Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:4390

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-04-2016
Datum publicatie
22-04-2016
Zaaknummer
AWB 15/23081
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser, van Ethiopische nationaliteit, is ten tijde van het bestreden besluit bijna één jaar oud. Zijn moeder heeft een verblijfsvergunning asiel en zijn vader een reguliere verblijfsvergunning. Verweerder heeft geweigerd om aan eiser een reguliere verblijfsvergunning te verlenen omdat eiser geen paspoort heeft. Verweerder is van mening dat eisers vader zich kan wenden tot de Ethiopische ambassade in Brussel om daar een paspoort voor eiser aan te vragen. Volgens verweerder is het belang van de Nederlandse staat bij handhaving van het paspoortvereiste in dit geval (uitsluitend) gelegen in de mogelijke toekomstige gebeurtenis dat de verblijfsvergunning van eisers vader wordt ingetrokken, bijvoorbeeld bij verbreking van de huwelijksrelatie met eisers moeder. Tussen partijen is niet in geschil dat er voor eiser en zijn ouders een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Ethiopië uit te oefenen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom de belangenafweging, vereist in het kader van artikel 8 EVRM, in het nadeel uitvalt van eiser. Daarbij is van belang dat niet voor de hand ligt dat de vader zich wendt tot de Ethiopische ambassade voor het doen van een aanvraag om een paspoort voor eiser, reeds nu aan de moeder een asielvergunning is verleend en haar persoonsgegevens in de geboorteakte van eiser staan. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 15/23081

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2016 in de zaak tussen

[naam 1] (hierna: referente), mede voor haar minderjarig kind [naam 2] , geboren op [geboortedatum] , van Ethiopische nationaliteit (hierna: eiser),

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. L.J. Meijering)

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. G.J. Douma).

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder een - op 8 januari 2015 bij verweerder ingekomen - aanvraag van referente om eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 11 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen door referente, mede voor eiser, gemaakte bezwaar van 29 juni 2015 ongegrond verklaard.
In het besluit van 11 december 2015 heeft verweerder onder ‘5 Rechtsgevolgen van deze beschikking’ vermeld dat eiser, na bekendmaking van dit besluit, van rechtswege niet langer rechtmatig in Nederland is en dat, als namens eiser tegen dit besluit beroep wordt ingesteld, dit rechtsgevolg niet wordt opgeschort.
In het besluit van 11 december 2015 is verder (onder meer) vermeld, onder ‘6 Bent u het niet eens met dit besluit?’, dat bij het indienen van een eerste verzoek om een voorlopige voorziening, de uitspraak van de rechter op dat verzoek meestal in Nederland mag worden afgewacht.

Referente heeft, mede voor eiser, tegen het bestreden besluit op 29 december 2015 beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn ingediend op 8 februari 2016. Op 29 maart 2016 zijn aanvullende gronden van het beroep ingediend.
Eveneens op 29 december 2015 is een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Daarin is aangegeven dat het verzoek ertoe strekt de beslissing op het beroep in Nederland te mogen afwachten. Het verzoek is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer
AWB 15/23082.

Verweerder heeft op 29 maart 2016 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2016. Referente is, mede voor eiser, verschenen bij gemachtigde mr. Meijering. Tevens is verschenen [naam 3] , de echtgenoot van referente en vader van eiser (zie hierna onder 1).
Als toehoorder was aanwezig J. van der Meer, vrijwilligster bij Vluchtelingenwerk Assen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is op [geboortedatum] in Nederland (Assen) geboren staande het huwelijk van referente (geboren op [geboortedatum] , van Ethiopische nationaliteit) en [naam 3] (geboren op [geboortedatum] , van Ethiopische nationaliteit).
Ten tijde van de geboorte van eiser was referente in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. [naam 3] was ten tijde van de geboorte van eiser in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘verblijf bij familie- of gezinslid, bij echtgenote’, geldig van 8 april 2014 tot 5 april 2019.
Eiser woont vanaf zijn geboorte bij referente (moeder) en [naam 3] (vader).
Verweerder heeft de namens eiser ingediende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ afgewezen, omdat niet is voldaan aan het in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 3.23, vierde lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 neergelegde vereiste dat een vreemdeling moet beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding (hierna: het paspoortvereiste).
2.1. Uit door de gemachtigde van referente en eiser (in beroep) overgelegde stukken blijkt dat verweerder bij brief van 18 maart 2015 aan [naam 3] heeft bericht voornemens te zijn de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier in te trekken omdat niet langer wordt voldaan aan het middelenvereiste. Namens [naam 3] is op 21 april 2015 op dit voornemen gereageerd. Op 6 november 2015 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waarvan een verslag is gemaakt.

