Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:4528

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-04-2016
Datum publicatie
28-04-2016
Zaaknummer
09/817031-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Den Haag veroordeelt een 64-jarige man tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar voor opzettelijk brand stichten met levensgevaar voor een ander.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/817031-16

Datum uitspraak: 28 april 2016

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1951 te [geboorteplaats] ,

[adres verdachte] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Haaglanden te Zoetermeer.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 14 april 2016.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.J. Algera en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. P.F.D.P. de Milliano, advocaat te Katwijk, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks 1 januari 2016 te Sassenheim, gemeente Teylingen, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur en/of een hittebron in aanraking te brengen met een kerstboom en/of (een) andere zich in de woonkamer van het woonhuis aan de [adres aangeefster] bevindende goed(eren), althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan die kerstboom en/of (een) boekenkast(en) en/of andere zich in die woonkamer bevindende goederen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar

voor de woning aan de [adres aangeefster] en/of de zich daaraan grenzende woningen en/of de zich in die woning bevindende (andere) goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar voor [aangeefster] en/of de bewoners van de aangrenzende woningen aan de [adres aangeefster] , in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [aangeefster] en/of de bewoners van de aangrenzende woningen aan de [adres aangeefster] , in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Op 1 januari 2016 heeft er in de woning van [aangeefster] (hierna: aangeefster) een korte en hevige brand gewoed. Aangeefster en verdachte waren niet lang tevoren samen thuis gekomen. Nadat zij in de slaapkamer ruzie hadden gekregen heeft verdachte via de ondergelegen etages het huis verlaten. Kort daarna werd de brand ontdekt. Aangeefster is door omstanders en de brandweer gered vanaf een raamkozijn op de tweede etage waar zij na het bemerken van de brand was heen gevlucht. In de periode tussen het tezamen thuiskomen van aangeefster en verdachte en het ontstaan van de brand zijn er geen andere personen in de woning geweest. De rechtbank ziet zich gelet op hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, gesteld voor de vraag of verdachte –die zulks ontkent- zich schuldig heeft gemaakt aan brandstichting.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat, gelet op de omstandigheden dat een technische oorzaak zo goed als uitgesloten kan worden, dat de verklaring van aangeefster wordt ondersteund door overig bewijs en dat verdachte meermalen leugenachtig heeft verklaard, het niet anders kan dan dat verdachte in de woning van aangeefster brand heeft gesticht. De officier van justitie heeft dan ook gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en zich heeft schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting met levensgevaar voor een ander.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het aan verdachte ten laste gelegde feit bepleit. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat er onvoldoende (objectief) bewijs is dat verdachte de brand heeft gesticht. Op verdachte zijn geen sporen aangetroffen en verdachte had evenmin verschroeide haren op zijn handen. Voorts is er nimmer onderzoek gedaan naar de psychische gesteldheid van aangeefster en de mogelijke betrokkenheid van aangeefster bij de brand.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Algemeen

De rechtbank baseert haar beslissing omtrent de tenlastelegging op diverse bewijsmiddelen, waaronder bevindingen en verklaringen, die in het onderstaande verkort worden weergegeven, waarna de rechtbank gemotiveerd zal aangeven tot welke conclusies die bewijsmiddelen voeren.

Sporenonderzoek 2

Naar aanleiding van de woningbrand is op 2 januari 2016 forensisch onderzoek verricht in de tussenwoning van aangeefster aan de [adres aangeefster] te Sassenheim. Zichtbaar was dat de brand had gewoed in de woonkamer op de eerste verdieping. In de hoek links achter in de woonkamer werd de brandhaard aangetroffen. Ter plaatse lagen een boekenkast, boeken en een verbrande stam van een kerstboom. De zich in de woonkamer bevindende stekkers en de wandcontactdoos waren in goede staat en er werden geen bijzonderheden aan aangetroffen. Voor de aanwezigheid van ontbrandbare stoffen is gedurende het onderzoek geen aanwijzing verkregen.

De onderzoekers concluderen dat bij de brand een gemeen gevaar voor goederen en personen te duchten was. Indien de brand niet tijdig was ontdekt en geblust, moet niet uitgesloten worden geacht dat de brand zich had uitgebreid naar de gehele woning en de naastgelegen panden. Bij het raam waardoor aangeefster de woning heeft verlaten was voor dit doeleinde geen voorziening.

