Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:4522

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
11-05-2016
Zaaknummer
C/09/492259 / HA ZA 15-803
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zuivere aanvaarding door het doen van betalingen uit de nalatenschap?

Verwijtbaar handelen vereffenaar?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2016-0120
RFR 2016/116

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/492259 / HA ZA 15-803

Vonnis van 23 maart 2016

in de zaak van

[A] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. S.H. van Os te Zeist,

tegen

[B] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. C.I. Zaad te ’s-Gravenhage,

procederend met toevoeging onder nummer [nummer] .

Partijen zullen hierna [A] en [B] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 29 juni 2015, met producties 1 t/m 16;

  • -

    de conclusie van antwoord van 26 augustus 2015, met producties 1 t/m 8;

  • -

    het tussenvonnis van 9 september 2015, waarin een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 17 december 2015, met daaraan gehecht de brief van 28 december 2015, van de zijde van [A] .

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 20 mei 2010 is te [plaats] overleden mevrouw [C] (hierna: “ [C] ”), de moeder van [B] . [C] was de tweede echtgenote van de vader van [A] , de heer [A senior] (hierna: “ [A] senior”).

2.2.

De eerste echtgenote van [A] senior, de moeder van [A] , mevrouw [D] (hierna: “ [D] ”) is op 9 januari 1976 overleden. [D] en [A] senior waren in gemeenschap van goederen getrouwd en hadden naast [A] nog één zoon. [D] had geen testament opgemaakt. [A] en zijn broer hebben bij haar overlijden hun kindsdelen niet opgeëist.

2.3.

[A] senior is in 1988, wederom in gemeenschap van goederen, getrouwd met [C] . Hij is op 9 mei 2004 overleden en had een testament gedateerd 14 april 1997. Op grond van dat testament kwam [C] het vruchtgebruik over de kindsdelen in zijn nalatenschap toe. Ook bij het overlijden van [A] senior hebben [A] en zijn broer hun aandeel in de nalatenschap van hun moeder niet opgeëist.

2.4.

Bij testament heeft [C] haar echtgenoot en haar enige dochter, [B] , aangewezen als enige erfgenamen. Nu [A] senior reeds was overleden ten tijde van het overlijden van [C] , was [B] haar enige erfgename. [A] en zijn broer zijn schuldeisers in de nalatenschap van [C] voor hun kindsdelen in de nalatenschap van hun moeder en van hun vader.

2.5.

Op 15 juni 2010 is de melding van de beneficiaire aanvaarding van de erfenis van [C] door [B] ingeschreven in het boedelregister.

2.6.

Op 13 oktober 2010 heeft een bespreking plaatsgevonden met als onderwerp de afwikkeling van de nalatenschap van [C] en de vorderingen die [A] en zijn broer op deze nalatenschap hebben. Bij dit gesprek waren aanwezig [A] en zijn broer, de echtgenoot van [B] , de heer [E] (hierna: “ [E] ”) en de schoondochter van [E] en [B] . In het verslag dat de schoondochter van [B] van deze bespreking heeft gemaakt, is onder meer het volgende opgenomen:

Het spaartegoed was in 2005 met € 13.000 afgenomen.

[E] [noot rechtbank: [E] ] heeft meegedeeld dat hij toen een lening heeft gekregen en dat hij die lening heeft afgelost.

(…)

[B] [noot rechtbank: [B] ] en [E] hebben nog een bedrag van € 3.000,- geleend. Dit is grotendeels terugbetaald. De resterende € 700,- is hen kwijtgescholden.

Mevrouw [C] [noot rechtbank: [C] ] heeft haar kleindochter [de kleindochter] € 5.000,- geleend. Dit bedrag heeft [de kleindochter] nog niet terugbetaald.

2.7.

Bij e-mail van 19 september 2011 heeft [E] onder meer het volgende geschreven aan [A] :

[de kleindochter] had haar lening aan Oma willen aflossen met de verkoop van haar huis, maar gezien de huidige economische situatie lukt dat niet zo best, ik neem aan dat je dit begrijpt en ook hierover moeten dus afspraken gemaakt worden.