2.2.

Bij brief van 23 november 2015 heeft de gemachtigde van [naam 3] (mr. Meijering, voornoemd) correcties en aanvullingen op het verslag van de hoorzitting van
6 november 2015 ingediend.
In de correcties en aanvullingen is onder meer naar voren gebracht dat [naam 3] , tijdens de hoorzitting, ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om zijn asielgerelateerde problemen naar voren brengen. De hoorambtenaar heeft, tijdens de hoorzitting, aangegeven dat [naam 3] niet over zijn asielgerelateerde problemen hoefde te vertellen omdat hij [de hoorambtenaar] wel wil aannemen dat [naam 3] bedoelde asielgerelateerde problemen heeft, aldus het gestelde in de correcties en aanvullingen.
De gemachtigde van [naam 3] heeft vervolgens, in haar brief van 23 november 2015, aan verweerder verzocht om, gelet op het bepaalde in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), af te zien van de intrekking van de aan [naam 3] verleende verblijfsvergunning.

2.3.1.

Bij brief van 30 november 2015 heeft verweerder aan de gemachtigde van [naam 3] bericht dat de intrekking van de aan [naam 3] verleende verblijfsvergunning achterwege zal blijven.

2.3.2.

De rechtbank heeft, met partijen, ter zitting vastgesteld dat verweerder zijn beslissing om niet over te gaan tot intrekking van de aan [naam 3] verleende verblijfsvergunning, in de brief van 30 november 2015 niet inhoudelijk heeft gemotiveerd. Verweerder heeft
in de brief van 30 november 2015 volstaan met de opmerking: “Deze informatie heb ik bij mijn beslissing betrokken.” De rechtbank leidt uit het zinsverband af dat verweerder hiermee heeft bedoeld dat hij de informatie, door en namens [naam 3] verstrekt tijdens de hoorzitting van 6 november 2015, bij zijn beslissing heeft betrokken.

Standpunt van verweerder in de onderhavige zaak

3.1.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld - voor zover thans van belang - dat artikel 8 van het EVRM niet in de weg staat aan de tegenwerping aan eiser van het paspoortvereiste.

3.2.

In het primaire besluit van 8 juni 2015 heeft verweerder onder meer overwogen: “Vanwege omstandigheden in Ethiopië kunnen u of uw familieleden op dit moment niet in dat land wonen. Er is daarom een objectieve belemmering om het familie leven in Ethiopië uit te oefenen.” Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting verklaard dat deze zin aldus moet worden verstaan dat verweerder zich op het standpunt stelt dat voor zowel referente als [naam 3] een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Ethiopië uit te oefenen.

3.3.