Op grond van het onderzoek hebben de onderzoekers geconcludeerd dat de brand is begonnen in of aan de kerstboom. Een technische oorzaak voor het ontstaan van de brand is niet aangetroffen, maar kan niet geheel worden uitgesloten. Gelet op de bevindingen wordt echter als meest aannemelijke scenario geacht het ‘al dan niet opzettelijk bijbrengen dan wel achterlaten van vuur in enigerlei vorm op of in de kerstboom’.

Bevindingen van de brandweer 3

Om 23.34 uur was de brandweer vanuit de kazerne te Sassenheim ter plaatse. Op dat moment stonden de tweede verdieping en de zolder van de woning vol met zwarte/grijze rook. Op de tweede etage bevond zich een vrouw in nachtkleding (de rechtbank begrijpt: aangeefster) aan de buitenkant van het raam. De vrouw is via de ladder van een buurtbewoner en een lange ladder van de brandweer naar beneden geholpen. Om 23.38 uur is de brandweer uit de kazerne te Voorhout, alsmede de brandweer uit de kazerne te Lisse gearriveerd. De brand was kort en fel en om 23.46 uur is het sein “Brand Meester” gegeven. Verbalisant [naam verbalisant 1] vermoedt op grond van eerdere ervaringen dat de temperatuur op loophoogte ongeveer 150 ºC en tegen het plafond 600 ºC bedroeg. Door hem is geconcludeerd dat aangeefster niet de gelegenheid heeft gehad om via de voordeur de woning uit te vluchten.

Verdere bevindingen omtrent de situatie in de woning

Op de bar van de open keuken is een grote doos lange lucifers aangetroffen. Op en om deze luciferdoos lag as.4

Verklaringen aangeefster

[aangeefster] heeft op 2 januari 2016 aangifte5 gedaan en daarbij verklaard dat zij enkele maanden eerder via een datingsite verdachte heeft leren kennen en dat zij sindsdien een relatie hadden. Op 1 januari 2016 kwamen verdachte en aangeefster na een feest van haar zus en zwager omstreeks 22.15 uur aan bij haar woning. Aangeefster heeft vervolgens de lampen en de kerstverlichting aangedaan, maar aangezien verdachte direct naar bed wilde heeft ze deze weer uitgedaan en is zij omstreeks 22.20 uur (ook) naar boven gegaan. Aangeefster heeft geen kaarsen aangedaan na thuiskomst. In de slaapkamer is onenigheid ontstaan, die erin resulteerde dat de relatie door aangeefster werd beëindigd. Verdachte was boos omdat de relatie verbroken was en is – uiteindelijk – naar beneden gegaan. Verdachte heeft twee keer tegen aangeefster gezegd dat ze dood kon vallen. Aangeefster hoorde verdachte rommelen en na ongeveer vijf minuten hoorde zij een gek geluid van beneden komen. Het klonk of iemand een rol plastic heel snel uittrok, een soort zoefgeluid. Omdat aangeefster het niet vertrouwde is zij uit haar bed gegaan. Vanuit het trapgat zag zij een felle oranje gloed in de woonkamer. Aangeefster heeft verklaard dat zij direct wist dat er brand was. Uit angst voor verdachte durfde aangeefster niet naar beneden te vluchten. Zij is om deze reden op de tweede etage buiten op het raamkozijn geklommen waarbij zij zich heeft vastgehouden aan het houtwerk. Vanuit die positie zag zij verdachte op de oprit naast zijn auto staan. Voor enkele seconden keken aangeefster en verdachte elkaar aan en hadden zij oogcontact, waarna verdachte in zijn auto stapte en weg reed. Aangeefster is op dat moment om hulp gaan roepen. Vanwege de zwarte rook die uit haar woning kwam, moest aangever haar hoofd draaien om beter te kunnen ademen.

Op 3 januari 2016 heeft aangeefster6 aan haar eerdere verklaring onder meer toegevoegd dat zij wist dat zij op 1 januari 2016 om 22.15 uur thuis was omdat zij dit op de klok heeft gezien. Tussen 22.30 uur en 22.35 uur is zij naar bed gegaan.

De lucifers bewaart aangeefster altijd in een lade in de keuken. Wanneer zij waxinelichtjes aansteekt, legt zij het doosje lucifers altijd weer terug in de lade. Op vrijdag 1 januari 2016 heeft aangeefster geen waxinelichtjes aangestoken en derhalve geen lucifers uit de lade gepakt.

