Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:4414

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-04-2016
Datum publicatie
19-05-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5323
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/5323

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 april 2016 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. W.H.R. Hogewind),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. P.P. Zweedijk).

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (VW 2000) afgewezen. Daarbij is een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2016.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig [tolk] , tolk in de Engelse taal.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1975 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij is gedeserteerd uit het Nigeriaanse regeringsleger vanwege de vele doden en gewonden die vielen onder zijn collega’s. Verder vreest eiser problemen te ondervinden vanwege zijn bekering tot het Christendom.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw 2000. Volgens verweerder bestaan ernstige redenen om te veronderstellen dat eiser als soldaat van het Nigeriaanse regeringsleger betrokken is geweest bij misdrijven als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder a,b en c, van het Vluchtelingenverdrag. Daartoe wordt overwogen dat eiser buitengerechtelijke executies/moord en gevangenneming of andere beroving van de lichamelijke vrijheid in strijd met fundamentele regels van internationaal recht en andere onmenselijke handelingen waardoor opzettelijk ernstig lijden of ernstig lichamelijk letsel of schade aan de geestelijke of lichamelijke gezondheid wordt veroorzaakt en het gebruik van buitensporig geweld, direct heeft gefaciliteerd. Eiser heeft immers verklaard meermaals personen te hebben gearresteerd en overgedragen aan zijn leidinggevende, terwijl eiser kennis moet hebben gehad van de systematische en wijdverbreide mensenrechtenschendingen jegens verdachten en gedetineerden door de politie, het leger en de veiligheidstroepen.

3. Eiser doet een beroep op artikel 83 van de Vw 2000, omdat hij een nieuw feit naar voren wil brengen. Eiser voert aan dat hij in zijn eerste en nader gehoor niet conform de waarheid heeft verklaard. Hij is geen militair geweest en heeft op geen enkele wijze deel uitgemaakt van het Nigeriaanse leger. Eiser voert aan homoseksueel te zijn en stelt te hebben moeten vluchten voor een woedende menigte toen zijn tienjarige relatie met een legerofficier uitkwam. Hij vreest bij terugkeer het risico te lopen op een schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser heeft in beroep een “Certificate of Apprenticeship” en een “Attestation/Recommendation” d.d. 30 maart 2016 overgelegd waaruit zou blijken dat hij van 2000 tot 2006 als elektricien werkzaam is geweest.

Verder stelt eiser zich op het standpunt dat indien toch wordt uitgegaan van eisers eerste asielrelaas, niet is gebleken dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de in artikel 1(F) genoemde misdrijven. Door het overdragen van arrestanten is weliswaar de kans gecreëerd dat zij buitengerechtelijk werden geëxecuteerd of ernstig mishandeld, maar niet is aangetoond dat dit ook daadwerkelijk is gebeurd. Daarbij heeft eiser niet het oogmerk gehad om een misdrijf te plegen en was hij vanwege zijn lage rang in het leger geenszins bekend met het handelen en de werkwijze van hogere leger functionarissen. Tot slot betoogt eiser dat hij door een vermeend misdrijf uit het verleden niet kan worden aangemerkt als een ernstig actueel gevaar voor de openbare orde. Er bestaat geen herhalingsgevaar nu eiser niet meer in dienst is van het Nigeriaanse leger.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Aan het tegen de vreemdeling uitgevaardigde inreisverbod zijn de in artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 bedoelde rechtsgevolgen verbonden. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 juli 2013 in zaken nrs. 201204559/1/V1 en 201207753/1/V1 volgt dat de vreemdeling derhalve geen belang heeft bij beoordeling van het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

5.2

Het beroep, voor zover gericht tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, is niet-ontvankelijk.

5.3

Uit bovenvermelde uitspraak van de Afdeling volgt dat hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd moet worden beoordeeld alsof dit deel uitmaakt van zijn beroep tegen het inreisverbod.

6. Ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 vaardigt de minister een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 van de Vw 2000 niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000.

Ingevolge het vierde lid van deze bepaling, wordt het inreisverbod gegeven voor een bepaalde duur, die ten hoogste vijf jaren bedraagt, tenzij de vreemdeling naar het oordeel van de minister een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

Ingevolge het achtste lid van deze bepaling, kan de minister in afwijking van het eerste lid om humanitaire of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod.

In artikel 6.5a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000) is bepaald dat de duur van het inreisverbod ten hoogste twee jaren bedraagt. Ingevolge het tweede tot en met zesde lid van artikel 6.5a van het Vb 2000 geldt voor bepaalde categorieën vreemdelingen een afwijkende maximumduur, in verband met aan deze vreemdelingen te relateren omstandigheden als bedoeld in deze artikelleden. Ingevolge artikel 6.5a, vijfde lid, van het Vb 2000 bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste 10 jaren, indien het betreft een vreemdeling die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. Deze ernstige bedreiging kan blijken uit onder meer:

  1. een veroordeling naar aanleiding van een geweldsdelict of opiumdelict;

  2. een veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaren is bedreigd;

  3. de omstandigheid dat hem artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen, of

  4. e oplegging van een maatregel als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht.

