Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:4333

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-04-2016
Datum publicatie
02-05-2016
Zaaknummer
4828227 RP VERZ 16-50112
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Werkgever verzoekt ontbinding op g-grond. Werknemer maakt leidinggevende en diverse collega's verwijten. Ondanks twee mediationtrajecten wordt onderling vertrouwen niet hersteld. Geen billijke vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1244
AR-Updates.nl 2016-0483
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

FJ

Zaaknr.: 4828227 RP VERZ 16-50112

Uitspraakdatum: 20 april 2016

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Lab West B.V.,

gevestigd te Den Haag,

verzoekende partij,

verder te noemen: LabWest,

gemachtigde: mr. C. Brederije,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij,

verder te noemen: [verweerder] ,

gemachtigde: jhr. mr. W. van der Meer de Walcheren

1 Het procesverloop

1.1.

LabWest heeft de kantonrechter bij verzoekschrift, bij de griffie ingekomen op 15 februari 2016, verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend. Op 21 maart 2016 heeft LabWest aanvullende producties ingediend.

1.2.

Op 23 maart 2016 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaats gevonden. Beide partijen zijn met hun gemachtigden verschenen, LabWest vertegenwoordigd door de heer [JS] (hierna: [JS] ) en [verweerder] in persoon. Daarbij zijn door beide partijen pleitaantekeningen overgelegd. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt die zich in het procesdossier bevinden.

2 De feiten

2.1.

LabWest is een organisatie die bloed afneemt en analyseert in de regio Den Haag. LabWest is per 30 juni 2011 ontstaan uit een fusie van drie organisaties waaronder de Stichting Regionale Trombosedienst ’s-Gravenhage (hierna: de SRTG).

2.2

[verweerder] is op [2009] in dienst getreden van de SRTG en per [2011] van rechtswege in dienst gekomen van LabWest. Zij is inmiddels werkzaam in de functie van [functie] tegen een salaris dat laatstelijk € [xx] bruto per maand bedroeg, exclusief vakantietoeslag en verdere emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing de CAO Ziekenhuizen.

2.3

[JS] is de leidinggevende van [verweerder] . Haar directe collega’s zijn de heren [GW] (hierna: [GW] ) en [RZ] (hierna: [RZ] ).

2.4

[verweerder] heeft in september 2014 een gesprek met de [functie] , mevrouw [J] (hierna: [J] ), gevoerd waarin zij zich beklaagde over de houding van haar leidinggevende [JS] en de sfeer op de afdeling. In enkele daaropvolgende gesprekken, waaraan ook [JS] deelnam, zijn haar klachten opnieuw besproken. Ook zijn concrete afspraken gemaakt tussen [verweerder] en [JS] over door haar uit te voeren taken.

2.5

Op 1 december 2014 heeft [verweerder] aan mevrouw [AO] , een van de [functie] van LabWest, een brief gestuurd waarin zij haar beklag deed over haar collega [GW] . Zij beklaagde zich in deze brief over onheuse opmerkingen die hij over haar had gemaakt en gaf aan dat zij de sfeer op de afdeling ervoer als agressief, intimiderend, beledigend en onaangenaam. [verweerder] stelde in de brief dat zij het werk niet meer kon opbrengen. Diezelfde dag heeft zij zich ziek gemeld.

2.6

Op advies van de bedrijfsarts, die concludeerde dat er sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding tussen [verweerder] en haar leidinggevende, heeft LabWest vervolgens een mediationtraject gestart. Op 30 maart 2015 is deze mediation zonder resultaat geëindigd. Gedurende de mediation is gebleken dat [verweerder] geen vertrouwen meer heeft in haar naaste collega’s, haar leidinggevende, de HRM-ondersteuning en de directie van LabWest.

2.7

Op 11 september 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [JS] , [verweerder] en de advocaten van partijen. Uitkomst van dat gesprek was dat, althans in de ogen van LabWest, het vertrouwen over en weer nog niet hersteld was maar dat, in een uiterste poging om dat toch nog te bereiken, een nieuw mediationtraject gestart zou worden, waaraan ook [GW] en [RZ] zouden deelnemen. Volgens [verweerder] was dat niet nodig. Zij heeft in dat gesprek benadrukt dat zij graag een volledige dagtaak wil hebben en er stond voor haar – nadat alles was uitgesproken en de lucht geklaard was tussen partijen – niets meer aan werkhervatting in de weg. [verweerder] is uiteindelijk akkoord gegaan met een nieuw mediationtraject.

