Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:4504

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-04-2016
Datum publicatie
12-05-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 9212
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:2642, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering exploitatievergunning en Drank-en Horecavergunning ten behoeve van sportkantine. In redelijkheid bij afweging van de betrokken belangen kon verweerder niet beslissen om de vergunningen ten behoeve van de sportkantine te weigeren.

Wetsverwijzingen
Drank- en Horecawet 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

Zaaknummer: SGR 15/9212

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. J.H. Pelle),

en

de burgemeester van Rijswijk, verweerder,

(gemachtigden: mr. C.G.J.A. van Dijk en mr. S. Kool - Nijssen).

Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een exploitatievergunning en een Drank- en Horecawetvergunning (de vergunningen) ten behoeve van de sportkantine, gevestigd aan de [adres] te [plaats] afgewezen.

Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Voorts heeft zij de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (zaaknummer SGR 15/6541).

Bij uitspraak van 1 oktober 2015 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en het primaire besluit geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de door verweerder te nemen beslissing op bezwaar.

Bij besluit van 16 november 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van

eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 14 maart 2016 heeft (de gemachtigde van) eiseres een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2016. Namens eiseres zijn ter zitting in persoon verschenen [persoon A] en [persoon B] , bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres is een voetbalvereniging uit [plaats] . Eiseres heeft de vergunningen aangevraagd voor de sportkantine, gevestigd aan de [adres] te [plaats] nu de eerder verleende vergunningen zijn verlopen. Verweerder heeft om advies gevraagd bij het Landelijke Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (LBB) teneinde te kunnen beoordelen of sprake is van gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). Het LBB heeft op 4 februari 2015 advies uitgebracht over de door eiseres ingediende vergunningaanvragen. Bij brief van 20 maart 2015 heeft het LBB aanvullend geadviseerd.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvragen om vergunningen afgewezen op grond van artikel 3 van de Wet Bibob. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op het advies van het LBB. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Uit de adviezen van het LBB is volgens verweerder gebleken dat ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uitgegaan mag worden van de deskundigheid van het LBB en van de juistheid van hetgeen is opgenomen in de adviezen, aangezien het aan de adviezen ten grondslag liggende onderzoek op een zorgvuldige wijze is verricht en de daarin opgenomen bevindingen de getrokken conclusies kunnen dragen.

3. Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Eiseres voert - zakelijk weergegeven - aan dat zij zelf niet in negatieve zin in aanraking is geweest met politie en justitie. De voormalige vice-voorzitter [persoon C] heeft zich teruggetrokken uit het bestuur van eiseres en op dit moment bestaat er geen samenwerkingsverband meer. De enige relatie die er nog is tussen eiseres en [persoon C] , betreft een door [persoon C] verstrekte achtergestelde - niet opeisbare - lening. Ook is de toenmalige penningmeester uit haar functie ontheven. Eind 2013 is er een nieuwe voorzitter en een nieuwe penningmeester aangesteld. Op dit moment is eiseres in gesprek met de Belastingdienst over een regeling. Eiseres ziet niet in waarom de omstandigheden in de periode van 2011 tot halverwege 2013 thans nog aanleiding zou moeten geven voor de conclusie dat de vergunningen dienen te worden afgewezen omdat de omstandigheden inmiddels zijn gewijzigd.

Verweerder heeft ook nagelaten om een nader advies van het LBB in te winnen. De besluitvorming is derhalve gebaseerd op een gedateerd LBB advies. Naar eiseres stelt is sprake van een disproportionele maatregel. Honderden voetballers zullen worden gedupeerd omdat zonder de vergunningen een gezonde exploitatie van de vereniging niet mogelijk is met als uiteindelijk te verwachten gevolg haar faillissement. In de opvatting van eiseres is bij de belangenafweging onvoldoende rekening gehouden met haar belangen. Het door verweerder naar voren gebrachte belang, in dit geval het algemeen (maatschappelijk) belang, kan de weigering van de vergunningen niet rechtvaardigen.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 2.28c, vierde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening voor Rijswijk (APV) kan de vergunning worden geweigerd dan wel onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 worden ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibop.

4.2.

Op grond van artikel 27, derde lid, van de Drank- en Horecawet (DHW) kan een vergunning worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibop.

4.3.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob kunnen bestuursorganen, voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om: ( a ). uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of ( b ). strafbare feiten te plegen.

