Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:4569

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-04-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
AWB 16/6136
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een eerder beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, Vw ongegrond verklaard. Voor de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste, tweede lid en zesde lid, Vw gelden andere vereisten dan voor het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, Vw. Het door eiseres, als vervolgberoep, ingestelde beroep tegen de opgelegde vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6, eerste, tweede en zesde lid, Vw moet daarom worden aangemerkt als een eerste beroep als bedoeld in artikel 94 Vw.

Verweerder heeft, nu eiseres voordien zelf geen beroep heeft ingesteld, ten onrechte niet binnen de daarvoor gestelde termijn de rechtbank een kennisgeving gezonden als bedoeld in artikel 94, eerste lid, Vw. Dat leidt op de dag waarop de aldus gestelde termijn eindigt tot strijdigheid van de maatregel met die bepaling.

Wetsverwijzingen
Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16/6136

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 12 april 2016 in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] , van Indiase nationaliteit, verblijvende in het Detentiecentrum [plaats] ,

eiseres,

(gemachtigde: mr. J.M. Tang, advocaat te Rotterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. G.M.L. van Doornum, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2016 heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met toepassing van de grensprocedure afgewezen. Op grond van artikel 3, zesde lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) geldt dat besluit tevens als weigering van de toegang tot Nederland. Bij voornoemd besluit heeft verweerder voorts aan eiseres op grond van artikel 6, eerste, tweede lid en zesde lid, Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Eiseres heeft tegen de vrijheidsontnemende maatregel op 29 maart 2016 beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding toe te kennen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Bij besluit van 4 februari 2016 heeft de ambtenaar belast met de grensbewaking het besluit om eiseres de toegang tot Nederland te weigeren uitgesteld met toepassing van artikel 3, vierde lid, Vw voor ten hoogste vier weken. Bij besluit van diezelfde datum is aan eiseres op grond van artikel 6, derde lid, Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 22 februari 2016 (NL 16.216) heeft deze rechtbank en zittingsplaats het daartegen door eiseres ingestelde beroep ongegrond verklaard.

  2. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank zich ambtshalve gesteld voor de vraag of met het besluit van 18 februari 2016 sprake is van voortzetting van de bij besluit van 4 februari 2016 aan eiseres opgelegde vrijheidsontnemende maatregel, zodat het beroep van eiseres moet worden aangemerkt als een vervolgberoep tegen de voortduring van de maatregel als bedoeld in artikel 96 Vw, of van het opleggen van een nieuwe maatregel van bewaring, op grond waarvan het beroep van eiseres moet worden aangemerkt als een eerste beroep als bedoeld in artikel 94 Vw.

  3. Zoals deze rechtbank en zittingsplaats heeft overwogen bij uitspraak van 10 december 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:15525), dient de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw - anders dan de voorafgaande maatregel op grond van artikel 6, derde lid, Vw waarin de grondslag van de maatregel is gelegen in de toepassing van de grensprocedure - te zijn gebaseerd op een besluit tot toegangsweigering en, gelet op het bepaalde in artikel 6, zesde lid, Vw, op gronden waaruit volgt dat het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid de vrijheidsontneming vordert. Nu voor het besluit van 18 februari 2016 tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 6, eerste en tweede lid, Vw andere vereisten voor oplegging van de maatregel gelden dan voor de eerder opgelegde vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 6, derde lid, Vw, betreft het besluit van 18 februari 2016 het opleggen van een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel. Het beroep van eiseres, voor zover gericht tegen het besluit van 18 februari 2016 en de voortduring van de vrijheidsontneming sindsdien, moet daarom worden aangemerkt als een beroep als bedoeld in artikel 94 Vw (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 30 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:949).

  4. Nu sprake is van een besluit tot het opleggen van een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel, als bedoeld in artikel 94, eerste lid, Vw, volgt uit voornoemde bepaling dat verweerder uiterlijk op de achtentwintigste dag na de bekendmaking van dat besluit de rechtbank hiervan in kennis dient te stellen, tenzij de vreemdeling voordien zelf beroep heeft ingesteld.
    4.1 De vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw is aan eiseres opgelegd op 18 februari 2016. De in artikel 94, eerste lid, Vw gestelde termijn eindigde daarom op 18 maart 2016. Nu eiseres niet voordien zelf beroep heeft ingesteld, heeft verweerder ten onrechte niet binnen de daarvoor gestelde termijn de rechtbank een kennisgeving gezonden als bedoeld in artikel 94, eerste lid, Vw. Dat leidt op de dag waarop de aldus gestelde termijn eindigt tot strijdigheid van de maatregel met die bepaling (zie de uitspraak van de Afdeling van 25 april 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AT6202)). Derhalve is de vrijheidsontnemende maatregel in elk geval onrechtmatig vanaf 18 maart 2016.

  5. De rechtbank ziet in de door eiseres aangevoerde beroepsgronden aanleiding te beoordelen of de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel ook vanaf een eerder moment dan 18 maart 2016 onrechtmatig is geweest.

  6. Eiserers voert aan dat de situatie waarin zij gedetineerd is in het Detentiecentrum [plaats] niet geschikt is voor vrouwen. Eiseres en een andere medegedetineerde zijn de enige vrouwen in het detentiecentrum. Eiseres krijgt daardoor veel ongewenste aandacht van mannen in het detentiecentrum. Onder deze omstandigheden had de vrijheidsontnemende maatregel in het Detentiecentrum [plaats] achterwege gelaten moeten worden.

6.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij navraag heeft gedaan bij het Detentiecentrum [plaats] en dat daaruit niet is gebleken van incidenten jegens eiseres. Het Detentiecentrum houdt de situatie in de gaten. Dat eiseres als vrouw in het Detentiecentrum verblijft, doet daarom geen afbreuk aan de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel.