2.8

Gedurende de tweede mediation heeft [verweerder] haar werkzaamheden verricht. Collega mevrouw [CL] heeft zich bij [JS] over [verweerder] beklaagd nadat door een

e-mailwisseling over een training die [verweerder] zou volgen een conflictueuze situatie was ontstaan. Op 1 december 2015 heeft hierover een gesprek plaatsgevonden, waaraan [verweerder] , [JS] , [J] en mevrouw [CL] hebben deelgenomen. In dat gesprek is tevens met [verweerder] gesproken over de sfeer op de afdeling naar aanleiding van een e-mail van [RZ] aan [JS] van 23 november 2015 waarin hij zich beklaagt over de wijze van communiceren van [verweerder] .

2.9

Het tweede mediationtraject is op 29 januari 2016 zonder resultaat geëindigd.

2.10

[verweerder] is per 8 februari 2016 op non-actief gesteld met behoud van doorbetaling van haar salaris.

3 Het verzoek

3.1.

LabWest verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g dan wel h BW, met toekenning van een transitievergoeding van € 9.511,- bruto.

3.2.

Aan dit verzoek legt LabWest ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – een verstoorde arbeidsverhouding die zodanig is dat van LabWest redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ter onderbouwing daarvan heeft LabWest het volgende naar voren gebracht. [verweerder] heeft geen enkel vertrouwen meer in de organisatie, haar leidinggevende en/of haar collega’s. Zij is achterdochtig, heeft ten onrechte het gevoel dat iedereen tegen haar is en vat alles negatief op. Ook maakt zij meerdere malen onterechte, niet nader onderbouwde en ernstige verwijten richting haar leidinggevende en haar collega’s. De relatie met haar leidinggevende en haar directe collega’s is hierdoor ernstig verstoord geraakt. Deze verstoring is ontstaan nadat [verweerder] door de fusie in een team kwam te werken. De samenwerking verliep vanaf het begin stroef en is in de loop van de tijd alleen maar verslechterd. Geprobeerd is om het diepgewortelde wantrouwen van [verweerder] weg te nemen door het voeren van gesprekken en het volgen van twee mediationtrajecten, die beide zonder resultaat zijn geëindigd. Na de beëindiging van het laatste mediationtraject hebben de beide collega’s evenals de leidinggevende te kennen gegeven dat zij niet meer met [verweerder] willen en kunnen samenwerken. Er is een onwerkbare situatie ontstaan. Voor zover ontbinding op de g-grond niet toewijsbaar zou zijn, doet LabWest een beroep op de h-grond omdat geen vruchtbare samenwerking tussen partijen meer mogelijk is.

4 Het verweer

4.1.

[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Zij voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Zij betwist dat nu nog sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Als [verweerder] haar taken mag verrichten en als er niet door haar collega’s gevloekt wordt op de werkvloer, is het voor haar werkbaar. Zij stelt dat zij niet met alle collega’s bevriend hoeft te zijn om haar werk naar behoren te kunnen doen. Voor zover nog sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding ligt dat aan LabWest. Dat zou reden moeten zijn om het ontbindingsverzoek af te wijzen dan wel [verweerder] bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst een billijke vergoeding toe te kennen. [verweerder] heeft LabWest kwalijk genomen dat haar taken werden afgenomen en dat zij discriminerende opmerkingen over haar uiterlijk moest verdragen. Al haar klachten zijn echter uitgepraat. De tweede mediation was overbodig en heeft slechts een averechts effect gehad op de arbeidsverhouding.

5 De beoordeling

5.1.

Beoordeeld dient te worden of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. De kantonrechter stelt vast dat onderhavig verzoek geen verband houdt met enig opzegverbod.

5.2.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

5.3.

