Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:4581

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
03-06-2016
Zaaknummer
09/755001-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte is veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en een taakstraf van 240 uur voor PGB-fraude (valsheid in geschrift), verduistering en witwassen. Gedeeltelijke OVAR voor witwassen t.a.v. enkele voorhanden hebben van gelden uit eigen misdrijf. Beroep op psychische overmacht verworpen. Bewijsoverweging m.b.t. rol van de medeverdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/755001-10

Datum uitspraak: 26 april 2016

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte ] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Marokko),

BRP-adres: [adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 11 en 12 april 2016.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. Mol en van hetgeen door de raadsvrouwen van de verdachte, mrs. L.E.G. van der Hut en C.W. Noorduyn, advocaten te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1

zij op één of meer tijdstippen gelegen in de periode van 1 januari 2008 t/m 31 december 2009 te Leiden en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) zich opzettelijk één of meer geldbedrag(en), te weten

A. euro 11.010,- (zaaksdossier PGB-6 [cliënt 1] ) en/of

B. euro 9.923,- (zaaksdossier PGB-7 [cliënt 2] ) en/of

C. euro 11.153,- (zaaksdossier PGB-13 [cliënt 3] ),

die/dat geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [cliënt 1] en/of [cliënt 2] en/of [cliënt 3] , in ieder geval aan (een) ander(en) dan aan haar/hen verdachte(n), en welk(e) geldbedrag(en) verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) anders dan door misdrijf, te weten als gemachtigde en/of beheerder en/of

zorgverlener en/of bemiddelaar en/of declarant onder zich had(den), (telkens) wederrechtelijk heeft/hebben toegeëigend;

Feit 2

zij op één of meer tijdstippen gelegen in de periode van 1 januari 2008 t/m 31 december 2009 te Leiden en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk (een) urenregistratieformulier(en) (urenstaten) en/of (een) declaratieformulier(en) en/of (een) factu(u)r(en) en/of (een) kwitantie(s) en/of (een) verantwoordingsformulieren en/of een (digitaal) overzicht Urenverantwoording en/of een Overeenkomst Vrijwilligerswerk

waaronder (ondermeer)

A. (zaaksdossier PGB-5 [cliënt 4] )

- een declaratieformulier betreffende de maand december 2008 (p.3539-3540) en/of

- een factuur betreffende de maand december 2008 (p.3488) en/of

- een (digitaal) overzicht urenverantwoording (p.93 t/m 112)

en/of

B. (zaaksdossier PGB-6 [cliënt 1] )

- meerdere, althans één of meer urenregistratieformulier(en) betreffende de

periode juli 2008 tot en met mei 2009 (p.3819 t/m 3837) en/of

- meerdere, althans één of meer factu(u)r(en) betreffende de periode mei 2008

t/m mei 2009 (p.3710 t/m 3722) en/of

- meerdere, althans één of meer kwitantie(s)/kasbewij(s/zen) betreffende de

periode 17 juni 2008 tot en met 3 januari 2009 (p.3761 t/m 3768) en/of

- een (digitaal) overzicht urenverantwoording (p.93 t/m 112)

en/of

C. (zaaksdossier PGB-7 [cliënt 2] )

- een urenregistratieformulier betreffende de periode december 2008 (p.4002) en/of

- een factuur betreffende de maand december 2008 (p.4027) en/of

- meerdere, althans één of meer kwitantie(s)/kasbewij(s/zen), gedateerd

1 oktober 2008, 25 oktober 2008 en/of 31 december 2008 (p.4036 t/m 4038) en/of

- een (digitaal) overzicht urenverantwoording (p.93 t/m 112)

D. (zaaksdossier PGB-8 [cliënt 5] )

- een verantwoordingformulier betreffende de periode juli t/m december 2009

en/of 10 juli t/m 31 december 2008 (p.4310)

en/of

E. (zaaksdossier PGB-10 [cliënt 6] )

- meerdere, althans één of meer, declaratieformulier(en) betreffende de

maanden juli 2008 t/m december 2008 (p.4404 t/m 4415) en/of

- meerdere, althans een of meer, factu(u)r(en) betreffende de periode 17 juli

2008 t/m 31 december 2008 (p.4397 t/m 4403) en/of

- een kwitantie/kasbewijs (gedateerd op 23 augustus 2008) (p.4443) en/of

- een (digitaal) overzicht urenverantwoording (p.93 t/m 112)

en/of

F. (zaaksdossier PGB-11 [cliënt 7] )

- meerdere, althans één of meer urenregistratieformulier(en) betreffende de

periode februari 2009 tot en met juni 2009 (p.4582 t/m 4624) en/of

- meerdere, althans één of meer verantwoordingformulier(en) betreffende de

periode 1 januari 2009 tot en met 30 juni 2009 (p.4658 en 4660) en/of

- meerdere, althans één of meer kwitantie(s)/kasbewij(s/zen) gedateerd 14 juli

2008 en/of 28 juli 2008 en/of 5 augustus 2008 (p.4689 t/m 4691) en/of

- een (digitaal) overzicht urenverantwoording (p.93 t/m 112)

en/of

G. (zaaksdossier PGB-13 [cliënt 3] )

- meerdere, althans één of meer urenregistratieformulier(en) betreffende de

periode juli 2008 t/m april 2009 (p.5024 t/m p.5033) en/of

- een (digitaal) overzicht urenverantwoording (p.93 t/m 112

en/of

H. (zaaksdossier PGB-15 [cliënt 8] )

- een declaratieformulier betreffende de maand april 2009 (p.5077 t/m 5078) en/of

- een factuur betreffende de maand april 2009 (p.5083) en/of

- een (digitaal) overzicht urenverantwoording (p.93 t/m 112) en/of

en/of

I. een overeenkomst vrijwilligerswerk, gesloten tussen [bedrijf] , althans tussen verdachte [verdachte ] en [getuige 2] (p.299),

zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of vervalst en/of valselijk heeft/hebben doen en/of laten opmaken en/of doen en/of laten vervalsen door (een) ander(en), immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s) (telkens) valselijk in strijd met de waarheid, -zakelijk weergegeven-

met betrekking tot cliënt(en) [cliënt 1] (zaaksdossier PGB-6) en/of [cliënt 2] (zaaksdossier PGB-7) en/of [cliënt 7] (zaaksdossier PGB-11) en/of [cliënt 3] (zaaksdossier PGB-13)

- ( op) voornoemd(e) urenregistratieformulier(en) (urenstaten)

* (zorg)uren verantwoord en/of laten verantwoorden, terwijl deze (zorg)uren

in zijn geheel niet hebben plaatsgevonden en/of zijn verleend en/of

* meer (uren aan) zorg aangegeven dan er daadwerkelijk waren verleend en/of

* ingevuld (met een daarop vooraf geplaatste en/of gekopieerde handtekening)

als ware die/dat formulier(en) na invullen voor akkoord zijn/is getekend,

danwel daarop een (valse) handtekening geplaatst en/of laten plaatsen en/of

* ingevuld (met een daarop vooraf geplaatste en/of gekopieerde handtekening)

als ware die/dat formulier(en) na invullen voor akkoord zijn/is getekend,

danwel daarop een (valse) handtekening geplaatst en/of laten plaatsen

en/of

met betrekking tot de cliënt(en) [cliënt 4] (zaaksdossier PGB-5) en/of [cliënt 6] (zaaksdossier PGB-10) en/of [cliënt 8] (zaaksdossier PGB-15)

- op voornoemd(e) declaratieformulier(en)

* (zorg)uren en/of geldbedrag(en) gedeclareerd en/of laten declareren,

terwijl deze (zorg)uren in zijn geheel niet hebben plaatsgevonden en/of

zijn verleend en/of

* meer (uren aan) zorg gedeclareerd dan er daadwerkelijk was/waren verleend

en/of

* de naam van een of meer zorgverlener(s) ingevuld, terwijl die zorgverlener

de daarbij beschreven zorg / zorguren niet of niet in het geheel heeft

uitgevoerd en/of

* (valse) handtekening(en) geplaatst en/of laten plaatsen

en/of

met betrekking tot de cliënten [cliënt 4] (zaaksdossier PGB-5) en/of [cliënt 1] (zaaksdossier PGB-6) en/of [cliënt 2] (zaaksdossier PGB-7) en/of [cliënt 6] (zaaksdossier PGB-10) en/of [cliënt 8] (zaaksdossier PGB-15)

- op voornoemde factu(u)r(en)

* een (hoger) aantal uren aan verleende zorg en/of een onjuist(e) (te hoog)

uurtarief/geldbedrag(en) vermeld en/of laten vermelden dan waarop zij,

verdachte en/of haar mededader(s) recht had(den), danwel dat daadwerkelijk

aan aantal uren zorg aan die [cliënt 4] en/of [cliënt 1] en/of [cliënt 2]

en/of [cliënt 6] en/of [cliënt 8] was verleend

en/of

met betrekking tot de cliënt(en) [cliënt 1] (zaaksdossier PGB-6) en/of [cliënt 2] (zaaksdossier PGB-7) en/of [cliënt 6] (zaaksdossier PGB-10) en/of [cliënt 7] (zaaksdossier PGB-11)

- op voornoemde kwitantie(s)/kasbewijs(zen)

* vermeld en/of laten vermelden dat er een of meer geldbedrag(en) contant

door verdachte was/waren ontvangen voor geleverde zorg(uren), terwijl in

het geheel geen contant(e) bedrag(en) door verdachte en/of haar

mededader(s) was/waren ontvangen, althans (een) lager(e) contante

geldbedrag(en) door verdachte was/waren ontvangen

en/of

met betrekking tot de cliënt(en) [cliënt 5] (zaaksdossier PGB-8) en/of [cliënt 7] (zaaksdossier PGB-11)

- op voornoemde verantwoordingformulier(en)

* een (valse) handtekening geplaatst en/of laten plaatsen en/of

* zorg verantwoord en/of laten verantwoorden, terwijl deze zorg in zijn

geheel niet heeft plaatsgevonden en/of is verleend en/of meer zorg

aangegeven dan er daadwerkelijk was verleend

en/of

met betrekking tot cliënt(en) [cliënt 4] (zaaksdossier PGB-5) en/of [cliënt 1] (zaaksdossier PGB-6) en/of [cliënt 2] (zaaksdossier PGB-7) en/of [cliënt 6] (zaaksdosser PGB-10) en/of [cliënt 7] (zaaksdossier PGB-11) en/of [cliënt 3] (zaaksdossier PGB-13) en/of [cliënt 8] (zaaksdossier PGB-15)

- op voornoemd (digitaal) overzicht urenverantwoording

* (zorg)uren en/of (zorg)tarieven verantwoord en/of laten verantwoorden,

terwijl geen zorg was verleend en/of

* meer (zorg)uren aangegeven dan er daadwerkelijk was/waren verleend en/of

* een of meer zorgverlener(s)/personen en/of namen van zorgverlener(s)

vermeld met daarbij beschreven de hoeveelheid door die

zorgvelener(s)/personen uren verleende zorg, terwijl die genoemde

zorgverlener(s) en/of personen in het geheel geen, althans minder uren

zorg heeft/hebben verleend

en/of

in voornoemde overeenkomst vrijwilligerswerk meermalen, althans eenmaal, het jaartal 2009 heeft veranderd in 2008,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of (door anderen) doen gebruiken;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij, op één of meer tijdstippen gelegen in de periode van 1 januari 2008 t/m 31 december 2009 te Leiden en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt, althans gebruik heeft doen of laten maken van het/de hierna te noemen geschrift(en) als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst en/of (telkens) opzettelijk het/de hierna te noemen geschrift(en) heeft/hebben afgeleverd, althans doen of laten afleveren en/of voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als echt en onvervalst,

te weten

A.(Zaaksdossier PGB-5 [cliënt 4] )

- een declaratieformulier betreffende de maand december 2008 (p.3539-3540) en/of

- een factuur betreffende de maand december 2008 en/of

- een (digitaal) overzicht urenverantwoording (p.93 t/m 112)

en/of

B.(zaaksdossier PGB-6 [cliënt 1] )

- meerdere, althans één of meer urenregistratieformulier(en) betreffende de

periode juli 2008 tot en met mei 2009 (p.3819 t/m 3837) en/of

- meerdere, althans een of meer factu(u)r(en) betreffen de periode mei 2008

t/m mei 2009 (p.3710 t/m 3722) en/of

- meerdere, althans één of meer kwitantie(s)/kasbewij(s/zen) betreffende de

periode 17 juni 2008 tot en met 3 januari 2009 (p.3761 t/m 3768)

- een (digitaal) overzicht urenverantwoording (p.93 t/m 112)

en/of

C.(zaaksdossier PGB-7 [cliënt 2] )

- een urenregistratieformulier betreffende de periode december 2008 (p.4002)

en/of

- een factuur betreffende de maand december 2008 (p.4027) en/of

- meerdere, althans één of meer kwitantie(s)/kasbewij(s/zen), gedateerd

1 oktober 2008, 25 oktober 2008 en/of 31 december 2008 (p.4036 t/m 4038)

en/of

- een (digitaal) overzicht urenverantwoording (p.93 t/m 112)

en/of

D.(zaaksdossier PGB-8 [cliënt 5] )