6.2

De enkele omstandigheden dat eiseres en een medegedetineerde als enige twee vrouwen in het detentiecentrum verblijven, biedt niet zonder meer grond voor het oordeel dat verweerder had dienen af te zien van toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel in het Detentiecentrum [plaats] . Dat de situatie voor eiseres als vrouw in het detentiecentrum ongeschikt is, heeft zij niet nader onderbouwd. Voorts heeft zij de stelling van verweerder dat de situatie in het detentiecentrum in de gaten wordt gehouden en dat niet is gebleken van incidenten jegens eiseres, niet gemotiveerd weersproken.
De beroepsgrond slaagt niet.

7. Eiseres voert aan dat aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan haar uitzetting nadat haar asielaanvraag was afgewezen op 18 februari 2016. Verweerder heeft eerst op 10 maart 2016 een aanvraag tot afgifte van een laissez passer verzonden aan de Indiase autoriteiten. Met eiseres heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden op 25 februari 2016. Daarom valt niet in te zien waarom tot 10 maart 2016 is gewacht voordat de aanvraag voor een laissez passer is doorgezonden aan de diplomatieke vertegenwoordiging van India.

7.1

Uit de door verweerder toegezonden voortgangsgegevens over de uitzetting van eiseres blijkt het volgende. Op 25 februari 2016 heeft verweerder met eiseres een vertrekgesprek gehouden. Eiseres heeft geweigerd haar medewerking te verlenen aan haar vertrek. Op 1 maart 2016 heeft verweerder de aanvoerende luchtvaartmaatschappij verzocht de luchtvaartclaim te effectueren. Op 8 maart 2016 heeft de luchtvaartmaatschappij verweerder verzocht om een laissez passer voor eiseres aan te vragen, omdat, zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, effectuering van de claim via Oekraïne niet mogelijk bleek en eiseres vervoerd zal worden via een andere route. Op 9 maart 2016 is het verzoek om een laissez passer verzonden aan de Indiase autoriteiten. Op 24 maart 2016 heeft een vertrekgesprek met eiseres plaatsgevonden. Op 30 maart 2016 is eiseres in persoon gepresenteerd bij de Indiase autoriteiten. Op 31 maart 2016 hebben zij de nationaliteit van eiseres bevestigd. Op 31 maart 2016 heeft verweerder een vlucht aangevraagd, met begeleiding van escorts. Op 4 april 2016 heeft verweerder de vluchtgegevens ontvangen voor een vlucht op 20 april 2016. Op 6 april 2016 heeft verweerder de laissez passer voor eiseres ontvangen.

7.2

Gelet op het voorgaande is er geen grond voor het oordeel dat verweerder na de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres op 18 februari 2016 onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan haar uitzetting. Voorafgaand aan het aanvragen van een laissez passer op 9 maart 2016, heeft verweerder getracht eiseres uit te zetten op basis van de luchtvaartclaim. Eerst nadat op 8 maart 2016 was gebleken dat effectuering van de claim niet mogelijk bleek zonder laissez passer, bestond voor verweerder aanleiding om een laissez passer voor eiseres aan te vragen. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat verweerder reeds eerder dan 9 maart 2016 een laissez passer had dienen aan te vragen.
De beroepsgrond slaagt niet.

8. Uit het voorgaande volgt dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is vanaf 18 maart 2016 en dat er geen grond is voor het oordeel dat de maatregel reeds eerder dan 18 maart 2016 onrechtmatig is geweest.

9. Het beroep, voor zover gericht tegen de vrijheidsontnemende maatregel, is gegrond.

10. De rechtbank zal de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel bevelen met ingang van heden.

11. De rechtbank zal aan eiseres met toepassing van artikel 106 Vw een schadevergoeding toekennen. Voor het verblijf van eiseres in het Justitieel Complex Schiphol (JCS) en het Detentiecentrum [plaats] wordt een schadevergoeding van € 80,- per dag toegekend. De rechtbank zijn geen omstandigheden gebleken die tot matiging van de schadevergoeding zouden moeten leiden. De rechtbank begroot de schadevergoeding van eiseres daarom op
€ 2.000,- (25 dagen verblijf in het JCS en het Detentiecentrum [plaats] ). De griffier van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, betaalt op grond van artikel 93 Wetboek van Strafvordering het bedrag van de vergoeding uit.

12. Ingevolge artikel 94, tweede lid, Vw wordt het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel geacht mede een beroep tegen het besluit tot toegangsweigering als bedoeld in artikel 3, zesde lid, Vw te omvatten. Eiseres heeft geen gronden gericht tegen het besluit tot toegangsweigering. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit tot toegangsweigering, voldoet derhalve niet aan het vereiste van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met toepassing van artikel 6:6 Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:5 Awb, wordt het beroep in zoverre daarom niet-ontvankelijk verklaard.

13. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 992,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de Rechtsbijstand, moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, Awb het bedrag van de proceskosten vergoeden aan de rechtsbijstandverlener van eiseres.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de vrijheidsontnemende maatregel, gegrond;

  • -

    beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van heden;

  • -

    draagt verweerder op € 2.000,- als schadevergoeding aan eiseres te betalen;

  • -

    verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit tot toegangsweigering, niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 992,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van der Kluit, rechter, in aanwezigheid van mr. H.C. Otten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 april 2016.

griffier rechter

De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van deze uitspraak voor het bedrag van de schadevergoeding en draagt de griffier van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, op aan eiseres € 2.000,- uit te betalen.

Gedaan op 12 april 2016, door mr. J. van der Kluit, rechter.

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.