Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:4453

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-04-2016
Datum publicatie
25-04-2016
Zaaknummer
C/09/367360 / FA RK 10-4126
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgang

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2016/103
FJR 2016/58.16
PFR-Updates.nl 2016-0118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 10-4126

Zaaknummer: C/09/367360

Datum beschikking: 22 april 2016

Omgang

Beschikking op het op 20 mei 2010 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. V.T.M. Smeets te Alphen aan den Rijn (voorheen tijdelijk mr. G.N. Sanders te Alphen aan den Rijn).

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. G.O. Perquin te Zoetermeer.

Als informant wordt aangemerkt:

Cardea Jeugdzorg Leiden,

hierna: Cardea.

Procedure

Bij beschikking van 1 mei 2015 van deze rechtbank zijn partijen verwezen naar Cardea Jeugdzorg voor deelname aan het programma ‘Kinderen uit de knel’. Voorts is bepaald dat de moeder, de minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en de vader zullen deelnemen aan de door Cardea nader in te plannen bijeenkomsten en is de vader gemachtigd om, wanneer de moeder haar medewerking niet verleent en verzuimt om, met de minderjarigen, aanwezig te zijn bij voornoemde bijeenkomsten, de tenuitvoerlegging te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm. Ten slotte is iedere verdere beslissing ter zake van de omgangsregeling met betrekking tot de minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , het ouderschapsonderzoek, de dwangsom/lijfsdwang, het gezag en de proceskostenveroordeling pro forma aangehouden.

De rechtbank heeft wederom kennis genomen van de stukken, waaronder thans ook:

- de brief d.d. 16 juli 2015 van de zijde van Cardea;

- de brief d.d. 17 november 2015 van de zijde van de vader met bijlagen tevens inhoudende een aanvullend verzoek;

- de brief d.d. 17 november 2015 van de zijde van Jeugdbescherming West met bijlagen;

- de brief d.d. 23 november 2015 van de zijde van de moeder;

- de brief d.d. 23 november 2015 van de zijde van de vader met als bijlage zijn eerder ingediende brief van 17 november 2015;

- de brief d.d. 30 november 2015 van de zijde van moeder met bijlagen;

- de brief d.d. 4 december 2015 van de zijde van de moeder met bijlage;

- de brief d.d. 4 januari 2016 van de zijde van de moeder met bijlage;

- het faxbericht d.d. 28 januari 2016 van de zijde van de vader;

- het f9 formulier d.d. 10 februari 2016 van de zijde van de moeder met bijlagen;

- het faxbericht d.d. 11 februari 2016 van de zijde van de vader;

- het f9 formulier d.d. 11 februari 2016 van de zijde van de moeder met bijlagen.

Op 15 februari 2016 is de behandeling ter terechtzitting door mr. A. Zonneveld als rechter-commissaris voortgezet. Hierbij zijn verschenen: partijen vergezeld van hun advocaten.

Na de terechtzitting heeft de rechtbank ontvangen:

- het f9 formulier d.d. 11 maart 2016 van de zijde van de vader met als bijlage zijn faxbericht van dezelfde datum;

- het f9 formulier d.d. 16 maart 2016 van de zijde van de vader;

- het f9 formulier d.d. 17 maart 2016 van de zijde van de moeder met als bijlage haar f9 formulier van 14 maart 2016 en bijbehorende bijlagen.

Thans nog aan de orde zijnde verzoek en verweer

Thans nog aan de orde is het verzoek van de vader, welk verzoek – na aanvulling bij brief van 17 november 2015 en wijziging ter terechtzitting – ertoe strekt dat:

  • -

    een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zal worden vastgesteld, zoals opgenomen in het petitum van de op de zitting van 27 mei 2011 overgelegde pleitnotities onder “a.1”;

  • -

    de moeder een dwangsom verbeurt van € 1.000,-- per dag dat zij nalaat haar medewerking te verlenen aan de omgangsregeling en indien verbeuring en invordering van de dwangsom niet leidt tot nakoming van haar verplichting tot medewerking aan de omgangsregeling de moeder wordt veroordeeld tot een lijfsdwang van drie dagen gijzeling voor elke keer dat zij nalaat aan de omgangsregeling te voldoen, althans een zodanig drukmiddel als de rechtbank juist acht;

  • -

    alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de moeder ertoe te bewegen haar medewerking te verlenen aan het tot stand komen van (onbegeleide) omgang tussen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met hun vader onder meer door toewijzing van hetgeen door de vader in de punten 13 tot en met 22 van de pleitnotities van 9 september 2014 is verzocht, maar ook tot het gelasten van forensische mediation, waarbij voor alle maatregelen geldt dat de moeder de aan de maatregel verbonden kosten dient te voldoen;

  • -

    de vader, ofwel naar gelang de rechtbank in goede justitie juist acht een voogd, alleen met het gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te belasten;

  • -

    de moeder te veroordelen in de volledige kosten van de procedure zoals is verzocht in punt 24 van de pleitnotities van 24 september 2014;