- een verantwoordingformulier betreffende de periode juli t/m december 2009

en/of 10 juli t/m 31 december 2008 (p.4310)

en/of

E. (zaaksdossier PGB-10 [cliënt 6] )

- meerdere, althans een of meer, declaratieformulier(en) betreffende de

maanden juli 2008 t/m december 2008 (p.4404 t/m 4415) en/of

- meerdere, althans een of meer, factu(u)r(en) betreffende de periode 17 juli

2008 t/m 31 december 2008 (p.4397 t/m 4403) en/of

- één kwitantie/kasbewijs (gedateerd 23 augustus 2008) (p.4443) en/of

- een (digitaal) overzicht urenverantwoording (p.93 t/m 112)

en/of

F. (zaaksdossier PGB-11 [cliënt 7] )

- meerdere, althans één of meer urenregistratieformulier(en) betreffende de

periode februari 2009 tot en met juni 2009 (p.4582 t/m 4624) en/of

- meerdere, althans één of meer verantwoordingformulier(en) betreffende de

periode 1 januari 2009 tot en met 30 juni 2009 (p.4658 en 4660) en/of

- meerdere, althans één of meer kwitantie(s)/kasbewij(s/zen) gedateerd 14 juli

2008 en/of 28 juli 2008 en/of 5 augustus 2008 (p.4689 t/m 4691) en/of

- een (digitaal) overzicht urenverantwoording (p.93 t/m 112)

en/of

G. (zaaksdossier PGB-13 [cliënt 3] )

- meerdere, althans één of meer urenregistratieformulier(en) betreffende de

periode juli 2008 t/m april 2009 (p.5024 t/m p.5033) en/of

- een (digitaal) overzicht urenverantwoording (p.93 t/m 112)

en/of

H. (zaaksdossier PGB-15 [cliënt 8] )

- een declaratieformulier betreffende de maand april 2009 (p.5077 t/m 5078) en/of

- een factuur betreffende de maand april 2009 en/of

- een (digitaal) overzicht urenverantwoording (p.93 t/m 112) en/of

en/of

I. een overeenkomst vrijwilligerswerk, gesloten tussen [bedrijf] , althans tussen verdachte [verdachte ] en [getuige 2] (p.299),

zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat:

met betrekking tot cliënt(en) [cliënt 1] (zaaksdossier PGB-6) en/of [cliënt 2] (zaaksdossier PGB-7) en/of [cliënt 7] (zaaksdossier PGB-11) en/of [cliënt 3] (zaaksdossier PGB-13)

- ( op) voornoemd(e) urenregistratieformulier(en) (urenstaten)

* (zorg)uren is/zijn verantwoord en/of laten verantwoorden, terwijl

deze (zorg)uren in zijn geheel niet hebben plaatsgevonden en/of zijn

verleend en/of

* meer (uren aan) zorg is/zijn aangegeven dan er daadwerkelijk waren

verleend en/of

* is/zijn ingevuld (met een daarop vooraf geplaatste en/of

gekopieerde handtekening) als ware dit formulier na invullen voor akkoord

zijn/is getekend, danwel daarop een (valse) handtekening geplaatst en/of

laten plaatsen en/of

* is/zijn ingevuld (met een daarop vooraf geplaatste en/of gekopieerde

handtekening) als ware dit formulier na invullen voor akkoord zijn/is

getekend, danwel daarop een (valse) handtekening geplaatst en/of laten

plaatsen

en/of

met betrekking tot de cliënt(en) [cliënt 4] (zaaksdossier PGB-5) en/of [cliënt 6] (zaaksdossier PGB-10) en/of [cliënt 8] (zaaksdossier PGB-15)

- op voornoemd(e) declaratieformulier(en)

* (zorg)uren en/of geldbedrag(en) is/zijn gedeclareerd, terwijl deze

(zorg)uren in zijn geheel niet hebben plaatsgevonden en/of zijn verleend

en/of

* meer (uren aan) zorg is/zijn gedeclareerd dan er daadwerkelijk was/waren

verleend en/of

* de naam van een of meer zorgverlener(s) is/zijn ingevuld, terwijl die

zorgverlener de daarbij beschreven zorg / zorguren niet of niet in het

geheel heeft uitgevoerd en/of

* (valse) handtekening(en)is/zijn geplaatst

en/of

met betrekking tot de cliënten [cliënt 4] (zaaksdossier PGB-5) en/of [cliënt 1] (zaaksdossier PGB-6) en/of [cliënt 2] (zaaksdossier PGB-7) en/of [cliënt 6] (zaaksdossier PGB-10) en/of [cliënt 8] (zaaksdossier PGB-15)

- op voornoemde factu(u)r(en)

* een (hoger) aantal uren aan verleende zorg en/of een onjuist(e) (te hoog)

uurtarief/geldbedrag(en) is/zijn vermeld dan waarop zij, verdachte en/of

haar mededader(s) recht had(den), danwel dat daadwerkelijk aan aantal uren

zorg aan die [cliënt 4] en/of [cliënt 1] en/of [cliënt 2] en/of [cliënt 6]

en/of [cliënt 8] was verleend

en/of

met betrekking tot de cliënt(en) [cliënt 1] (zaaksdossier PGB-6) en/of [cliënt 2] (zaaksdossier PGB-7) en/of [cliënt 6] (zaaksdossier PGB-10) en/of [cliënt 7] (zaaksdossier PGB-11)

- op voornoemde kwitantie(s)/kasbewijs(zen)

* is vermeld dat er een of meer geldbedrag(en) contant door verdachte

was/waren ontvangen voor geleverde zorg(uren), terwijl in het geheel geen

contant(e) bedrag(en) door verdachte en/of haar mededader(s) was/waren

ontvangen, althans (een) lager(e) contante geldbedrag(en) door verdachte

was/waren ontvangen

en/of

met betrekking tot de cliënt(en) [cliënt 5] (zaaksdossier PGB-8) en/of [cliënt 7] (zaaksdossier PGB-11)

- op voornoemde verantwoordingformulier(en)

* een (valse) handtekening is geplaatst en/of

* zorg is verantwoord, terwijl deze zorg in zijn geheel niet heeft

plaatsgevonden en/of is verleend en/of meer zorg aangegeven dan er

daadwerkelijk was verleend

en/of

met betrekking tot cliënt(en) [cliënt 4] (zaaksdossier PGB-5) en/of [cliënt 1] (zaaksdossier PGB-6) en/of [cliënt 2] (zaaksdossier PGB-7) en/of [cliënt 6] (zaaksdosser PGB-10) en/of [cliënt 7] (zaaksdossier PGB-11) en/of [cliënt 3] (zaaksdossier PGB-13) en/of [cliënt 8] (zaaksdossier PGB-15)

- op voornoemd (digitaal) overzicht Urenverantwoording

* (zorg)uren en/of (zorg)tarieven is/zijn verantwoord en/of terwijl geen

zorg was verleend en/of

* meer (zorg)uren is/zijn aangegeven dan er daadwerkelijk was/waren verleend

en/of

* een of meer zorgverlener(s)/personen en/of namen van zorgverlener(s)

is/zijn vermeld met daarbij beschreven de hoeveelheid door die

zorgvelener(s)/personen uren verleende zorg, terwijl die genoemde

zorgverlener(s) en/of personen in het geheel geen, althans minder uren

zorg heeft/hebben verleend

en/of

in voornoemde overeenkomst vrijwilligerswerk is meermalen, althans eenmaal, het jaartal 2009 veranderd in 2008,

bestaande dat opzettelijk gebruik maken, althans gebruik doen of laten maken en/of dat opzettelijk voorhanden hebben en/of dat opzettelijk afleveren, althans doen of laten afleveren, hieruit dat zij, verdachte, en/of haar

mededader(s) (telkens) opzettelijk voornoemd(e) geschrift(en) heeft/hebben overhandigd en/of opgestuurd en/of ingezonden, althans laten overhandigen en/of opsturen en/of inzenden aan Onderlinge Waarborgmaatschappij Zorg en Zekerheid u.a. althans aan een derde, teneinde de aan de bovengenoemde

PGB-houders toekomende PGB-uitkeringen te ontvangen en/of de reeds aan die PGB-houders toegekende PGB-uitkeringen te verantwoorden, en/of voornoemd(e) geschrift(en) opgenomen in haar administratie en/of de administratie van [bedrijf] ;

Feit 3

zij op één of meer tijdstippen gelegen in de periode van 1 januari 2008 t/m 7 mei 2010 te Leiden en/of elders in Nederland en/of Marokko, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal zich (telkens)

schuldig heeft gemaakt aan het plegen van witwassen,

immers heeft/hebben zij, verdachte en/of haar mededader(s)

meermalen/eenmaal (telkens) een of meer geldbedrag(en) bestaande (onder meer) uit:

- een of meer geldbedragen van in totaal ongeveer 52.736,- euro (bijlage 4 van het ontnemingsdossier) en/of

- een of meer geldbedragen van in totaal ongeveer 70.269,- euro (bijlage 4 van het ontnemingdossier) en/of

- een of meer geldbedragen van in totaal ongeveer 18.250,- euro (bijlage 1 van het witwasdossier) en/of

- een of meer geldbedragen van in totaal ongeveer 26.500,- euro (bijlage 2 van het witwasdossier) en/of

- een of meer geldbedragen van in totaal ongeveer 13.800,- euro (160.000 Marokkaanse Dirhams) (bijlage 4 van het witwasdossier) en/of

- een of meer geldbedragen van in totaal ongeveer 12.800,- euro (150.022 Marokkaanse Dirhams) (bijlage 4 van het witwasdossier) en/of

- een of meer geldbedragen van in totaal ongeveer 9.850,- euro (bijlage 5 van het witwasdossier),

verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van (een van) die geldbedragen en/of goederen gebruik gemaakt,

terwijl zij, verdachte, en/of die ander(en) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs hadden moeten vermoeden, dat het (een) - onmiddellijk of middellijk - van misdrijf afkomstig(e) voorwerp(en) betrof(fen).

3 Voorvragen

3.1

Nietigheid van de dagvaarding

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van het digitaal overzicht urenverantwoording (pagina 93-112 van het dossier), dat bij alle PGB-houders behalve mevrouw [cliënt 5] onder feit 2 op de tenlastelegging staat, nietig moet worden verklaard, omdat dit onderdeel van de tenlastelegging niet voldoet aan de eisen als gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Volgens de verdediging is dit overzicht te weinig specifiek om - zelfs met behulp van de onderliggende zaakdossiers - daar een concrete verdenking uit af te leiden.

De rechtbank verwerpt dit verweer. In de tenlastelegging is op pagina 5 vermeld waarin de valsheid van genoemd overzicht zou bestaan en bij welke PGB-houders dit speelt. Kort samengevat gaat het dan om een onjuist aantal uren zorg en/of de vermelding van onjuiste zorgverleners. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de dagvaarding op dit onderdeel, in samenhang met het onderliggende dossier bezien, voldoende feitelijk en voldoende duidelijk is, zodat verdachte wist tegen welke beschuldigingen zij zich moest verweren. De dagvaarding voldoet daarmee aan de eisen gesteld in artikel 261 Sv en is derhalve geldig.

3.2

Overige voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding ook voor het overige geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding 1


Verdachte heeft in de periode 2008-2010 een bedrijf gehad, geheten [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ). Dit bedrijf was werkzaam in de zorg voor ouderen en gehandicapten en leverde vanaf 26 maart 2008 zorg aan diverse klanten met een persoonsgebonden budget. In de tenlastegelegde periode was [bedrijf] gevestigd aan de [adres 2] te Leiden2 en de [adres 3] te Leiden.34

Het persoonsgebonden budget (PGB) is een tegemoetkoming in de (on)kosten die voortvloeien uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Elke ingezetene in Nederland die door ziekte, ouderdom of handicap zorg nodig heeft komt via de AWBZ in aanmerking voor een PGB. Met een PGB krijgt de aanvrager een bepaalde hoeveelheid geld, waarmee hij of zij zelf zorg inkoopt en nadien de besteding van het budget verantwoordt aan het Zorgkantoor in zijn of haar regio.

Bij een reguliere controle van Zorgkantoor Zuid-Holland Noord/Amstelland en de Meerlanden (hierna: het Zorgkantoor) zijn onregelmatigheden geconstateerd bij de urenverantwoording van drie PGB-houders die klant waren bij het bedrijf van verdachte, alle drie naaste familieleden van verdachte. Naast de onregelmatigheden bij de drie familieleden zijn er bij het Zorgkantoor ook twee meldingen binnengekomen van PGB-houders die bij de verdachte zorg hadden ingekocht. Deze zorg was naar mening van deze PGB-houders niet geleverd of schoot kwalitatief te kort. De onregelmatigheden bij de drie familieleden en de twee klachten waren voor het Zorgkantoor aanleiding een onderzoek te starten naar negentien andere verzekerden van wie bekend was dat zij hun zorg vanaf 2008 bij de verdachte hadden ingekocht.5 Op 7 juli 2009 zijn bij de verdachte alle stukken opgevraagd die betrekking hadden op de ingekochte zorg. Zij heeft vervolgens, deels via een door haar ingeschakelde boekhouder, de heer [getuige 1] , urenstaten, facturen, betaalbewijzen, papieren en digitale overzichten van geleverde zorg en diverse overeenkomsten aangeleverd.6 Het Zorgkantoor heeft, na onderzoek van deze stukken op 23 november 2009 aangifte van valsheid in geschrifte gedaan.