Naar aanleiding van het namens eiser gestelde in bezwaar, heeft verweerder in het bestreden besluit van 11 december 2015 aanvullend overwogen dat referente in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel waardoor van haar niet wordt gevraagd dat zij zich wendt tot de autoriteiten van het land van herkomst (Ethiopië); dat [naam 3] in het bezit is van een reguliere verblijfsvergunning; dat [naam 3] niet is vrijgesteld van het paspoortvereiste en in het bezit is van een Ethiopisch paspoort, geldig tot 24 juni 2017; en dat van [naam 3] kan worden verlangd dat hij, bijvoorbeeld bij de Ethiopische ambassade in Brussel, een paspoort voor eiser aanvraagt of eiser in zijn paspoort laat bijschrijven.
Vervolgens heeft verweerder overwogen dat de omstandigheid dat, bij brief van
30 november 2015, aan [naam 3] is meegedeeld dat zijn verblijfsvergunning niet wordt ingetrokken, niet tot een ander oordeel leidt. Daarvoor acht verweerder van belang dat de Ethiopische ambassade in Brussel paspoorten uitgeeft en dat een reis naar Brussel niet vereist dat [naam 3] moet terugkeren naar zijn land van herkomst. Daar komt bij dat in het bezwaarschrift geen gronden zijn aangevoerd waaruit blijkt dat [naam 3] zich onmogelijk zou kunnen wenden tot de Ethiopische ambassade in Brussel, aldus verweerder.

Verweerder stelt zich ten slotte op het standpunt dat het tegenwerpen, aan eiser, van het paspoortvereiste niet in strijd is met het artikel 24 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest EU) omdat geen enkel gezinslid verdragsvluchteling is. Verweerder wijst er in dit verband op dat aan referente een verblijfsvergunning asiel is verleend in het kader van ‘nareis asiel’.

Standpunt van referente en eiser in beroep

4.1.

In de beroepsgronden van 8 februari 2016 hebben referente en eiser allereerst aangevoerd dat ook [naam 3] zich niet kan wenden tot de Ethiopische ambassade in Brussel, gelet op zijn door verweerder geloofwaardig bevonden asielgerelateerde problemen.
Referente en eiser voeren voorts aan dat de weigering van een verblijfsvergunning aan eiser de facto meebrengt dat alleen eiser - thans ruim één jaar oud - zal worden uitgezet naar Ethiopië. Nu eiser bij uitzetting (definitief) van zijn ouders wordt gescheiden, is de uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM, aldus referente en eiser.
Ten slotte voeren referente en eiser aan dat verweerder in het bestreden besluit de belangen van eiser onvoldoende heeft afgewogen. Daarbij wijzen zij (nogmaals) op artikel 24 van het Handvest EU.

4.2.

In de aanvullende beroepsgronden van 29 maart 2016 voeren referente en eiser nog aan dat het voor de familie praktisch niet haalbaar is om af te reizen naar Brussel teneinde voor eiser, bij de Ethiopische ambassade aldaar, een paspoort aan te vragen, nu eiser geen geldig reisdocument heeft en dus niet naar België kan afreizen. De ouders durven eiser niet illegaal mee te nemen naar België, nog afgezien van het feit dat zij - gelet op de grenscontroles op dit moment [de rechtbank begrijpt: na de terreuraanslagen van
22 maart 2016 in Brussel] - België niet eens binnenkomen.
Voorst geven referente en eiser aan - onder verwijzing naar een stuk, gedownload vanaf www.ethiopianembassy.be - dat, om voor een paspoort in aanmerking te kunnen komen,
bij de Ethiopische ambassade een geboortebewijs dient te worden overgelegd. Op het geboortebewijs staat de naam van referente (moeder) vermeld, aan wie in Nederland een asielstatus is verleend. Daarmee loopt referente gevaar. Ten onrechte verlangt verweerder in dit geval dan ook dat (de ouders van) eiser zich tot de Ethiopische ambassade (wenden) wendt, aldus referente en eiser.


Reactie van verweerder in het verweerschrift

5. Verweerder heeft in het verweerschrift van 29 maart 2016 gemotiveerd aangegeven dat hij zijn standpunt handhaaft, inhoudende dat eiser niet in aanmerking komt voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning omdat niet wordt voldaan aan het paspoortvereiste. Artikel 8 van het EVRM noch artikel 24 van het Handvest EU staan aan de weigering van de gevraagde vergunning in de weg, aldus verweerder.