Volgens paragraaf A4/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is de maximale duur van het inreisverbod afhankelijk van het bepaalde in artikel 6.5a van het Vb 2000. In dit artikel is reeds verdisconteerd de ernst van de aanleiding om tot het opleggen van een inreisverbod over te gaan. Om die reden wordt, behoudens door de vreemdeling aangevoerde en nader onderbouwde bijzondere individuele omstandigheden, de maximale duur opgelegd zoals die in de verschillende onderdelen van artikel 6.5a van het Vb 2000 staat genoemd.

7. Zoals gesteld heeft verweerder aan eiser een inreisverbod voor de duur van 10 jaar opgelegd, omdat ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat eiser zich als soldaat van het Nigeriaanse regeringsleger schuldig heeft gemaakt aan misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Eerst in de aanvullende gronden van beroep van 4 april 2016 heeft eiser aangevoerd onjuist te hebben verklaard over zijn diensttijd en in werkelijkheid te zijn gevlucht vanwege zijn homoseksuele geaardheid.

7.1

De rechtbank stelt vast dat eiser zijn vrees voor vervolging vanwege zijn gestelde homoseksuele geaardheid eerst in beroep naar voren heeft gebracht. Er is derhalve sprake van een nieuw asielmotief dat geen verband houdt met de in de bestuurlijke fase naar voren gebrachte asielmotieven. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat een nieuw asielmotief niet bij de beoordeling van een beroep kan worden betrokken. De Afdeling heeft eerder overwogen dat artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht noch artikel 83 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) op een nieuw asielmotief betrekking heeft (uitspraak van 1 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4908).

7.2

Artikel 83a van de Vw 2000 noopt de rechtbank niet tot een wijziging van voornoemde lijn en zij verwijst daarvoor naar de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2016 ECLI:NL:RVS:2016:891.

Aan bespreking van de grond van eiser dat hij een homoseksuele gerichtheid zou hebben, komt de rechtbank dan ook niet toe.

8. Verweerder heeft de eerst in beroep opgeworpen grond dat eiser geen militair is geweest, op geen enkele wijze deel heeft uitgemaakt van het Nigeriaanse leger en dat eiser zijn verklaringen heeft ontleend aan verhalen van een militair met wie hij bekend was, ongeloofwaardig kunnen achten, gelet op het moment in de procedure waarop eiser dit heeft gesteld en omdat eiser dit betoog niet heeft onderbouwd . De door eiser eveneens eerst in beroep overgelegde documenten maken vorenstaande niet anders. Daarbij is van belang dat de handtekening op het “Certificate of Apprenticeship” niet overeenkomt met de handtekening die eiser hier te lande heeft gebruikt om zijn aanvraag te ondertekenen. Voorts is de verklaring van 30 maart 2016, die afkomstig is uit dezelfde bron als voormeld certificaat, gelet op de datering, opgesteld op verzoek van eiser.

9. Ten aanzien van het vermoeden dat eiser betrokken is geweest bij misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van de Vw 2000, overweegt de rechtbank als volgt.

9.1

Ingevolge artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van dat Verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

9.2

In het ter zake geldende beleid (C2/7.10.2.4 van de Vc 2000) is bepaald dat het aan verweerder is om aan te tonen dat ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag valt.

9.3

Teneinde te bepalen of de betrokken vreemdeling individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven, als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, wordt de ‘personal and knowing participation test’ toegepast. Beoordeeld wordt daarbij of ten aanzien van de betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van de betreffende misdrijven (‘knowing participation’) en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’).

9.4

Blijkens het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting verwijt verweerder eiser dat hij in de periode vanaf 26 maart 2001 tot en met 20 november 2006 als beroepsmilitair bij de strijd tegen extremistische moslims en terroristen in Noord-Nigeria meerdere personen heeft gearresteerd en overgedragen waardoor deze personen de aanmerkelijke kans liepen bloot te worden gesteld aan mishandeling, marteling, foltering en/of buitengerechtelijke executies. Volgens zijn eigen verklaring heeft eiser in [plaats] ongeveer 26 of 27 personen, in [plaats] 9 personen en in [plaats] 17 personen gearresteerd en overgedragen aan zijn leidinggevenden.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat uit openbare gezaghebbende bronnen is gebleken dat in de periode van 2001 tot 20 november 2006 het Nigeriaanse leger in de plaatsen waar eiser is ingezet op grote schaal mensenrechten hebben geschonden van verdachten en gedetineerden. Zo staat onder meer in het rapport van het U.S. Department of State van 28 maart 2005:

National police, army, and security forces committed extrajudicial killings or used excessice force to apprehend criminals and to disperse protestors…”.