Getuigenverklaringen

Getuige [naam getuige 1] heeft op 2 januari 2016 verklaard7 dat hij een dag eerder omstreeks 23.15 uur commotie hoorde, waarop hij naar het balkon is gelopen. Daar hoorde hij een vrouw om hulp roepen en zag hij aangeefster aan de gevel van haar woning geklampt staan. Ze stond op een kozijn op ongeveer zeven meter boven de grond. Hierbij hoorde hij haar roepen: “help, hij heeft de boel in de brand gestoken”. [naam getuige 1] is naar buiten gerend, waar op dat moment meerdere buurtbewoners stonden, en heeft samen met een buurman een ladder naar de woning gebracht. Aangeefster stond in de rook die uit de woning kwam en [naam getuige 1] omschrijft het als een levensgevaarlijke situatie.

Getuige [naam getuige 2] heeft op 2 januari 2016 verklaard8 dat zij op 1 januari 2016 in bed lag en op haar wekker zag dat het 23.05 uur was. Kort daarna hoorde zij ‘gestommel’ in de woning bij de buurvrouw [aangeefster] , zijnde aangeefster. Korte tijd daarna hoorde zij geschreeuw en gegil, waarbij zij niet direct doorhad dat het iemand was die om hulp schreeuwde. Weer een korte tijd later hoorde zij een vrouw schreeuwen “nee nee nee, help help help”, waarop [naam getuige 2] haar bed is uitgegaan. Via het openstaande raam zag [naam getuige 2] dat aangeefster op de rand van het raam stond, zich vast hield aan de bovenzijde van het raam en in paniek was. Zij heeft aangeefster horen roepen: “hij heeft het huis in de brand gezet” of iets soortgelijks. Op dat moment zag zij de auto van verdachte op de weg staan. De auto stond schuin op de weg alsof hij van de oprit van de woning van aangeefster was weggereden. De auto reed weg in de richting van de Kagerdreef. Getuige [naam getuige 2] heeft verklaard dat zij besefte dat de woning in de brand stond op het moment dat er rook uit de woning kwam.


Op 29 maart 2016 heeft getuige [naam getuige 2] onder meer verklaard9 dat zij op 1 januari 2016 om 23.05 uur op haar wekker keek. Hierna heeft zij het licht uitgedaan en is zij gaan slapen. Daarna heeft zij het geroep gehoord. Toen het geschreeuw bleef aanhouden, is zij uit haar bed opgestaan om te gaan kijken. Op straat zag ze de auto van verdachte staan. Uit de wijze waarop de auto op de weg stond, zag ze dat de auto net achteruit van de oprit van aangeefster was gereden en op het punt stond om weg te rijden. Getuige [naam getuige 2] zag verdachte in de auto zitten. Hierbij had hij een neutrale gezichtsuitdrukking. [naam getuige 2] zag dat verdachte vanuit de auto naar boven naar de woning van aangeefster keek. Op dat moment hoorde zij aangeefster om hulp roepen en zag zij haar staan op het richeltje voor het raam op de tweede etage. Aangeefster riep: “oh wat heeft hij nou gedaan, hij heeft het huis in brand gestoken” of woorden van gelijke strekking. Vervolgens is [naam getuige 2] naar binnen gegaan waar zij haar vriend wakker heeft gemaakt en direct 112 heeft gebeld. De oproep naar 112 was om 23.28 uur.

ARS-gegevens van de auto van verdachte

Uit ARS-gegevens10 blijkt dat de auto van verdachte op 1 januari 2016 te 23.30 uur zich nog in de buurt van Sassenheim bevindt; op 2 januari 2016 te 0.38 uur in de buurt van het Amstelmeer en op 2 januari 2016 te 0.42 uur in de buurt van Den Helder.