2.8.

[B] heeft een boedelbeschrijving opgesteld, gedateerd 27 augustus 2013. Op basis van deze boedelbeschrijving is de waarde van de nalatenschap negatief. In deze boedelbeschrijving ontbreken de vorderingen van [A] en zijn broer uit hoofde van hun aandeel in de nalatenschap van hun moeder. In deze boedelbeschrijving is evenmin een vordering op de dochter van [B] (hierna: “de kleindochter”) opgenomen.

2.9.

Bij verzoekschrift, dat op 11 november 2013 bij de griffie van de rechtbank is binnengekomen, heeft [B] de kantonrechter verzocht de opheffing van de vereffening te bevelen. [A] en zijn broer hebben hiertegen verweer gevoerd. Bij beschikking van 21 mei 2014 heeft de kantonrechter bij beschikking de opheffing van de vereffening bevolen. [A] en zijn broer hebben hoger beroep ingesteld tegen voormelde beschikking, welk beroep bij beschikking van 8 april 2015 is verworpen op de grond dat de kantonrechter appellanten in zijn beschikking ten onrechte heeft aangemerkt als erfgenamen terwijl zij uitsluitend schuldeisers van de nalatenschap zijn, en derhalve niet hadden kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden.

3 Het geschil

3.1.

[A] vordert, samengevat en bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

1. de verklaring voor recht dat [B] de nalatenschap van [C] zuiver heeft aanvaard;

2. de veroordeling van [B] tot betaling aan [A] van de vorderingen die [A] heeft op de nalatenschap tot een bedrag (a) van € 1.779,39, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van 9 januari 1976 tot aan die der algehele voldoening, dan wel een bedrag door uw rechtbank in goede justitie vast te stellen, (b) van € 8.783,72 en (c) van € 8.333,-, de bedragen onder (b) en (c) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2010, tot aan die der algehele voldoening, dan wel een bedrag door de rechtbank in goede justitie vast te stellen;

subsidiair:

3. de verklaring voor recht dat [B] met haar eigen vermogen aansprakelijk is voor de schulden van de nalatenschap van [C] op grond van artikel 4:184 lid 2 sub b, c en/of d; en

4. de veroordeling van [B] deswege tot betaling aan [A] van de vorderingen die [A] heeft op de nalatenschap bestaande uit de onder (2) hierboven genoemde bedragen;

5. de veroordeling van [B] in de kosten van deze procedure.

3.2.

[A] legt aan zijn primaire vorderingen ten grondslag dat [B] met het geld van de nalatenschap kosten heeft betaald die geen boedelkosten zijn als bedoeld in artikel 4:7 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: “BW”). Derhalve heeft zij de nalatenschap zuiver aanvaard en kon zij op 15 juni 2010 niet meer rechtsgeldig beneficiair aanvaarden. Door de zuivere aanvaarding is [B] volledig aansprakelijk voor de schulden van de nalatenschap, waaronder de vorderingen van [A] uit hoofde van de nalatenschap van zijn moeder en van zijn vader. Indien de rechtbank van oordeel is dat [B] rechtsgeldig beneficiair heeft aanvaard, stelt [A] subsidiair dat zij verplicht is de schulden van de nalatenschap ten laste van haar overige vermogen te voldoen omdat zij als vereffenaar in de vervulling van haar verplichtingen als zodanig in ernstige mate tekort is geschoten en haar daarvan een verwijt kan worden gemaakt.

3.3.

[B] voert verweer, waarop hierna, voor zover van belang, nader wordt ingegaan.

4 De beoordeling

Beneficiaire aanvaarding

4.1.

[A] stelt dat [B] met geld van [C] kosten heeft betaald die geen nalatenschapskosten zijn. Hij verwijst specifiek naar de kosten voor “bloemen crematie”, “diner”, “huur City Box, “akte beneficiaire” en “bloemen notaris” en daarnaast noemt hij nog bedankkaartjes en gebruik van de telefoon. Nu deze uitgaven zijn gedaan voor 15 juni 2015, zijn dit kosten waardoor [B] over de goederen der nalatenschap heeft beschikt en deze, zo doende, zuiver heeft aanvaard.

