Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:4590

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-04-2016
Datum publicatie
12-05-2016
Zaaknummer
C/09/492807 / FA RK 15-5614
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

primair verzoek en artikel 1:426 BW afgewezen; subsidiair verzoek ex artikel 1:413 BW, tussenbeschikking voor oproep vermiste

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/278
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 15-5614

Zaaknummer: C/09/492807

Datum beschikking: 20 april 2016

Vaststellen overlijden/Verklaring rechtsvermoeden van overlijden

Beschikking op het op 16 juli 2015 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster]

verzoekster,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. J.T. Schlepers te Stadskanaal.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- de brief d.d. 15 september 2015, met bijlagen, van de zijde van verzoekster;

- de schriftelijke conclusie van de officier van justitie d.d. 29 oktober 2015 die strekt tot inwilliging van het verzochte.

Op 21 maart 2016 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld door

mr. O.F. Bouwman, rechter-commissaris. Hierbij is verschenen: verzoekster met haar advocaat. Ter terechtzitting is het verzoek aangevuld.

Verzoek

Het verzoek -zoals dat thans luidt- strekt ertoe dat:

primair: de rechtbank zal verklaren dat [de vermiste] (hierna: de vermiste), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , gewoond hebbende te [plaats] , op [datum] om 03.00 uur te [plaats] is overleden;

subsidiair: de rechtbank verzoekster gelast de vermiste voornoemd op te roepen teneinde van haar in leven zijn te doen blijken, en dat de rechtbank, zo hiervan niet blijkt, zal verklaren dat er rechtsvermoeden van overlijden van de vermiste bestaat.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De rechtbank is op grond van artikel 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bevoegd van de voorliggende verzoeken kennis te nemen en past bij gebrek aan nadere conflictregels het Nederlandse recht toe.

Bevoegdheid rechtbank

Op grond van artikel 267 Rv is deze rechtbank bevoegd ten aanzien van de vaststelling van overlijden. De rechtbank Den Haag acht zich, nu verzoekster het subsidiaire verzoek aanvullend mondeling ter terechtzitting heeft gedaan en daarbij niet heeft aangegeven ten aanzien van het subsidiaire verzoek verwijzing te wensen, bij afwijzing van het primaire verzoek, relatief bevoegd om te beslissen op het subsidiair gedane verzoek.

Inhoudelijke beoordeling

Nu beide ouders van de vermiste zijn overleden en wijlen de echtgenoot van verzoekster, als broer van de moeder van [de vermiste] , destijds (1992) tot voogd over de vermiste was benoemd, merkt de rechtbank verzoekster als rechtstreeks belanghebbende aan bij de indiening van het verzoek.

Ter onderbouwing van het verzoek is door verzoekster het volgende aangevoerd:

- de vermiste is na het overlijden van haar beide ouders in het pleeggezin van de familie [naam] te [plaats] geplaatst;

- in de nacht van 14 op 15 januari 1992 is vermiste verdwenen;

- in 1992 zijn door de Rijkspolitie in verband met de vermissing diverse personen ondervraagd en is een buurtonderzoek uitgevoerd, zulks zonder resultaat;

- in 1997, 2003 en 2005 is het politieonderzoek naar de vermiste steeds heropend en zonder resultaat weer gesloten;

- in 2009 is het politieonderzoek naar de vermiste nog eens heropend, waarna in 2010 de pleegmoeder van de vermiste en haar zoon zijn aangehouden en in verzekering gesteld op verdenking van moord c.q. gekwalificeerde doodslag en uiteindelijk (in 2011) in verband met onvoldoende verkregen bewijs een kennisgeving van niet verdere vervolging ten aanzien van beide personen is afgegeven;

- verzoekster heeft op 27 februari 2012 een klacht ingediend bij het gerechtshof Leeuwarden tegen de kennisgevingen van niet verdere vervolging van de pleegmoeder van de vermiste en haar zoon, omdat zij van mening is dat tijdens het politieonderzoek voldoende aanknopingspunten zijn gevonden om tot vervolging van deze personen over te gaan;

- teneinde het lichaam van de vermiste te vinden heeft verzoekster zich gedurende de voorbije 23 jaren gewend tot diverse privé detectives, paranormaal begaafden, en de media en heeft zij (na 2010) getracht om de vervolging tegen de twee hiervoor vermelde verdachte personen te hervatten, echter zonder resultaat.