  • -

    verwijzing naar Kinderen uit de Knel – met oplegging van een dwangmiddel – dan wel subsidiair een ouderschapsonderzoek in de vorm van een deskundigenbericht te gelasten, indien de moeder haar medewerking niet verleent. Daarbij heeft de vader vermeld dat hij bereid is de volledige kosten van het ouderschapsonderzoek voor zijn rekening te nemen;

  • -

    de onderhoudsplicht voor zowel [de meerderjarige] , [de minderjarige 1] als [de minderjarige 2] op te schorten totdat er één jaar onbegeleide omgang tussen de minderjarigen en hem heeft plaatsgevonden, dan wel een opschorting van zijn onderhoudsplicht zoals de rechtbank juist acht;

  • -

    te bepalen dat de vader, moeder en de minderjarigen verplicht deelnemen aan onderzoek bij Stichting Haags Ambulatorium, waarbij geldt dat de kosten van dat onderzoek door partijen worden gedeeld;

  • -

    te bepalen dat de/het aan de moeder op te leggen dwangmiddelen reeds gaan/gaat lopen op het moment waarop zij een (eerste) poging om in de uitvoering van de door de rechtbank op te leggen maatregel(en) voor het bevorderen, dan wel tot stand komen van (onbegeleide) omgang en/of contactherstel tussen de minderjarigen en de vader tot een (eerste) afspraak te komen, ongeacht van wie het initiatief daartoe komt, negeert, naast zich neerlegt of op welke wijze dan ook geen medewerking verleent aan het starten met die door de rechtbank opgelegde maatregel(en);

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

De moeder heeft verzocht de vader niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, althans zijn verzoeken te ontzeggen dan wel, naar de rechtbank begrijpt, af te wijzen.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in het hiernavolgende niet anders wordt overwogen of beslist.

De rechtbank stelt voorop dat bij beschikking d.d. 7 december 2015 van deze rechtbank het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen is afgewezen, waardoor de ondertoezichtstelling met ingang van 13 december 2015 is komen te vervallen en Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland niet langer als informant wordt aangemerkt.

Gebleken is dat de deelname aan het programma ‘Kinderen uit de knel’ bij Cardea geen doorgang heeft gevonden. Partijen zijn door Cardea verwezen naar Horizon alwaar zij vanaf oktober 2015 mee konden doen aan het traject ‘Kinderen uit de knel’. Ook dit traject heeft geen doorgang gevonden. Wat er op dit moment ook zij van de redenen waarom deze trajecten geen doorgang hebben gevonden, beide partijen hebben ter terechtzitting aangegeven dat zij alsnog willen deelnemen aan het traject ‘Kinderen uit de knel’ bij de Opvoedpoli, zoals door Horizon is voorgesteld. De vader wenst gezien de eerdere weigerachtige houding van de moeder wel dat aan deze deelname een dwangmiddel wordt verbonden en dan bij voorkeur opschorting van de kinderalimentatie. Omdat het traject bij de opvoedpoli pas in september 2016 van start zou gaan heeft de vader ter zitting verder het standpunt ingenomen dat de moeder in de tussengelegen periode er alles aan moet doen om hulpverlening te aanvaarden teneinde contactherstel te bewerkstelligen door zich bijvoorbeeld aan te melden bij Kwadraad dan wel het Centrum Jeugd & Gezin. Volgens hem kan dit ook door bijvoorbeeld mee te werken aan een onderzoek bij het Haags Ambulatorium, zoals thans door hem verzocht.

Omdat ter terechtzitting, ondanks een e-mailbericht van Horizon, onduidelijkheid bestond over de reden voor het beëindigen van het traject en over de vraag of niet alsnog aldaar het traject in maart 2016 kon worden gestart, is met partijen besproken dat er contact met Horizon zou worden opgenomen.

Blijkens de door de griffier na de mondelinge behandeling ingewonnen inlichtingen bij Horizon is het traject bij hen vanuit de directie gestopt wegens gebrek aan financiering, maar kunnen partijen halverwege maart 2016 terecht bij ‘Kinderen uit de knel’ bij Stek Jeugdhulp, locatie Gouda. Omdat beide partijen doorverwijzing wensten en ook de rechtbank, onder verwijzing naar de tussenbeschikking van 1 mei 2015, van oordeel is dat dit traject in het belang van de minderjarigen is, zal de rechtbank partijen verwijzen naar Stek Jeugdhulp voor deelname aan het traject ‘Kinderen uit de knel’. Deze verwijzing is door de griffier gelet op het korte tijdsbestek ook telefonisch doorgegeven en door partijen bevestigd. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat dit traject thans is gestart en partijen hieraan hun medewerking verlenen.