4.2.

[B] beroept zich op haar beneficiaire aanvaarding. Zij heeft niet weersproken dat zij de gestelde kosten heeft gemaakt, maar aangevoerd dat het beheerskosten waren. Zij heeft ten behoeve van de crematie bloemen gekocht, welke uitgave niet door de begrafenisverzekering werd gedekt en zij heeft bedankbriefjes verstuurd. Zij heeft op de dag van de crematie gegeten met familie en vrienden, die ten tijde van het overlijden veel hebben geholpen. Dit etentje had een besprekend en afsluitend karakter. Bovendien zijn deze kosten later aan de boedel terugbetaald, zoals dezelfde avond al was afgesproken. Op 15 juni 2015 heeft zij een bosje bloemen gekocht voor de notaris die haar heeft geholpen. De kosten voor de akte beneficiaire aanvaarding ziet zij als beheershandeling ter afwikkeling van de nalatenschap. Voor de telefoon zijn na het overlijden nog bij wijze van automatisch afschrijving abonnementskosten betaald en zij betwist dat zij de telefoon na het overlijden heeft gebruikt.

4.3.

De vraag die hier moet worden beantwoord, is of [B] door de betaling van de kosten als bedoeld onder 4.1. op rekening van [C] een daad (van beschikking) heeft gepleegd als bedoeld in artikel 4:192 lid 1 BW, waaruit volgt dat zij de nalatenschap zuiver heeft aanvaard. Voor een positief oordeel is noodzakelijk dat uit haar gedragingen ook kon worden afgeleid dat zij de bedoeling had de nalatenschap zuiver te aanvaarden. Of dit het geval is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Advocaat-Generaal Hammerstein heeft in zijn conclusie bij het arrest van de Hoge Raad van 22 mei 2015 (ECLI:HR:2015:1284) het volgende geschreven:

Door zuivere aanvaarding van een nalatenschap worden erfgenamen persoonlijk aansprakelijk voor de schulden van de erflater. Als deze aanvaarding te gemakkelijk wordt aangenomen, kunnen erfgenamen in grote problemen geraken. Er is dus alle reden de zuivere aanvaarding niet al te klakkeloos uit ondoordacht gedrag van een erfgenaam af te leiden.

4.4.

De rechtbank stelt voorop dat gelet op de gevolgen van een zuivere aanvaarding voor haar, op voorhand niet aannemelijk is dat [B] zelf die bedoeling bewust heeft gehad. De rechtbank zal in het navolgende per post nader beoordelen of sprake is van een handeling waaruit de zuivere aanvaarding kan worden afgeleid.

Kosten bloemen crematie, diner en bedankbriefjes

4.5.

Art. 1095 (oud) BW rekende tot de handelingen waaruit geen stilzwijgende (zuivere) aanvaarding van de nalatenschap mag worden afgeleid “al hetgeen tot de begrafenis betrekking heeft”. Deze regel heeft onder het huidige art. 4:192 lid 1 BW zijn gelding behouden. Het begrip kosten in relatie tot de begrafenis dient niet te krap te worden opgevat. Het gaat niet alleen om de kosten van lijkbezorging maar om alle kosten die met het oog op een voor de erflater passende uitvaart of begrafenis zijn gemaakt. Voor de beoordeling wat kosten zijn die betrekking hebben op de begrafenis kan onder meer worden aangesloten bij jurisprudentie met betrekking tot artikel 4:7 sub b BW, waarin wordt bepaald dat kosten van lijkbezorging, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene, schulden van de nalatenschap zijn. Onder meer de rechtbank Roermond (ECLI:NL:RBROE:2009:BJ3103) en de rechtbank Utrecht (ECLI:NL:RBUTR:2011:BR3498) hebben overwogen dat tot de kosten van lijkbezorging in zijn algemeenheid in ieder geval kunnen worden gerekend de kosten van bekendmaking overlijden, de verklaring van overlijden, het vervoer van de overledene, de begrafenisondernemer, de kist of een ander omhulsel, de bloemen, de rouw- en volgauto’s, de uitvaartdienst, de cateringplechtigheid, het grafrecht, het graf, de grafbedekking en de dankcorrespondentie. Gelet hierop en gelet op het verweer van [B] is de rechtbank van oordeel dat de kosten voor de bloemen tijdens de crematie, het diner na afloop van de crematie en de bedankbriefjes vallen onder de kosten voor de begrafenis. Derhalve is het betalen van deze kosten een daad van beheer. Hieruit kan niet de zuivere aanvaarding van de nalatenschap worden afgeleid. Hieruit volgt voorts dat niet van belang is of op de avond van het etentje is besloten om de kosten van het etentje aan de boedel te betalen of dat dit later op instigatie van de notaris is gebeurd.