Over het bovengenoemde, waarvan onderdelen in de tenlastelegging zijn terug te vinden, bestaat geen discussie. De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging in zoverre wettig en overtuigend kan worden bewezen en grondt dat oordeel op de redengevende inhoud van de bewijsmiddelen waarnaar in de voetnoten wordt verwezen.

De rechtbank ziet zich thans gesteld voor de vraag of de verdachte zich aan de tenlastegelegde feiten – bestaande uit valsheid in geschrift, verduistering en witwassen – schuldig heeft gemaakt.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde.

4.3

Het standpunt van de verdediging

Door en namens de verdachte is integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit op diverse gronden, die hierna per feit besproken zullen worden.

4.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Door en namens de verdachte is het verweer gevoerd dat zij moet worden vrijgesproken omdat niet zij zelf, maar haar ex-man, medeverdachte [medeverdachte] (hierna ook: [medeverdachte] ), zich binnen haar bedrijf buiten haar om en tegen haar wil heeft bezig gehouden met frauduleuze praktijken. Nu dit verweer ziet op alle tenlastegelegde feiten is zal de rechtbank eerst dit verweer bespreken.

4.4.1

De rol van de medeverdachte [medeverdachte]

Verdachte heeft aangevoerd dat zij de eenmanszaak [bedrijf] heeft opgericht en zich vervolgens met name bezig heeft gehouden met het verlenen van zorg en het onderhouden van klantcontacten. [medeverdachte] is zich met dit bedrijf gaan bemoeien toen hij door kreeg hoeveel geld er met PGB’s te verdienen viel, aldus verdachte. Hij was degene die de administratie voerde, de bankpassen van de PGB-houders onder zich hield en daarmee de gestorte persoonsgebonden budgetten contant opnam of overboekte naar haar rekening, van welke rekening hij de bankpas ook in beheer had. De verdachte heeft derhalve nimmer zelf stukken vervalst en zich ook niet schuldig gemaakt aan verduistering en witwassen.

De rechtbank overweegt omtrent dit verweer als volgt.

[medeverdachte] heeft direct na zijn aanhouding een uitgebreide verklaring afgelegd. Hij heeft verklaard dat zijn (inmiddels ex-)vrouw, de verdachte, een bedrijf in de zorg had.7 Via contact met [getuige 8] , een vriendin van hun buurvrouw, is het idee voor dit bedrijf bij de verdachte ontstaan. Zij wilde zelf zorg gaan verlenen aan haar gehandicapte broer. Op verzoek van de verdachte ging [medeverdachte] ook leuke dingen met deze broer doen. Hij kreeg daarvoor betaald van de verdachte.8 Hij hielp zijn vrouw ook bij haar werk op kantoor op de [adres 2] . Hij hielp haar dan met boodschappen.9 Hij kan geen administratie doen want hij kan maar een beetje Nederlands lezen. Zijn vrouw kan wel administratie doen en heeft ook voor hem de administratie gedaan.10 Toen het Zorgkantoor vragen ging stellen aan zijn vrouw over de administratie, probeerde zij dat op orde te krijgen, maar dat lukte niet. Zij heeft toen een boekhouder, de heer [getuige 1] ingeschakeld.11

Na de aangifte van het Zorgkantoor en het onderzoek dat door de politie is verricht, zijn op verzoek van de verdediging een groot aantal – circa dertig – betrokkenen in dit onderzoek gehoord door de rechter-commissaris. Deze betrokkenen bestaan uit PGB-houders, zorgverleners die als werknemer, vrijwilliger of stagiair(e) voor [bedrijf] werkzaam zijn geweest en enkele overige personen, zoals de boekhouder – die na het verzoek van het Zorgkantoor om administratie over te leggen is ingeschakeld – en [getuige 8] die zelf een soortgelijk bedrijf in de zorg heeft.

Daarnaast bestaat de groep van gehoorde personen uit familieleden van de verdachte. Hen is onder meer gevraagd naar de verhouding tussen de verdachte en haar ex-man. De rechtbank merkt ten aanzien van deze getuigen op dat uit het dossier volgt dat na de doorzoeking van de woning waar de verdachten woonden aan de [adres 4] te Leiden op 13 januari 2010, de verhouding tussen verdachte en haar familie enerzijds en [medeverdachte] anderzijds bijzonder slecht was. Verdachte en [medeverdachte] zijn in 2011 gescheiden. Sinds de doorzoeking in 2010 zijn er over en weer diverse aangiften gedaan van strafbare feiten. Zo heeft verdachte aangifte gedaan in de sfeer van huiselijk geweld door [medeverdachte] en heeft [medeverdachte] op zijn beurt aangifte gedaan van computervredebreuk door verdachte. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte is vervolgd, wel is gebleken dat [medeverdachte] in 2010 is vrijgesproken.

Daarnaast heeft de rechtbank geconstateerd dat veel familieleden van de verdachte met name uitgebreid hebben verklaard over de verhouding tussen haar en [medeverdachte] na de doorzoeking in januari 2010 alsmede over zaken die zich daarna tussen hen hebben afgespeeld. De meeste van deze getuigen hadden ten tijde van de tenlastegelegde feiten weinig contact met verdachten en hebben daarom niet of nauwelijks uit eigen waarneming kunnen verklaren over de rol van beiden ten tijde van en ten aanzien van de tenlastegelegde feiten. Dit alles maakt dat deze verklaringen beperkte waarde hebben als het gaat over de verhouding tussen beide verdachten in de tenlastegelegde periode.

De rechtbank baseert daarom haar oordeel over de verhouding tussen beide verdachten op de hierna genoemde getuigen die zij het meest objectief acht, die enig inzicht hadden in de bedrijfsvoering van [bedrijf] en daarover uit eigen waarneming hebben verklaard.

[getuige 8] heeft met haar eigen bedrijf zorg geleverd aan de gehandicapte broer van de verdachte in de tweede helft van 2007 en heeft de verdachte uitgelegd hoe haar zaak was ingericht. De verdachte kwam in de periode van 2008 en 2010 wel eens bij haar met vragen over de verantwoording van uren en over de belasting. Zij heeft ook een stichting met de verdachte opgericht in hetzelfde vakgebied, maar die stichting is nooit actief geworden. [medeverdachte] kent zij als de partner van de verdachte, zij huurde hem soms in om cliënten te begeleiden in de dagbesteding.12 Ze sprak met [medeverdachte] nooit over [bedrijf] . Volgens [getuige 8] was verdachte degene die alles deed en regelde in het bedrijf [bedrijf] en degene die de beslissingen nam. Ze denkt dat [medeverdachte] er meer was als de man van [verdachte ] . [medeverdachte] deed wel dingen voor klanten van verdachte, en als verdachte bij haar kwam om te praten, bijvoorbeeld over een brief van het Zorgkantoor, dan zat [medeverdachte] er wel bij, maar verdachte was degene die de administratie zou moeten doen.13 Over de relatie tussen beiden verklaart zij dat het haar opviel dat zij niet open waren tegen elkaar, ook niet over geldzaken. Zij hebben beiden wel eens tegen haar gezegd dat ze geld hadden, maar dat de ander dat niet wist. Ruzies tussen hen heeft ze niet mee gemaakt.14

[getuige 1] heeft verklaard dat hij rond april 2009 door de verdachte is benaderd om haar administratie op orde te maken.15 Hij heeft alle stukken/data van de verdachte gekregen.16 Hij heeft met verdachte gesproken over wie de administratie deed. Verdachte heeft zich daarbij volgens de getuige niet laten ondersteunen.17 Hij denkt dat verdachte zelf de administratie deed. Er was geen accountant, misschien dat nichtjes van veertien zich met de administratie hebben beziggehouden maar geen capabele mensen. [medeverdachte] en verdachte waren volgens hem twee handen op een buik en hebben geprobeerd zaken op orde te brengen. Hij heeft met verdachte en [medeverdachte] gesproken over wat hun rol was in de administratie. [medeverdachte] zei dan al snel dat het te moeilijk was voor hem.18 Hij heeft sheets gemaakt op basis van de informatie die hij van haar kreeg en die aan haar gemaild met de vraag of de informatie klopte. Dat is een aantal keren heen en weer gegaan.19 De verdachte heeft hem ook verteld dat ze de administratieve kant van het werk heeft verzaakt.20

[getuige 3] was werkzaam als zorgverlener in het bedrijf en heeft ook administratief werk verricht21. Zij heeft verklaard te hebben gezien dat [medeverdachte] af en toe een beetje de administratie deed. [getuige 3] heeft over de onderlinge verhouding tussen verdachte en [medeverdachte] verklaard dat deze gewoon was, ze gingen normaal met elkaar om als man en vrouw.22

[getuige 4] , werkzaam als zorgverlener in het bedrijf, heeft verklaard dat zij de naam [medeverdachte] niet kent, maar wel de man van de verdachte kent. Hij zat wel eens in het kantoortje iets te doen. Hij deed een beetje de administratie. Zij heeft verklaard dat zij dat dacht omdat hij achter de computer zat.23 Verdachte heeft haar benaderd om voor verdachte te komen werken24

[getuige 5] , die Nederlandse taalles gaf, beschrijft de rol van [medeverdachte] als achtervang voor zijn vrouw, die bestond in het verlenen van hand- en spandiensten, zoals het bemannen van de telefooncentrale als zij er niet was. Zakelijk gezien had hij er volgens haar niets mee te maken. De relatie tussen beide verdachten omschrijft zij als normaal.25

[getuige 6] , die tien maanden gedurende meerdere dagen per week stage heeft gelopen, heeft verklaard dat [medeverdachte] wel eens langs kwam, minder dan elke dag. Hij zat dan achter het bureau in het kantoortje, zij weet niet wat hij daar deed. Ze sprak met hem over koetjes en kalfjes, of ze het leuk vond op stage. Ook heeft hij wel eens gevraagd of ze een stagevergoeding kreeg van verdachte. Zij denkt dat hij daarna met verdachte heeft gesproken en dat ze toen een vergoeding kreeg van 50 euro per maand. Verdachte en [medeverdachte] gingen gewoon als man en vrouw met elkaar om, er zijn haar geen bijzonder dingen opgevallen.26

[getuige 7] die een jaar stage heeft gelopen bij [bedrijf] , verklaart dat verdachte wel eens op het bedrijf kwam, zij weet niet meer hoe vaak. Hij kwam binnen, maakte een praatje en bracht wel eens een cliënt naar huis. Zij heeft naast haar stage administratief werk gedaan, de verdachte heeft haar gevraagd te helpen met de administratie. Toen het een beetje een puinhoop werd heeft zij in de avonden gewerkt. Zij hielp dan met het kopiëren van bonnetjes en het op orde leggen en zorgen dat ze kloppen op datum. Zij heeft ook wel eens bonnen ingevoerd bij ene Mark op zijn kantoor in Leiden. Verdachte had haar gevraagd om dit te doen. Volgens haar heeft verdachte haar verteld dat daarvoor iemand anders het deed, een neef van verdachte. Over de relatie tussen verdachte en [medeverdachte] verklaart zij nooit iets van spanning tussen hen gemerkt te hebben.27

[getuige 9] heeft als vrijwilligster administratief werk voor de verdachte gedaan als bijbaantje. Ze moest bonnetjes en uren invoeren.28 Zij denkt dat de verdachte de baas was, want [medeverdachte] was er wel, maar die zat er maar een beetje bij in een hoek. Hij deed dan niets. Zij heeft nooit ruzies gezien tussen beide verdachten.29

[getuige 10] , een buurvrouw van de verdachte, heeft voor de verdachte een paar maanden zorg verleend aan een jongen (PGB-houder [cliënt 3] ) door met hem op stap te gaan.30 Ook is zij wel eens op het activiteitencentrum van de verdachte geweest. [medeverdachte] heeft ze daar wel eens gezien, maar weinig. Hij was volgens haar helemaal niet zo veel in beeld. Zij heeft hem één keer gezien toen hij daar een oven installeerde.31 Zij zag de verdachte altijd alles regelen.32 Zij gaf ook haar bonnetjes en urenbriefjes aan de verdachte33. Deze getuige heeft anders dan de hiervoor genoemde werknemers, bij de rechter-commissaris wel verklaard dat de verstandhouding tussen beide verdachten slecht was. Zij heeft daar gezegd dat zij [medeverdachte] een vreemde man vond, dat ze hem wel eens heeft horen schreeuwen en blauwe plekken bij verdachte heeft gezien34. Daar staat tegenover dat zij in augustus 2010 ook als getuige is gehoord (naar aanleiding van een aangifte van verdachte tegen [medeverdachte] ter zake van huiselijk geweld). Destijds heeft zij verklaard dat zij in de jaren dat zij buren waren niets heeft vernomen van enig geweld, niets heeft gezien, nooit gegil heeft gehoord en nooit een vermoeden gehad van huiselijk geweld. Zij heeft toen verklaard beide verdachten te kennen als goede, hardwerkende mensen35.