LabWest voert primair aan dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in de verstoorde arbeidsverhouding. Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door LabWest in dat verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden een redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel g, BW. Daartoe wordt het volgende overwogen.

5.4

Vast staat dat de arbeidsverhouding tussen partijen op enig moment verstoord is geraakt. Partijen zijn het erover eens dat de gevoerde gesprekken en de beide ingezette mediationtrajecten niet hebben bewerkstelligd dat het vertrouwen over en weer hersteld is. Partijen trekken echter hieruit tegenovergestelde conclusies: volgens LabWest is de situatie onwerkbaar en volgens [verweerder] is de situatie – onder voorwaarden – werkbaar. [verweerder] heeft tijdens de mondelinge behandeling wel haar onbegrip uitgesproken over het feit dat haar collega’s hebben aangegeven dat zij niet meer met haar kunnen samenwerken, en dat [JS] hen gelooft.

5.5

De kantonrechter leidt uit het hiervoor onder 2.4 tot en met 2.9 geschetste verloop van de gebeurtenissen vanaf september 2014 tot heden en uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling door partijen naar voren is gebracht af dat de arbeidsverhouding tussen partijen nog steeds grondig verstoord is en dat herstel van een vruchtbare samenwerking niet valt te verwachten. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft LabWest zich voldoende ingespannen om tot herstel van de verstoorde arbeidsverhouding te komen. Diverse gesprekken, met inzet van HRM en advocaten, en maar liefst twee mediationtrajecten hebben het onderling vertrouwen over en weer niet hersteld. Weliswaar stelt [verweerder] dat zij in beginsel zonder problemen haar werk kan voortzetten, dit lijkt volstrekt niet realistisch gezien de bittere verwijten die zij LabWest en haar collega’s nog steeds, ook tijdens de mondelinge behandeling, maakt. Bovendien gaat [verweerder] met haar stelling dat zij zelf de situatie wel werkbaar acht, voorbij aan het feit dat LabWest naar voren heeft gebracht dat niet alleen [JS] maar ook [RZ] , [GW] en andere collega’s te kennen hebben gegeven dat zij verdere, vruchtbare samenwerking met [verweerder] uitgesloten achten.

5.6

De kantonrechter is verder van oordeel dat herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is omdat LabWest onweersproken heeft gesteld dat er op dit moment alleen een vacature is voor een functie als medewerker bloedafname trombosezorg, waarvoor een afgeronde verpleegkundige opleiding of het diploma van doktersassistente vereist is. [verweerder] is voor deze functie niet gekwalificeerd.

5.7

De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van LabWest zal toewijzen en dat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW zal worden ontbonden met ingang van 1 juni 2016. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure, waarbij ten minste een maand opzegtermijn resteert.

5.8

De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen, zoals zij heeft verzocht, omdat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van LabWest.

5.9

Wel zal de kantonrechter een transitievergoeding aan [verweerder] toekennen aangezien [verweerder] geen verweer heeft gevoerd tegen het daartoe strekkende verzoek van LabWest. Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt – voor zover hier van belang – dat LabWest aan [verweerder] een transitievergoeding verschuldigd is indien – kort gezegd – de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst op verzoek van LabWest is ontbonden. Ingevolge het vierde lid sub b van dit wetsartikel worden voor de berekening van de duur van de arbeidsovereenkomst een of meer voorafgaande arbeidsovereenkomsten tussen dezelfde partijen, die elkaar met tussenpozen van ten hoogste zes maanden hebben opgevolgd, samengeteld. Dit geldt eveneens indien [verweerder] achtereenvolgens in dienst is geweest bij verschillende werkgevers die ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn. Nu aan de voorwaarden als hiervoor bedoeld is voldaan, heeft [verweerder] gelet op artikel 7:673 lid 2 BW aanspraak op een transitievergoeding van € 9.511,- bruto. LabWest zal worden veroordeeld om dit bedrag aan [verweerder] te voldoen.

5.10

De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding om te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

- ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juni 2016;

- veroordeelt LabWest tot betaling na ontbinding van de arbeidsovereenkomst aan [verweerder] van een bedrag groot € 9.511,- bruto;

- bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.J. Verbeek, kantonrechter en op 20 april 2016 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.