Verhandelde ter zitting

6.1.

Aan het begin van de zitting is namens referente en eiser meegedeeld dat referente zo’n twee weken geleden het bericht heeft ontvangen dat zij is genaturaliseerd tot Nederlander.

6.2.

Desgevraagd heeft J. van der Meer, vrijwilligster bij Vluchtelingenwerk Assen, verklaard dat zij, ten behoeve van (de familie van) eiser, een aantal keren heeft geprobeerd om telefonisch inlichtingen in te winnen bij de Ethiopische ambassade in Brussel, maar dat haar dit niet is gelukt. Voorts heeft zij verklaard dat zij in de zaak van referente en eiser twee keer een e-mailbericht heeft verzonden naar de Ethiopische ambassade in Brussel, maar dat die e-mailberichten onbeantwoord zijn gebleven.

6.3.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat de rechtbank juist heeft begrepen dat verweerder zich in het primaire besluit van 8 juni 2015 op het standpunt heeft gesteld dat er zowel voor referente als voor [naam 3] een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Ethiopië uit te oefenen en dat verweerder dit standpunt in het bestreden besluit heeft gehandhaafd.

6.4.1.

Voorts heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd verklaard dat verweerder niet voornemens is eiser in zijn eentje uit te zetten naar Ethiopië en dat er op dit moment dus geen uitzettingsdreiging is voor eiser.

6.4.2.

Daarop heeft de gemachtigde van referente en eiser meegedeeld dat, nu er op dit moment geen uitzettingsdreiging voor eiser is, het op 29 december 2015 ingediende verzoek om een voorlopige voorziening (met zaaknummer AWB 15/23082) wordt ingetrokken.

6.5.1.

De gemachtigde van verweerder heeft vervolgens verklaard dat verweerder referente en eiser niet volgt in hun betoog dat ook [naam 3] asielgerelateerde problemen heeft waardoor van hem niet zou mogen worden verlangd dat hij zich wendt tot de Ethiopische ambassade in Brussel. De gemachtigde van verweerder heeft, in dit verband, naar voren gebracht dat uit de minuut blijkt dat de reden voor het achterwege laten van de intrekking van de aan [naam 3] verleende verblijfsvergunning, niet is gelegen in de door [naam 3] aangegeven asielgerelateerde problemen. Ter onderbouwing hiervan heeft de gemachtigde van verweerder bedoelde minuut ter zitting voorgelezen.

6.5.2.

De gemachtigde van referente en eiser heeft daarop bezwaar gemaakt tegen het inbrengen ter zitting van de minuut. De gemachtigde van referente en eiser heeft, in dit verband, onder meer aangevoerd dat zij de minuut niet kent en dat het, gelet op haar brief van 23 november 2015 - hiervoor vermeld onder 2.2. -, niet behoorlijk is dat verweerder zich thans beroept op de minuut.

6.6.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat het belang van de Nederlandse staat om, in de onderhavige zaak, vast te houden aan het paspoortvereiste
uitsluitend is gelegen in de mogelijke toekomstige gebeurtenis dat de aan [naam 3] verleende verblijfsvergunning wordt ingetrokken, bijvoorbeeld omdat niet langer wordt voldaan aan de beperking (verblijf bij huwelijkspartner) waaronder de vergunning is verleend. Verweerder wil de mogelijkheid openhouden dat, in dat geval, eiser met [naam 3] terugkeert naar Ethiopië. Verweerder benadrukt dat terugkeer van eiser naar Ethiopië alleen kan worden gerealiseerd als eiser beschikt over ofwel een eigen geldig Ethiopisch paspoort, ofwel staat bijgeschreven in het paspoort van [naam 3] .
Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder voorts verklaard dat de rechtbank juist heeft begrepen dat verweerder niet in twijfel trekt dat eiser, blijkens de overgelegde geboorteakte van [datum] , op [geboortedatum] te Assen is geboren als kind van referente en [naam 3] en daarmee de Ethiopische nationaliteit heeft.