Gelet op deze getuigenverklaringen, in combinatie met het feit dat de gehele bedrijfsvoering op naam van de verdachte werd gevoerd en zij de contracten met de PGB-houders en zorgverleners heeft opgesteld en ondertekend, acht de rechtbank het standpunt van verdachte dat het [medeverdachte] was, die als het ware ‘achter de schermen’ de gehele administratie heeft gevoerd en daarbij buiten haar om en tegen haar wil fraude heeft gepleegd, onaannemelijk. Hoewel er getuigen zijn die verklaren dat [medeverdachte] wel iets aan de administratie heeft gedaan, blijkt uit deze verklaring niet wat die activiteiten dan zijn geweest. Voorts leidt de rechtbank uit deze verklaringen af dat het zwaartepunt voor de administratie juist bij verdachte heeft gelegen en dat zij hiervoor diverse andere mensen inschakelde. De rechtbank heeft in genoemde verklaringen, en ook overigens in het dossier, geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat [medeverdachte] en verdachte bewust en nauw hebben samengewerkt bij het plegen van strafbare feiten. De enige verklaring die in die richting wijst is die van [getuige 1] . Hij heeft echter niet concreet benoemd waaruit de rol van [medeverdachte] zou hebben bestaan en is pas in een laat stadium bij het bedrijf betrokken geraakt. De getuigen die eerder in het bedrijf werkten schetsen een rolverdeling die meer past bij de verklaring van [medeverdachte] dan bij die van de verdachte. Bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs over zijn aandeel is [medeverdachte] dan ook ten aanzien van hetgeen hem in deze zaak is tenlastegelegd bij vonnis van heden integraal vrijgesproken.

De rechtbank verwerpt gelet op het voorgaande het verweer, dat verdachte moet worden vrijgesproken op grond dat al het tenlastegelegde buiten haar om zou zijn gebeurd. Nu de rechtbank het standpunt van de verdediging ten aanzien van de rol van de medeverdachte [medeverdachte] niet volgt, zal zij ook hierna zijn verklaringen voor het bewijs bezigen. Van enige beletselen daarvoor is de rechtbank niet gebleken, anders dan het standpunt van de verdediging zoals hierboven beschreven.

4.4.2

Verduistering (feit 1)

Ten aanzien van de persoonsgeboden budgethouders [cliënt 1] , [cliënt 2] en

[cliënt 3] is de verdachte verduistering van PGB-gelden ten laste gelegd. De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe als volgt.

Ten aanzien van [cliënt 1]

Van de bankrekening met nummer 5264101 ten name van [cliënt 1] is in 2008 vrijwel het gehele uitgekeerde PGB-budget gepind in de dagen direct volgend op de storting van het budget. Dit vond plaats in de maanden mei, juni en oktober 2008. In totaal is toen een bedrag gepind van € 11.010.36

[cliënt 1] heeft bij de politie verklaard dat verdachte in het bezit was van zijn bankpas en pincode en dat hij heeft getekend voor toestemming van de financiële afhandeling van het PGB door verdachte.37 De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring, ondanks dat de heer [cliënt 1] door de verdediging niet ondervraagd is kunnen worden, bruikbaar is voor het bewijs als het gaat om het in bezit zijn van de bankpas ten tijde van deze transacties. De verklaring van [cliënt 1] wordt in de eerste plaats bevestigd door de verklaring van de zoon van [cliënt 1] , [getuige 11] , dat verdachte het bankpasje van zijn vader had.38 De bankpas behorend bij de rekening van [cliënt 1] , voorzien van pasnummer 641P080, is aangetroffen in de woning van verdachte. 39 Daarnaast wordt de verklaring van [cliënt 1] voor wat betreft het beheer van de PGB-gelden door verdachte ondersteund door een schriftelijke machtiging waarin [cliënt 1] [bedrijf] machtigt om alle zaken met betrekking tot persoonsgebonden budget te behartigen40 en door het feit dat bij de doorzoeking van de woning van de verdachte op 13 januari 2010 de betreffende pas alsmede brieven van de Postbank betreffende de rekening 5264101 op naam van [cliënt 1] zijn aangetroffen, waarin een gebruikersnaam, wachtwoord en codes vermeld zijn om mee te kunnen inloggen op de omgeving voor internetbankieren Mijn Postbank.nl.41

Ten aanzien van [cliënt 2]

Van de bankrekening met nummer [rekeningnummer 1] ten name van [cliënt 2] is in 2008 in de dagen volgend op de stortingen van het aan [cliënt 2] toegekende PGB budget, steeds vrijwel geheel gepind met de bij de rekening behorende pas, voorzien van pasnummer 451. In totaal is een bedrag van € 6.970,- opgenomen. Op 7 april 2009 is een bedrag van € 2.953,51 overgemaakt naar de rekening [rekeningnummer 2] ten name van verdachte.42

De bankpas behorend bij de rekening van [cliënt 2] , voorzien van pasnummer 451, is aangetroffen in de keuken van de woning van verdachte. In de pashouder is een papiertje met daarop een handgeschreven viercijferige code aangetroffen.43 De rekening van [cliënt 2] heeft als adresgegevens [adres 1] , te weten het adres van de ouders en broer van verdachte.44 Ook van mevrouw [cliënt 1] is een machtiging aangetroffen, gelijkluidend aan die van haar man, waarin ook zij [bedrijf] machtigt om alle zaken met betrekking tot het persoonsgebonden budget te behartigen en verzoekt om alle correspondentie hieromtrent te sturen naar [verdachte ] .45 [cliënt 2] heeft verklaard dat de bankpas en pincode van haar rekening rechtstreeks naar verdachte is gestuurd. Verdachte is volgens haar samen met haar, zonder dat daar iemand anders bij was, naar het postkantoor gegaan om de bankrekening te openen, en heeft gezegd dat postadres toen op het adres van verdachte is gezet, dat was beter omdat zij op vakantie ging.46 De rechtbank acht deze verklaring van [cliënt 2] als het gaat om het bezit van de bankpas ten tijde van de genoemde transacties betrouwbaar, nu deze wordt bevestigd door het aantreffen van de schriftelijke machtiging, het aantreffen van de bankpas en pincode bij verdachte.

Ten aanzien van [cliënt 3]

Op de bankrekening met nummer 5447136 ten name van [cliënt 3] is op 6 augustus 2008 een bedrag van in totaal € 5.292,62 aan PGB-voorschotten overgemaakt.47 Op 15 september is dit gehele bedrag overgemaakt naar de bankrekening van de verdachte. Ook het op 8 januari 2009 uitgekeerde voorschot van € 5.861,- is een week later geheel overgeboekt naar haar bankrekening.48 De moeder van [cliënt 3] , [getuige 12] heeft verklaard dat verdachte een banrekening heeft geopend waarop het geld gestort werd en de financiën van [cliënt 3] beheerde. Bij het openen van de rekening heeft verdachte de bankpas meegenomen. [getuige 12] zelf heeft nooit bedragen opgenomen.49 Ook ten aanzien van deze PGB-houder bevindt zich een machtiging in het dossier waarbij [getuige 12] [bedrijf] toestemming geeft het PGB van [cliënt 3] te behartigen.50 De rechtbank gaat er derhalve ook hier van uit dat deze overschrijvingen niet hebben plaatsgevonden door [getuige 12] zelf.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat, de omstandigheid dat verdachte toestemming had om de PGB-gelden van deze drie PGB-houders te beheren, niet betekent dat zij gemachtigd was (vrijwel) direct na storting van deze gelden gerechtigd was deze bedragen van de rekening op te nemen, dan wel over te maken naar haar eigen rekening. Dat deze personen in die periode mogelijk wel (enige) zorg ontvingen maakt dat niet anders. Het gaat bij de vraag of genoemde opnames/overboekingen rechtmatig zijn immers enkel om de vraag of tegenover de genoemde transacties op dat moment een betalingsverplichting van dat betreffende bedrag bestond. Nu de budgetten een voorschot betroffen, kan van zo’n betalingsverplichting zo kort na de storting geen sprake zijn. Ook anderszins blijkt niet dat de budgethouders toestemming hadden gegeven voor deze transacties.

Het verweer van verdachte dat niet zij, maar de medeverdachte [medeverdachte] deze opnames en overschrijvingen heeft gedaan wordt verworpen. De rechtbank verwijst daartoe in de eerste plaats naar hetgeen hiervoor onder 4.4.1 is overwogen over de rol van [medeverdachte] in het bedrijf van verdachte. Daarnaast acht de rechtbank het, in het geval het echtpaar [cliënt 1] het PGB niet wenste uit te geven aan zorg maar voor zichzelf wilde houden, zoals verdachte heeft verklaard, volstrekt onlogisch dat zij [bedrijf] zouden machtigen het beheer over die gelden te hebben en de bankpassen van de rekeningen waarop die gelden worden gestort uit handen te geven.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verdachte met genoemde opnames en overschrijvingen zich de in de tenlastelegging genoemde gelden, die zij als beheerder van het PGB budget rechtmatig onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.

4.4.3

Valsheid in geschrifte (feit 2)

Ontbreken van materiële valsheid

Onder dit feit is aan verdachte primair ten laste gelegd dat zij een aantal documenten in haar administratie valselijk heeft opgemaakt of doen opmaken. Ten aanzien van een groot aantal van deze documenten heeft de verdediging aangevoerd dat de materiële valsheid ontbreekt, omdat bepaalde formulieren wellicht strikt genomen niet volledig juist zijn, maar de strekking ervan wel juist is, zodat het vereiste oogmerk tot misleiding ontbreekt. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daarbij het volgende.

Op basis van de inhoud van het dossier is het de rechtbank duidelijk dat de betrokken PGB-houders (enige vorm van) zorg hebben ontvangen via het bedrijf van verdachte, thuis en/of op het dagactiviteitencentrum van de verdachte. Of er überhaupt zorg is verleend is voor de vraag of de stukken op de tenlastelegging vals zijn echter niet van doorslaggevend belang. Ten laste gelegd is immers – kort gezegd – dat de verdachte in de administratie stukken opzettelijk valselijk heeft opgemaakt of vervalst, in die zin dat de daarop vermelde zorg, te weten een specifiek aantal uren, op specifieke data, door een specifieke zorgverlener, niet heeft plaatsgevonden. Dit terwijl het gaat om stukken die moeten worden opgesteld met als (uiteindelijk) doel dat het Zorgkantoor kan controleren hoe het PGB is besteed. Het moge duidelijk zijn dat als de op deze stukken vermelde informatie op voormelde punten niet strookt met de werkelijkheid het vervolgens voor het Zorgkantoor niet meer is na te gaan welke zorg is ingekocht van het verstrekte PGB en of het toegekende bedrag aan PGB naar doel en strekking is besteed.

Gelet op het doel waarvoor deze stukken dienen zijn deze dus wel degelijk vals als de daarop genoemde informatie niet strookt met de daadwerkelijk verleende zorg.

Hierna zal feit 2 besproken worden in de volgorde van de tenlastelegging.

PGB-5 [cliënt 4]

Het declaratieformulier op naam van [cliënt 4] vermeldt de naam van de verdachte, [verdachte ] , als zorgverlener over de maand december 2008. Onder meer op 22, 24, 25 en 27 december 2008 zou de verdachte afwisselend 8 en 2 uren zorg hebben verleend. Als totaal declaratiebedrag voor die zorg is € 1.955,62 opgegeven.51 De factuur aan [cliënt 4] over de maand december beslaat hetzelfde bedrag van € 1.955,62.52 Uit onderzoek naar de reisbewegingen van verdachte is gebleken dat zij en [medeverdachte] van 22 december 2008 tot en met 6 januari 2009 in Marokko waren.53 Hieruit volgt dat verdachte op deze dagen geen zorg heeft verleend en deze informatie op het formulier dus in strijd is met de waarheid.

Ter terechtzitting is door de verdachte en haar raadsvrouwen aangevoerd dat het declaratieformulier niet vals is, nu als zorgverlener “ [bedrijf] ” bedoeld is en niet de verdachte zelf. Zij werd door haar werknemers waargenomen bij afwezigheid en nu de zorg wel daadwerkelijk is verleend, heeft zij zich niet schuldig gemaakt valsheid in geschrift, maar slechts aan een schoonheidsfoutje in de administratie. De rechtbank verwerpt dit verweer, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het beroep op het ontbreken van materiële valsheid.

Gelet op het feit dat op de factuur, is vermeld dat deze gebaseerd is op (alleen) dit valse declaratieformulier, acht de rechtbank ook dat stuk vals.

Genoemd factuurbedrag, alsmede de naam van de verdachte zijn ook opgenomen in het (digitale) overzicht urenverantwoording.54 Door de verdediging is aangevoerd dat – kort gezegd – het (digitale) overzicht urenverantwoording door de boekhouder [getuige 1] is opgemaakt, hetgeen maakt dat niet bewezen kan worden dat de verdachte dit stuk valselijk heeft opgemaakt dan wel vervalst.

De rechtbank overweegt omtrent dit verweer als volgt.

[getuige 1] heeft verklaard dat wat hij heeft aangeleverd een samenstelling was van alle data die hij had gekregen van de verdachte.55 Hij heeft de sheets gemaakt op basis van de informatie die hij van haar had gekregen en de data die hij heeft vermeld, zijn de data die hij van haar heeft gekregen. Hij heeft de verdachte de data gemaild en gevraagd of de informatie klopte. Dat is een aantal keer heen en weer gegaan.56

De rechtbank heeft geconstateerd dat het declaratieformulier, de factuur en het overzicht urenverantwoording met elkaar overeenkomen als het gaat om de vermelde zorgverlener en het factuurbedrag. Op basis van de verklaring van getuige [getuige 1] is de conclusie van de rechtbank dat, nu wettig en overtuigend bewezen is dat de onderliggende stukken waarop het overzicht urenverantwoording gebaseerd is, valselijk zijn opgemaakt dan wel vervalst door de verdachte en verdachte deze stukken bij [getuige 1] heeft aangeleverd, dit met zich brengt dat de verdachte tevens het overzicht urenverantwoording - wat deze PGB-houdster betreft - valselijk heeft laten opmaken.