Verklaring verdachte bij zijn aanhouding

Op zaterdag 2 januari 2016 om 00.49 uur zien verbalisanten – die bij de woning van verdachte in Den Helder staan geposteerd – verdachte in zijn auto aan komen rijden. Verdachte wordt medegedeeld dat hij is aangehouden ter zake brandstichting, poging doodslag c.q. moord. Eén van verbalisanten hoort verdachte zeggen:

“Ik denk dat ik maar een advocaat moet nemen, is misschien beter. Heeft het met mijn vriendin te maken, ik kom daar net vandaan. Ik heb de relatie vanavond verbroken. Ik heb haar vanavond aan het begin van de straat waar zij woont, uit de auto laten stappen. Zij is niet helemaal goed in haar hoofd. Ook heeft zij in haar woning allemaal kaarsen staan, erg gevaarlijk. Hoe is het met haar? Weet u dat?”11

Gedraging verdachte na zijn aanhouding

In verband met het veiligstellen van eventuele sporen zijn bij verdachte na zijn aanhouding handschoenen omgedaan. Door verbalisant [naam verbalisant 2] wordt gemeld dat verdachte zijn handschoenen heeft uitgedaan. Op de live camerabeelden van de observatiecel waarin verdachte op 2 januari 2016 is geplaatst, wordt vervolgens door een verbalisant gezien dat verdachte zijn scheurbroek laat zakken en met zijn enkels en gezicht naar de muur plaatsneemt op het toilet. Verdachte stopt daarna zijn beide handen in het toilet en houdt zijn handen daar – terwijl hij ondertussen een wassende beweging maakt – gedurende ongeveer tien seconden. Vervolgens staat verdachte op, haalt hij zijn broek op en wrijft hij zijn handen voor ongeveer tien seconden langs zijn broek. Hierna ziet de verbalisant dat verdachte op de intercom drukt, waarna de verbalisant hem hoort zeggen: “De handschoenen zitten te strak, ik ga ze afdoen. Mijn vingers tintelen.” Wanneer de verbalisant verdachte vraagt of hij zijn handen heeft gewassen wordt dit door verdachte ontkend.12

Verdachte heeft eerst ter terechtzitting verklaard13 dat hij zijn handen na zijn aanhouding in het toilet van de observatiecel heeft gewassen omdat hij avond ervoor door vuurwerkdampen had gelopen, hij in de middag nog waxinelichtjes had aangestoken en hij op de avond bij een open haard had gezeten. Hij was bang dat de sporen die hierdoor mogelijk zouden zijn achtergelaten door de politie zouden worden verward met sporen van brandstichting. Desgevraagd heeft verdachte aangegeven dat het niet eerder in hem was opgekomen dit te zeggen.

Verklaringen verdachte bij de politie en ter terechtzitting

Alle door verdachte afgelegde verklaringen komen er in de kern op neer dat verdachte de woning van aangeefster heeft verlaten alvorens er een brand was ontstaan. Verdachte en aangeefster zijn op 1 januari 2016 na een feest tezamen naar de woning van aangeefster gegaan waar zij naar bed zijn gegaan. Er ontstond onenigheid aangezien verdachte intimiteit wilde, hetgeen echter door aangeefster werd afgewezen. Hierop is de relatie beëindigd. Verdachte heeft zijn spullen bij elkaar gezocht, zich snel aangekleed en heeft de woning verlaten.

Voor het overige heeft verdachte bij de politie en op zitting telkens wisselend verklaard.

Zo heeft verdachte eerst verklaard dat hij met een tussenstop in Egmond aan Zee naar huis is gereden, maar heeft hij vervolgens, nadat de hierboven vermelde ARS-gegevens van zijn auto bekend zijn geworden, zijn verklaring aangepast door te stellen dat hij niet via Egmond aan Zee maar via het Amstelmeer naar zijn woning is gegaan. Eerst nadat verdachte is geconfronteerd met de getuigenverklaring van [naam getuige 2] – die hem bij de woning zag terwijl aangeefster al buiten het raam stond – heeft hij verklaard dat hij de woning van aangeefster weliswaar had verlaten, maar dat hij enige tijd door de wijk is rondgereden en daarna naar de woning is teruggekeerd. Daar aangekomen zag hij vuur en lichtflitsen in de kamer en zag hij aangeefster staan op het raamkozijn. Verdachte is hierdoor in paniek geraakt en weggereden.