Oordeel van de rechtbank

7. Niet in geschil is dat er voor referente een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Ethiopië uit te oefenen.
De rechtbank houdt het ervoor dat evenmin in geschil is dat er voor [naam 3] een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Ethiopië uit te oefenen. Voor zover nodig, verwijst de rechtbank in dit verband naar het hiervoor onder 3.1. vermelde.

8. De rechtbank merkt het ter zitting door verweerder genoemde belang voor de Nederlandse staat om vast te houden aan het paspoortvereiste - zie het hiervoor onder 6.6. vermelde - aan als een nadere onderbouwing voor zijn in de bestuurlijke fase ingenomen standpunt dat artikel 8 van het EVRM niet in de weg staat aan de tegenwerping aan eiser van het paspoortvereiste.

9. Verweerder heeft ondeugdelijk gemotiveerd waarom de belangenafweging, vereist in het kader van het artikel 8 van het EVRM, in het nadeel uitvalt van eiser. De enkele stelling van verweerder dat zich in de toekomst een grond voor intrekking van de aan [naam 3] verleende (reguliere) verblijfsvergunning zal kunnen voordoen en dat eiser alsdan met [naam 3] mee kan gaan Ethiopië, is onvoldoende voor het oordeel dat aan het belang van de Nederlandse staat om vast te houden aan het paspoortvereiste, meer gewicht toekomt dan aan het belang van eiser (en zijn ouders) bij de uitoefenen van het gezinsleven hier te lande waarbij (ook) eiser een verblijfsvergunning heeft.
Hierbij is van belang dat, gelet op de omstandigheden van dit geval, de door verweerder voorgestane mogelijkheid dat [naam 3] zich wendt tot de Ethiopische ambassade in Brussel voor het doen van een aanvraag om verlening van een paspoort ten name van eiser, niet voor de hand ligt, (reeds) nu aan referente een asielgerelateerde verblijfsvergunning is verleend en haar persoonsgegevens in de geboorteakte van eiser staan vermeld. Dat aan referente inmiddels - naar ter zitting is meegedeeld - de Nederlandse nationaliteit is verleend, maakt dit niet anders.

10.
Het beroep is gegrond. Hetgeen voor het overige is aangevoerd - waaronder de namens referente en eiser opgeworpen stelling dat (ook) [naam 3] zich wegens asielgerelateerde problemen niet kan wenden tot de Ethiopische ambassade in Brussel -, behoeft geen bespreking. Overigens zij opgemerkt dat de rechtbank van oordeel is dat, met name gelet op de brief van 23 november 2015 van de gemachtigde van referente en eiser - hiervoor vermeld onder 2.2. -, het verweerder niet zonder meer vrijstond om zich ter zitting op de minuut te beroepen.

11. Het bestreden besluit dient (reeds) wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

12. Verweerder zal opnieuw op het bezwaar dienen te beslissen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Gelet op de belangen van eiser (en zijn ouders) zal de rechtbank verweerder een termijn stellen van zes weken waarbinnen verweerder een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daarbij heeft de rechtbank gelet op de mededeling van [naam 3] ter zitting dat zijn gezin hier te lande in het maatschappelijke verkeer moeilijkheden ondervindt als gevolg van de omstandigheid dat eiser (als enige van het gezin) geen verblijfsvergunning heeft.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door referente en eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 496,- en wegingsfactor 1).

14. Voorts zal de rechtbank verweerder opdragen het betaalde griffierecht aan referente en eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 11 december 2015;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak

opnieuw op het bezwaar dient te beslissen, met inachtneming van hetgeen in deze

uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 992,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan referente en eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Depping, rechter, in aanwezigheid van H. Siebers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2016.

De griffier, De rechter,

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.