PGB-6 [cliënt 1]

De urenregistratieformulieren op naam van [cliënt 1] over de maanden juli 2008 tot en met mei 2009, met daarop als handtekening van zorgverlener de handtekening van [medeverdachte] , vermelden dat in deze periode in alle maanden elk weekend op beide dagen acht uren dagbesteding is afgenomen. Op de urenstaat van 1 december 2008 tot en met 31 december 2008 is onder meer acht uren OB-dag verantwoord op 27 en 28 december 2008. Op de urenstaten van 1 mei 2009 tot en met 31 mei 2009 wordt tevens onder meer acht uren OB-dag verantwoord op 23 en 24 mei 2009 en op 30 en 31 mei 2009. Op andere urenstaten over dezelfde periode, met daarop de handtekening van verdachte, is - naast genoemde dagbesteding in het weekend - vermeld dat elke dag circa een half uur verpleging werd verleend.57

Op naam van [cliënt 1] zijn facturen aangetroffen die zien op de periode mei 2008 tot en met mei 2009.58

Ten slotte bevat het digitale overzicht urenverantwoording dezelfde factuurbedragen als op de facturen vermeld en zijn daarin als zorgverleners de verdachte, medeverdachte [medeverdachte] en [betrokkene 1] vermeld.59

Ieder jaar gaan [cliënt 1] en zijn vrouw in de zomer vier maanden naar Marokko vanaf juni. Dat was ook het geval in 2008 en 2009.60 Na analyse van de rekeninginformatie van de rekening ten name van [medeverdachte] blijkt dat er in de maanden december 2008 en mei 2009 diverse geldopnames in het buitenland zijn verricht.61

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het opgeven van (de) na(a)m(en) van (een) zorgverlener(s) die niet daadwerkelijk persoonlijk de zorg heeft/hebben verleend en met betrekking tot de valsheid van het (digitale) overzicht urenverantwoording acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde stukken valselijk heeft opgemaakt dan wel heeft laten opmaken. Uit de voorgaande bewijsmiddelen blijkt immers dat de verdachte zorg op naam van haarzelf en haar toenmalige echtgenoot heeft gedeclareerd, ook tijdens periodes waarin zij zelf of de PGB-houder in het buitenland verbleven en er dus in het geheel geen zorg kon worden en werd verleend – in ieder geval niet door de verdachte en haar toenmalige echtgenoot.

Voorts zijn er kasbewijzen aangetroffen van 17 juni 2008 tot en met 3 januari 2009 waarop is vermeld dat van [cliënt 1] geldbedragen zijn ontvangen welke overeenkomen met de bedragen die vermeld zijn op de facturen van die maand en die allen zijn ondertekend door de verdachte met de vermelding “ontvangen door H. [verdachte ] ”.62 Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat zij de kasbewijzen opmaakte nadat het geld contant opgenomen was om de geldstromen te kunnen verantwoorden.63

Ook ten aanzien van deze stukken overweegt de rechtbank dat deze valselijk zijn opgemaakt. Uit hetgeen hiervoor besproken is onder de verduistering van PGB-gelden bij deze budgethouder, volgt dat verdachte nimmer contant geld in ontvangst heeft genomen van de PGB-houder, nu dit – direct na storting door het Zorgkantoor – contant werd opgenomen. De contante betalingen zoals vermeld op de kasbewijzen hebben dus nooit plaatsgevonden. Nu kasbewijzen dienen tot bewijs van de overdracht van contante gelden, maakt de beschreven handelwijze dat de onderhavige stukken als vals dienen te worden beschouwd. Het feit dat de kasbewijzen allen oplopend zijn in nummer, terwijl is vermeld dat zij op uiteen liggende data zijn opgemaakt wijst er eveneens op dat het achteraf valselijk opgemaakte stukken betreft.

De rechtbank merkt in dit verband op dat alle in het dossier opgenomen kasbewijzen, die betrekking hebben op meerdere PGB-houders, niet alleen per PGB-houder een opeenvolgend genummerd setje vormen, maar dat deze setjes ook onderling nagenoeg opeenvolgend genummerd zijn. De rechtbank ontleent aan die vaststelling mede haar overtuiging dat al deze kasbewijzen achteraf op één en hetzelfde moment zijn opgemaakt, kennelijk met de bedoeling om een gebrekkige administratie kloppend te doen lijken, terwijl de daarop steeds vermelde datum de suggestie wekt dat zulks steeds op verschillende in de tijd gespreide momenten heeft plaatsgevonden.

PGB-7 [cliënt 2]

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de tenlastegelegde valsheid in geschrift met betrekking tot de urenregistratie van december 2008 en de daarop gebaseerde factuur, nu op deze stukken niet beweerd wordt dat zij – anders dan op de declaratieformulieren in voorgaande zaken – zelf de zorg aan deze PGB-houdster heeft verleend.

Het digitaal overzicht urenverantwoording vermeldt met betrekking tot mevrouw [cliënt 1] zorg die verleend is door onder andere verdachte, met factuurdata tussen onder meer 1 juni 2008 en 1 oktober 200864 en 1 juni en 1 juli 2009.65 Nu zoals eerder overwogen meneer en mevrouw [cliënt 1] elk jaar vanaf juni vier maanden naar Marokko gaan, is dit overzicht op dit onderdeel valselijk opgemaakt.

Kasbewijzen op naam van mevrouw [cliënt 1] van 1 oktober 2008, 25 oktober 2008 en 31 december 2008 vermelden geldbedragen die door de verdachte in ontvangst zouden zijn genomen voor ten laste van het PGB verleende zorg(uren).66 Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor bij [cliënt 1] is overwogen over het contant opnemen van PGB-gelden door de verdachte in 2008 en het nadien opmaken van kasbewijzen concludeert de rechtbank dat ook deze kasbewijzen valselijk zijn opgemaakt nu er – kort samengevat – ook door deze PGB-houdster geen contant geld aan de verdachte is uitbetaald.

PGB-8 [cliënt 5]

Ten aanzien van deze PGB-houdster is het verwijt dat op het verantwoordingsformulier PGB-AWBZ betreffende de periode 10 juli tot en met 31 december 2008 of 2009 een valse handtekening is geplaatst van mevrouw [cliënt 5] . Hoewel voldoende uit het dossier volgt en ter terechtzitting bovendien niet is betwist dat de handtekening op dit formulier niet de handtekening van mevrouw [cliënt 5] is, acht de rechtbank op basis van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte deze handtekening heeft geplaatst of laten plaatsen. De rechtbank komt derhalve ten aanzien van dit stuk tot vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde.

PGB-10 [cliënt 6]

De declaratieformulieren PGB-AWBZ op naam van budgethouder [cliënt 6] over de maanden juli tot en met december 2008 vermelden de naam van de verdachte, “H. [verdachte ] ”, als zorgverlener. Volgens de declaratieformulieren zou de verdachte als zorgverlener over de periode van 17 juli 2008 tot en met 26 december 2008 elke dag en zonder onderbreking of vrije dag, één uur zorg hebben verleend aan mw. [cliënt 6] .67 Op facturen van [bedrijf] voor mevrouw [cliënt 6] over deze periode zijn dezelfde bedragen opgenomen als die welke op de declaratieformulieren zijn vermeld, met uitzondering van een dubbele factuur van juli 2008, waarop twee verschillende bedragen zijn vermeld.68 Het digitale overzicht urenverantwoording vermeldt dezelfde bedragen als op de declaratieoverzichten en facturen en vermeldt als enige zorgverlener de naam van de verdachte.69

[cliënt 6] heeft verklaard dat de verdachte één keer bij haar thuis is geweest voor het aanmelden voor het PGB en haar sindsdien niet meer te hebben gezien.70 De verdachte heeft in haar schriftelijke verklaring bevestigd dat zij Meqor geen (structurele) zorg heeft verleend. De dochter van Meqor verzorgde haar moeder, aldus verdachte.71

Op een kasbewijs van 23 augustus 2008 is vermeld dat het voorschot PGB à € 1.715,31 door de verdachte is ontvangen van mw. [cliënt 6] .72 Middels een schriftelijke machtiging van 4 september 2008 is de verdachte namens mw. [cliënt 6] gemachtigd om al haar zaken met betrekking tot het PGB te behartigen.73 [cliënt 6] heeft verklaard nooit contant geld te hebben betaald aan de verdachte.74

De rechtbank concludeert dat alle genoemde stukken vals zijn, nu er – kort samengevat – geen contant geld aan de verdachte is uitbetaald en er geen zorg is verleend door de verdachte of [bedrijf] , terwijl de verdachte in strijd met de waarheid heeft vermeld in deze stukken dat dit alles wel gebeurd zou zijn.

PGB-11 [cliënt 7]

De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van de tenlastegelegde valsheid in geschrifte met betrekking tot de verantwoordingsformulieren PGB-AWBZ 2009 over de periode van

1 januari 2009 tot en met 30 juni 2009, nu, hoewel er twee verschillende varianten van dit verantwoordingsformulier bestaan, niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat (een van) deze opzettelijk valselijk is opgemaakt of is doen opmaken door de verdachte.

De urenregistratieformulieren op naam van [cliënt 7] beslaan de periode van januari tot en met juni 2009.75 Bij elk van deze maanden valt op dat er van dezelfde maand meerdere, soms zelfs zeven, niet-identieke ingevulde exemplaren van dit formulier voorkomen. Op elk van deze formulieren is dan op exact dezelfde wijze de naam ‘ [cliënt 7] ’ (de voornaam van de budgethoudster) geschreven. Er zijn ook blanco formulieren waarop deze zelfde handtekening al is geplaatst.76

De kasbewijzen op naam van [cliënt 7] van 14 juli 2008, 28 juli 2008 en 5 augustus 2008 vermelden bedragen die de verdachte van [cliënt 7] heeft ontvangen voor “PGB” en voor geleverde zorguren in juni en juli 2008.77 De zus van [cliënt 7] , Samira, trad op als informeel contact persoon voor haar zusje en herkent de kasbewijzen niet. Die hebben ze ook niet gekregen. Voor hen was het bankafschrift het bewijs dat ze de rekening hadden voldaan.78 Ze maakte immers iedere maand het gehele PGB over naar de verdachte en de verdachte verantwoordde dit aan haar middels facturen.79

Het (digitaal) overzicht urenverantwoording vermeldt dezelfde bedragen als de in rekening gebrachte bedragen en diverse zorgverleners, waaronder elke maand [getuige 2] voor tussen de 30 en ruim 90 uur per maand, [getuige 9] in augustus en september 2008,

[getuige 7] in januari 2009 en [getuige 13] vanaf maart 2009 maandelijks.80 [getuige 2] heeft verklaard nooit voor de verdachte te hebben gewerkt.81 [getuige 7] heeft verklaard vanaf februari 2009 bij de verdachte stage te hebben gelopen.82 [getuige 9] heeft verklaard dat zij in 2009 als vrijwilliger administratief werk heeft verricht voor de verdachte, bij haar thuis. Ze is nooit op het activiteitencentrum van de verdachte geweest.83 [getuige 13] heeft verklaard geen zorg te hebben verleend aan [cliënt 7] .84

De rechtbank concludeert dat de urenregistratieformulieren valselijk zijn opgemaakt, nu het gelet op de beschreven kenmerken van de aangetroffen stukken naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan zijn dan dat met vooraf getekende, gekopieerde formulieren is gewerkt. Hierdoor lijkt het alsof de budgethouder voor akkoord heeft getekend terwijl dit niet het geval is geweest. De kwitanties en het digitale urenoverzicht zijn eveneens valselijk opgemaakt, nu er – kort samengevat – geen contant geld aan de verdachte is uitbetaald en er niet door (alle) door de verdachte opgegeven zorgverleners zorg is verleend aan de PGB-houdster, terwijl de verdachte dit wel in strijd met de waarheid heeft opgegeven in deze stukken.

PGB-13 [cliënt 3]

Op de urenregistratieformulieren op naam van [cliënt 3] over de periode juli 2008 tot en met april 2009 is vermeld dat bijna elke zaterdag of zondag acht uur OB-alg zorg is verleend. Deze formulieren bevatten de handtekening van de medeverdachte [medeverdachte] .85 Op het (digitale) overzicht urenverantwoording is [medeverdachte] ook bij diverse maanden als een van de zorgverleners vermeld.86

De medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij in 2008 helemaal geen zorg aan [cliënt 3] heeft verleend en dat het niet zijn handtekening is op de urenstaten, maar dat de verdachte zijn handtekening heeft nagebootst.87 Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat de urenverantwoordingen op naam van [medeverdachte] werden gezet, omdat de persoon die daadwerkelijk de zorg verleende zwart uitbetaald wilde worden.88 De rechtbank acht derhalve de verklaring van [medeverdachte] bruikbaar voor het bewijs en betrouwbaar, nu de verdachte zelf de verklaring van [medeverdachte] verklaring in die zin heeft ondersteund, dat het klopt dat zijn naam is opgevoerd als zorgverlener, terwijl hij geen zorg verleende aan PGB-houder [cliënt 3] . Gelet op het eerder ten aanzien van de rol van [medeverdachte] overwogene, acht de rechtbank derhalve de urenverantwoordingsformulieren opzettelijk valselijk door de verdachte opgemaakt. Het daarop gebaseerde (digitale) overzicht urenverantwoording is daarmee ook valselijk opgemaakt.

