbij verwezen naar het algemeen ambtsbericht waarin vermeld wordt dat in de Russische Federatie ngo’s werkzaam zijn op het gebied van mensenrechtenschendingen waartoe eisers zich zouden kunnen wenden. Verweerder heeft voorts verwezen naar paragraaf 3.2.1 (p. 22) van het algemeen ambtsbericht, waarin het volgende is vermeld:

“Indien de politie in gebreke blijft, kunnen personen zich wenden tot een autoriteit hoger dan die waartegen de klacht is gericht (bijvoorbeeld een hogere politieambtenaar), de ombudsman (lokaal en federaal), een rechtbank of openbare aanklagers. Als alle binnenlandse rechtsmiddelen zijn uitgeput (of indien het een schrijnende mensenrechtenschending betreft) kan men zich ook wenden tot het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg.”

13. De rechtbank stelt evenwel vast dat in voornoemde paragraaf tevens het volgende wordt vermeld:

“Het is niet bekend in welke mate het zoeken van hulp bij andere instanties tot succes leidt. Hoewel het mogelijk is de autoriteiten aan te klagen wegens mensenrechtenschendingen werken de daarvoor ingerichte mechanismen niet altijd.” (p. 22)

De rechtbank stelt voorts vast dat in het ambtsbericht over de rol van ngo’s en van de ombudsman is vermeld:

“Echter, in de verslagperiode is het klimaat voor ngo’s verslechterd, met name vanwege de verscherpte wetgeving voor ngo’s (zie ook 3.1.9). Het komt voor dat (juridische)hulp-verlening door ngo’s aan slachtoffers van mensenrechtenschendingen ook als politieke activiteit wordt gezien door (lokale) autoriteiten. Niet alleen de verscherpte wetgeving belemmert ngo’s in het uitoefenen van hun taak. Ook andere administratieve en strafrechtelijke instrumenten worden daarvoor ingezet. Zo komt het geregeld voor dat huurcontracten tussentijds door de verhuurder worden opgezegd zoals bij Golos en de ‘Movement for Human Rights’ “ (p. 23)

“Volgens een bron is de effectiviteit van de ombudsman niet groot aangezien hij alleen bevoegdheid heeft tot het doen van aanbevelingen” (p. 24). “Tijdens de verslagperiode hadden de meeste deelregio’s inderdaad een ombudsman. Niet elke ombudsman was even doeltreffend. Lokale autoriteiten zouden de onafhankelijkheid vaak ondermijnen” (p. 25).

14. De rechtbank leidt uit de hiervoor onder 13 opgenomen passages af dat vraagtekens geplaatst kunnen worden bij de doeltreffendheid van de door de hogere instanties geboden bescherming. Gelet hierop kon verweerder, ter onderbouwing van zijn standpunt dat eisers de bescherming van de hogere autoriteiten kunnen inroepen, naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet volstaan door slechts te verwijzen naar de onder rechtsoverweging 12 opgenomen passage in het algemeen ambtsbericht. Verweerder heeft immers hiermee niet voldaan aan de op hem in dit geval rustende verdergaande onderzoeks- en motiveringsplicht.

15. De beroepen zijn daarom gegrond en de bestreden besluiten worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

16. In dit geval is er aanleiding verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte kosten. Er is sprake van samenhangende zaken in de zin artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Deze kosten worden op voet van dit Besluit daarom vastgesteld op € 992, in verband met de beroepen (1 punt) en het verschijnen ter zitting (1 punt) met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart de beroepen gegrond;

-vernietigt de bestreden besluiten;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 992 (negenhonderdtweeënnegentig) te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in tegenwoordigheid van mr. W. Evenhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2016.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.