Voorts heeft het U.S. Department of State in het rapport van 2 maart 2002 onder meer gepubliceerd:

Army, police, and security force officers regularly beat protesters, criminal suspects, detainees, and convicted prisoners…

[L]ethal force was used when protests or demonstrations were perceived as becoming violent or disruptive, or in the apprehension and detention of suspected criminals.

The police, military, and anticrime taskforce personnel committed numerous extrajudicial killings in the apprehension and detention of suspected criminals

Ook in de overige in het bestreden besluit geciteerde bronnen wordt over de behandeling van demonstranten en verdachten door de politie, het leger en de veiligheidstroepen gerapporteerd met termen als regularly use lethal force; regularly beat; several serious human rights abuses; extrajudicial killings and torture by the police are routine; often use excessive force; high number of extrajudicial and summary executions, disappearances, cases of torture, ill-treatment and arbitary detention and arrest.

9.5

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat nu het leger in de strijd tegen extremistische moslims in het noorden van Nigeria op grote schaal en gedurende een lange periode misdrijven heeft gepleegd tegen arrestanten en gedetineerden eiser hiervan op de hoogte moet zijn geweest. Eiser is immers vanaf 1996 werkzaam geweest als beroepsmilitair en vanaf 2001 tot 2006 zelf ook ingezet tegen Boko Haram en andere extremistische groeperingen in het noorden van Nigeria. Het enkele feit dat eiser de rang van soldaat heeft bekleed, maakt niet dat eiser daarom niet op de hoogte zou zijn geweest van bovengenoemde misdrijven.

9.6

De rechtbank is voorts van oordeel dat eiser deze misdrijven direct heeft gefaciliteerd door in [plaats] , [plaats] en [plaats] meerdere personen te hebben gearresteerd en over te dragen. De rechtbank is van oordeel dat eiser daarmee deze personen bewust in een positie heeft gebracht, waarin zij tenminste de aanmerkelijke kans liepen te worden gedood of te worden blootgesteld aan mishandeling, dan wel marteling. Het feit dat verweerder geen concreet geval heeft vermeld van een persoon die ten gevolge van de arrestatie en overleving door eiser is mishandeld of vermoord, doet hier niet aan af (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ7417).

9.7

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder terecht de gedragingen waarmee eiser in verband wordt gebracht heeft aangemerkt als misdrijven tegen de menselijkheid in de zin van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.

10. Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van het tegenwerpen van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is overwogen dient thans nog te worden beoordeeld of sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan verweerder van het inreisverbod had dienen af te zien dan wel de duur van het inreisverbod had dienen te verkorten als bedoeld in artikel 66a, achtste lid, van de Vw 2000 en artikel 6.5, vijfde lid, van het Vb 2000.

10.1

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser bij terugkeer naar Nigeria geen reëel risico loopt te worden veroordeeld tot gevangenisstraf of dwangarbeid vanwege zijn desertie. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit het algemeen ambtsbericht van 10 oktober 2003 blijkt dat afgezien van praktische obstakels (zoals de intrekking van pensioenrechten), uittreding uit het leger in beginsel niet wordt belemmerd. Weliswaar kan desertie in oorlogstijd worden bestraft met de doodstraf echter ten tijde van eisers vertrek uit het Nigeriaanse leger was sprake van een vredessituatie.

10.2

Voor zover eiser zich op het standpunt heeft gesteld dat hij vreest problemen te zullen ondervinden vanwege zijn bekering van de Islam naar het Christendom, overweegt de rechtbank dat bekeerlingen niet zijn aangemerkt als risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep. Ook heeft eiser verklaard sinds 1998 Christen te zijn en is niet gebleken dat eiser ooit problemen heeft ondervonden vanwege zijn bekering.

10.3

Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor de conclusie dat eiser bij terugkeer naar Nigeria een reëel en voorzienbaar risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.

11. Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de door eiser aangevoerde omstandigheden geen reden heeft hoeven zien om af te wijken van de oplegging van het inreisverbod, dan wel de duur daarvan te verkorten. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht een inreisverbod voor de duur van tien jaren heeft opgelegd aan eiser.

12. Gelet op het voorgaande is het beroep, voor zover gericht tegen het uitgevaardigde inreisverbod, ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel

niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het inreisverbod ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. G.P. Kleijn, leden, in aanwezigheid van mr. M. Th. van Maurik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.