PGB-15 [cliënt 8]

Ten aanzien van deze PGB-houdster is het verwijt dat een declaratieformulier en factuur over de maand april 2009, alsmede het digitaal overzicht urenverantwoording vals zijn,

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat, hoewel PGB-houdster [cliënt 8] zelf heeft verklaard geen zorg te hebben ontvangen, uit de verklaringen van haar dochter, van verschillende zorgverleners en van andere PGB-houders die bij [bedrijf] dagbesteding genoten, volgt dat zij wel degelijk (veelvuldig) dagbesteding en zorg heeft genoten van de in de declaratieformulieren en het overzicht urenverantwoording genoemde zorgverleners. De rechtbank acht derhalve onvoldoende wettig en overtuigend bewezen dat de tenlastegelegde stukken valselijk zijn opgemaakt dan wel vervalst op de wijze(n) zoals in de tenlastelegging vermeld en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Overeenkomst vrijwilligerswerk

Als laatste wordt verdachte verweten een overeenkomst vrijwilligerswerk tussen de verdachte en [getuige 2] te hebben vervalst, door hierin een cijfer van het jaartal te veranderen. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet vast te stellen is of, en zo ja door wie, dit stuk vervalst zou zijn, noch dat de verdachte hiervan wetenschap had. De rechtbank spreekt de verdachte derhalve ook van dit onderdeel van feit 2 vrij.

4.4.4

Witwassen (feit 3)

Onder feit 3 wordt verdachte verweten meerdere geldbedragen te hebben witgewassen. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat zij verdachte schuldig acht aan verduistering van meerdere geldbedragen van in totaal € 32.086. Daarnaast acht de rechtbank het aannemelijk dat ook met het onder feit 2 bewezen verklaarde valsheid in geschrifte geld is verdiend. Op die manier werd immers een groter aantal zorguren verantwoord en gefactureerd dan er daadwerkelijk zijn verleend. Om inzicht te krijgen of verdachte zich tevens heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van deze bedragen is onderzoek gedaan naar de geldstromen bij verdachte en haar medeverdachte. Hieruit is het volgende naar voren gekomen.

Bankrekeningen

Van de bankrekening met nummer [rekeningnummer 2] op naam van verdachte is in de periode van 1 januari 2008 tot 31 december 2009 een bedrag van € 70.269,24 contant opgenomen. Van de bankrekening met nummer [rekeningnummer 3] , eveneens op naam van verdachte, is in deze periode een bedrag van € 52.736,84 contant opgenomen.89 Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] alle bankpassen in bezit had en zij zelf nooit gepind heeft. De rechtbank acht deze verklaring, onder verwijzing naar hetgeen eerder is overwogen over de rol van [medeverdachte] in het bedrijf van verdachte, niet geloofwaardig. Nu de rechtbank aannemelijk acht dat met de onder feit 2 gepleegde valsheid in geschrifte geld is verdiend, is een deel van het geld dat van deze bankrekeningen is opgenomen van misdrijf afkomstig. De rechtbank acht dit niet ten aanzien van de gehele in de tenlastelegging genoemde bedragen bewezen, nu er door verdachte en haar medewerkers daarnaast ook daadwerkelijk zorg is verleend waarvoor zij recht had op betalingen die ook op deze rekening werden gedaan.

Contante geldbedragen

In de woning van verdachte en [medeverdachte] is een contant geldbedrag van in totaal € 18.250 euro aangetroffen. Een bedrag van € 15.000 hiervan was opgeborgen in een kluis op de vliering van de kinderkamer, en bestond uit grote coupures van € 200.90Het in een bankkluis bewaren van een dergelijk groot geldbedrag, dat bestaande uit deze coupures, vormt een op zichzelf reeds een aanwijzing voor de niet-legale herkomst van dat geld. De verklaring van verdachte dat zij niet van de kluis afwist, acht de rechtbank, wederom gelet op de hiervoor beschreven rol die zij verdachte in deze onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten toedicht, niet geloofwaardig. Het gegeven dat verdachte aan het begin van de doorzoeking van de woning bij de rechter-commissaris heeft aangegeven dat zich in de woning een groot geldbedrag bevond wijst ook niet in die richting91. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij erbij was toen het in beslag genomen geld geteld werd en daarom weet dat het € 18.000,- was. Daarvan was

€ 10.000 van hem, geld wat hij had gespaard en van de bank had opgenomen en via een vriend had gewisseld in biljetten van € 200.92 Nu er geen aanwijzingen zijn dat ook het de rest van het bedrag, € 8.250, van [medeverdachte] was, gaat de rechtbank ervan uit dat dit aan verdachte toebehoorde en dat dit uit misdrijf afkomstig geld bedroeg. Uit het voorgaande volgt eveneens dat de rechtbank verdachte vrijspreekt van het medeplegen van dit feit.

Geldwissels

In de woning zijn tevens drie bewijzen aangetroffen van geldwissels uitgevoerd in Marokko.

Op 12 en 13 augustus 2008 werd in Marokko in totaal € 2.500 omgewisseld naar Marokkaanse dirhams bij een filiaal van de Banque Populare Tanger-Tetouan.93 [medeverdachte] heeft hierover verklaard dat hij deze transacties heeft uitgevoerd met geld dat hij in Nederland had opgenomen. De aldus verkregen geldbedragen stortte hij vervolgens op zijn Marokkaanse rekening.94 Nu er geen aanwijzingen zijn dat verdachte betrokken is geweest bij deze transacties, zal de rechtbank van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Op 25 december 2008 is een bedrag van in totaal € 24.000 bestaande uit coupures van € 500 en € 200, omgewisseld naar Marokkaanse dirhams. Deze transactie is uitgevoerd bij een filiaal van de Banque Populare Rabat-Kenitra.95 De rechtbank stelt vast dat deze transactie heeft plaatsgevonden eind 2008, terwijl in de maanden juni tot en met oktober van dat jaar een groot deel van de onder feit 2 bewezenverklaarde verduistering heeft plaatsgevonden; verdachte had zicht tot dan toe reeds een bedrag van € 23.271,49 wedderechtelijk toegeëigend. [medeverdachte] heeft hierover verklaard dat hij deze transactie niet heeft uitgevoerd. Deze is volgens hem uitgevoerd in een stad in de richting van het huis van de vader van verdachte in het Zuiden van Marokko, terwijl hij die dag in Tetouan, in het Noorden was en dat deze plaatsen niet dicht bij elkaar gelegen zijn. Hij vermoedt dat hij bij zijn familie was en verdachte, in verband met het naderend Nieuwjaar, bij de hare. De handtekening op het wisselbewijs lijkt op die van hem, maar hij was het niet, aldus [medeverdachte] .96

Uit gegevens van de bankrekening met nummer [rekeningnummer 4] op naam van [medeverdachte] , blijkt dat hij op 25 december 2008 om 11.03 uur en om 11.04 uur twee keer een bedrag van 5000 Marokkaanse Dirham (omgerekend € 447,06) heeft gepind bij een geldautomaat in Tetouan, Marokko.97 Het verrichten van deze transactie door [medeverdachte] komt de rechtbank niet logisch voor, in het geval [medeverdachte] op dat moment tevens de beschikking had over een contant geldbedrag van € 24.000. De rechtbank stelt voorts vast dat de handtekening op het geldwisselformulier afwijkt van de handtekeningen van [medeverdachte] onder zijn verklaringen bij de politie en op de hiervoor genoemde geldwisselformulieren van 12 en 12 augustus. Zij acht de verklaring van [medeverdachte] dat hij deze transactie niet heeft verricht daarom betrouwbaar. Nu het formulier is aangetroffen in de woning van de verdachte concludeert de rechtbank dan ook dat verdachte deze transactie heeft verricht en daarbij de handtekening van [medeverdachte] heeft vervalst. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte dit bedrag, zijnde van misdrijf afkomstig geld, voorhanden heeft gehad en omgezet.

Contante stortingen op Marokkaanse rekening [medeverdachte]

Uit informatie verkregen naar aanleiding van een rechtshulpverzoek is gebleken dat op de Marokkaanse bankrekening van [medeverdachte] in de periode van 28 juli 2008 tot en met 22 augustus 2008 contante stortingen van Marokkaanse dirhams hebben plaatsgevonden voor een bedrag van in totaal € 13.800. [medeverdachte] is na het verkrijgen van de informatie uit het rechtshulpverzoek niet nader gehoord en heeft over deze transacties geen verklaring afgelegd. In het dossier bevinden zich geen aanwijzingen dat verdachte bij deze transacties betrokken is geweest. De rechtbank zal de verdachte derhalve van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Overschrijving vanaf Marokkaanse rekening [medeverdachte]

Eveneens uit het rechtshulpverzoek is gebleken dat vanaf de Marokkaanse bankrekening van [medeverdachte] op 21 januari 2010 een overschrijving plaatsvond van 150.022 Marokkaanse dirhams (€ 12.800 euro) naar de bankrekening van [betrokkene 2] . Bij de politie heeft [medeverdachte] ook hierover geen verklaring afgelegd. Uit het dossier is niet af te leiden of en zo ja welke betrokkenheid verdachte bij deze transactie heeft gehad. Gelet hierop zal de rechtbank de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Moneytransfers

Voorts is uit de door Western Union aangeleverde gegevens gebleken dat in de periode van 16 januari 2008 tot en met 7 mei 2010 door verdachte 31 moneytransfers naar Marokko zijn verricht.98 Het totaalbedrag dat verzonden is, bedraagt € 8.780,50. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat dit geld van haar ouders betrof, dat zij naar hen overmaakte omdat zij destijds in Marokko verbleven. De rechtbank acht deze verklaring over de herkomst van deze gelden niet geloofwaardig en overweegt daarbij het volgende.

Het grootste deel van deze overmakingen hebben plaatsgevonden in 2008, verspreid over alle maanden van het jaar, met uitzondering van augustus. In het dossier bevindt zich een overzicht Ingezette zorg bij budgethouder, welk stuk het zorgkantoor naar verdachte heeft gestuurd met het verzoek daarop in te vullen welke zorg is verleend. Het zorgkantoor heeft verklaard dit stuk ingevuld terug te hebben ontvangen van verdachte nog voordat zij de heer [getuige 1] had ingeschakeld.99 In dit overzicht, dat begint met januari 2008 en doorloopt tot en met juni 2009 is aangeven dat aan de vader, moeder en gehandicapte broer zorg is verleend in alle maanden van 2008. Dat gegeven laat zich niet rijmen met het aanwezig zijn in Marokko door de ouders van verdachte. Hieruit volgt dat ook ten aanzien van dit bedrag de rechtbank bewezen acht dat het gaat om uit misdrijf afkomstig geld dat verdachte heeft voorhanden gehad en omgezet.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

Feit 1

zij in de periode van 1 januari 2008 t/m 31 december 2009 te Leiden en/of elders in Nederland, meermalen, zich opzettelijk geldbedragen, te weten

A. euro 11.010,- en

B. euro 9.923,- en

C. euro 11.153,-,

die toebehoorden aan [cliënt 1] en/of [cliënt 2] en/of [cliënt 3] en welke geldbedragen verdachte (telkens) anders dan door misdrijf, te weten als gemachtigde en/of beheerder onder zich had, wederrechtelijk heeft toegeëigend;

Feit 2

zij in de periode van 1 januari 2008 t/m 31 december 2009 te Leiden, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen opzettelijk urenregistratieformulieren (urenstaten) en declaratieformulieren en facturen en kwitanties en verantwoordingsformulieren en een (digitaal) overzicht Urenverantwoording

te weten

A. (zaaksdossier PGB-5 [cliënt 4] )

- een declaratieformulier betreffende de maand december 2008 en

- een factuur betreffende de maand december 2008 en

- een (digitaal) overzicht urenverantwoording

en

B. (zaaksdossier PGB-6 [cliënt 1] )

- urenregistratieformulieren betreffende de periode juli 2008 tot en met mei 2009 en

- facturen betreffende de periode mei 2008 t/m mei 2009 en

- kwitanties/kasbewijzen betreffende de periode 17 juni 2008 tot en met 3 januari 2009 en

- een (digitaal) overzicht urenverantwoording

en

C. (zaaksdossier PGB-7 [cliënt 2] )

- kwitanties/kasbewijzen, gedateerd 1 oktober 2008, 25 oktober 2008 en 31 december 2008 en

- een (digitaal) overzicht urenverantwoording

en

E. (zaaksdossier PGB-10 [cliënt 6] )

- declaratieformulieren betreffende de maanden juli 2008 t/m december 2008 en

- facturen betreffende de periode 17 juli 2008 t/m 31 december 2008 en

- een kwitantie/kasbewijs (gedateerd op 23 augustus 2008) en

- een (digitaal) overzicht urenverantwoording

en

F. (zaaksdossier PGB-11 [cliënt 7] )

- urenregistratieformulieren betreffende de periode februari 2009 tot en met juni 2009 en