De verklaringen van verdachte lopen – vanaf het moment dat verdachte heeft verklaard dat hij naar de woning van aangeefster is teruggegaan – in het bijzonder uiteen over het tijdstip waarop hij de woning van aangeefster in eerste instantie heeft verlaten, op welk tijdstip hij bij de woning is teruggekeerd, wat hij in de tussenliggende periode heeft gedaan en wat bij verdachte het moment van wetenschap was dat er sprake was van een brand in de woning van aangeefster. Ter terechtzitting heeft verdachte uiteindelijk verklaard dat hij om 22.45 uur de woning van aangeefster heeft verlaten. Vervolgens heeft verdachte wat rondgereden door de wijk en heeft hij stilgestaan op de Industriekade. Aangezien verdachte zich niet prettig voelde bij het afscheid is hij weer naar de woning gereden alwaar hij tussen 23.05 uur en 23.10 uur was. In die tijdspanne is hij gedeeltelijk uitgestapt, heeft hij aangeefster om hulp horen roepen en is hij in paniek weggegaan nadat hij zag dat aangeefster op de rand stond. Verdachte is om 23.10 uur weggereden en heeft tussen 23.10 uur en 23.30 uur wederom rondgereden door de buurt. Nadat hij om 23.30 uur zag dat de brandweer onderweg was, wilde hij zo snel mogelijk naar huis waarop hij de snelste route naar Den Helder is gereden.

Uit de bovenvermelde verklaringen van verdachte blijkt dat hij zeer inconsistent heeft verklaard. Tot aan het laatste stadium, te weten het onderzoek ter terechtzitting, heeft hij meermalen zijn verklaring op verschillende punten aangepast. Ook ter terechtzitting zelf heeft verdachte wisselende verklaringen afgelegd of bleef hij op punten ontwijkend of vaag in zijn uitleg. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het er alle schijn van dat verdachte zijn verklaring telkens heeft gewijzigd aan de hand van de bij hem op dat moment bekende omstandigheden die als voor hem belastend kunnen gelden.

Voorts stelt de rechtbank vast dat de verklaring van verdachte ter terechtzitting, inhoudende dat hij om 23.05 uur weer terug was bij de woning van aangeefster en dat aangeefster toen al buiten op de richel stond, zich niet verenigt met de verklaring van aangeefster dat zij ongeveer een kwartier op die richel heeft gestaan, terwijl zij daar rond 23.35 door de brandweer vanaf is gehaald. Evenmin sluit de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij om 23.10 uur bij de woning van aangeefster is weggereden, aan op de verklaring van getuige [naam getuige 2] die heeft verklaard dat zij, vlak voordat zij om 23.28 uur 112 belde, verdachte in zijn auto zag zitten.

Conclusie van de rechtbank

Uit het hierboven beschreven sporenonderzoek, in combinatie met het aantreffen het luciferdoosje en de verklaring van aangeefster, leidt de rechtbank af dat de brand is ontstaan door opzettelijke brandstichting. Nu uit de bewijsmiddelen volgt dat het ging om een felle brand in een tussenwoning, waarin zich op dat moment aangeefster bevond, terwijl haar de mogelijkheid was ontnomen om te vluchten via de voordeur, is de rechtbank van oordeel dat deze brand levensgevaar en gevaar voor goederen opleverde.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het verdachte was die de brand heeft gesticht. De rechtbank baseert haar oordeel daarbij op de verklaring van aangeefster, die op verschillende punten door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund. Haar verklaring wordt immers volledig ondersteund door de inhoud van de overige hierboven genoemde getuigenverklaringen, alsmede door het tijdstip van de 112-melding, de door de brandweer genoemde tijdstippen en de momenten dat en locaties waarop de auto van verdachte wordt geregistreerd.

De door verdachte geschetste alternatieve scenario’s zijn op belangrijke onderdelen niet te rijmen met andere bewijsmiddelen. Bovendien heeft te gelden, zoals hierboven vermeld, dat verdachte zeer inconsistent heeft verklaard en zijn verklaring telkens lijkt aan te passen aan de hand van de bij hem op dat moment bekende bewijsmiddelen. Daar komt bij dat de rechtbank de gedraging van verdachte – om na zijn aanhouding zijn handen in de toiletpot in de observatiecel te wassen om zo sporen van zijn handen te wassen – in zijn nadeel uitlegt. De door verdachte hiervoor gegeven verklaring acht zij, mede gelet op het tijdstip dat deze verklaring is gegeven, niet aannemelijk.