Verzoekster heeft aangevoerd dat, alle omstandigheden in aanmerking genomen, het overlijden van vermiste als zeker kan worden beschouwd, immers na 23 jaar vermist te zijn mag worden aangenomen dat vermiste niet meer in leven is. Verzoekster stelt belang te hebben bij toewijzing van het verzoek, zodat de gevolgen van de vermissing niet na haar overlijden op de schouders van haar kinderen komen te rusten.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het primaire verzoek als volgt.

Ingevolge artikel 1:426 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan, indien het lichaam van een vermist persoon niet is kunnen worden teruggevonden doch, alle omstandigheden in aanmerking genomen, zijn overlijden als zeker kan worden beschouwd, de rechtbank op verzoek van het openbaar ministerie of van iedere belanghebbende verklaren dat die persoon is overleden, indien (A) de vermissing heeft plaatsgevonden in Nederland, (B) de vermissing heeft plaatsgevonden tijdens een reis met een in Nederland thuisbehorend schip of luchtvaartuig, (C) de vermiste Nederlander was of (D) de vermiste zijn woon- of verblijfplaats had in Nederland.

Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de klacht van verzoekster ter zake van het uitblijven van een strafvervolging tegen de pleegmoeder van de vermiste en haar zoon door het Gerechtshof te Leeuwarden bij beschikking van 20 december 2012 is afgewezen. De rechtbank stelt vast dat sinds de verdwijning van de vermiste in de nacht van 14 op 15 januari 1992 ieder spoor van haar ontbreekt en niets meer van haar vernomen is. Alhoewel dit het vermoeden rechtvaardigt dat de vermiste niet langer in leven is, is de rechtbank van oordeel dat op grond van het vorenstaande niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat het overlijden van de vermiste, als zeker kan worden beschouwd. Gelet hierop zal de rechtbank het primaire verzoek dan ook afwijzen.

Ten aanzien van het subsidiaire verzoek geldt dat op grond van artikel 1:413 BW in het geval het bestaan van een persoon onzeker is en een tijdruimte van vijf jaren sinds het vertrek van die persoon of de laatste tijding van zijn leven is verstreken, de rechtbank kan worden verzocht belanghebbenden te gelasten de vermiste op te roepen ten einde van zijn in leven zijn toe doen blijken, en dat de rechtbank, zo daarvan niet blijkt, zal verklaren dat er rechtsvermoeden van overlijden van de vermiste bestaat.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat het bestaan van de vermiste onzeker is. De wettelijke termijn van vijf jaren sinds de laatste tijding van leven van de vermiste is reeds geruime tijd verstreken.

Gelet op het vorenoverwogene is het subsidiaire verzoek op de wet gegrond en

– vooralsnog, in afwachting van het resultaat van de wettelijk voorgeschreven oproeping van de vermiste – voor toewijzing vatbaar.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af hetgeen primair is verzocht;

beveelt verzoekster de vermiste bij advertentie op te roepen met inachtneming van een termijn van een maand om te verschijnen ter terechtzitting van deze rechtbank van

30 mei 2016 te 09.20 uur, teneinde van haar in leven zijn te doen blijken;

bepaalt dat de advertenties volgens aangehecht model tijdig zullen worden geplaatst in een in Nederland landelijk verschijnend dagblad en in de Nederlandse Staatscourant en dat verzoekster tot bewijs van de oproepingen een exemplaar van voormeld dagblad en van de Nederlandse Staatscourant waarin de vermiste is opgeroepen, zal dienen over te leggen tegen het tijdstip van de nadere terechtzitting.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M. Vink, J.C. Sluymer en O.F. Bouwman, bijgestaan door V. van den Hoed-Koreneef als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

20 april 2016.

Oproep

De rechtbank te 's-Gravenhage heeft de oproeping bevolen van de vermiste:

naam: [de vermiste] ,

geboren: [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

laatst bekend adres: [plaats] ,

ter terechtzitting van deze rechtbank, op: 30 mei 2016 te 09.20 uur,

in verband met een ingediend verzoekschrift tot het verkrijgen van een verklaring dat er rechtsvermoeden van overlijden van de vermiste bestaat.

Voor inlichtingen: mr. J.T. Schlepers te Stadskanaal.