- kwitanties/kasbewijzen gedateerd 14 juli 2008 en/of 28 juli 2008 en 5 augustus 2008 en

- een (digitaal) overzicht urenverantwoording

en

G. (zaaksdossier PGB-13 [cliënt 3] )

- urenregistratieformulieren betreffende de periode juli 2008 t/m april 2009 en

- een (digitaal) overzicht urenverantwoording,

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of valselijk heeft doen en/of laten opmaken, immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededaders valselijk in strijd met de waarheid, -zakelijk weergegeven-

met betrekking tot cliënten [cliënt 1] (zaaksdossier PGB-6) en [cliënt 7] (zaaksdossier PGB-11) en [cliënt 3] (zaaksdossier PGB-13)

- ( op) voornoemde urenregistratieformulieren (urenstaten)

* (zorg)uren verantwoord en/of laten verantwoorden, terwijl deze (zorg)uren

in zijn geheel niet hebben plaatsgevonden en/of zijn verleend en/of

* ingevuld (met een daarop vooraf geplaatste en/of gekopieerde handtekening)

als waren die formulieren na invullen voor akkoord getekend,

danwel daarop een (valse) handtekening geplaatst en/of laten plaatsen

en

met betrekking tot de cliënten [cliënt 4] (zaaksdossier PGB-5) en [cliënt 6] (zaaksdossier PGB-10)

- op voornoemde declaratieformulieren

* (zorg)uren en/of geldbedragen gedeclareerd en/of laten declareren,

terwijl deze (zorg)uren in zijn geheel niet hebben plaatsgevonden en/of zijn verleend en/of

* de naam van een zorgverlener ingevuld, terwijl die zorgverlener

de daarbij beschreven zorg / zorguren niet of niet in het geheel heeft uitgevoerd

en

met betrekking tot de cliënten [cliënt 1] (zaaksdossier PGB-6) en [cliënt 6] (zaaksdossier PGB-10)

- op voornoemde facturen een hoger aantal uren aan verleende zorg vermeld dan dat daadwerkelijk een aantal uren zorg aan die [cliënt 1] en Meqor was verleend

en

met betrekking tot de cliënten [cliënt 1] (zaaksdossier PGB-6) en [cliënt 2] (zaaksdossier PGB-7) en [cliënt 6] (zaaksdossier PGB-10) en [cliënt 7] (zaaksdossier PGB-11)

- op voornoemde kwitanties/kasbewijzen vermeld en/of laten vermelden dat er een geldbedrag contant door verdachte was ontvangen voor geleverde zorg(uren), terwijl in het geheel geen contante bedragen door verdachte was ontvangen,

en

met betrekking tot cliënten [cliënt 4] (zaaksdossier PGB-5) en [cliënt 1] (zaaksdossier PGB-6) en [cliënt 2] (zaaksdossier PGB-7) en [cliënt 6] (zaaksdosser PGB-10) en [cliënt 7] (zaaksdossier PGB-11) en [cliënt 3] (zaaksdossier PGB-13)

- op voornoemd (digitaal) overzicht urenverantwoording

* (zorg)uren verantwoord en/of laten verantwoorden, terwijl geen zorg was verleend en/of

* zorgverleners/personen vermeld met daarbij beschreven de hoeveelheid door die

zorgverleners/personen uren verleende zorg, terwijl die genoemde

zorgverleners en/of personen minder uren zorg hebben verleend,

zulks (telkens) met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of (door anderen) te doen gebruiken;

Feit 3

zij in de periode van 1 januari 2008 t/m 7 mei 2010 te Leiden en/of Marokko meermalen zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van witwassen, immers heeft zij, verdachte geldbedragen bestaande uit:

- geldbedragen (bijlage 4 van het ontnemingsdossier) en

- geldbedragen van in totaal ongeveer 8.250,- euro (bijlage 1 van het witwasdossier) en

- geldbedragen van in totaal ongeveer 24.000,- euro (bijlage 2 van het witwasdossier) en

- geldbedragen van in totaal ongeveer 8.780,50 euro (bijlage 5 van het witwasdossier),

verworven en voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl zij, verdachte, wist, dat het - onmiddellijk of middellijk - van misdrijf afkomstige voorwerpen betroffen.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen aan verdachte onder 1, 2 primair en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De rechtbank heeft hiervoor onder feit 3, eerste en tweede gedachtestreepje bewezen verklaard het voorhanden hebben van geldbedragen (bijlage 4 ontnemingsdossier) en van een geldbedrag van € 8.250,- door verdachte, terwijl zij wist dat deze voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf. Het gaat hierbij om bedragen die door verdachte contant van haar bankrekeningen zijn opgenomen, respectievelijk in haar woning zijn aangetroffen.

Het is inmiddels vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat, indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden aangemerkt (vgl. onder meer de arresten van de Hoge Raad van 18 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4449, BX4585, BX6909, BX6910 en ECLI:NL:HR:2014:702). Ook het in een dergelijk geval moet ontslag van rechtsvervolging het gevolg zijn.

Ten aanzien van genoemde bedragen, afkomstig uit eigen misdrijf, is er geen bewijs dat verdachte hiermee andere gedragingen heeft verricht dan enkel het voorhanden hebben. De rechtbank zal verdachte ten aanzien van dit deel van de bewezenverklaring dan ook ontslaan van alle rechtsvervolging.

Al het overige bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

t.a.v. feit 1:

verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd;

t.a.v. feit 2 primair:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

t.a.v. feit 3:

witwassen.

6 De strafbaarheid van de verdachte

6.1

Beroep op psychische overmacht

Door de verdediging is ontslag van alle rechtsvervolging wegens psychische overmacht bepleit, nu verdachte door haar toenmalige echtgenoot tot de tenlastegelegde feiten is gedwongen en gebukt ging onder stelselmatige mishandelingen door hem, waardoor zij geen weerstand aan hem kon bieden.

De rechtbank overweegt omtrent dit verweer als volgt.

Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden. Onder verwijzing naar het onder 4.4.1 met betrekking tot de rol van de medeverdachte [medeverdachte] overwogene is de rechtbank van oordeel dat daarvan geen sprake is geweest bij de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten. Hierbij is van belang dat veel van de gehoorde personen niet uit eigen waarneming hebben verklaard maar hebben verklaard over wat zij van de verdachte hebben gehoord over de verhouding tussen verdachte en haar ex-man en wat er zich in het verleden binnen hun huwelijk zou hebben afgespeeld. Bovendien behoort een groot deel van de gehoorde personen tot de familie van de verdachte en zijn zij allen gehoord na de echtscheiding. De verhouding tussen [medeverdachte] en de verdachte en haar familie was ten tijde van het afleggen van deze verklaringen zeer slecht, wat maakt dat de verhoren ook binnen die context gelezen en beoordeeld moeten worden. Voorts is van belang dat alle gehoorde personen die niet tot de familie van de verdachte behoren, alsmede enkele van de gehoorde personen die daar wel toe behoren, hebben verklaard dat de verhouding tussen de verdachte en haar ex-man slecht was vanaf de doorzoeking van hun woning op 13 januari 2010. De meesten van hen hebben niet (uit eigen waarneming) kunnen verklaren dat de situatie in 2008 en 2009 al slecht was, laat staan dat de door verdachte beschreven bedreigingen en mishandelingen daaruit kunnen worden afgeleid. Naar het oordeel van de rechtbank staat derhalve onvoldoende vast dat ten tijde van de gepleegde feiten (over de gehele periode) sprake is geweest van de situatie zoals de verdachte die heeft beschreven en zij de ten laste gelegde feiten tegen haar wil zou hebben gepleegd, waarbij zij door een van buiten komende drang daartoe gedwongen werd. Het beroep op psychische overmacht wordt derhalve verworpen.

6.2.

Overige omstandigheden met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden, waarvan drie (3) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

Door en namens verdachte is bepleit rekening te houden met onder meer de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, haar -huidige en toenmalige- persoonlijke omstandigheden, het tijdsverloop in de zaak/overschrijding van de redelijke termijn en de gevolgen die de onderhavige strafzaak reeds voor de verdachte heeft gehad. Verzocht is om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, mede gelet op de zorg die de verdachte voor haar (jonge) kinderen heeft en die geheel voor haar rekening komt.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Vormverzuimen

Door de verdediging is strafvermindering bepleit op grond van diverse vormverzuimen met betrekking tot de wijze waarop de politie het onderzoek heeft verricht en met name de manier waarop getuigenverhoren zijn afgenomen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de zeer uitvoerige beschikking van de raadkamer van deze rechtbank d.d. 18 maart 2014 over dit onderwerp. De rechtbank is van oordeel dat niets wat de verdediging ter onderbouwing heeft aangevoerd tot een ander oordeel dan dat van de raadkamer kan leiden en komt dan ook tot de conclusie dat geen sprake is van vormverzuimen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft valsheid in geschrifte gepleegd, door in strijd met de waarheid op declaratieformulieren, facturen en urenregistratieformulieren uren zorg te verantwoorden/declareren/factureren die in werkelijkheid niet zijn verleend, vooraf geplaatste en gekopieerde handtekeningen te gebruiken alsof die formulieren akkoord zijn bevonden door de PGB-houders en op kwitanties/kasbewijzen geldbedragen te vermelden, terwijl in werkelijkheid geen contant geldbedrag is ontvangen. De bedoeling van dit alles is geen andere geweest dan om richting het Zorgkantoor de uitgekeerde PGB-budgetten te verantwoorden. Verdachte heeft met haar handelen uitgekeerde PGB-gelden aan het zicht van de overheid onttrokken. Nu bewezen is dat een deel van de opgegeven zorg in het geheel niet heeft plaatsgevonden, heeft verdachte aldus geld verdiend waar zij geen recht op had, en zo misbruik gemaakt van geld dat bestemd was voor zorgbehoevenden.

Dit soort strafbare feiten ondermijnt het stelsel van sociale zekerheid, dat in het geval van het PGB bedoeld is om mensen die van zorg afhankelijk zijn meer vrijheid te bieden deze zorg zelf te kiezen en in te kopen naar hun behoefte. Het systeem van het PGB was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten zo ingericht dat – door in beginsel uit te gaan van de juistheid van ingediende stukken – de declaraties snel verwerkt konden worden en PGB-houders niet lang in onzekerheid hoefden te verkeren. Het kunnen vertrouwen in de juistheid van ingevulde verantwoordingsformulieren is een voorwaarde om een dergelijk systeem te kunnen hebben.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering van geldbedragen die zij onder zich had van enkele PGB-houders. Vermogensdelicten als verduistering tonen een gebrek aan respect voor de eigendomsrechten van anderen. De opsporing en vervolging van dergelijke strafbare feiten kost de maatschappij jaarlijks bovendien veel geld. Ten slotte heeft de verdachte een geldbedrag van bijna 33.000 euro, dat zij door middel van deze misdrijven heeft verworven witgewassen, door dit, uit het zicht van de Nederlandse, autoriteiten onder te brengen in Marokko. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.

De verdachte heeft op geen enkel moment getoond het laakbare van haar handelen in te zien. Ondanks al hetgeen in het onderzoek naar voren is gekomen en tijdens het onderzoek ter terechtzitting haar is voorgehouden, is zij bij het standpunt gebleven dat haar geen enkele blaam treft. De verdachte heeft volledig miskend dat de hele constructie voor haarzelf een lucratieve onderneming is geweest.

De rechtbank rekent dit alles de verdachte aan.

Redelijke termijn

Op grond van de aard en ernst van de feiten komt in beginsel alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als passende straf in aanmerking. De rechtbank houdt echter bij de bepaling van de strafmaat rekening met het tijdsverloop in deze zaak. De redelijke termijn waarbinnen een vonnis moet zijn gewezen na het eerste moment waarop de verdachte kennis heeft genomen van het feit dat er tegen haar een strafrechtelijke vervolging is aangevangen, is met circa twee jaar overschreden. Deze overschrijding brengt mee dat naar het oordeel van de rechtbank voor het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf thans geen ruimte meer is.

Persoon van de verdachte

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 16 maart 2016, waaruit naar voren komt dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake enig strafbaar feit in Nederland.

Uit het omtrent de verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 14 oktober 2015, opgemaakt door mw. M. Naarden, reclasseringswerker, onder supervisie van dhr. R. den Duijf, leidinggevende, volgt dat verdachte thans weer werkt in de zorg, te kampen heeft met financiële problemen en daarnaast de zorg heeft voor drie kinderen. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke (gevangenis)straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij Reclassering Den Haag op het adres Bezuidenhoutseweg 179 en een ambulante behandelverplichting bij De Waag of soortgelijke instelling voor ambulante forensische zorg op te leggen. De behandeling strekt ertoe dat verdachte inzicht krijgt in het delictgedrag en om haar copingvaardigheden te vergroten.