Gezien de jarenlange weigerachtige houding van moeder, zoals reeds omschreven in de tussenbeschikking van 1 mei 2015 en die ook recent nog is gebleken doordat Stichting Jeugdbescherming op 19 oktober 2015 een schriftelijke aanwijzing diende te geven om de moeder te bewegen om de inschrijving voor ‘Kinderen uit de Knel’ bij Horizon te realiseren, acht de rechtbank echter nog immer de kans aanwezig dat de moeder haar medewerking niet (volledig) zal verlenen aan dit traject. Daarom ziet de rechtbank ook nu aanleiding om een dwangmiddel te verbinden aan voornoemd traject. Nu door de vader onbetwist is gesteld dat de sterke arm en dwangsommen die reeds zijn opgelegd in deze procedure niet het beoogde effect sorteren en de dwangsommen de vader in feite alleen op (executie)kosten jagen, terwijl door de vader zelf ook wordt ingezien dat een gijzeling van de moeder niet in het belang van de minderjarigen is doordat zij dan van huis is en/of haar baan in de beveiliging kwijtraakt, acht de rechtbank de opschorting van de kinderalimentatie thans het meest aangewezen dwangmiddel ondanks de eventuele nadelige gevolgen daarvan voor de kinderen. De rechtbank overweegt daarbij dat deze mogelijkheid expliciet is genoemd door de Hoge Raad in zijn beschikking van 17 januari 2014, (ECLI:NL:HR:2014:91). Omdat dit middel niet alleen de moeder maar ook de kinderen raakt, ziet de rechtbank evenwel aanleiding om deze maatregel op te leggen voor de duur van het traject ‘Kinderen uit de knel’ en totdat hierop nader is beslist, waarbij de rechtbank als toetsingskader voor de eindbeslissing over de kinderalimentatie zal hanteren de vraag of de moeder zich, naar het oordeel van de rechtbank, voldoende heeft ingespannen om het traject met succes te voltooien. Anders dan de vader verzoekt, zal de rechtbank ten slotte deze opschorting alleen toepassen ten aanzien van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] nu het omgangsverzoek nog slechts op hen betrekking heeft en [de meerderjarige] thans meerderjarig is, zodat de bijdrage haar rechtstreeks toekomt.

Gelet op het voorgaande en omdat de uitkomst van het traject ongewis is, zal de rechtbank iedere verdere behandeling van de verzoeken van de vader in afwachting van de resultaten van het traject ‘Kinderen uit de knel’ bij Stek Jeugdhulp pro forma aanhouden tot 1 oktober 2016. Daarbij overweegt de rechtbank dat omdat het traject reeds is gestart het verzoek van de vader om in afwachting van dit traject deel te nemen aan andere hulpverleningstrajecten thans niet aan de orde is. Partijen dienen de rechtbank uiterlijk twee weken vóór de pro forma datum te berichten over het verloop van het traject en of een nadere mondelinge behandeling van het verzoek gewenst is. De rechtbank zal aldus beslissen.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de onderling getroffen regeling:

*

verwijst partijen, te weten:

[de vader] , (vader)

wonende te [adres] ,

en

[de moeder] , (moeder)

wonende te [adres] ;

naar Stek Jeugdhulp, Kinderen uit de knel en omgangsbegeleiding, Jacob van Lennepkade 6, 2802 LH Gouda,

voor deelname aan de training ‘Kinderen uit de knel’ welke training reeds is gestart in maart 2016;

bepaalt dat de moeder (de verzorgende ouder), de minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en de vader zullen deelnemen aan de door Stek Jeugdhulp nader in te plannen bijeenkomsten;

beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar:

Stek Jeugdhulp

t.a.v. mevrouw J. Hoogeveen

Jacob van Lennepkade 6

2802 LH Gouda

0182-522855

bepaalt dat Stek Jeugdhulp de rechtbank vóór na te melden pro formadatum rapporteert omtrent het verloop van het traject ‘Kinderen uit de knel’;

bepaalt dat partijen de rechtbank vóór na te melden pro formadatum berichten of een nadere mondelinge behandeling is gewenst of dat de zaak schriftelijk kan worden afgedaan;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgang aan tot 1 oktober 2016 pro forma;

*

schort met ingang van heden en totdat het traject ‘Kinderen uit de knel’ is afgerond en de rechtbank hierop nader heeft beslist, waarbij als toetsingskader geldt de mate waarin de vrouw zich naar het oordeel van de rechtbank voldoende heeft ingespannen om het traject ‘Kinderen uit de knel’ met succes te voltooien, de verplichting van de vader om ten behoeve van de minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] aan de vrouw kinderalimentatie te betalen op en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst het verzoek tot schorsing van de alimentatie voor [de meerderjarige] af;

*

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgang, het ouderschapsonderzoek, het Haags Ambulatorium, de forensische mediation, de dwangsom, (opschorting) kinderalimentatie, het gezag c.q. de voogdij en de proceskostenveroordeling aan tot 1 oktober 2016 pro forma.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Zonneveld, A.C. Olland en S.M. van der Schenk, kinderrechters, bijgestaan door mr. J.H. van Berkel als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2016.