4.4.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder op basis van de adviezen van het LBB in redelijkheid de vergunningen voor het uitoefenen van een horecabedrijf, gevestigd aan de [adres] te [plaats] , heeft kunnen weigeren.

4.5.

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:818) een bestuursorgaan in beginsel, gelet op de expertise van het LBB, van de adviezen mag uitgaan. Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat de adviezen en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is.

4.6.

De rechtbank ziet geen aanleiding het LBB-advies onzorgvuldig te achten. Voorts acht de rechtbank het advies van het LBB voldoende consistent en concludent. Dit brengt mee dat, gelet op het door de Afdeling gehanteerde criterium voor het volgen van een LBB-advies zoals hiervoor weergegeven, verweerder zich bij zijn besluitvorming had mogen baseren op het door hem bij het LBB ingewonnen advies.

4.7.

Ten aanzien van de door eiseres gestelde gewijzigde omstandigheden overweegt de rechtbank als volgt. Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat [persoon C] , destijds vicevoorzitter van [eiseres] , inmiddels niet meer betrokken is bij de vereniging nu hij zich uit het bestuur heeft teruggetrokken en thans geen deel meer uitmaakt van dat bestuur. Eind 2013 is er een nieuwe voorzitter en een nieuwe penningmeester aangesteld. Dat door het bestaan van de geldlening van [persoon C] aan [eiseres] nog steeds sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen [eiseres] en [persoon C] kan de rechtbank niet volgen. De enige relatie, naar eiseres stelt en door verweerder niet weersproken, die er nog is tussen eiseres en [persoon C] , betreft een door [persoon C] verstrekte achtergestelde - niet opeisbare - lening. Het enkele feit van het bestaan van een achtergestelde lening is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te spreken van zakelijke belangen. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid niet een zo zwaar belang aan deze lening kunnen toekennen. De rechtbank ziet verder geen aanleiding voor twijfel aan het gestelde dat de financiën bij [eiseres] thans beter zijn geregeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder gezien het voorgaande zich niet onverkort kon baseren op het advies van het LBB en de gewijzigde omstandigheden in haar oordeel had moeten betrekken.

4.8.

Waar het gaat om de toepassing van een discretionaire bevoegdheid, zoals die van artikel 2.28c, vierde lid, van de APV en artikel 27, derde lid, van de DHW in samenhang met artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob dient de bestuursrechter zich te beperken tot de vraag of het bestuursorgaan bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten vergunning(en) te weigeren.

4.9.

De rechtbank is van oordeel dat in het kader van voornoemde belangenafweging gewicht dient te worden toegekend aan het feit dat de vergunningen zijn aangevraagd ten behoeve van de exploitatie van een sportkantine en niet voor een op zichzelf staande horecaonderneming. Voorts overweegt de rechtbank dat eiseres een grote vereniging is met meer dan 700 leden waarvan een groot deel jeugdleden zijn. Eiseres heeft onweersproken gesteld dat meer dan 50% van haar leden in het bezit is van een zogenoemde “Ooievaarspas” hetgeen onder meer inhoud dat de gemeente bijdraagt aan de contributie van deze leden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de belangenafweging deze bijzondere maatschappelijke positie van eiseres onvoldoende heeft meegewogen. Dit klemt te meer nu eiseres onweersproken heeft gesteld dat de omzet van de kantine ongeveer 50 procent van haar inkomsten genereerd. Het komt de rechtbank voor dat het niet onaannemelijk is dat zonder deze inkosten het voortbestaan van eiseres onzeker zal zijn. De enkele stelling van verweerder dat de sportactiviteiten van de vereniging voortgezet zouden kunnen worden acht de rechtbank onvoldoende. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in haar belangenafweging binnen het door haar gestelde algemeen maatschappelijk belang onvoldoende het maatschappelijk belang dat de vereniging heeft voor haar leden heeft meegewogen.

5. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder in redelijkheid bij afweging van de betrokken belangen niet kon beslissen om de vergunningen ten behoeve van de sportkantine te weigeren.

6. Het beroep van eiseres is derhalve gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:4, eerste lid, van de Awb te worden vernietigd.

7. Verweerder wordt met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb in de door eiseres gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting) 2 punten worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 496,-

8. De rechtbank zal voorts bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 16 november 2015;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt, met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 331,-, vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van G.J. Buitendijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.