Kosten akte benificiaire aanvaarding

4.6.

Het maken van kosten op rekening van de erflater voor de akte beneficiaire kan niet worden gezien als een gedraging van beheer waaruit de zuivere aanvaarding volgt, nu, gelet op de aard van deze kosten, niet kan worden geconcludeerd dat [B] hiermee de bedoeling had de nalatenschap zuiver te aanvaarden.

Kosten bloemen notaris, huur City Box en telefoonrekening

4.7.

Zijn stelling inzake de bloemen voor de notaris, ter waarde van € 21,-, de huur City Box en de telefoonkosten, heeft [A] niet nader toegelicht. Nu – in de woorden van […] – niet te klakkeloos moet worden geoordeeld dat van zuivere aanvaarding sprake is, mag van [A] worden verlangd dat hij gemotiveerd stelt dat deze situatie zich voordoet. Dat geldt des te meer nu het goed mogelijk is dat [B] deze kosten, als enig erfgenaam, in haar hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap heeft gemaakt. Nu hij dit heeft nagelaten, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geoordeeld dat met het maken van deze kosten de nalatenschap benificiair is aanvaard.

4.8.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [B] de nalatenschap niet zuiver heeft aanvaard. De vordering tot afgifte van een verklaring voor recht op dit punt zal de rechtbank dan ook afwijzen, evenals de vorderingen van [A] die hieruit voortvloeien.

Aansprakelijkheid vereffenaar

4.9.

Als beneficiair erfgename, rustte op [B] de verplichting om de nalatenschap te vereffenen. [A] verwijt [B] dat zij als vereffenaar in de vervulling van haar verplichtingen tekort is geschoten doordat zij (i) kosten ten laste van de nalatenschap heeft gebracht die niet zomaar konden worden betaald uit het batig saldo in de wetenschap dat er nog twee grote schuldeisers waren en (ii) opzettelijk heeft verzuimd de waarheid te vertellen over de nog uitstaande leningen, waaronder in ieder geval de lening aan haar dochter, [de kleindochter] . Voorts heeft zij, aldus [A] , de voldoening van de schulden aan [A] verhinderd doordat zij (iii) het geld van de nalatenschap heeft uitgegeven aan andere kosten dan de nalatenschaps-/vereffeningskosten en (iv) de vordering op haar dochter [de kleindochter] en haar echtgenoot niet heeft geïnd en heeft zij opzettelijk goederen der nalatenschap zoek heeft gemaakt doordat zij (v) zichzelf roerende zaken uit de boedel, die zij zelf wilde hebben, heeft toegeëigend en de rest heeft weggegeven of weggegooid.

(i) en (iii)

4.10.

Het verwijt hierboven genoemd onder (i) en (iii) heeft [A] op geen enkele andere wijze toegelicht dan in het kader van de door hem gestelde handelingen van zuivere aanvaarding welke betalingen [B] naar het oordeel van de rechtbank heeft mogen verrichten. Nu niet duidelijk is geworden welke andere kosten [B] niet had mogen voldoen, heeft [A] onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld die de conclusie kunnen dragen dat [B] op dit punt een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank gaat dan ook aan deze stellingen van [A] voorbij.

(ii)

4.11.