Conclusie

Gelet hierop is de rechtbank, alles afwegende, van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van na te noemen duur moeten worden opgelegd. De rechtbank zal aan de voorwaardelijke gevangenisstraf een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een (nieuw) strafbaar feit. Daarbij acht de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, bestaande uit een meldplicht en ambulante behandelverplichting noodzakelijk. Voorwaarden van die strekking zullen aan de op te leggen voorwaardelijke straf worden verbonden.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 47, 57, 225, 321 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan;

ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging voor zover het de onder 3, eerste en tweede gedachtestreep betreffende feiten betreft;

verklaart dat het bewezenverklaarde voor het overige uitmaakt:

t.a.v. feit 1:

verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd;

t.a.v. feit 2 primair:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

t.a.v. feit 3:

witwassen;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van ZES (6) MAANDEN;

bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee (2) jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland op het adres Bezuidenhoutseweg 179 te Den Haag op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich onder behandeling stelt bij De Waag of soortgelijke instelling voor ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, waarbij zij zich zal houden aan aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar worden gegeven, teneinde inzicht te verkrijgen in het delictgedrag en haar copingvaardigheden te versterken;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

veroordeelt verdachte te dier zake voorts tot:

een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van TWEEHONDERDVEERTIG (240) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van HONDERDTWINTIG (120) DAGEN;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op twee (2) uren taakstraf, subsidiair één (1) dag hechtenis, per dag die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H. Steenhuis, voorzitter,

mr. S.L.M. Staals, rechter,

mr. L.C. Bannink, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.A. Beckers, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 april 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal (genaamd procesdossier 169ZILVER) met het nummer RF1090166, van de politie Hollands Midden, Divisie Regionale Opsporing, Team Tactische Opsporing, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 5684).

2 Bijlagen bij de hiervoor genoemde aangifte d.d. 23 november 2009, bestaande uit schriftelijke bescheiden, zijnde een overeenkomst vrijwilligerswerk van 24 juli 2008, p. 292 bovenaan en een opdrachtbevestiging, p. 320.

3 Bijlagen bij de hiervoor genoemde aangifte d.d. 23 november 2009, bestaande uit schriftelijke bescheiden, zijnde een overeenkomst vrijwilligerswerk van 22 juni 2009, p. 284 bovenaan en bankafschriften van januari tot en met juni 2009 ten name van H. [verdachte ] , p. 324 t/m 330.

4 Bijlage bij het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 30 september 2010, bestaande uit een schriftelijk bescheid, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 16 maart 2010, p. 3235 en 3236.

5 Aangifte door H. van Dop namens Onderlinge Waarborgmaatschappij Zorg en Zekerheid u.a. d.d. 23 november 2009, p. 23 midden en 24 midden.

6 Aangifte door H. van Dop namens Onderlinge Waarborgmaatschappij Zorg en Zekerheid u.a. d.d. 23 november 2009, p. 25 tweede alinea en p. 26 onderste alinea’s.

7 V02.01, proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 29 september 2010, p. 3211 derde alinea van onder.

8 V02.01, proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 29 september 2010, p. 3212 midden.

9 V02.03, proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 30 september 2010, p. 3225 vierde alinea.

10 V02.01, proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 29 september 2010, p. 3214 midden.

11 V02.04, proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 30 september 2010, p. 3242 tweede alinea.

12 G-39, proces-verbaal van verhoor getuige B.I. [getuige 8] d.d. 6 oktober 2010, p. 3131 t/m 3135.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige B.I. [getuige 8] door de rechter-commissaris d.d. 2 december 2013, onder 27, 44, 57 en 58.

14 Proces-verbaal van verhoor getuige B.I. [getuige 8] door de rechter-commissaris d.d. 2 december 2013, onder 21 en 22.

15 Proces-verbaal van verhoor getuige M.H.C. [getuige 1] door de rechter-commissaris d.d. 9 december 2013, onder 8.

16 Proces-verbaal van verhoor getuige M.H.C. [getuige 1] door de rechter-commissaris d.d. 9 december 2013, onder 7.

17 Proces-verbaal van verhoor getuige M.H.C. [getuige 1] door de rechter-commissaris d.d. 9 december 2013, onder 14.

18 Proces-verbaal van verhoor getuige M.H.C. [getuige 1] door de rechter-commissaris d.d. 9 december 2013, onder 9.

19 Proces-verbaal van verhoor getuige M.H.C. [getuige 1] door de rechter-commissaris d.d. 9 december 2013, onder 25.

20 Proces-verbaal van verhoor getuige M.H.C. [getuige 1] door de rechter-commissaris d.d. 9 december 2013, onder 28, laatste zin.

21 Proces-verbaal van verhoor getuige K. [getuige 3] door de rechter-commissaris d.d. 12 november 2013, onder 5 en 9.

22 Proces-verbaal van verhoor getuige K. [getuige 3] door de rechter-commissaris d.d. 12 november 2013, onder 12 en 14.

23 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 13] door de rechter-commissaris d.d. 14 november 2013, onder 3 en 23.

24 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 13] door de rechter-commissaris d.d. 14 november 2013, onder 4 en 17.

25 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] , d.d. 27 november 2013, onder 39 tot en met 43.

26 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] door de rechter-commissaris, d.d. 29 november 2013, onder 5, 14, 18, 19, 20.

27 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] door de rechter-commissaris d.d. 14 november 2013, onder 3, 6 t/m 10, 13, 14 en 26.

28 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 9] door de rechter-commissaris d.d. 29 november 2013, onder 8, 25 en 26.

29 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 9] door de rechter-commissaris d.d. 29 november 2013, onder 17.

30 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 10] door de rechter-commissaris d.d. 27 november 2013, onder 5.

31 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 10] door de rechter-commissaris d.d. 27 november 2013, onder 6, onderaan de alinea.

32 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 10] door de rechter-commissaris d.d. 27 november 2013, onder 8.

33 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 10] door de rechter-commissaris d.d. 27 november 2013, onder 12 en 14.

34 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 10] door de rechter-commissaris d.d. 27 november 2013, onder 27 en 28.

35 Proces-verbaal van bevindingen nr. RF10-90166, d.d. 6 maart 2014, met bijlagen. P. 34-35.

36 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 september 2010, p. 3759-3760.

37 Proces-verbaal verhoor getuige [cliënt 1] , d.d. 23 september 2010, p. 3839 onderaan en 3840 midden.

38 Proces-verbaal verhoor getuige [betrokkene 1] , d.d. 31 augustus 2010, p. 3814 onderaan.

39 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 september 2010 inclusief bijlagen, p. 3751 t/m 3758.

40 Een schriftelijk bescheid, bestaande uit een machtiging, gevoegd als bijlage 2 bij proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 september 2010, p. 3745.

41 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 augustus 2010 inclusief bijlagen, p. 3746 t/m 3750.

42 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 september 2010, p. 4049 en 4055.

43 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 augustus 2010, p. 4046.

44 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 september 2010, p. 4049.

45 Een schriftelijk bescheid, bestaande uit een machtiging, p. 3990.

46 Proces-verbaal getuige [cliënt 2] , p. 4153 t/m 4154.

47 Twee geschriften, te weten bankafschriften d.d. 18 augustus 2008 en 15 september 2008, p. 4963 t/m 4964 en een geschrift, te weten een bankafschrift d.d. 19 januari 2009, p. 4963.

48 Een geschrift, te weten een bankafschrift d.d. 19 januari 2009, p. 4963.

49 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 12] bij door rechter-commissaris, d.d. 10 december 2013, onder 31 en 32. Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 12] d.d. 28 juni 2010, p. 4936 3e alinea van boven.

50 Een geschrift, te weten een machtiging, p. 4966.

51 Een schriftelijk bescheid, bestaande uit een declaratieformulier PGB-AWBZ, p. 3539 en 3540.

52 Een schriftelijk bescheid, bestaande uit een factuur van [bedrijf] d.d. 1 januari 2009, p. 3541.

53 AMB-85, Proces-verbaal van bevindingen met nr.RF1090166 d.d. 28 augustus 2013, p. 1 t/m 3.

54 Een schriftelijk bescheid, bestaande uit een (digitaal) overzicht urenverantwoording, p. 101.

55 Proces-verbaal van verhoor getuige M.H.C. [getuige 1] door de rechter-commissaris d.d. 9 december 2013, onder 7.

56 Proces-verbaal van verhoor getuige M.H.C. [getuige 1] door de rechter-commissaris d.d. 9 december 2013, onder 25.

57 Schriftelijke bescheiden, bestaande uit urenregistratieformulieren ten name van dhr. [cliënt 1] , p. 3819 t/m 3837.

58 Schriftelijke bescheiden, bestaande uit facturen van [bedrijf] , p. 3710 t/m 3722.

59 Een schriftelijk bescheid, bestaande uit een (digitaal) overzicht urenverantwoording, p. 94 t/m 96, 98 t/m 100, 102 t/m 104, 106, 108 en 110.

60 Proces-verbaal van verhoor getuige [cliënt 1] d.d. 23 september 2010, p. 3842 laatste alinea.

61 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 september 2010, p. 3804 en 3805.

62 Schriftelijke bescheiden, bestaande uit kasbewijzen/kwitanties, p. 3723 t/m 3730.

63 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 11 april 2016.

64 Een schriftelijk bescheid, bestaande uit een (digitaal) overzicht urenverantwoording, p. 94 t/m 98.

65 Een schriftelijk bescheid, bestaande uit een (digitaal) overzicht urenverantwoording, p. 110 en 112.

66 Schriftelijke bescheiden, bestaande uit kasbewijzen/kwitanties, p. 4036 t/m 4038.

67 Schriftelijk bescheiden, bestaande uit declaratieformulieren PGB-AWBZ, p. 4404 t/m 4415.

68 Schriftelijke bescheiden, bestaande uit facturen van [bedrijf] , p. 4397 t/m 4403.

69 Een schriftelijk bescheid, bestaande uit een (digitaal) overzicht urenverantwoording, p. 95 t/m 101.

70 Proces-verbaal van verhoor getuige [cliënt 6] door de rechter-commissaris d.d. 29 juli 2014, onder 4.

71 Een schriftelijk bescheid, bestaande uit een schriftelijke verklaring van de verdachte d.d. 31 juli 2014 (losse dossierbijlage, p. 14 van de verklaring, onderaan).

72 Een schriftelijk bescheid, bestaande uit een kasbewijs/kwitantie d.d. 23 augustus 2008, p. 4443.

73 Een schriftelijk bescheid, bestaande uit een schriftelijke machtiging d.d. 4 september 2008, p. 4396.

74 Proces-verbaal van verhoor getuige [cliënt 6] door de rechter-commissaris d.d. 29 juli 2014, onder 8.

75 Schriftelijke bescheiden, bestaande uit urenregistratieformulieren ten name van [cliënt 7] , p. 4582 t/m 4624.

76 Zie de urenregistratieformulieren op p. 4589, 4595, 4603, 4612 en 4618 en proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 september 2010, p. 4693.

77 Schriftelijke bescheiden, bestaande uit kasbewijzen/kwitanties, p. 4689 t/m 4691.

78 Proces-verbaal van verhoor [getuige 14] door de rechter-commissaris d.d. 15 november 2013, onder 5 en 13.

79 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 september 2010, p. 4687 en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 14] d.d. 23 juni 2010, p. 4740 en 4741.

80 Een schriftelijk bescheid, bestaande uit een (digitaal) overzicht urenverantwoording, p. 95 t/m 111.

81 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 november 2010, p. 4709 en G-30, proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 29 juli 2010, p. 2984 midden.

82 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] door de rechter-commissaris d.d. 14 november 2013, onder 8.

83 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 9] door de rechter-commissaris d.d. 29 november 2013, onder 6, 8 en 14.

84 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 13] d.d. 6 juli 2010, p. 4761, zesde alinea van onder.

85 Schriftelijke bescheiden, bestaande uit urenregistratieformulieren ten name van [cliënt 3] , p. 5024 t/m 5033.

86 Een schriftelijk bescheid, bestaande uit een (digitaal) overzicht urenverantwoording, p. 96 t/m 108.

87 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 1 oktober 2010, p. 5021.

88 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 11 april 2016.

89 Proces-verbaal d.d. 6 april 2012, p. 5066 en geschriften, te weten bankafschriften, gevoegd als bijlage 4 bij het ontnemingsdossier.

90 Proces-verbaal en kennisgeving van inbeslagneming, d.d. 13 januari 2010, p. 5173 t/m 5175.

91 Proces-verbaal van binnentreden en doorzoeking ter inbeslagneming woning [adres 4] Leiden, d.d. 21 januari 2010, opgesteld door rechter-commissaris P. de Haan.

92 V2.04 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 30 september 2010, p. 3244.

93 Proces-verbaal d.d. 6 april 2012, p. 5066 en geschriften, te weten wisselbewijzen d.d. 12 en 13 augustus 2008.

94 V2.04 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 30 september 2010, p. 3246.

95 Proces-verbaal d.d. 6 april 2012, p. 5066 en een geschrift, te weten wisselbewijs, gevoegd als bijlage 2 bij dit proces-verbaal, p. 5179.

96 V2.04, proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 30 september 2010, p. 3246.

97 AMB-66, proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 september 2010, p. 2227.

98 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 april 2012, p. 5167 en een geschrift, zijnde een overzicht van moneytransfers, p. 5586 t/m 5588.

99 Een geschrift, te weten een aangifte van Onderlinge waarborgmaatschappij Zorg en Zekerheid, p. 25 en 26 en een geschrift, te weten een overzicht ingezette zorg per budgethouder, p. 38 t/m 42.