Voor de suggestie van de verdediging ten slotte dat aangeefster in een psychotische conditie zelf de brand heeft gesticht, biedt het dossier geen enkel aanknopingspunt.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de brand heeft gesticht door open vuur te houden of achter te laten bij de zich in de woning bevindende kerstboom. Dit is een bewuste gedraging waarmee verdachte een levensgevaarlijke situatie voor aangeefster heeft gecreëerd. Dat betekent dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht terwijl daarvan levensgevaar voor een ander was te duchten.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

hij op 1 januari 2016 te Sassenheim, gemeente Teylingen, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een kerstboom, ten gevolge waarvan die kerstboom en een boekenkast en andere zich in die woonkamer bevindende goederen geheel zijn verbrand en daarvan gemeen gevaar voor de woning aan de [adres aangeefster] en de zich daaraan grenzende woningen en de zich in die woningen bevindende (andere) goederen en levensgevaar voor [aangeefster] en de bewoners van de aangrenzende woningen aan de [adres aangeefster] te duchten was.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

meerdaadse samenloop van:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk bracht stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafverweer gevoerd gelet op de door hem bepleite vrijspraak.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Nadat de relatie tussen verdachte en aangeefster was beëindigd, heeft verdachte ervoor gekozen om – voordat hij de woning verliet – in de woonkamer van aangeefster brand te stichten. Hierbij heeft hij open vuur gehouden bij een droge kerstboom waardoor er direct een felle brand is ontstaan. Verdachte heeft hiermee een levensgevaarlijke situatie doen ontstaan en dat deze situatie aangeefster niet fataal is geworden, is een omstandigheid die niet aan verdachte is te danken. Na het stichten van de brand heeft hij de voordeur achter zich gesloten. Bovendien heeft verdachte aangeefster op zeven meter boven de grond in de rook op het raamkozijn zien staan. Verdachte is vervolgens in zijn auto weggereden. Het voorgevallene is blijkens de ter terechtzitting afgelegde slachtofferverklaring een uiterst dramatische gebeurtenis geweest voor aangeefster. Gelet op de ernst van het misdrijf komt er naar het oordeel van de rechtbank geen andere straf voor oplegging in aanmerking dan één die vrijheidsbeneming van aanmerkelijke duur met zich brengt.

Voor wat betreft de duur van die vrijheidsstraf staat voorop dat de eis van de officier van justitie voor een zaak als de onderhavige als uitgangpunt zeker niet buitensporig kan worden genoemd. De rechtbank zal dan ook moeten nagaan of er in het geval van verdachte factoren zijn die aanleiding geven van dat uitgangspunt -in welke zin dan ook- af te wijken.

In het voordeel van verdachte kan worden meegewogen dat verdachte niet eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen. Daartegenover staat dat verdachte ervoor heeft gekozen om gedurende het gehele politieonderzoek en tijdens het onderzoek ter terechtzitting zijn verklaring meermalen op punten te wijzigen en nimmer openheid van zaken te geven. Hoewel dit het recht is van een verdachte stelt de rechtbank vast dat uit de houding van verdachte niet is gebleken dat hij inzicht toont in hetgeen zijn gedraging heeft veroorzaakt.

De rechtbank ziet voorts in de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die zijn gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting, het advies van de reclassering en de NIFP-rapportage betreffende verdachte geen aanleiding van de eis van de officier van justitie af te wijken.

Al deze omstandigheden in aanmerking genomen zal de rechtbank conform de eis van de officier van justitie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van vijf jaren met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[aangeefster] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 3.000,-.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering en heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat vordering dient te worden afgewezen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht deze vordering als vergoeding ter zake van immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar, nu door of namens verdachte de omvang daarvan niet is betwist en nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 3.000,-.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 1 januari 2016 is ontstaan.

Dit brengt mee, dat verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte voor het bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 3.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [aangeefster] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 24c, 36f, 56 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

meerdaadse samenloop van:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk bracht stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster] toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [aangeefster] een bedrag van € 3.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot

€ 3.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [aangeefster] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.G.C. Veneman, voorzitter,

mr. J.W. du Pon, rechter,

mr. S.M. Krans, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.B. van Munster, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 april 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2016001555, van de politie eenheid Den Haag, district Leiden – Bollenstreek, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 415).

2 Proces-verbaal brandonderzoek, met bijlagen, blz. 93 t/m 135.

3 Proces-verbaal van bevindingen brandweer, blz. 144 t/m 145.

4 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 143.

5 Proces-verbaal aangifte [aangeefster] , blz. 44 t/m 47.

6 Proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 3 januari 2016, blz. 50 t/m 51.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam getuige 1] , blz. 38 t/m 39.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam getuige 2] , blz. 40 t/m 41.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam getuige 2] , blz. 413 t/m 414.

10 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 239-246.

11 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 33 t/m 34.

12 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 35.

13 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 14 april 2016.