Ter beoordeling ligt de vraag voor of [B] is tekortgeschoten in haar verplichtingen als vereffenaar door, zoals [A] stelt, niet de waarheid te spreken over de vordering op de (klein)dochter en door niet te proberen een mogelijke vordering van de nalatenschap op de kleindochter te innen. In deze procedure ligt niet de vraag ter beoordeling voor of deze vordering bestaat of niet.

4.12.

Tijdens de bespreking op 13 oktober 2011 heeft [E] gesproken over een lening van [C] aan de kleindochter van € 5.000,- die nog niet was terugbetaald. Later heeft de kleindochter kennelijk verklaard dat [C] haar het geld heeft geschonken. De kantonrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 mei 2014 de opheffing van de vereffening wegens gebrek aan baten bevolen en daartoe onder meer het volgende overwogen:

Nu verweerders niet hebben aangetoond dat aan de echtgenoot van verzoekster een lening ter hoogte van € 10.000,00 is verstrekt en verweerders hebben erkend dat een bedrag van € 5.000,00 door de echtgenoot van verzoekster aan [C] is terugbetaald en daarnaast niet, althans onvoldoende is weersproken dat de aan de dochter verstrekte “lening” een schenking betrof, wordt dit verweer verworpen.

4.13.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [B] geen ernstig verwijt kan worden gemaakt van de omstandigheid dat zij richting haar dochter geen actie heeft ondernomen en geen rechtszaak hierover is begonnen. De vereffening was immers opgeheven en de kantonrechter had overwogen dat niet voldoende was weersproken dat het bedrag aan de (klein)dochter was geschonken. Onder die omstandigheid kon van [B] niet worden verwacht dat zij de (klein)dochter aansprak op terugbetaling.

(iv)

4.14.

[A] stelt voorts dat in de boedelbeschrijving een vordering op [E] ontbreekt, nu [E] volgens eigen zeggen een bedrag van € 10.000 heeft geleend en hij slechts heeft aangetoond de helft hiervan te hebben afgelost. [B] weerspreekt echter dat nog een vordering van de nalatenschap op [E] openstaat. Hij heeft € 5.000 geleend en terugbetaald, aldus [B] . Dit verweer wordt ondersteund door het verslag dat is gemaakt van de bespreking van 13 oktober 2010. Gelet hierop is de enkele verwijzing van [A] onder het kopje “boedelbeschrijving”, zonder dat verder wordt gesteld wanneer [E] heeft gezegd dat hij een bedrag van € 10.000 heeft geleend en zonder dat wordt verklaard waarom hiervan tijdens de bespreking van 13 oktober 2010 geen melding is gemaakt, onvoldoende ter toelichting op zijn stelling dat er uitstaande leningen zijn.

(v)

4.15.

Ook de vordering inzake de inboedel is, gelet op het gemotiveerde verweer van [B] , te onbepaald om voor toewijzing in aanmerking te komen. Zo heeft [A] in de processtukken niet gespecificeerd welke inboedelgoederen [B] volgens hem heeft meegenomen en dat zij wist dat [A] of zijn broer belangstelling hadden voor deze zaken of dat het zaken van een zekere waarde betrof. [A] heeft erkend dat hij na het overlijden nog in de woning is geweest, daar toen zaken heeft uitgezocht en deze heeft meegenomen. [A] wist derhalve wat er aan inboedel was en had zijn stellingen op dit punt nader kunnen en moeten preciseren. Tijdens de comparitie van partijen zijn wel enkele zaken van [A] senior genoemd, maar daarvan is gesteld noch gebleken dat [C] die zaken bij haar overlijden nog in haar bezit had.

4.16.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [B] in haar hoedanigheid van vereffenaar niet een zodanig ernstig verwijt kan worden gemaakt, dat zij jegens [A] aansprakelijk is. Derhalve dienen de hierop gebaseerde vorderingen van [A] te worden afgewezen.

Kosten

4.17.

In de omstandigheid dat deze procedure een familiegeschil betreft, ziet de rechtbank aanleiding de kosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

compenseert de kosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Brakel en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2016.